Naar inhoud springen

beaucoup

Uit WikiWoordenboek

beaucoup

  1. veel
    «Il a beaucoup mangé.»
    Hij heeft veel gegeten.
  2. bijzonder, ten zeerste
    «Il s’intéresse beaucoup à votre affaire.»
    Hij interesseert zich bijzonder in uw zaak.

beaucoup

  1. veel volk; veel mensen; velen
  2. veel dingen; veel
  3. (als in beacoup de) veel; niet weinig