haal
Uiterlijk
- haal
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | haal | halen |
| verkleinwoord | haaltje | haaltjes |
de haal m
- een heftige beweging met de gehele arm of poot
- De kat gaf hem een haal in zijn gezicht.
- een onbeheerste streep met potlood of pen
- De leraar zette een grote haal door de spelfout.
- Met iets aan de haal gaan
Iets inpikken er dan mee vandoor gaan; iets exclusief voor zichzelf kapen
- • Het kind ging met de snoepjes aan de haal.
- • Met een onderwerp aan de haal gaan.
| vervoeging van |
|---|
| halen |
haal
- Het woord haal staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "haal" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
| 95 % | van de Vlamingen.[2] |
- 1 2 Marion Pauw e.a.“4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 4
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 1 lettergreep in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- WikiWoordenboek:Pagina's die ISBN magische koppelingen gebruiken
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 100 %
- Prevalentie Vlaanderen 95 %