Naar inhoud springen

assembler

Uit WikiWoordenboek
  • as·sem·bler
  • uit het Engels
enkelvoud meervoud
naamwoord assembler assemblers
verkleinwoord

deassemblerm

  1. (informatica) programma dat een assembleertaal (programmeertaal) vertaalt naar machinetaal
60 %van de Nederlanders;
52 %van de Vlamingen.[1]
  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
assembler
assemblais
assemblé
eerste groep volledig

assembler

  1. overgankelijk samenbrengen
  2. overgankelijk samenvoegen, ineenzetten
  3. overgankelijk bijeenroepen, doen verzamelen
  4. wederkerend s'~: verzamelen [3], bij elkaar komen