Naar inhoud springen

vertrek

Uit WikiWoordenboek
  • ver·trek
1 enkelvoud meervoud
naamwoord vertrek vertrekken
verkleinwoord vertrekje vertrekjes
2 enkelvoud meervoud
naamwoord vertrek -
verkleinwoord - -

hetvertreko

  1. (bouwkunde), (wonen) een afgesloten deel van een woning
    • Hij verliet het vertrek en begaf zich naar het balkon. 
  2. de actie van het vertrekken of weggaan
    • Zijn vertrek kwam nogal onaangekondigd. 
    • Pakistan International Airlines’ (PIA) vlucht PK702 was afgelopen vrijdag om 21.20 uur klaar voor vertrek naar Islamabad. [3] 
vervoeging van
vertrekken

vertrek

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vertrekken
    • Ik vertrek. 
  2. gebiedende wijs van vertrekken
    • Vertrek! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vertrekken
    • Vertrek je? 
     ) Een paar weken later vertrek ik naar New York.[4]
     Cynths ophanden zijnde vertrek uit ons kleine flatje hing al een tijdje als een onuitgesproken vraag, onheilszwanger, tussen mijn oudste vriendin en mij in.[5]
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[6]