glace
Uiterlijk
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord |
| glace | la glace | glaces | les glaces |
glace v
- (natuurkunde) ijs [1]
- L'eau devient la glace à zéro degrés. = Water wordt ijs bij nul graden.
- (voeding) ijsje
- Il mange une bonne glace. = Hij eet een lekker ijsje.
- (meubel) (optica) spiegel
- L'enfant regarde dans la glace. = Het kind kijkt in de spiegel.
- [3] armoire à glace