Naar inhoud springen

klop

Uit WikiWoordenboek
  • klop
enkelvoud meervoud
naamwoord klop kloppen
verkleinwoord klopje klopjes

deklopm [3] [4]

  1. hoorbare slag
     Olive hoorde een zachte klop op de zolderdeur en ze ging rechtop zitten.[5]
  2. nederlaag of pak slaag
vervoeging van
kloppen

klop

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kloppen
    • Ik klop. 
  2. gebiedende wijs van kloppen
    • Klop! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kloppen
    • Klop je? 
     Dan duw ik mezelf omhoog tot ik zit en ik klop het stof van mijn broek.[6]
     Ik klop naast me op het bankje.[6]
     Ik kies voor een middenweg en klop ferm op de deur.[7]

klop

  1. het geluid dat ontstaat door met een vingergewricht tegen een hard oppervlak te tikken
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[8]
stamtijd
infinitief voltooid
deelwoord
klop
geklop
volledig

klop

  1. kloppen
    «Ek het geklop aan 'n deur in 'n donker straat agter die teater.»
    Ik klopte op een deur in een donkele straat achter het theater.