Naar inhoud springen

worth

Uit WikiWoordenboek
enkelvoud meervoud
worth -

[A] worth

  1. waarde
    «He proved his worth
    Hij liet zien wat hij waard was.
stellend vergrotend overtreffend
worth--

[A] worth

  1. predicatief: be ~ waard zijn
    «I wonder what this house would be worth
    Ik vraag me af wat dit huis waard is.
vervoeging
onbepaalde wijs to  worth 
he/she/it  worths 
verleden tijd  worthed 
voltooid
deelwoord
 worthed 
onvoltooid
deelwoord
 worthing 
gebiedende wijs  worth 

[B] worth

  1. onovergankelijk, (verouderd) gebeuren,  overkomen ww  [1]
  2. onovergankelijk, (verouderd)  zijn ww 
    «Who worth that man?»
    Wie is die man?