Naar inhoud springen

kostuum

Uit WikiWoordenboek
  • kos·tuum
enkelvoud meervoud
naamwoord kostuum kostuums
verkleinwoord kostuumpje kostuumpjes

hetkostuumo

  1. (kleding) de kleding van iemand die bij een bepaalde activiteit, een ambt of een toneelrol hoort
    • Wat een mooi kostuum heb je aan! 
  2. (kleding) een stel kleren, een jas, een broek en een vest voor mannen
    • We moesten daar in kostuum heen. 
     Nog zo'n typerende zwart-wit-foto is een groepsportret van een stel muzikanten uit Assen. Samen stonden ze bekend als de Showboot, een soort revuegezelschap waarmee ze langs feestzalen gingen. Harry Muskee staat in het midden in zwart kostuum. Hij heeft een grote bas voor zich, de handen op de snaren. Hij kijkt broeierig, hij heeft de blues. Het was op de drempel van de sixties.[4]
  • costuum (variant in de officiële spelling tot 1864/83)
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]