Naar inhoud springen

schoon

Uit WikiWoordenboek
  • schoon
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen schoonschonerschoonst
verbogen schoneschonereschoonste
partitief schoonsschoners-

schoon

  1. mooi, loffelijk (vooral in Vlaanderen en Limburg)
    • Iets in schoon Vlaams zeggen. 
  2. net, proper, rein, milieuvriendelijk (vooral in Nederland)
     ' Verbaasd zei Olive: 'Teresa? Die redt zich wel ' In het begin was Teresa om de dag gekomen om te koken en schoon te maken.[5]
     Het afwaswater werd tijdens het eten op het vuur verwarmd waarmee ik na de maaltijd de aangekoekte pannen schoon schrobde.[6]
     “De kamers in mijn logement waren schoon en comfortabel.[5]

x

  • De kans schoon zien
De goede gelegenheid om een bepaald doel te bereiken aangrijpen
  • De schone taak hebben om
Iets belangrijks voor elkaar moeten zien te krijgen
  • Er schoon genoeg van hebben
Het beu, zat zijn

schoon

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord proper, gereinigd

schoon

  1. (verouderd) hoewel, ofschoon
    • Jantje zag eens pruimen hangen,
      O! als eieren zo groot.
      't Scheen, dat Jantje wou gaan plukken,
      Schoon zijn vader 't hem verbood.
        [7]
vervoeging van
schonen

schoon

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schonen
    • Ik schoon. 
  2. gebiedende wijs van schonen
    • Schoon! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van schonen
    • Schoon je? 
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[8]