Naar inhoud springen

start

Uit WikiWoordenboek
  • start
enkelvoud meervoud
naamwoord start starts
verkleinwoord startje startjes

destartm

  1. (sport) begin van een wedstrijd
    • De start van de competitie. 
  2. (bij uitbreiding) aanvang, begin, eerste fase van iets in het algemeen
     Na een aarzelende start van Lobbes spoorde ik Lot aan om te zeggen hoe zij zich voelde.[2]
     Maar ik wil graag een nieuwe start maken.[3]
     De familie zette ons die middag af bij de start van onze route en nam hartelijk afscheid van ons.[4]
vervoeging van
starten

start

  1. enkelvoud tegenwoordige tijd van starten
  2. gebiedende wijs van starten
     Daarna start de muziek en begint iedereen mee te zingen en met zijn armen te zwaaien.[5]
     Ook mijn treinreis start op precies hetzelfde tijdstip: morgen om 09.[6]
     Zo meteen start het aperitief.[6]
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[7]
  1. start op website: Etymologiebank.nl
  2. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  3. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  4. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  5. Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  6. 1 2 “De Camino” (2021), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024582280
  7. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

start

  1. start
  • start

start

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd aanvoegende wijs van starten: start
enkelvoud meervoud
start starts

start

  1.  aanvang zn  ,  begin zn , start [2]
vervoeging
onbepaalde wijs to  start 
he/she/it  starts 
verleden tijd  started 
voltooid
deelwoord
 started 
onvoltooid
deelwoord
 starting 
gebiedende wijs  start 

start

  1. overgankelijk  beginnen ww  [2], in gang zetten, initiëren,  starten ww  [1]
  2. onovergankelijk een aanvang nemen,  beginnen ww  [3], van start gaan
    «The rain started at 9:00.»
    Om 9:00 begon het te regenen.

start

  1. start
  • start
  • Afkomstig uit het Engels.

start

  1. gebiedende wijs van starte

start m

  1. start
  2. startfase
o enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   start     starten     starter     startene  
genitief   starts     startens     starters     startenes  
  • [1]: stille til start (delta)
deelnemen
  • [1]: få start på (få i gang)
aan de praat krijgen
  • start
  • Afkomstig uit het Engels.

start

  1. gebiedende wijs van starta

start

  1. gebiedende wijs van starte

start m

  1. aanvang, begin, start
  2. startfase
o enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   start     starten     startar     startane  
genitief                        
  • start
  • Leenwoord uit het Engels

start m

  1. begin, start
  • start
  • Leenwoord uit het Engels

start monbezield

  1. start, begin; de plek waar iets begint
    «Na start závodu dorazily stovky sportovců.»
    Aan de start van de wedstrijd verschenen honderden sporters.
  2. start, begin; het tijdpunt wanneer iets begint
    «Ředitel popřál všem učitelům úspěšný start nového školního roku.»
    De directeur wenste alle leraren een succesvolle start van het nieuwe schooljaar.
  3. het opstijgen
  1. počátek monbezield
  2. počátek monbezield, zahájení o, spuštění o, nastartování o
  3. odlet monbezield, vzlet monbezield
  1. konec monbezield, cíl monbezield
  2. konec monbezield, ukončení o, závěr monbezield
  3. přistání o