Naar inhoud springen

hemel

Uit WikiWoordenboek
  • he·mel
1. enkelvoud meervoud
naamwoord hemel hemels
verkleinwoord hemeltje hemeltjes
2. enkelvoud meervoud
naamwoord hemel hemelen
verkleinwoord

dehemelm

  1. lucht, onmetelijke ruimte die overal op aarde bovenaan zichtbaar is
     Een strakblauwe hemel domineert in het blikveld, het is alsof de sparren respectvol uit zicht blijven. De weldaad van een kale vlakte volgt.[2]
     Met mijn luchtbed op het grondzeil kroop ik mijn slaapzak in en keek omhoog naar de sterren in de hemel.[3]
  2. (religie) de gelukzalige toestand of plaats waar God verblijft of de goden verblijven, waar mensen na de dood heen kunnen gaan
    • Hij stapt over het lijk heen, nog steeds gebukt, je weet eigenlijk niet waarom je dat doet, want kogels vang je overeind net zo goed op als gebogen, maar het is een reflex om ze zo min mogelijk houvast te bieden, alsof je de hele tijd bang bent voor de hemel als je oorlog voert. [4] 
  3. (figuurlijk) een zeer aangename plek of toestand
    • Het kunnen ontmoeten van je held is de hemel 
     De hemel van de zomer verjaagt het zuur van de stad, zong Charles Trenet al: 'Wij zijn gelukkig, Route Nationale 7.'[5]
  4. baldakijn
  • hemel en aarde bewegen
alles doen om iets te bewerkstelligen
 'Nu ze in Prizzi weten dat er morgen een beroemd actrice komt die wifi nodig heeft, zullen ze hemel en aarde bewegen om dat voor elkaar te krijgen.[6]
 Dokter De Jager heeft hemel en aarde moeten bewegen om jou eerder op de lijst te krijgen.[6]
  • iets of iemand de hemel in prijzen
zeggen dat iets of iemand heel goed is
  • de sterren van de hemel zingen
heel goed zingen
  • als donderslag bij heldere hemel
heel onverwacht
 Mensen zijn van slag en geschokt. Na een maand waarin iedereen verwachtte dat het zou gaan gebeuren, waren we er zo'n beetje over uit dat die nog best een tijd vol zou kunnen houden. Dit is een donderslag bij heldere hemel en Rome zal vandaag in rouw zijn."[7]
vervoeging van
hemelen

hemel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hemelen
    • Ik hemel. 
  2. gebiedende wijs van hemelen
    • Hemel! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hemelen
    • Hemel je? 
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[8]
  1. "hemel" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. Bronlink Weblink bron
    Rob Gollin
    “De helling van de mooie meisjes knijpt de renner de keel dicht” (10 juli 2019), de Volkskrant
  3. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. Lemaitre, Pierre
    "Tot ziens daarboven" 2014 ISBN 9789401601931 pagina 19
  5. Bronlink Weblink bron
    Peter Giesen
    “Route Nationale 7, leuker dan de Route du Soleil” (30 juli 2014), de Volkskrant
  6. 1 2
    Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  7. Bronlink geraadpleegd op 21 april 2025 Weblink bron “Bedroefde reacties op dood van paus: 'Miljoenen mensen geïnspireerd'” (21 april 2025), NOS
  8. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

hemel

  1. hemel

hemel

  1. hemel