Naar inhoud springen

tel

Uit WikiWoordenboek
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Tel, tel.
  • tel
[1, 2] enkelvoud meervoud
naamwoord tel tellen
verkleinwoord telletje telletjes
[3] enkelvoud meervoud
naamwoord tel tels
verkleinwoord

detelm

  1. zeer korte tijdsduur.
     Wanneer ze een tel is ingedut en haar gezicht eindelijk weer iets kinderlijks krijgt, met een lief onderkinnetje en al.[2]
     In een tel zat ik rechtop.[2]
  2. seconde
  3. (Jiddisch-Hebreeuws) ruïneheuvel, gevormd door opeenvolgende lagen van bewoning
vervoeging van
tellen

tel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tellen
    • Ik tel. 
  2. gebiedende wijs van tellen
    • Tel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tellen
    • Tel je? 
     What happened daar op dat eiland? Ben je soms verliefd?' Ik houd wijselijk mijn mond en tel de toppen van de cipressen in de tuin van het hotel.[2]
     ' Verontwaardigd sla ik mijn armen over elkaar en tel tot tien, een trucje dat ik mezelf heb geleerd om te voorkomen dat ik ontplof of implodeer - beide niet goed voor mijn gezondheid en omgeving.[3]
98 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[4]
  1. Stichting Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands
  2. 1 2 3
    Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  3. Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be


  enkelvoud meervoud
  mannelijk   tel tels
  vrouwelijk   telle telles

tel

  1. gelijkaardig
  2. zodanig