Naar inhoud springen

akker

Uit WikiWoordenboek
  • ak·ker
enkelvoud meervoud
naamwoord akker akkers
verkleinwoord akkertje akkertjes

deakkerm

  1. (landbouw) afgeperkt stuk land dat bestemd is bebouwd te worden met een gewas
    • Op de Groningse akkers worden veel suikerbieten verbouwd. 
     We lopen al lang niet meer over een pad, maar dwars over een akker heen, de ruïne steeds verder achter ons latend.[3]
  • Gods water over Gods akker laten lopen
onbezorgd er maar op losleven
vervoeging van
akkeren

akker

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van akkeren
    • Ik akker. 
  2. gebiedende wijs van akkeren
    • Akker! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van akkeren
    • Akker je? 
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[4]

akker

  1. (landbouw) akker

akker

  1. (landbouw) akker

akker

  1. (verouderd)(landbouw) akker

akker

  1. (landbouw) akker