Naar inhoud springen

haal

Uit WikiWoordenboek
  • haal
enkelvoud meervoud
naamwoord haal halen
verkleinwoord haaltje haaltjes

dehaalm

  1. een heftige beweging met de gehele arm of poot
    • De kat gaf hem een haal in zijn gezicht. 
  2. een onbeheerste streep met potlood of pen
    • De leraar zette een grote haal door de spelfout. 
  • Met iets aan de haal gaan
Iets inpikken er dan mee vandoor gaan; iets exclusief voor zichzelf kapen
 Het kind ging met de snoepjes aan de haal. 
 Met een onderwerp aan de haal gaan. 
vervoeging van
halen

haal

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van halen
    • Ik haal. 
  2. gebiedende wijs van halen
    • Haal! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van halen
    • Haal je? 
     Ik haal een laatste doekje over de tafel wanneer de deurbel gaat.[1]
     Er zit geen vraagteken achter de zin, het klinkt eerder als een bevel, maar toch haal ik mijn boeking tevoorschijn.[1]
100 %van de Nederlanders;
95 %van de Vlamingen.[2]
  1. 1 2
    Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be