Naar inhoud springen

Hendrik Wortman

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Hendrik Wortman
Hendrik Wortman (1859-1939)
Hendrik Wortman (1859-1939)
Algemene informatie
Geboren 25 maart 1859
Amersfoort
Overleden 21 oktober 1939
Den Haag
Beroep civiel-ingenieur
Bekend van Afsluitdijk en de dijken van de IJsselmeerpolders

Hendrik Wortman (Amersfoort, 25 maart 1859 - Den Haag, 21 oktober 1939) was een Nederlands civiel ingenieur en directeur-generaal van de Dienst der Zuiderzeewerken van 1919 tot 1929.[1]

Wortman was de zoon van Hendrik Wortman (1816-1871), Officier van gezondheid in Amersfoort, en Anna Hubers (1822-1899).Na het behalen van zijn HBS-diploma begon hij in 1876 aan de Polytechnische School te Delft, de voorloper van de TU Delft. Tijdens zijn studententijd werd hij lid van het Delftsch Studenten Corps en meldde hij zich aan bij het Koninklijk Instituut van Ingenieurs (KIvI). Na zijn afstuderen in 1880 werd hij tevens lid van de Vereeniging van Delftsche Ingenieurs. Aan beide vakorganisaties zou hij zijn leven lang nauw verbonden blijven.[1]

Zijn loopbaan startte bij de Eerste Nauwkeurigheidswaterpassing. Omdat hij echter een vaste aanstelling bij Rijkswaterstaat (RWS) ambieerde, legde hij het toelatingsexamen af. In november 1881 trad hij officieel in dienst bij de Algemene Dienst van RWS in Den Haag als adspirant-ingenieur. Zijn carrière bij deze overheidsdienst zou bijna achtendertig jaar duren.[1]

In zijn eerste jaren bij RWS werkte Wortman aan de herziening van rivierkaarten en het grote cartografische project van de waterstaatskaart, bij de Dienst der opneming voor de Waterstaats- en Rivierkaart. Begin 1888 begon een onrustige periode; hij werd in hoog tempo overgeplaatst van Nijmegen naar Zwolle, vervolgens naar Terneuzen (waar hij langdurig met ziekteverlof was) en ten slotte naar Assen in 1889.[2][3] Deze laatste overplaatsing bracht rust. In Drenthe hield hij zich bezig met rijkswegen, rivierverbeteringen en de aanleg van veenkanalen. Hij toonde hierbij een opmerkelijk modern inzicht: hij publiceerde over de gevaren van veendijken en waarschuwde dat veen bij langdurige droogte kon scheuren – een probleem waar waterbeheerders in de eenentwintigste eeuw in West-Nederland opnieuw mee geconfronteerd werden.[1]

In 1894 keerde Wortman terug naar Den Haag, waar hij op het ministerie van Waterstaat de technische voorbereidingen trof voor nieuwe projecten, waaronder vroege ontwerpen voor de drooglegging van de Wieringermeer en de Zuiderzee. Tevens kreeg hij in 1899 de leiding over de bouw van de buitenhaven van Scheveningen.[1]

Naast zijn ingenieurswerk was Wortman maatschappelijk en bestuurlijk zeer actief. Hij zat meerdere periodes in het bestuur van het KIvI en was betrokken bij staatscommissies ter voorkoming van waterverontreiniging. Dit laatste leidde ertoe dat hij van 1902 tot 1922 buitengewoon lid was van de (Centrale) Gezondheidsraad.[1]

Noord-Holland en bevordering tot Inspecteur-Generaal

[bewerken | brontekst bewerken]

In 1903 werd Wortman benoemd tot ingenieur bij het Noordzeekanaal, waar hij onder meer verantwoordelijk was voor kanaalverbreding en de vergroting van de vissershaven in IJmuiden. Tijdens het tweede ministerschap van ir. Cornelis Lely werkte hij aan de voorbereiding van twee zaken die ook voor Lely van groot belang waren, nl. de haven van Scheveningen en het wetsontwerp van 1907 voor de afsluiting en gedeeltelijke droogmaking van de Zuiderzee. Hiermede werd de grondslag gelegd voor twee belangrijke onderdelen van zijn carrière, zijn bemoeiingen met zeewerken en met het Zuiderzeevraagstuk. In 1908 heeft hij namens Nederland samen met ir. Déking Dura deelgenomen aan de PIANC conferentie in Sint Petersburg[4] en in 1912 aan de conferentie in Philadelphia (samen met de Blocq van Kuffeler en Escher). Hij heeft hiervan een heel uitgebreid verslag geschreven dat een goed overzicht geeft van de waterbouwkundige praktijk in de wereld van kort voor de Eerste Wereldoorlog.[5] Ook in 1908 volgde zijn promotie tot hoofdingenieur-directeur van de directie Noord-Holland. In deze rol kreeg hij een breed takenpakket, inclusief de eerste concrete voorbereidingen voor de Zuiderzeewerken. In 1913 werd hij door minister Cornelis Lely benoemd tot hoofd van een commissie die de oude begrotingen voor de Zuiderzeewerken uit 1894 moest herzien; de kosten bleken door nieuwe technieken en gestegen lonen ruim veertig miljoen gulden hoger uit te vallen. De uitvoering liep bovendien vertraging op door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.[1]

Wortmans capaciteiten bleven niet onopgemerkt, en in mei 1915 bereikte hij de hoogste functie binnen Rijkswaterstaat: hij werd benoemd tot inspecteur-generaal, verantwoordelijk voor Noord- en West-Nederland. In deze hoedanigheid adviseerde hij de minister en leidde hij diverse zware commissies. Zo boog hij zich over de rijkswegenproblematiek, de haven van Delfzijl en het gebruik van hoogovenslakken voor wegverharding. Tevens was hij als voorzitter van de Vereeniging van Delftsche Ingenieurs nauw betrokken bij de discussie over de ingenieurstitel. Wortman vond de titel "ir." vóór de naam te aanmatigend en pleitte tevergeefs voor een aanduiding áchter de naam, zoals "c.i." of "D.I.".[1]

Directeur-Generaal van de Zuiderzeewerken

[bewerken | brontekst bewerken]

Toen de Zuiderzeewet in 1918 eindelijk werd aangenomen, brak de belangrijkste fase uit Wortmans carrière aan. Hij werd lid van de befaamde Staatscommissie Zuiderzee, die de effecten van de afsluiting op de stormvloedstanden berekende. Op 1 mei 1919 werd hij benoemd tot directeur-generaal van de kersverse, onafhankelijke Dienst der Zuiderzeewerken.[1]

Onder zijn leiding kregen de plannen concreet vorm: eerst de verbinding naar Wieringen en de Wieringermeerpolder, daarna de grote Afsluitdijk. Wortman was een groot pleitbezorger van het project. In een boekje uit 1926 legde hij helder uit dat de werken niet alleen veiligheid en een zoetwaterreservoir boden, maar vooral broodnodige landbouwgrond en werkgelegenheid opleverden. Voor wilde stedenbouwkundige experimenten in de nieuwe polders voelde hij niets; de focus moest strikt op grootschalige landbouw liggen, al stelde hij wel een esthetisch adviseur aan om een "eentonig landschap" te voorkomen.[1]

Zeer vooruitstrevend was Wortmans geloof in de inzet van schaalmodellen voor waterbouwkundig onderzoek. Hij haalde kennis uit het Duitse Karlsruhe (wat hem in 1925 een eredoctoraat opleverde) en liet in de tuin van zijn Haagse kantoor golfoploop testen. Mede door zijn harde lobby werd in 1927 het Waterbouwkundig Laboratorium in Delft opgericht.[1]

Internationale statuur en latere jaren

[bewerken | brontekst bewerken]

Na tien jaar als directeur-generaal ging Wortman in 1929 met pensioen. Bij zijn pensionering is hij benoemd tot commandeur in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Hij werd opgevolgd door ir. Victor de Blocq van Kuffeler. Wortman bleef tot aan zijn dood in 1939 als (vice)voorzitter verbonden aan de Zuiderzeeraad. Ook internationaal genoot hij veel aanzien. Hij beheerste vier talen, trad decennialang op als regeringsvertegenwoordiger bij internationale scheepvaartcongressen, was lid van de adviescommissie voor het Suezkanaal en trad zelfs op als bemiddelaar bij een Frans-Duits conflict inzake herstelbetalingen na de Eerste Wereldoorlog.[1]

Publicaties, een selectie

[bewerken | brontekst bewerken]
Zie de categorie Hendrik Wortman van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.