Naar inhoud springen

hard

Uit WikiWoordenboek
  • hard
  • In de betekenis van ‘moeilijk samen te drukken, te verbrijzelen, te buigen; luid, meedogenloos’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1]
stellendvergrotendovertreffend
onverbogen hardharderhardst
verbogen hardeharderehardste
partitief hardsharders-

hard

  1. stevig, een uitwendige kracht onverzettelijk weerstaand
    • Diamant is de hardste stof bekend aan de wetenschap. 
  2. psychologisch tegen veel bestand, voor niets terugdeinzend
    • Dat is een harde kerel. 
  3. streng
    • Een hard oordeel. 
  4. krachtig
     Maar om te zorgen dat de boog niet instortte in de harde wind moest je een vakwerk van hout en planken bouwen dat vanaf de bodem van het dal omhoogging — er waren enorme hoeveelheden hout nodig om de ondersteuning sterk genoeg te maken.[2]
  5. met grote geluidssterkte
    • Hij had last van de harde muziek van zijn buren. 

hard

  1. met veel inzet en energie
     Isaac is dood en de helft van het dorp denkt dat ik het heb gedaan; ik kan hier niet blijven.'Je overleeft het wel,' zei Harold. 'Alstublieft, señor, ik heb hard gewerkt. Ik ben onschuldig.'[3]
     Na twintig jaar hard werken in glimmende kantoorgebouwen had ik behoefte aan meer natuur en avontuur.[4]
     Studenten en promovendi met veel kennis van onder meer kritieke grondstoffen zijn hard nodig voor de energietransitie, zegt men ook buiten de muren van de VU. De ongeveer tachtig bachelor- en masterstudenten die de studie in Amsterdam jaarlijks trekt, zijn harder nodig dan ooit, klinkt het. Ook bijvoorbeeld voor de opslag van CO2 onder de grond en kustbescherming is hun kennis nodig.[5]
  2. met grote snelheid
    • Hij kan heel hard lopen. 
     De ontwikkelingen gaan hard en dat betekent dat de Europese auto-industrie het de komende jaren nog knap lastig kan krijgen. "Een Duits autobedrijf doet er ongeveer vijf tot zeven jaar over om een nieuw automodel te ontwikkelen. Sommige Chinese merken doen het in minder dan een jaar", zegt Van Dillen.[6]
  • [1]: hard als steen
  • Te hard van stapel lopen
  • [2]: ergens hard aankomen
  • Hard tegen hard gaan
niemand die wil toevoegen en er beide voor gaan om te winnen
  • Hard van stapel lopen
nu te veel willen
  • Beter hard geblazen dan de mond gebrand
het is beter dat men zich inspant dan dat er door slordigheid of luiheid een ongeluk gebeurt/iets fout gaat
  • Een hard gelag zijn
iets is moeilijk te dragen
  • Een harde dobber (zijn/worden)
niet gemakkelijk (zijn/worden)
  • Een harde noot kraken
dingen bespreken die moeilijk liggen ofwel: een moeilijk karwei doen
vervoeging van
harden

hard

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van harden
    • Ik hard. 
  2. gebiedende wijs van harden
    • Hard! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van harden
    • Hard je? 
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[7]
  1. "hard" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer)
    “Kop in het zand” (2015), Uitgeverij Prometheus op Wikipedia, ISBN 9789044628142
  3. Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  4. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  5. Bronlink geraadpleegd op 6 mei 2025 Weblink bron
    Sven Schaap
    “Werkveld luidt noodklok op actiedag tegen verdwijnen aardwetenschappen VU” (6 mei 2025), NOS
  6. Bronlink geraadpleegd op 24 april 2025 Weblink bron
    Aïda Brands
    “Chinese elektrische auto's booming in Europa ondanks heffingen” (24 april 2025), NOS
  7. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
stellend vergrotend overtreffend
hardharderhardest

hard

  1. ingewikkeld, lastig, moeilijk
  2. veeleisend, zwaar [2]

hard

  1. paal
  2. (sport) harde band van een raceauto
  3. (informeel) cocaïne
  4. (informeel) hard werk, zware arbeid

hard m

  1. (spreektaal) pornofilm [1]
  2. (spreektaal) hardrock [1]
  3. (spreektaal) elektronische apparaten, hardware [1]

hard

  1. (spreektaal) moeilijk, pijnlijk
    «Trop hard l’exo de c’matin!»
    Die oefening van vanochtend was echt moeilijk! [1]
  • hard
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord harðr.
Naar frequentie 1936
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald
(sterk)
m/v enkelvoud hard hardere hardest
o enkelvoud hardt
meervoud harde
bepaald
(zwak)
enkelvoud en
meervoud
harde hardere hardeste

hard

  1. hard
  2. flink, fors
  3. streng, bar
  • [1]: hardt metall
hardmetaal
  • [1]: hard som stein
keihard
  • hard
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord harðr.
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald
(sterk)
m/v enkelvoud hard hardare hardast
o enkelvoud hardt
meervoud harde
bepaald
(zwak)
enkelvoud en
meervoud
harde hardare hardaste

hard

  1. hard
  2. flink, fors
  3. streng, bar
  • [1]: hardt metall
hardmetaal
  • [1]: hard som stein
keihard