worth
Uiterlijk
- [A] erfwoord van Angelsaksisch weorþ "van belang, waarde hebbend". Verder van Proto-West-Germaans *werþ,, Proto-Germaans werþaz/*wertha. Verder herkomst onzeker; mogelijk van Indo-Europees wert- ("draaien, keren").
- [B] erfwoord via Middelengels worthen, wurthen, werthen ("zijn/ontstaan/bestaan") van Angelsaksisch weorþan. Verder van Proto-West-Germaans *werþan, Proto-Germaans *werþaną, Indo-Europees wert-
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| worth | - |
[A] worth
- waarde
- «He proved his worth.»
- Hij liet zien wat hij waard was.
- «He proved his worth.»
| stellend | vergrotend | overtreffend |
|---|---|---|
| worth | - | - |
[A] worth
- predicatief: be ~ waard zijn
- «I wonder what this house would be worth.»
- Ik vraag me af wat dit huis waard is.
- «I wonder what this house would be worth.»
| vervoeging | |
|---|---|
| onbepaalde wijs | to worth |
| he/she/it | worths |
| verleden tijd | worthed |
| voltooid deelwoord |
worthed |
| onvoltooid deelwoord |
worthing |
| gebiedende wijs | worth |
[B] worth
- onovergankelijk, (verouderd) gebeuren, overkomen ww [1]
- onovergankelijk, (verouderd) zijn ww
- «Who worth that man?»
- Wie is die man?
- «Who worth that man?»
Categorieën:
- Woorden in het Engels
- Woorden in het Engels van lengte 5
- Woorden in het Engels met audioweergave
- Woorden in het Engels met IPA-weergave
- Erfwoord in het Engels
- Zelfstandig naamwoord in het Engels
- Bijvoeglijk naamwoord in het Engels
- Werkwoord in het Engels
- Onovergankelijk werkwoord in het Engels
- Verouderd in het Engels