La Fontaine – De krekel en de mier

De krekel en de mier

De krekel die te zingen lag
Gans de zomerdag,
Vond zich deerlijk afgevangen
Als de winter ging zijn gangen:
Want nu had het zingend dier
Niet een vliegje, niet een zier!
Hij riep hongersnood, ging binnen
Bij de miere, zijn vriendinne, en
Smeekte haar hem bij te staan,
Met te lenen enig graan,
Tot het nieuwe jaargetijde:
« ‘k Geef u weer, » sprak hij ter zijde,
« Voor half oogst, mijn woord van dier,
Rent en kapitaal, o mier! »
Mieren houden van geen lenen,
Zulks is ‘t minste van hun deer;
« Wat deedt ge met ‘t schoone weer? »
Sprak de leenster. Hij, met eenen:
« ‘k Zong, ik, ‘t moge u niet mishagen,
Dag en nacht voor alle man. »
« Zongt gij? ‘k Zou niet beter vragen,
Wel! trek op, en dans nu dan! »

Jean de La Fontaine, vertaling van Benedictus de Bie (1876)

Bron

Jean de La Fontaine – Posts in het Nederlands



Jean de La Fontaine – Pagina’s in het Nederlands



Jean de La Fontaine – Pagina’s in het Frans


La Fontaine – De krekel en de mier

De krekel en de mier

Een krekel had de zomertijd
Gezongen dag aan dag,
Maar toen de winter wijd en zijd
Sneeuw op de velden lag,
Zag hij met angstig hart in ‘t rond
Of hij niet ergens voedsel vond.
Eind’lijk ging hij naar de mier
« Goede buurvrouw », zeide hij,
‘k Ben de hongerdood nabij,
Daarom kom ik smekend hier.
Laat mij zo niet van u gaan,
Leen me een weinig van uw graan.
Wat ik nu van u begeer,
Geef ik u met renten weer. »
Maar de mier was niet gezind
Om haar voorraadschuur te ontsluiten.
« Nu ge in armoe u bevindt,
Wat deedt gij dan ‘s zomers buiten? »
Vroeg hem de altoos nijv’re mier.
 » ‘k Heb gezongen alle dagen. »
« Kon u ‘t zingen zo behagen,
Dans dan heden voor pleizier. »

Jean de La Fontaine

Bron

Afbeelding

Jean de La Fontaine – Posts in het Nederlands



Jean de La Fontaine – Pagina’s in het Nederlands



Jean de La Fontaine – Pagina’s in het Frans


La Fontaine – De kikker die zo dik wil zijn als de os

De kikker die zo dik wil zijn als de os

Een kikvors zag eens in het veld
Een os, zo fier en welgedaan;
« Ach, werd ik ook eens zulk een held,
Het zou me in ‘t leven beter gaan! »
Zij zwelt zich op zoveel zij kan
En denkt de os reeds te gelijken.
« Ben ‘k groot genoeg, behoef ik dan,
Zeg, zuster, voor een os te wijken? »
« Gij zijt er lang niet. » « Kijk eens hier,
Tot barsten heb ik me opgedrongen. »
Ze zei het en het arme dier
Was plots’ling uit elkaar gesprongen.

Al zou een kleine groot zich wanen,
‘t Ging hem in ‘t leven bitter slecht.
Een koning heeft zijn onderdanen,
En ied’re heer verlangt een knecht.

Jean de La Fontaine

Bron

Jean de La Fontaine – Posts in het Nederlands



Jean de La Fontaine – Pagina’s in het Nederlands



Jean de La Fontaine – Pagina’s in het Frans


La Fontaine – De stadsrat en de veldrat

De stadsrat en de veldrat

‘t Kon de stadsrat eens behagen
Naar de veldrat heen te gaan,
« Ik kom u ter maaltijd vragen
Waar de volle schotels staan. »

En de stadsrat met zijn vriendje
Kluifden van ‘t gebraden hoen:
« Zo te smullen, maat, dat dient je,
En dat kan ik dagelijks doen. »

‘t Kon de veldrat wel bekoren,
Zittend op een Turks tapijt;
Maar daar kwam hen iemand storen,
Men kwam binnen, tot hun spijt.

Want de deur der zaal ging open
En men weet, bij ‘t minst gerucht
Gaat de stadsrat aan het lopen,
Waardoor ook de veldrat vlucht.

Hij die kwam ging spoedig weder,
En de stadsrat zei: « Kom mee,
Zetten wij ons rustig neder,
Aan het luisterrijk diner. »

Doch de veldrat was er tegen,
« Morgen vraag ik u bij mij,
‘k Voel mij vreemd hier en verlegen,
Waar ik woon, daar ben ik vrij.

Op het veld valt vrede te smaken,
En ik eet wat mij bekoort,
Want wat heb ik aan vermaken,
Als de vrees mijn maaltijd stoort? »

Jean de La Fontaine

Bron

Jean de La Fontaine – Posts in het Nederlands



Jean de La Fontaine – Pagina’s in het Nederlands



Jean de La Fontaine – Pagina’s in het Frans


La Fontaine – De schildpad en de haas

De schildpad en de haas

Het lopen dient tot niets als men niet eind’lijk gaat.
De schildpad en de haas, zij kunnen dit verklaren.
« Wat wedt gij, » zei de pad, « al ben ik niet in staat
Om, zoals gij te gaan, dat’k u kan evenaren
In ‘t lopen naar een doel? » En lachend riep de haas:
« Zo’n weddenschap is al te dwaas!
Ik, vlug in ‘t lopen en gij kruipt. » – « Laat ons beginnen, »
Sprak weer de schildpad, « Ik heb wel kans te winnen. »
« Top! » riep de haas, « ik neem het aan! »
« Aan ‘t einddoel, » zei de pad, « is de inzet ook te vinden. »
« O, daartoe, » sprak de haas, « wil ik mij wel verbinden,
Want in een pas of vier heb ‘k heel de weg gedaan. »
De schildpad gaat nu voort, maar op ‘t geblaf van honden
Heeft onze haas zijn heil in ‘t hoge gras gevonden.
Zo snelt hij nu de velden op en neer.
« Ik heb nog wel de tijd mijn maaltijd op te knabb’len,
Ik doe mijn slaapje en als ik keer
Is nog de schildpad in de weer
Om naar het doel der reis voorzichtig heen te krabb’len. »
En onze pad gaat ongestoord,
Wel langzaam, maar gestadig voort.
De haas intussen weet zich kost’lijk te vermaken,
Springt her en derwaarts want hij is er zeker van
Dat hij het eerst aan ‘t einddoel zal geraken
En lacht wat om de pad, die niets dan kruipen kan.
Nu snelt hij naar het afgesproken plekje;
Hij ziet de schildpad dicht bij ‘t hekje.
Zou hij het met een sprong of wat
Nog halen van de trage pad?
Helaas! Wat vlucht hij heeft genomen,
De schildpad is het eerst aan ‘t einddoel aangekomen.
« Zie », riep de pad, « ik ben u toch de baas;
Uw vlugheid dient tot niets, ik kon de inzet wagen.
Ik kruip maar voort en toch, hoe ging het met u, haas,
Als gij, zoals ik doe, een huis hadt mee te dragen? »

Jean de La Fontaine

Bron

Jean de La Fontaine – Posts in het Nederlands



Jean de La Fontaine – Pagina’s in het Nederlands



Jean de La Fontaine – Pagina’s in het Frans