Naar inhoud springen

ruw

Uit WikiWoordenboek
  • ruw
  • In de betekenis van ‘ruig’ voor het eerst aangetroffen in 1199 [1] [2]
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen ruwruwerruwst
verbogen ruweruwereruwste
partitief ruwsruwers-

ruw

  1. oneffen, niet glad
    • Een ruw oppervlak veroorzaakt veel wrijving. 
     De steen is ruw en ribbelig, als de wang van Emil wanneer hij zich een dag niet had geschoren.[3]
     Zijn handen zijn ruw van het eelt en hij heeft een prettig soort energie van iemand die volkomen geaard is, die weet wie hij is.[4]
  2. grof [3], lomp [1]
    • Die ruwe kerel gaf hem een pak rammel. 
     Misschien heb ik Jos te veel in een mal gedrukt? Zozeer dat er geen enkele andere uitweg was dan zich ruw bewegen waardoor het gips zou breken en de echte Jos eronder vandaan kon komen? Ik zie het opeens voor me.[4]
  3. niet nauwkeurig, grof [5]
    • Een ruwe schatting. 
vervoeging van
ruwen

ruw

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruwen
    • Ik ruw. 
  2. gebiedende wijs van ruwen
    • Ruw! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ruwen
    • Ruw je? 
99 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[5]