geslepen
Uiterlijk
- ge·sle·pen
- In de betekenis van ‘sluw’ voor het eerst aangetroffen in 1599 [1]
- vervoeging van slijpen: de stam met omvoegsel ge- -en en een klinkerwisseling ij-ee (IPAː /ɛi/ - /e/)
| vervoeging van: | slijpen… |
| geen verbogen vorm | |
geslepen
- voltooid deelwoord van slijpen
| stellend | vergrotend | overtreffend | |
|---|---|---|---|
| onverbogen | geslepen | geslepener | geslepenst |
| verbogen | geslepenste | ||
| partitief | geslepens | geslepeners | - |
geslepen [2]
- een scherp onderscheidingsvermogen bezittend voor eigen voordeel
- Geslepen zijn
Stoett-666 [3]
- Het woord geslepen staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "geslepen" herkend door:
| 98 % | van de Nederlanders; |
| 98 % | van de Vlamingen.[4] |
- ↑ "geslepen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ www.dbnl.org
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 8
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- WikiWoordenboek:Pagina's die ISBN magische koppelingen gebruiken
- Voltooid deelwoord met ge- -en
- Werkwoordsvorm in het Nederlands
- Bijvoeglijk naamwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 98 %
- Prevalentie Vlaanderen 98 %