dak
Uiterlijk

- dak
- erfwoord via Middelnederlands dac van Oudnederlands thak, in de betekenis van ‘bedekking van huis’ aangetroffen vanaf de tweede helft van de 12e eeuw [1] [2] [3]
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | dak | daken |
| verkleinwoord | dakje | dakjes |
het dak o
- (bouwkunde) het deel dat een gebouw aan de bovenkant bedekt en bescherming biedt tegen het weer
- Door de hevige storm stortte het dak in.
- ▸ Uw witte schimmel is zwaar ziek, het zal zeker zes weken duren voordat hij weer beter is. En het is het enige paard dat over de daken kan rijden!'[4]
- ▸ Een zwart-wit beeld uit de jaren vijftig van de vorige eeuw: regen op het Lodewijk Napoleonplein in Assen, een man met een paraplu laat zijn honden uit, huizen van baksteen onder steile driehoekige daken. Er is maar een verbinding met het beeld van de schamele behuizingen in Tutwiler, Mississippi: de blues.[5]
|
|
|
|
- Uit z'n dak gaan
Zeer boos of zeer vrolijk worden.
- iets op je dak krijgen
ergens de schuld van krijgen
- iets van de daken schreeuwen
iets overal bekend maken
- De speelman zit nog op het dak
gezegd van jonggetrouwde lieden, die nog in de wittebroodsweken zijn; de eerste vreugde is nog niet geheel voorbij, de muzikanten bevinden zich als het ware nog op het dak [6]
- Een gouden dak op het huis hebben
wonen in een huis dat gebouwd is met geleend geld
- Een zilveren dak op het huis hebben
wonen in een huis dat gebouwd is met geleend geld
- Er is (te veel) dak op 't huis
er zijn te veel ongewenste toehoorders in de nabijheid en het is raadzaam om voorzichtig te zijn in het spreken [7]
- Onder dak zijn
goed geborgen zijn [8]
1. deel dat een gebouw aan de bovenkant bedekt en bescherming biedt tegen het weer
- Het woord dak staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "dak" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
| 100 % | van de Vlamingen.[9] |
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
- ↑ Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
- ↑ Oudnederlands Woordenboek
- ↑ dak op website: Etymologiebank.nl
- ↑ “Het hele jaar rond: van Sinterklaas tot Sintemaarten” (1973), Lemniscaat
, p. 11 - ↑
Weblink bron “Window of my eyes: Harry Muskee en de verloren tijd” (zaterdag 16 januari 2016, 13:44), NOS - ↑ www.dbnl.org
- ↑ www.dbnl.org
- ↑ www.dbnl.org
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
- (verkorting) van d'accord
dak
dak
dak
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 3
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 1 lettergreep in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Erfwoord in het Nederlands
- Zelfstandig naamwoord in het Nederlands
- Bouwkunde in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 100 %
- Prevalentie Vlaanderen 100 %
- Woorden in het Frans
- Woorden in het Frans van lengte 3
- Woorden in het Frans met audioweergave
- Verkorting in het Frans
- Tussenwerpsel in het Frans
- Chattaal in het Frans
- Woorden in het Indonesisch
- Bijwoord in het Indonesisch
- Woorden in het Nedersaksisch
- Zelfstandig naamwoord in het Nedersaksisch