Naar inhoud springen

skim

Uit WikiWoordenboek
  • skim
vervoeging van
skimmen

skim

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van skimmen
    • Ik skim. 
  2. gebiedende wijs van skimmen
    • Skim! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van skimmen
    • Skim je? 


enkelvoud meervoud
skim skims

skim

  1. (dun) laagje
  2. glijpartij, het glijden
  3. iets dat is afgeschuimd/afgeroomd
vervoeging
onbepaalde wijs to  skim 
he/she/it  skims 
verleden tijd  skimmed 
voltooid
deelwoord
 skimmed 
onvoltooid
deelwoord
 skimming 
gebiedende wijs  skim 

skim

  1. onovergankelijk glijden/scheren langs
  2. onovergankelijk een dun laagje om zich heen hebben
  3. overgankelijk afschuimen
  4. overgankelijk afromen
  5. overgankelijk van een dun laagje voorzien