Naar inhoud springen

vrucht

Uit WikiWoordenboek
  • vrucht
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘ooft, ongeboren jong’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord vrucht vruchten
verkleinwoord vruchtje vruchtjes

devruchtv

  1. (beschrijvende plantkunde) volgroeid vruchtbeginsel van een boom of plant
    • De vruchten van die bomen worden op regelmatige tijdstippen geplukt. 
  2. ongeboren jong van een dier of mens
    • De vrouw ziet er niet zwanger uit, maar de vrucht is er wel degelijk. 
     Ik wilde dat kind terug, de vrucht van mijn schoot, onveranderd, precies zoals hij was, die unieke Frans-Engelse combinatie, die mengeling van Andrew en mij: het langgerekte gezicht van Andrew, zijn blauwe ogen, en mijn wenkbrauwen, mijn kin.[2]
  3. voortbrengsel
     En nu, op de drempel van de volwassenheid, werd ze uitgelachen omdat ze een vrucht aan een Spaanse boom was.[3]
  • aan de vruchten (her)kent men de boom
    • hoe iemand is kan men zien aan hoe hij zich gedraagt
  • ook de beste boom geeft slechte vruchten
    • ook de beste ouders kunnen kinderen hebben die het slechte pad opgaan
  • op dezelfde stam groeien verschillende vruchten
    • kinderen met dezelfde ouders kunnen toch veel van elkaar verschillen
  • verboden vruchten zijn de zoetste
    • verboden dingen zijn vaak het aantrekkelijkst
  • ergens de vruchten van plukken
    • uit iets waar men een tijdlang aan gewerkt heeft zijn voordeel halen
  • van de verboden vrucht eten
    • iets doen dat niet mag
  • zijn vruchten afwerpen
    • succesvol zijn
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[4]