Naar inhoud springen

enkel

Uit WikiWoordenboek
[1] enkel
  • en·kel
  • In de betekenis van ‘voetgewricht’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1351 [1]
  • In de betekenis van ‘alleen, enig in zijn soort’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1351 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord enkel enkels
verkleinwoord enkeltje enkeltjes

deenkelm

  1. m (anatomie) gewricht dat de voet met het been verbindt
     'Met deze voet zal ik jullie niet meer kunnen gidsen,' zegt Giorgos, die zijn schoen inmiddels heeft uitgetrokken. Zijn enkel is dik en paars geworden.[2]
     Vanwege het gebrek aan steun echter moesten mijn enkels erg wennen aan het oneffen terrein.[3]
  2. o (sport) enkelspel
stellend
onverbogen enkel
verbogen enkele

enkel

  1. niet dubbel, bijvoorbeeld enkel spoor, enkele reis


enkel

  1. niet dubbel
  2. alleen maar
     Stilletjes had ik geknikt, ik schaamde me dat hij enkel voor mijn matras naar de beddenzaak was gekomen.[2]

enkel

  1. weinig, een paar
    • Er valt vandaag een enkele bui. 
    • Enkele vragen hebben. 
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]
  1. 1 2 "enkel" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. 1 2
    Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  3. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
  • en·kel
  • Afkomstig van het Nederduits
Naar frequentie 2264

enkel

  1. enkel, simpel, sober
  2. bescheiden, natuurlijk
    «Prinsessen var kledt i en enkel kjole.»
    De prinses was kledt in een eenvoudige jurk.
  3. zonder extra kosten.
  4. eenvoudig, gemakkelijk
    «Maskinen er enkel å betjene.»
    De machine is eenvoudig te bedienen.
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald
(sterk)
m/v enkelvoud enkel enklere enklest
o enkelvoud enkelt
meervoud enkle
bepaald
(zwak)
enkelvoud en
meervoud
enkle enklere enkleste
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   enkel              


  • en·kel
  • Afkomstig van het Nederduits.

enkel

  1. enkel, simpel, sober
  2. bescheiden, natuurlijk
  3. zonder extra kosten.
  4. eenvoudig, gemakkelijk
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald
(sterk)
m/v enkelvoud enkel enklare enklast
o enkelvoud enkelt
meervoud enkle
bepaald
(zwak)
enkelvoud en
meervoud
enkle enklare enklaste
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   enkel              
genitief                


  • en·kel
  • Afkomstig van het Oudzweedse woord "enkil"
Naar frequentie 2180
A: nominatief stellend vergrotend overtreffend
onbepaald /
sterk
g enkelvoud enkel enklare enklast
o enkelvoud enkelt
meervoud enkla
bepaald / zwak
alle vormen enkla enklare enklaste
bep. enkelvoud bij een
mannelijke persoon of
een mannelijk dier ook:
enkle
B: genitief stellend vergrotend overtreffend
onbepaald /
sterk
g enkelvoud enkels enklares enklasts
o enkelvoud enkelts
meervoud enklas
bepaald / zwak
alle vormen enklas enklares enklastes
bep. enkelvoud bij een
mannelijke persoon of
een mannelijk dier ook:
enkles

enkel

  1. enkel, eenvoudig, gemakkelijk
  2. bescheiden, eenvoudig, natuurlijk, schamel, simpel, sober, zonder extra kosten
  3. niet dubbel of meervoudig
  • [1]: ett enkelt problem
een eenvoudig probleem
  • [2]: enkel husmans­kost
eenvoudig burgerkost