Naar inhoud springen

wensen

Uit WikiWoordenboek
  • wen·sen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
wensen
wenste
gewenst
zwak -t volledig

wensen

  1. verlangen, op iets hopen
     ' Burgemeester en Wethouders van Alblasserdam roemden 'zijn houding tegenover zijn superieuren, evenals zijn omgang met aannemers en arbeiders' en schreven dat 'zijn dienstijver in deze jaren niets te wensen overliet'.[1]
  2. op iets hopen voor iemand, toewensen
     Ik wens iedereen wat tijd alleen. Wacht niet tot je een burn-out hebt of in een ernstige situatie bent beland. Zie het eerder als preventie.[2]

dewensenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord wens
     Hij was een sfinx; het was zijn taak om haar wensen uit te voeren en meer niet.[3]
  1.  Kon ons brein maar al onze wensen grijpbaar maken.[4]
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]
  1. Teuntje de Haan
    “Een muur van water” (2018), Em. Querido's Uitgeverij op Wikipedia, ISBN 9789021409375
  2. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  3. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  4. Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789021809526
  5. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be