Naar inhoud springen

bom

Uit WikiWoordenboek
  • bom
[A], [B],
[C] + [D]
enkelvoud meervoud
naamwoord bom bommen
verkleinwoord bommetje bommetjes

[A]debomv/m

  1. (militair) vernietigingstuig dat gevuld is met explosieven
    • Er is recentelijk weer een bom op een Pakistaanse stad gegooid. 
     Pas toen een bom van vijfhonderd kilo tweeënvijftig mensen in één gebouw in Malaga doodde en in het Regina Hotel een meisje haar beide benen verloor op de avond voor haar trouwen, werden ze wakker geschud uit hun verdoving.[2]
     Het bijzondere aan alleen reizen is dat je nieuwe mensen ontmoet. Thuis verkeerde ik meestal in mijn vertrouwde kringetjes. Na drie weken alleen te hebben gelopen, kwam ik op een dag bij een beekje vier jongens tegen die languit in het stof lagen uit te rusten. Het leek alsof er een bom was ontploft want er lag van alles op de grond om hen heen.[3]
  2. (figuurlijk) primeur, sensatie
    • De bom barstte. 
  3. (figuurlijk)heftige, plotselinge, schadelijke gebeurtenis
     Ze zag er misselijk uit, alsof ze wachtte tot de bom zou ontploffen.[2]
     De woorden vielen als een bom tussen hen in.[2]
  • [2]: De bom is gesprongen (gebarsten)
Het geheim is uitgekomen, of het al verwachte probleem heeft zich aangediend [4]
 'Ze heeft een bom laten barsten en daarover zullen we in godsnaam met elkaar moeten praten.[5]
  • Het kan me niet(s) bommen
't kan me niet(s) schelen [6]
  • [2]: Het nieuws sloeg in als een bom
Iedereen was er verbijsterd over
  • [2]: Na een dag barstte de bom
toen konden ze zich niet langer inhouden
vervoeging van
bommen

[A] bom

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bommen
    • Ik bom. 
  2. gebiedende wijs van bommen
    • Bom! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van bommen
    • Bom je? 

[B]debomv

  1. vrouw die ervoor gekozen heeft om zonder partner kinderen groot te brengen

[C]debomv

  1. (scheepvaart) vissersboot

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als zelfstandig naamwoord met deze betekenis.

[D]debomv

  1. stop van een vat

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als bijvoeglijk naamwoord

[E] bom

  1. (Jiddisch-Hebreeuws) goed(e) (alleen in onderstaande verbindingen)
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[7]
  1. "bom" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  2. 1 2 3
    Jessie Burton vert. Marja Borg
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  3. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. www.dbnl.org
  5. Ronald Giphart e.a.
    “Een familie en een Griekse god” (2023), The House of Books, ISBN 9789044366471
  6. www.dbnl.org
  7. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
  • bom

bom

  1. (militair) bom, vernietigingstuig dat gevuld is met explosieven
  • bom
Naar frequentie 6863
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   bom     bommen     bommer     bommene  
genitief   boms     bommens     bommers     bommenes  

bom, m

  1. misser
  2. (figuurlijk) onjuiste, ongelukkige of vergeefse actie, bijv. een miskoop of een mislukte reis


  • bom
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   bom     bommen     bommar     bommane  

bom, m

  1. misser
  enkelvoud meervoud
  mannelijk     bom     bons  
  vrouwelijk     boa     boas  

bom

  1. goed