limer
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| limer |
limais |
limé |
| eerste groep | volledig | |
limer
- overgankelijk vijlen, iets met een vijl bewerken
- (spreektaal) een flinke wip maken
- «On a limé toute la nuit.»
- We hebben de hele nacht liggen wippen. [1]
- «On a limé toute la nuit.»