Naar inhoud springen

Planten

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Planten
Fossiel voorkomen:
Mesoproterozoïcum[1]heden
Taxonomische indeling
Domein:Eukaryota
Clade:Archaeplastida
Clade:Viridiplantae
Rijk
Plantae
H. Copeland (1956)[2]
Afbeeldingen op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Planten op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie

De planten (Plantae) vormen een rijk van eukaryoten die hun energie verkrijgen uit fotosynthese en zich meestal niet zelfstandig kunnen voortbewegen. Bijna alle planten bezitten chloroplasten in hun cellen, waarmee ze energie uit zonlicht kunnen vangen om koolhydraten te vormen uit koolstofdioxide en water. De chloroplasten in plantencellen zijn in de loop van de evolutie door endosymbiose ontstaan uit cyanobacteriën. De wetenschap die zich bezighoudt met de bestudering van planten heet botanie.

In de moderne biologie wordt het plantenrijk vaak gelijkgesteld met de clade Viridiplantae. Hiertoe behoren de groenwieren en de landplanten – met hierbinnen de mossen, lycofyten, varens, naaktzadigen en bedektzadigen. Op basis van moleculair-genetisch onderzoek wordt de Viridiplantae samen met twee kleinere algengroepen, de roodwieren en glaucofyten, in de supergroep Archaeplastida geplaatst. Al deze organismen kenmerken zich door een autotrofe levenswijze, wat hen van de schimmels en de dieren onderscheidt.

Er zijn ongeveer 385.000 plantensoorten beschreven, waarvan de overgrote meerderheid zaden vormen. Deze zaadplanten zijn zeer divers in groeiwijze en levenscyclus, van minuscule waterplanten tot metershoge bomen. Groene planten zijn verantwoordelijk voor de productie van een belangrijk deel van de zuurstof in de atmosfeer. Als ecologische producenten staan ze aan de basis van vrijwel alle ecosystemen op Aarde. Vele organismen, waaronder dieren, voeden zich met plantaardig materiaal of zijn weer afhankelijk van organismen die van planten leven.

Bij de uitdrukking 'bloemen en planten' gaat het in het gewone spraakgebruik vaak om kruidachtige soorten van de bedektzadigen, bijvoorbeeld snijbloemen, sierplanten, kamerplanten en tuinplanten. Deze worden dan voor een deel geplaatst tegenover de houtige planten zoals de struiken en bomen. Samen vormen ze slechts een klein deel van de Viridiplantae.

Taxonomische geschiedenis

[bewerken | brontekst bewerken]
Een gravure van kurkcellen, uit Micrographia van Robert Hooke (1665)

In de loop van de geschiedenis is de definitie van de 'planten' sterk geëvolueerd. In de Oudheid werden alle levende wezens ondergebracht in één van twee groepen: planten en dieren. Deze indeling gaat terug tot Aristoteles (384–322 v.Chr.), die verschillende niveaus van leven probeerde te onderscheiden.[3] Theophrastus, een leerling van Aristoteles, zette zijn werk voort en maakte het eerste beschrijvende inventaris van planten.[4] Veel later legde Linnaeus (1707–1778) de basis voor het moderne systeem van wetenschappelijke classificatie, maar hij behield de dieren- en plantenrijken, en noemde het plantenrijk Vegetabilia.[4]

Na de uitvinding van de microscoop in de 17e en 18e eeuw bleek dat groepen als schimmels, bacteriën en veel een- en meercellige algen fundamenteel verschilden van de klassieke landplanten. De veranderde inzichten leidden in de 19e eeuw tot herzieningen van het rijkensysteem. Ernst Haeckel introduceerde in 1866 het rijk Protista om organismen onder te brengen die niet goed pasten in de traditionele dier- of plantengroep. Hierdoor verdwenen steeds meer organismen uit het plantenrijk.

In de 20e eeuw werden nieuwe classificaties voorgesteld, onder meer door een beter begrip van evolutie, anatomie en levenscyclus van diverse soorten. De vijf-rijkenverdeling van Robert Whittaker (1969) splitste de schimmels (Fungi) definitief van de planten, en plaatste bacteriën in een apart rijk (Monera). Daarmee werden 'planten' steeds sterker beperkt tot organismen die zowel meercellig als fotosynthetisch zijn, en cellulose in hun celwanden hebben.[5]

Modern begrip

[bewerken | brontekst bewerken]

Met de komst van de moleculaire fylogenie aan het eind van de 20e eeuw veranderde het begrip opnieuw. DNA-gegevens toonden aan dat de klassieke “algen” geen natuurlijke groep vormen. Alleen de groenwieren, roodwieren en glaucofyten bleken genetisch verwant aan de landplanten door een gedeelde evolutionaire oorsprong van hun plastiden.[6] Deze groepen worden tegenwoordig ondergebracht in de clade Archaeplastida. Binnen deze clade vormen de groene planten (Viridiplantae) – bestaande uit groenwieren en landplanten – een duidelijk afgebakende evolutionaire eenheid. De traditionele planten worden in moderne fylogenie daarom soms beperkt tot de landplanten (Embryophyta), maar vaker, in bredere zin, tot de Viridiplantae.[7]

Verscheidenheid

[bewerken | brontekst bewerken]
De kustmammoetboom (Sequoia sempervirens) in Californië is een van de grootste plantensoorten op aarde

Het plantenrijk omvat alle landplanten en groene algen in brede zin, maar tellingen beperken zich meestal tot de embryofyten (landplanten). Er zijn ongeveer 385.000–390.000 beschreven plantensoorten, waarvan er circa 370.000 soorten zaadplanten (de naaktzadigen en bedektzadigen).[8] Het resterende deel bestaat onder meer uit mossen, wolfsklauwen en varens. Geschat wordt dat er nog vele soorten niet zijn ontdekt; ieder jaar worden duizenden nieuwe soorten planten beschreven, vooral uit tropische gebieden.[9] Verschillende internationale initiatieven, zoals World Flora Online, proberen de plantendiversiteit te registreren en bij te houden.[8]

Morfologisch loopt de verscheidenheid sterk uiteen, van microscopische levermossen tot bomen van meer dan honderd meter hoog. Tussen deze uitersten zitten talloze groeivormen – kruiden, struiken, epifyten, waterplanten – elk met specifieke aanpassingen aan hun leefomgeving. Planten zijn te vinden in alle terrestrische niches, waaronder woestijnen, regenwouden, hooggebergten, moerassen en aquatische habitats. De kleinste plantensoorten zijn de eencellige desmiden (ongeveer 10 micrometer) en picozoa van minder dan 3 micrometer.[10] Aan de andere kant van het spectrum is er de naaktzadige kustmammoetboom (Sequoia sempervirens) die tot circa 120 meter hoog kan worden.

Op biochemisch niveau is er eveneens grote variatie. Planten gebruiken verschillende fotosynthese-strategieën om koolstof vast te leggen: de klassieke C3-route, de efficiëntere C4-fotosynthese in warme en droge omgevingen, en CAM-fotosynthese, waarbij de opname van koolstof 's nachts plaatsvindt om waterverlies te beperken. Daarnaast produceren planten een enorm scala aan secundaire metabolieten, zoals alkaloïden, terpenen en fenolen, die dienen voor verdediging, communicatie of bescherming tegen stress.[11]

Evolutionaire geschiedenis

[bewerken | brontekst bewerken]

De vroege voorlopers van planten waren waarschijnlijk aquatische groenwiertjes (streptofyte algen), die ongeveer 700–500 miljoen jaar geleden leefden.[12] Deze algen ontwikkelden kenmerken die essentieel zouden worden voor het leven op het land, zoals een celwand die stevigheid bood, en mechanismen om waterverlies te beperken.

De eerste echte landplanten verschenen in het Siluur, ongeveer 430 miljoen jaar geleden. Dit waren voornamelijk mossenachtige planten die nog geen echte bladeren, wortels of houtachtige structuren bezaten. Ze waren wel in staat om te overleven in een vochtige omgeving. In het Devoon verschenen de eerste vaatplanten, met xyleem en floëem waardoor water en voedingsstoffen efficiënter konden worden getransporteerd. Dit was een belangrijke stap in de evolutie van planten, want het maakte grotere structuren mogelijk, zoals boomvarens.

Zaadplanten (spermatofyten) verschenen later in het Devoon, en divergeerden sterk in het Carboon en Perm. Zaadplanten omvatten zowel naaktzadigen, zoals coniferen, als later bedektzadigen (bloemplanten), die ongeveer 140–160 miljoen jaar geleden verschenen. Bloemplanten werden dominant door hun voortplantingssucces door middel van bloemen en vruchten. De soortenrijkdom nam zo snel toe dat Charles Darwin het in zijn werken over de evolutietheorie een 'abominabel mysterie' noemde.[13][14]

Tegen het eind van de jaren 2010 begon er een consensus te ontstaan omtrent de evolutionaire stamboom (fylogenie) van het plantenrijk, mede door vooruitgangen in genoomanalyses. In 2019 werd een fylogenie voorgesteld die gebaseerd is op uitgebreide genoom- en transcriptoomgegevens van ruim duizend plantensoorten,[7] hieronder samengevat. De plaatsing van de verschillende algengroepen werd in de jaren daarna ondersteund door genoomanalyses van onder meer Mesostigmatophyceae en Chlorokybophyceae.[15][16] De kranswieren (Charales) en andere verwante algen werden in het verleden ondergebracht onder de Charophyta, maar deze indeling is parafyletisch, aangezien de landplanten zijn ontstaan binnen deze groepen. De positie van de mossen was lange tijd onduidelijk, maar wordt ondersteund door genoomgegevens van recent gesequencede hauwmossen.[17][18]

Archaeplastida
Streptofyt-algen
(algen verwant
aan de landplanten)
Zie Plantenmorfologie en Beschrijvende plantkunde voor de hoofdartikelen over dit onderwerp.

De typische bouw van zaadplanten omvat drie hoofdorganen: wortels, stengels en bladeren.

  • wortels, ondergronds (zelden bovengronds)
  • Stengels, bovengronds (soms ondergronds), deze dragen de bladeren
  • Bladeren, langs de stengels

Op de drie hoofdorganen bestaan veel variaties, vaak afhankelijk van hun functie. Bloemen zijn te beschouwen als omgevormde stengels met bladeren. Organen als wortels, bladeren of stengels kunnen ontbreken of sterk gereduceerd zijn.

Varens en wolfsklauwen

[bewerken | brontekst bewerken]

Planten uit andere groepen, zoals de varens en de wolfsklauwen hebben een iets andere bouw, waarvoor vaak een eigen terminologie bestaat. Om deze bouw en de evolutie daarvan goed te kunnen verklaren is voor deze groepen in het verleden de teloomtheorie opgesteld.

Sterker afwijkend zijn de levermossen, mossen, hauwmossen omdat het bij deze planten om haploïde gametofyten gaat en niet zoals bij de voorgaande groepen om diploïde sporofyten. Bij de bebladerde levermossen en bij mossen zijn er structuren die sterk gelijken op stengels en bladeren, maar met wortels vergelijkbare structuren zijn er niet.

Bij hauwmossen en de thalleuze levermossen bestaat de plant uit een min of meer vlak en gelobd thallus, soms met schubben en rizoïden.

Zie ook Algen

Een zeer heterogene groep wordt gevormd door de algen, die een hiervan afwijkende bouw en generatiewisseling hebben. Het meest verwant aan de planten zijn de groenwieren en de kranswieren.

Taxonomische indeling

[bewerken | brontekst bewerken]

De formele botanische nomenclatuur (naamgeving) van planten wordt tegenwoordig geregeld door de International Code of Nomenclature for algae, fungi, and plants (ICBN).

Tegenwoordig worden in de biologie bijna uitsluitend fylogenetische classificatiesystemen gevolgd die de planten aan de hand van hun afstamming indelen. Hierbij gelden alleen de groenwieren (Chlorophyta), de kranswieren (Charophyta) en de Prasinophyta naast de landplanten (Embryophyta) als echte planten, te weten de Archaeplastida of Primoplantae. Al deze organismen bevatten chlorofyl a en b en slaan fotosynthetisch geproduceerde suikers in de vorm van zetmeel op in plastiden zoals chloroplasten en leukoplasten. De celwanden van deze organismen bestaan uit het macromolecuul cellulose (een polymeer van druivensuiker).

Wanneer plantaardige cellen delen, moeten zij een nieuwe celwand vormen tussen beide dochtercellen. Dit wordt bewerkstelligd door de vorming van een fragmoplast: een systeem van langs de as van de celdeling georiënteerde microtubuli, dat helpt bij het begeleiden van de afzetting van cellulose. Dit is ook een belangrijk verschil met de groenwieren, die een fycoplast tijdens de mitose vormen, waarbij de microtubuli loodrecht liggen op de as van de celdeling. Alleen planten en kranswieren hebben celdeling met behulp van een fragmoplast.

Bedektzadigen

[bewerken | brontekst bewerken]
APG IV (2016), vereenvoudigd schema
polyfyletische groep

Er zijn in het verleden verschillende indelingen gebruikt, die regelmatig ook nog worden aangepast (bijvoorbeeld het Engler-systeem en het Wettstein-systeem). Arthur Cronquist publiceerde in 1981 het Cronquist-systeem. In de negentiger jaren is door de Angiosperm Phylogeny Group een nieuwe indeling gepubliceerd, gebaseerd op het DNA van chloroplasten bij bedektzadigen. De nieuwste indeling is APG IV (2016): dit wordt ten dele in de Nederlandstalige Wikipedia gebruikt. De indeling omvat een klein gedeelte van de planten: wel de bedektzadigen, maar niet de naaktzadigen, de varens, de bladmossen, de levermossen of de hauwmossen.

Oudere indelingen

[bewerken | brontekst bewerken]

In de literatuur zijn allerlei andere indelingen te vinden. Zo is er de tweedeling Thallophyta versus Cormophyta, waarbij de Cormophyta de planten zijn met een opbouw vanuit een centrale stengel met daaraan bladeren (ze hebben meestal ook een wortel). De Thallophyta zijn dan alle andere plantvormen (zoals algen, schimmels en korstmossen). De naam Thallophyta heeft betrekking op een niet-natuurlijke eenheid (een parafyletische groep) en wordt eigenlijk niet meer gebruikt. De naam Cormophyta heeft wel betrekking op een natuurlijke groep, maar deze wordt tegenwoordig veelal Embryophyta genoemd. Een systeem dat de naam Cormophyta gebruikte, is het Wettstein-systeem.

Historische namen van verschillende groepen in het "Plantenrijk"
Thallophyta,
lagere planten
Arrhizophyta
Cryptogamae
sporenplanten
Prokaryoten, Protophytae,
Schizophyta
, Monera
Bacteria
Algen s.l. Cyanophyta
thallofyten
zonder
archegonia
Algae s.s.
Fungi s.s. Fungi,
schimmels
Lichenes
Cormophyta
Embryophyta
Plantae s.s.
Archegoniatae Bryophyta s.l.
Astelocormophyta
Hepaticae,
Marchantiophyta
Musci,
Bryophyta s.s.
Anthocerotae,
Anthocerotophyta
Tracheophyta
vaatplanten
hogere planten
Rhizophyta
Stelocormophyta
Vaatcryptogamen
Pterophyta,
Filices
Lycophyta
Lycopodiopsida
Monilophyta,
Pteridophyta s.s.
Phanerogamae,
fanerogamen
Spermatofyta
Lignophyta
Gymnospermae
Angiospermae
Anthophyta
Monocotyledonae
Dicotyledonae

Een andere tweedeling is die in Cryptogamae (cryptogamen) versus Phanerogamae (fanerogamen), waarbij de Phanerogamae de zaadplanten zijn, tegenwoordig meestal Spermatophyta of Spermatopsida geheten.[19] De Cryptogamen zijn dan de rest, de lagere planten zonder eenvoudig herkenbare voortplantingsorganen. De Cryptogamen vormen geen natuurlijke eenheid, maar de naam wordt nog steeds gebruikt, omdat het een gemakkelijke verzamelterm is, die een aantal moeilijker in te delen organismes onder één noemer samenbrengt (varens, wolfsklauwen, mossen, korstmossen, algen, protisten).

Ook de naam Plantae is tamelijk verouderd. Bij zijn indeling in drie rijken (dieren, planten en mineralen) gebruikte Linnaeus de naam Plantae voor een groep die vandaag de dag buitengewoon ruim gedefinieerd lijkt. De wat verouderde indeling, waarin de planten nog voorkomen is:

Linnaeus
1735
Haeckel
1866
Chatton
1925
Copeland
1938[20]
Whittaker
1969[21]
Woese e.a.
1990[22]
Cavalier-Smith
1998[23]
2 rijken 3 rijken 2 rijken 4 rijken 5 rijken 3 domeinen 6/7 rijken
(niet behandeld)  Protista Prokaryota Monera Monera Bacteria Bacteria
Archaea Archaea
Eukaryota Protoctista Protista Eucarya "Protozoa"
"Chromista"
Vegetabilia Plantae Plantae Plantae Plantae
Fungi Fungi
Animalia Animalia Animalia Animalia Animalia
Zie Flora (plantkunde) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Flora's zijn in eerste instantie systematische inventarisaties van taxa (soorten, geslachten, families), die voorkomen in een bepaald gebied, bijvoorbeeld België, Nederland. Het betreft traditioneel beperkte groepen, zoals kranswieren, korstmossen, mossen, levermossen, of vaatplanten.

Zie Flora (overzichtswerk) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Meestal zijn deze soortenlijsten voorzien van determinatiesleutels en van afbeeldingen, en van morfologische, plantengeografische en ecologische gegevens. Op een dergelijke publicatie is de benaming flora overgegaan. Vaak zijn de taxonomische indelingen aangepast voor lokaal of regionaal gebruik en zijn namen in de lokale taal of talen toegevoegd.

Voor het Nederlandse (taal-)gebied zijn verschillende flora's gemaakt, onder andere:

  • De voorloper van de huidige Heukels' Flora van Nederland gebruikte vanaf 1934 het systeem van Wettstein in Handbuch der systematischen Botanik;[24] een nauw verwant systeem is dat van Engler, in Die natürlichen Pflanzenfamilien.
  • De indeling in de Heukels' Flora van Nederland, 1996, gaat uit van Cronquist, maar in een aangepaste versie. Het Cronquist-systeem (1981) gebruikt de naam Magnoliophyta voor de bedektzadigen en Magnoliopsida voor de dicotylen, en onderscheidt zes onderklassen in de dicotylen (onder andere de Magnoliidae). De Heukels gebruikt de naam Magnoliopsida voor de bedektzadigen en Magnoliidae voor de dicotylen, verder worden de oorspronkelijke onderklassen in rang teruggezet tot superorden.
  • Daarentegen baseert de 23ste druk van Heukels' Flora van Nederland, 2005, zich op een ander systeem. Het APG II-systeem[25] is grotendeels gebaseerd op chloroplast-DNA.
    Dit APG II-systeem gebruikt boven het niveau van orde geen formele botanische namen, maar gebruikt namen van clades: angiosperms, eudicots, rosids, eurosids I. Deze Heukels' Flora van Nederland gebruikt een licht aangepaste versie van dit systeem, een vertaling van de weergave in The Plant-book, 2006). Hierin zijn de zaadplanten de klasse Spermatopsida geworden. Tussen klasse en orde worden geen rangen gebruikt, maar Nederlandstalige namen voor clades, zoals Bedektzadigen, 'Nieuwe' tweezaadlobbigen, Rosiden, Fabiden.

In 2016 is het APG IV-systeem gepubliceerd.[26] Het is de opvolger van het APG III-systeem.

  • In 2022 is de KNNV begonnen met de uitgave van de Nova Flora Neerlandica, omdat, ondanks dat de Nederlandse flora goed bekend is, er nog geen ­standaardwerk beschikbaar was met een uit­gebreide behandeling en alle recente gegevens van alle plantensoorten, ondersoorten en variëteiten. Nova Flora Neerlandica is bedoeld als het standaard­werk over de flora van Nederland.

De nomenclatuur van de hogere taxa kan licht tot verwarring leiden: zo gaat de Flora van België, het Groothertogdom Luxemburg, Noord-Frankrijk en de aangrenzende gebieden uit van de bloemplanten (Anthophyta), en plaatst deze in de zaadplanten (Spermatophyta). De schade zal meevallen wanneer er beschrijvende namen gebruikt worden (zie Art. 16 van de ICBN) zoals Spermatophyta (zaadplanten) of Spermatopsida, Angiospermae (bedektzadigen) of Anthophyta (bloemplanten), alsook Monocotyledones en Dicotyledones. Het is echter in de mode geraakt om een naam te gebruiken gevormd uit een familienaam, zoals Magnoliopsida, Magnoliidae (vanuit de familienaam Magnolicaceae): deze familienaam moet op zijn beurt gebaseerd zijn op een genusnaam. Het enige onderlinge verschil tussen zulke namen is de uitgang welke de rang aangeeft, en een rang kan veranderen met elke publicatie van wéér een systeem. Volgens de Heukels van 1996 zijn Magnoliopsida de bedektzadigen, de bloeiende planten, volgens de flora van België zijn het echter de tweezaadlobbigen: dat is geen inhoudelijk verschil van inzicht, maar alleen een (gering) verschil van opschrijven. Dergelijke namen zeggen dus alleen iets binnen een vooraf gedefinieerd (maar vluchtig) kader.

Zie Vegetatie en Vegetatiekunde voor de hoofdartikelen over dit onderwerp.

Vegetatie zijn alle planten die op zich een bepaalde plaats hebben gevestigd en zich daar uit zichzelf (spontaan) hebben gerangschikt. Planten treden vaak op in karakteristieke groepen, de zogenaamde plantengemeenschappen. Vaak vormt de vegetatie als primaire producent de basis van een (land-)ecosysteem.

De term "aanplant" wordt gewoonlijk voor door de mens doelbewust geplante begroeiing gebruikt, de termen plantengroei en begroeiing zijn meer neutraal en kan zowel op vegetatie als op aanplant slaan.

Levensprocessen

[bewerken | brontekst bewerken]
Een jong plantje
Uitgedroogde, afgestorven potplanten
Zie Plantenfysiologie, Fotosynthese en Plantaardige cel voor de hoofdartikelen over dit onderwerp.

De bouwstoffen van een plant worden voor een belangrijk deel uit de lucht opgenomen. Door fotosynthese zet een plant met behulp van energie uit zonlicht koolstofdioxide en water om in suikers (glucose) met als bijproduct zuurstofgas. Deze suikers vormen de belangrijkste stof waarvan een plant gebouwd wordt. Het fotosyntheseproces vindt plaats in de chloroplasten, die zich in alle groene delen van een plant bevinden. Bladgroen of chlorofyl is een biologisch pigment dat samen met andere (rode en gele) pigmenten planten helpt om zo veel mogelijk licht te vangen. De gevormde suikers worden vervolgens binnen de plant getransporteerd en omgezet in uiteenlopende bouwstoffen, zoals cellulose, die nodig zijn voor groei, stevigheid en het vormen van nieuwe bladeren en wortels.

De wortels van de vaatplanten nemen water op met de daarin opgeloste mineralen zoals fosfaten en nitraten. Het opgenomen water en de voedingsstoffen transporteert de plant door vaatbundels met xyleem en floëem. Het xyleem vervoert water met opgeloste mineralen naar de rest van de plant, en het floëem transporteert suikers en andere voedingsstoffen naar plaatsen waar ze gebruikt of opgeslagen worden, zoals de wortels. Er bestaan ook vleesetende planten. Deze halen hun stikstofbevattende voedingsstoffen niet uit grond, maar uit gevangen insecten.

De meeste planten hebben zuurstof nodig om te groeien, zowel bij de bovengrondse delen als bij de wortels. Er zijn maar weinig planten die zonder zuurstof bij de wortels kunnen overleven. Waterplanten hebben vaak luchtkanalen door de plant naar de wortels. Voorbeelden van planten die hun wortels in een in een zuurstofarm milieu kunnen laten groeien, zijn waterplanten, tredplanten en mangroves.

De groei van een plant hangt af van een aantal factoren. Als eerste is de groei genetisch bepaald. De mate van groei wordt verder bepaald door de omgeving. Abiotische factoren zoals licht, temperatuur, de aanwezigheid van water en de aanwezigheid van voedingsstoffen hebben invloed op de groeisnelheid van de plant.

Biotische factoren hebben ook invloed op de plant.

  • Planten concurreren met andere planten om licht, water, ruimte en voedingsstoffen.
  • Sommigen planten hebben dieren zoals vogels en insecten nodig om te kunnen overleven of zich voort te planten.
  • Door dieren kan een plant schade oplopen, bijvoorbeeld door betreding en begrazing.
  • De vruchtbaarheid van de bodem wordt bepaald door schimmels en bacteriën, wat weer invloed heeft op de groei van de plant.
  • Andere organismen kunnen parasiteren op planten, wat nadelig is voor de groei.
  • De wortels van de meeste planten hebben bepaalde mycorrhizaschimmels of bacteriën nodig voor de groei.
Levenscyclus en levensduur van zaadplanten

Planten kunnen worden ingedeeld volgens hun levensvorm en hun levensduur:

De groeisnelheid van de plant is erg divers. Sommige mossen groeien ongeveer 0,001 mm/h terwijl veel bomen met een snelheid van 0,025–0,250 mm/h groeien. Sommige planten zoals kudzu (Pueraria lobata) groeien met de snelheid van 12,5 mm/h.

Planten beschermen zichzelf tegen vorst en uitdroging door antivries-eiwitten, hitteschok-eiwitten en suikers. Late Embryogenesis Abundant (LEA) zorgt ervoor dat eiwitten niet samenklonteren als gevolg van uitdroging of bevriezing.

Plantenecologie

[bewerken | brontekst bewerken]

Planten zorgen door fotosynthese voor het overgrote deel van alle energie in land-ecosystemen. In zee zijn het meest fotosynthetische groepen algen die zorgen voor de energieomzetting. Door fotosynthese is in de loop van de tijd de samenstelling van de atmosfeer veranderd. De meeste dieren en andere organismen zijn afhankelijk van zuurstof. Toen planten gedurende het Ordovicium (485-443 Ma) aan land kwamen, werden ze de belangrijkste zuurstofproducenten op het land en vormden ze de producenten en zo de basis van de voedselketens in ecosystemen. Bovendien zijn planten noodzakelijk voor de primaire consumenten (herbivoren), de dieren omdat ze onderdak, voedsel en zuurstof afnemen van de plant.

Planten zijn het belangrijkst in de waterkringloop. Doordat sommige planten mechanismen ontworpen hebben om stikstof te binden, spelen ze ook een grote rol in de stikstofkringloop. De wortels van een plant spelen bovendien een belangrijke rol in de ontwikkeling van de bodem en het voorkomen van erosie.

Plantkunde of botanie is in de oudere, vage omgrenzing de studie van het plantenrijk. Over het algemeen wordt de mycologie hier niet meer onder begrepen, meestal dan weer met de uitzondering daarop van de lichenologie.

Floristiek is de studie van de verspreiding van de wilde flora (van het spontane voorkomen van planten) en dus een onderdeel van de plantengeografie.

Zoek plant op in het WikiWoordenboek.
Zie de categorie Plantae van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.
Wikispecies heeft een pagina over Plantae.