Naar inhoud springen

ei

Uit WikiWoordenboek
  • ei
  • In de betekenis van ‘vrouwelijke geslachtscel, kiem’ aangetroffen vanaf 1230.[1][2]
  • Middelnederlands: ei, ey, mv eyere o
    Oudnederlands: ei
    Germaans: *ajją (genitief *ajjaz ~ *ajjiz) (mv + -en)
    Indo-Europees: *h₂ōu̯-i̯ó-m lett. ‘bij de vogel behorend’, een vṛddhi-afleiding bij *h₂éu̯is ‘vogel’
    • Germaanse verwanten:
    West: Oudsaksisch/Oudhoogduits ei (Nederduits/Duits Ei o, mv Eier), Fries aai, Oudengels ǣġ (Middelengels ey, mv eyren)
    Noord: Oudnoords egg (Zweeds ägg, Deens æg, Noors/Nynorsk egg)
    Oost: Krimgotisch ada
    • Indo-Europese verwanten:
    Servokroatisch: jájce
    Welsh: ŵy
    Latijn: ōvum
    Oudgrieks: ōión (ᾠόν) o
    Oudarmeens: ju (ձու)
    Avestisch: aēm
  • tw van Middelnederlands  ei tw  /  ey tw , in de betekenis van ‘uitroep van verrassing’ aangetroffen vanaf 1566 [5] [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord ei eieren
verkleinwoord eitje eitjes, eiertjes

heteio

betekenissen geordend van meest gangbaar naar meest omvattend
  1. (voeding) dierlijk voedingsmiddel voor de mens in een schaal
    • Ik lust wel een lekker zachtgekookt ei. 
     De kippen kakelden in hun nestkast als ze een ei hadden gelegd, en het rook er naar olie en teer.[6]
     Haar fles cannabisolie stond doodleuk tussen de mayo en de eieren in de ijskast.[7]
  2. (dierkunde) (vogels) ovaal voorwerp met harde schaal waarin een kuikentje groeit
    • De kip zat op een ei te broeden. 
  3. (dierkunde) min of meer ronde huls met daarin een embryo en voedingsstoffen, zoals die door vrouwelijke dieren wordt gelegd of afgezet
    • Een kruisspin maakt een cocon om haar eitjes te beschermen. 
  4. (plantkunde) haploïde cel in de zaadknop
  5. (biologie) vrouwelijke kiemcel die met de mannelijke samensmelt voor de voortplanting
    • Het eitje komt vrij bij de eisprong. 
[2] termen uit de ornithologie:

+

ei!

  1. (verouderd) uitroep van verbazing oei, o!
    • "Ei, ei!" riep hij op een' spottenden toon uit, "wildet gij dan, dat het nijmphen, of godinnen waren, of toovergodinnen, zoo als gij ze noemt?"[8] 
  • ei zo na
op een haartje na, bijna, net niet
  1. «Zij belandde ei zo na onder een vrachtwagen.»
    Zij belandde op een haar na onder een vrachtwagen.
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[9]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. 1 2 "ei" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  3. ei op website: Etymologiebank.nl
  4. Kroonen
    , Guus, Etymological Dictionary of Proto-Germanic, Leiden: Brill, 2013; blz. 17
  5. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  6. Teuntje de Haan
    “Een muur van water” (2018), Em. Querido's Uitgeverij op Wikipedia, ISBN 9789021409375
  7. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  8. blz 254 Herman of Natuur en Beschaving. H.G. Mokke 1833
  9. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be

ei

  1. nee

ei

  1. niet

ei

  1. nee

ei

  1. (archaïsch) niet
  • IPA: /ˈɛ.jiː/
enkelvoud meervoud
mannelijk vrouwelijk onzijdig mannelijk vrouwelijk onzijdig
nominatief iseaid, eaeea
accusatief eumeameōseās
genitief eiuseōrumeārumeōrum
datief eīs, iīs
ablatief

ĕī

  1. zij; deze/die (nominatief mannelijk meervoud van de derde persoon)
  2. aan/voor hem; aan/voor deze/die (datief mannelijk enkelvoud van de derde persoon)
  3. aan/voor haar; aan/voor deze/die (datief vrouwelijk enkelvoud van de derde persoon)
  4. eraan, ervoor; hieraan/hiervoor, daaraan/daarvoor (datief onzijdig enkelvoud van de derde persoon)

ei

  • IPA: ɪ/ (Etsbergs)

ei o

  1. ei.
Telwoord (nno)
0
1
1
1
11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400 1012
5 15 50 500 1015
6 16 60 600 1018
7 17 70 700 1021
8 18 80 800 1024
9 19 90 900 1027

ei

  1. een
  • ein (voor mannelijke en vrouwelijke woorden)
  • ett (voor onzijdige woorden)

ei

  1. water