chiper
Uiterlijk
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| infinitief | verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| chiper |
chipais |
chipé |
| eerste groep | volledig | |
chiper
- (spreektaal) pikken, jatten, achterover drukken
- «Nadine a chipé ce foulard.»
- Nadine heeft die halsdoek gepikt. [1]
- «Nadine a chipé ce foulard.»