0% ont trouvé ce document utile (0 vote)
34 vues304 pages

Belgisch Staatsblad Moniteur Belge: Gratis Tel. Nummer: 0800-98 809 Numéro Tél. Gratuit: 0800-98 809

Transféré par

Mohsen Pourabdollah
Copyright
© © All Rights Reserved
Nous prenons très au sérieux les droits relatifs au contenu. Si vous pensez qu’il s’agit de votre contenu, signalez une atteinte au droit d’auteur ici.
Formats disponibles
Téléchargez aux formats PDF, TXT ou lisez en ligne sur Scribd
0% ont trouvé ce document utile (0 vote)
34 vues304 pages

Belgisch Staatsblad Moniteur Belge: Gratis Tel. Nummer: 0800-98 809 Numéro Tél. Gratuit: 0800-98 809

Transféré par

Mohsen Pourabdollah
Copyright
© © All Rights Reserved
Nous prenons très au sérieux les droits relatifs au contenu. Si vous pensez qu’il s’agit de votre contenu, signalez une atteinte au droit d’auteur ici.
Formats disponibles
Téléchargez aux formats PDF, TXT ou lisez en ligne sur Scribd

BELGISCH MONITEUR

STAATSBLAD BELGE
Publicatie overeenkomstig artikelen 472 tot 478 van de Publication conforme aux articles 472 à 478 de la
programmawet van 24 december 2002, gewijzigd door de loi-programme du 24 décembre 2002, modifiés par les
artikelen 4 tot en met 8 van de wet houdende diverse bepalingen articles 4 à 8 de la loi portant des dispositions diverses du
van 20 juli 2005 en artikelen 117 en 118 van de wet van 20 juillet 2005 et les articles 117 et 118 de la loi du
5 mei 2019. 5 mai 2019.

Dit Belgisch Staatsblad kan geconsulteerd worden op : Le Moniteur belge peut être consulté à l’adresse :
[Link] [Link]
Bestuur van het Belgisch Staatsblad, Antwerpsesteen- Direction du Moniteur belge, chaussée d’Anvers 53,
weg 53, 1000 Brussel - Directeur : Wilfried Verrezen 1000 Bruxelles - Directeur : Wilfried Verrezen
Gratis tel. nummer : 0800-98 809 Numéro tél. gratuit : 0800-98 809
192e JAARGANG N. 71 192e ANNEE

MAANDAG 14 MAART 2022 LUNDI 14 MARS 2022

Het Belgisch Staatsblad van 11 maart 2022 bevat Le Moniteur belge du 11 mars 2022 comporte
twee uitgaven, met als volgnummers 69 en 70. deux éditions, qui portent les numéros 69 et 70.

INHOUD SOMMAIRE

Wetten, decreten, ordonnanties en verordeningen Lois, décrets, ordonnances et règlements

Grondwettelijk Hof Cour constitutionnelle

Uittreksel uit arrest nr. 177/2021 van 9 december 2021, Extrait de l’arrêt n° 177/2021 du 9 décembre 2021, p. 19697.
bl. 19721.

Verfassungsgerichtshof

Auszug aus dem Entscheid Nr. 177/2021 vom 9. Dezember 2021, S. 19746.

Federale Overheidsdienst Justitie Service public fédéral Justice

19 JANUARI 2022. — Wet houdende boek 2, titel 3, “Relatievermo- 19 JANVIER 2022. — Loi portant le livre 2, titre 3, “Les relations
gensrecht” en boek 4 “Nalatenschappen, schenkingen en testamenten” patrimoniales des couples” et le livre 4 “Les successions, donations et
van het Burgerlijk Wetboek, bl. 19772. testaments” du Code civil, p. 19772.

Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken Service public fédéral Intérieur

5 MAART 2022. — Koninklijk besluit houdende wijziging van het 5 MARS 2022. — Arrêté royal modifiant l’arrêté royal du 28 octo-
koninklijk besluit van 28 oktober 2021 houdende de nodige maatrege- bre 2021 portant les mesures de police administrative nécessaires en
len van bestuurlijke politie teneinde de gevolgen voor de volksgezond- vue de prévenir ou de limiter les conséquences pour la santé publique
heid van de afgekondigde epidemische noodsituatie betreffende de de la situation d’urgence épidémique déclarée concernant la pandémie
coronavirus COVID-19 pandemie te voorkomen of te beperken. — de coronavirus COVID-19. — Traduction allemande, p. 19850.
Duitse vertaling, bl. 19850.

304 bladzijden/pages
19688 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

Föderaler Öffentlicher Dienst Inneres

5. MÄRZ 2022 — Königlicher Erlass zur Abänderung des Königlichen Erlasses vom 28. Oktober 2021 über die
verwaltungspolizeilichen Maßnahmen, die erforderlich sind, um die Folgen der ausgerufenen epidemischen
Notsituation in Bezug auf die Pandemie des Coronavirus COVID-19 für die Volksgesundheit zu verhindern oder
einzuschränken — Deutsche Übersetzung, S. 19850.

Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale

23 DECEMBER 2021. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbin- 23 DECEMBRE 2021. — Arrêté royal rendant obligatoire la conven-
dend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 10 sep- tion collective de travail du 10 septembre 2021, conclue au sein de la
tember 2021, gesloten in het Paritair Comité voor de landbouw, Commission paritaire de l’agriculture, concernant le régime de chô-
betreffende het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag vanaf mage avec complément d’entreprise à partir de 60 ans avec 40 ans de
60 jaar met 40 jaar loopbaan, bl. 19854. carrière, p. 19854.

Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale

23 DECEMBER 2021. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbin- 23 DECEMBRE 2021. — Arrêté royal rendant obligatoire la conven-
dend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 10 sep- tion collective de travail du 10 septembre 2021, conclue au sein de la
tember 2021, gesloten in het Paritair Comité voor de landbouw, Commission paritaire de l’agriculture, relative au régime de chômage
betreffende het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag vanaf avec complément d’entreprise à partir de 60 ans et 33 ans de carrière
60 jaar en 33 jaar loopbaan (zwaar beroep), bl. 19857. (métiers lourds), p. 19857.

Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale

23 DECEMBER 2021. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbin- 23 DECEMBRE 2021. — Arrêté royal rendant obligatoire la conven-
dend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 10 sep- tion collective de travail du 10 septembre 2021, conclue au sein de la
tember 2021, gesloten in het Paritair Comité voor de landbouw, Commission paritaire de l’agriculture, relative au régime de chômage
betreffende het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag vanaf avec complément d’entreprise à partir de 60 ans et 35 ans de carrière
60 jaar en 35 jaar loopbaan (zwaar beroep), bl. 19859. (métiers lourds), p. 19859.

Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale

23 DECEMBER 2021. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbin- 23 DECEMBRE 2021. — Arrêté royal rendant obligatoire la conven-
dend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 8 sep- tion collective de travail du 8 septembre 2021, conclue au sein de la
tember 2021, gesloten in het Paritair Subcomité voor de beschutte Sous-commission paritaire pour les entreprises de travail adapté de la
werkplaatsen van het Waalse Gewest en van de Duitstalige Région wallonne et de la Communauté germanophone, relative à la
Gemeenschap, betreffende de vrijstelling van de verplichting van dispense de l’obligation de disponibilité adaptée 2021-2022, p. 19862.
aangepaste beschikbaarheid 2021-2022, bl. 19862.

Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale

23 DECEMBER 2021. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbin- 23 DECEMBRE 2021. — Arrêté royal rendant obligatoire la conven-
dend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 8 okto- tion collective de travail du 8 octobre 2021, conclue au sein de la
ber 2021, gesloten in het Paritair Comité voor de opvoedings- en Commission paritaire des établissements et services d’éducation et
huisvestingsinrichtingen en -diensten, betreffende de voorwaarden d’hébergement relative aux conditions d’octroi de la dispense de
voor de toekenning van de vrijstelling van de verplichting van l’obligation de disponibilité adaptée pour les travailleurs âgés licenciés
aangepaste beschikbaarheid voor oudere werknemers die worden dans le cadre d’un régime de chômage avec complément d’entreprise,
ontslagen in het raam van een stelsel van werkloosheid met qui ont travaillé 20 ans dans un régime de travail de nuit, qui ont été
bedrijfstoeslag, die 20 jaar hebben gewerkt in een regeling van occupés dans le cadre d’un métier lourd ou qui ont été occupés dans le
nachtarbeid, die hebben gewerkt in een zwaar beroep of tewerkgesteld secteur de la construction et sont en incapacité de travail, qui ont été
werden in het bouwbedrijf en arbeidsongeschikt zijn, die hebben occupés dans le cadre d’un métier lourd et justifient 35 ans de passé
gewerkt in een zwaar beroep en 35 jaar beroepsverleden aantonen of professionnel ou qui ont une carrière longue, en exécution de la
een lange loopbaan hebben, in uitvoering van de collectieve arbeids- convention collective de travail n° 153 du Conseil national du Travail,
overeenkomst nr. 153 van de Nationale Arbeidsraad, bl. 19864. p. 19864.

Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale

23 DECEMBER 2021. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbin- 23 DECEMBRE 2021. — Arrêté royal rendant obligatoire la conven-
dend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 8 okto- tion collective de travail du 8 octobre 2021, conclue au sein de la
ber 2021, gesloten in het Paritair Comité voor de opvoedings- en Commission paritaire des établissements et services d’éducation et
huisvestingsinrichtingen en -diensten, betreffende de vaststelling, voor d’hébergement, relative à la détermination, pour 2023-2024, des
2023 en 2024, van de voorwaarden voor de toekenning van de conditions d’octroi de la dispense de l’obligation de disponibilité
vrijstelling van verplichting van aangepaste beschikbaarheid voor adaptée pour les travailleurs âgés licenciés avant le 1er juillet 2023 dans
oudere werknemers die worden ontslagen vóór 1 juli 2023 in het raam le cadre d’un régime de chômage avec complément d’entreprise, qui
van een stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag, die 20 jaar hebben ont travaillé 20 ans dans un régime de travail de nuit, qui ont été
gewerkt in een stelsel van nachtarbeid, die in een zwaar beroep of in de occupés dans le cadre d’un métier lourd ou qui ont été occupés dans le
bouwsector tewerkgesteld werden en arbeidsongeschikt zijn, die secteur de la construction et sont en incapacité de travail, qui ont été
tewerkgesteld werden in een zwaar beroep en 35 jaar beroepsverleden occupés dans le cadre d’un métier lourd et justifient 35 ans de passé
aantonen, die een lange loopbaan hebben, of die tewerkgesteld waren professionnel, qui ont une carrière longue, ou qui ont été occupés dans
in een onderneming in moeilijkheden of in herstructurering, in une entreprise en difficultés ou en restructuration, en exécution de la
uitvoering van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 155 van de convention collective de travail n° 155 du Conseil national du Travail,
Nationale Arbeidsraad, bl. 19866. p. 19866.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19689

Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale

10 JANUARI 2022. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbin- 10 JANVIER 2022. — Arrêté royal rendant obligatoire la convention
dend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 19 okto- collective de travail du 19 octobre 2021, conclue au sein de la
ber 2021, gesloten in het Paritair Comité voor de grote kleinhandelszaken, Commission paritaire des grandes entreprises de vente au détail,
tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst van 27 septem- modifiant la convention collective de travail du 27 septembre 2021
ber 2021 betreffende het tijdskrediet, bl. 19867. relative au crédit-temps, p. 19867.

Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale

10 JANUARI 2022. — Koninklijk besluit waarbij algemeen verbin- 10 JANVIER 2022. — Arrêté royal rendant obligatoire la convention
dend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 25 okto- collective de travail du 25 octobre 2021, conclue au sein de la
ber 2021, gesloten in het Paritair Comité voor de voortbrenging van Commission paritaire pour la production des pâtes, papiers et cartons,
papierpap, papier en karton, betreffende de vrijstelling van de verplich- relative à la dispense de l’obligation de disponibilité adaptée 2021-2022,
ting van aangepaste beschikbaarheid 2021-2022, bl. 19869. p. 19869.

Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid Service public fédéral Sécurité sociale

24 FEBRUARI 2022. — Koninklijk besluit tot vaststelling van het 24 FEVRIER 2022. — Arrêté royal fixant le montant du financement
financieringsbedrag voor het jaar 2021 van het Schadeloosstellingfonds pour l’année 2021 du Fonds d’indemnisation des victimes de l’amiante
voor asbestslachtoffers ten laste van het globaal financieel beheer van à charge de la gestion financière globale du statut social des travailleurs
het sociaal statuut der zelfstandigen, bl. 19871. indépendants, p. 19871.

Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid Service public fédéral Sécurité sociale

24 FEBRUARI 2022. — Ministerieel besluit tot wijziging van hoofd- 24 FEVRIER 2022. — Arrêté ministériel modifiant le chapitre
stuk “D. Urologie en nefrologie” van de lijst en van de nominatieve « D. Urologie et néphrologie » de la liste et les listes nominatives jointes
lijsten, gevoegd als bijlagen 1 en 2 bij het koninklijk besluit van comme annexes 1 et 2 à l’arrêté royal du 25 juin 2014 fixant les
25 juni 2014 tot vaststelling van de procedures, termijnen en voorwaar- procédures, délais et conditions en matière d’intervention de l’assu-
den inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor rance obligatoire soins de santé et indemnités dans le coût des implants
geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van implantaten et des dispositifs médicaux invasifs, p. 19872.
en invasieve medische hulpmiddelen, bl. 19872.

Gemeenschaps- en Gewestregeringen Gouvernements de Communauté et de Région

Gemeinschafts- und Regionalregierungen

Vlaamse Gemeenschap Communauté flamande

Vlaamse overheid Autorité flamande

10 DECEMBER 2021. — Besluit van de Vlaamse Regering tot het 10 DECEMBRE 2021. — Arrêté du Gouvernement flamand
verlenen van bijkomend uitstel aan de sociale huisvestingsmaatschap- accordant un report supplémentaire à la société de logement social
pij WoonWel, cvba met sociaal oogmerk, om te voldoen aan de « WoonWel » SCRL à finalité sociale, afin de satisfaire à la condition
voorwaarde met betrekking tot de minimale schaalgrootte, relative à l’échelle minimale, p. 19889.
bl. 19888.

Vlaamse overheid Autorité flamande

10 DECEMBER 2021. — Besluit van de Vlaamse Regering tot het 10 DECEMBRE 2021. — Arrêté du Gouvernement flamand accordant
verlenen van bijkomend uitstel aan de sociale huisvestingsmaatschap- un report supplémentaire à la société de logement social « Tieltse
pij Tieltse Bouwmaatschappij, cvba met sociaal oogmerk, om te voldoen Bouwmaatschappij », SCRL à finalité sociale, afin de satisfaire à la
aan de voorwaarde met betrekking tot de minimale schaalgrootte, condition relative à l’échelle minimale, p. 19890.
bl. 19890.

Vlaamse overheid Autorité flamande

17 DECEMBER 2021. — Besluit van de Vlaamse Regering tot 17 DECEMBRE 2021. — Arrêté du Gouvernement flamand portant
herverdeling van het provisionele krediet ingeschreven onder begro- redistribution du crédit provisionnel inscrit à l’article budgétaire
tingsartikel CB0-1CBG2AJ-PR basisallocatie 1CB039 van de algemene CB0-1CBG2AJ-PR, allocation de base 1CB039 du budget général des
uitgavenbegroting van de Vlaamse gemeenschap voor het begrotings- dépenses de la Communauté flamande pour l’année budgétaire 2021,
jaar 2021, bl. 19891. p. 19892.
19690 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

Vlaamse overheid Autorité flamande

4 FEBRUARI 2022. — Besluit van de Vlaamse Regering over de 4 FEVRIER 2022. — Arrêté du Gouvernement flamand relatif à la
procedure tot goedkeuring van zorgstrategische plannen, procédure d’approbation de plans stratégiques de soins, p. 19897.
bl. 19893.

Brussels Hoofdstedelijk Gewest Région de Bruxelles-Capitale

Brussels Hoofdstedelijk Gewest Région de Bruxelles-Capitale

Raad van State. — Vernietiging (bekendmaking voorgeschreven bij Conseil d’Etat. — Annulation (publication prescrite par l’article 39 du
artikel 39 van de procedureregeling), bl. 19901. règlement de procédure), p. 19901.

Brussels Hoofdstedelijk Gewest Région de Bruxelles-Capitale

27 JANUARI 2022. — Ordonnantie tot wijziging van de ordonnantie 27 JANVIER 2022. — Ordonnance modifiant l’ordonnance du
van 4 september 2008 betreffende de strijd tegen discriminatie en de 4 septembre 2008 relative à la lutte contre la discrimination et à l’égalité
gelijke behandeling op het vlak van de tewerkstelling, de traitement en matière d’emploi, p. 19901.
bl. 19901.

Brussels Hoofdstedelijk Gewest Région de Bruxelles-Capitale

10 FEBRUARI 2022. — Ordonnantie tot wijziging van de Brusselse 10 FEVRIER 2022. — Ordonnance modifiant le Code bruxellois
Huisvestingscode, bl. 19903. du logement, p. 19903.

Brussels Hoofdstedelijk Gewest Région de Bruxelles-Capitale

10 FEBRUARI 2022. — Ordonnantie tot opheffing van de ordonnantie 10 FEVRIER 2022. — Ordonnance abrogeant l’ordonnance du
van 21 december 2018 tot invoering van een huisvestingstoelage in het 21 décembre 2018 visant à établir une allocation de logement en Région
Brussels Hoofdstedelijk Gewest, bl. 19907. de Bruxelles-Capitale, p. 19907.

Andere besluiten Autres arrêtés

Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning Service public fédéral Stratégie et Appui

9 MAART 2022. — Besluit van de directeur-generaal rekrutering en 9 MARS 2022. — Arrêté du directeur-général du recrutement et
ontwikkeling van de federale overheidsdienst beleid en ondersteuning développement du service public fédéral stratégie et appui établissant
tot vaststelling van de lijst met knelpuntberoepen, bl. 19908. la liste des métiers en pénurie, p. 19908.

Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken Service public fédéral Intérieur

Personeel. — Bevordering, bl. 19909. Personnel. — Promotion, p. 19909.

Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken Service public fédéral Intérieur

Vergunning voor het exploiteren van een bewakingsonderneming in Autorisation d’exploiter une entreprise de gardiennage en applica-
toepassing van de wet van 2 oktober 2017 tot regeling van de private en tion de la loi du 2 octobre 2017 réglementant la sécurité privée et
bijzondere veiligheid. — Vernieuwing, bl. 19909. particulière. — Renouvellement, p. 19909.

Federale Overheidsdienst Financiën Service public fédéral Finances

Personeel. — Benoemingen, bl. 19910. Personnel. — Nominations, p. 19910.

Federale Overheidsdienst Financiën Service public fédéral Finances

Personeel. — Benoemingen, bl. 19910. Personnel. — Nominations, p. 19910.

Federale Overheidsdienst Financiën Service public fédéral Finances

Personeel. — Benoemingen, bl. 19910. Personnel. — Nominations, p. 19910.

Federale Overheidsdienst Financiën Service public fédéral Finances

Personeel. — Benoemingen, bl. 19911. Personnel. — Nominations, p. 19911.

Federale Overheidsdienst Financiën Service public fédéral Finances

Personeel. — Benoemingen, bl. 19911. Personnel. — Nominations, p. 19911.


BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19691

Federale Overheidsdienst Financiën Service public fédéral Finances

Personeel. — Benoemingen, bl. 19912. Personnel. — Nominations, p. 19912.

Federale Overheidsdienst Financiën Service public fédéral Finances

Personeel. — Benoemingen, bl. 19912. Personnel. — Nominations, p. 19912.

Federale Overheidsdienst Financiën Service public fédéral Finances

Personeel. — Ontslag van ambtswege, bl. 19912. Personnel. — Démission d’office, p. 19912.

Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid Service public fédéral Sécurité sociale

14 FEBRUARI 2022. — Ministerieel besluit tot wijziging van het 14 FEVRIER 2022. — Arrêté ministériel modifiant l’arrêté ministériel
ministerieel besluit van 7 juli 2017 houdende benoeming van de leden du 7 juillet 2017 portant nomination des membres et du président du
en de voorzitter van het Algemeen Beheerscomité voor het sociaal Comité général de gestion pour le statut social des travailleurs
statuut van de zelfstandigen, bl. 19913. indépendants, p. 19913.

Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid Service public fédéral Sécurité sociale

14 FEBRUARI 2022. — Ministerieel besluit houdende erkenning van 14 FEVRIER 2022. — Arrêté ministériel portant agréation des
de personeelsleden van het sociaal verzekeringsfonds ″Securex Integrity″, membres du personnel de la caisse d’assurances sociales « Securex
Vrij Sociaal Verzekeringsfonds voor Zelfstandigen, belast met de Integrity », Caisse libre d’Assurances sociales pour Travailleurs
kohieren uitvoerbaar te verklaren, bl. 19913. indépendants, chargés de rendre les rôles exécutoires, p. 19913.

Federale Overheidsdienst Justitie Service public fédéral Justice

Rechterlijke Orde, bl. 19914. Ordre judiciaire, p. 19914.

Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie

Personeel. — Inrustestelling, bl. 19916. Personnel. — Mise à la retraite, p. 19916.

Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie

Personeel. — Benoeming, bl. 19916. Personnel. — Nomination, p. 19916.

Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie

Personeel. — Benoeming, bl. 19916. Personnel. — Nomination, p. 19916.

Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie

Personeel. — Benoeming, bl. 19916. Personnel. — Nomination, p. 19916.

Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie Service public fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie

Bevordering. — Erratum, bl. 19917. Promotion. — Erratum, p. 19917.

Ministerie van Landsverdediging Ministère de la Défense

Leger. — Luchtmacht. — Opname van hulpofficieren als beroepsof- Armée. — Force aérienne. — Admission d’officiers auxiliaires comme
ficieren van niveau A en van niveau B, bl. 19917. officiers de carrière du niveau A et du niveau B, p. 19917.

Programmatorische Federale Overheidsdienst Wetenschapsbeleid Service public fédéral de Programmation Politique scientifique

Personeel. — Inrustestelling, bl. 19917. Personnel. — Mise à la retraite, p. 19917.


19692 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

Gemeenschaps- en Gewestregeringen Gouvernements de Communauté et de Région

Gemeinschafts- und Regionalregierungen

Vlaamse Gemeenschap Communauté flamande

Vlaamse overheid Vlaamse overheid

Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Welzijn, Volksgezondheid en Gezin

11 FEBRUARI 2022. — Ministerieel besluit tot wijziging van artikel 2 11 FEBRUARI 2022. — Ministerieel besluit tot wijziging van artikel 2
van het ministerieel besluit van 15 maart 2019 houdende de nadere van het ministerieel besluit van 15 maart 2019 houdende de nadere
regels voor de aanwijzing van de begunstigden van de gezinsbijslagen regels voor de aanwijzing van de begunstigden van de gezinsbijslagen
en de uitbetaling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid, en de uitbetaling van de toelagen in het kader van het gezinsbeleid,
bl. 19918. p. 19918.

Vlaamse overheid Vlaamse overheid

Cultuur, Jeugd, Sport en Media Cultuur, Jeugd, Sport en Media

8 MAART 2022. — Ministerieel besluit tot wijziging van het 8 MAART 2022. — Ministerieel besluit tot wijziging van het
ministerieel besluit van 29 september 2004 tot aanpassing van de ministerieel besluit van 29 september 2004 tot aanpassing van de
termijn waarbinnen de overeenkomst tussen de niet-professionele termijn waarbinnen de overeenkomst tussen de niet-professionele
sportbeoefenaar en de sportvereniging kan worden beëindigd voor wat sportbeoefenaar en de sportvereniging kan worden beëindigd voor wat
de Petanque Federatie Vlaanderen vzw betreft, wat betreft de termijn de Petanque Federatie Vlaanderen vzw betreft, wat betreft de termijn in
in 2022, bl. 19918. 2022, p. 19918.

Vlaamse overheid Vlaamse overheid

Omgeving Omgeving

7 MAART 2022. — Wijziging van het ministerieel besluit van 7 MAART 2022. — Wijziging van het ministerieel besluit van
13 april 2021 tot benoeming van de leden van de Proefdierencommissie, 13 april 2021 tot benoeming van de leden van de Proefdierencommissie,
bl. 19919. p. 19919.

Waals Gewest Région wallonne

Wallonische Region

Service public de Wallonie Service public de Wallonie

10 FEVRIER 2022. — Arrêté ministériel adoptant définitivement le 10 FEVRIER 2022. — Arrêté ministériel adoptant définitivement le
périmètre du site à réaménager SAR/CH143 dit « Usines Bernard » à périmètre du site à réaménager SAR/CH143 dit « Usines Bernard » à
Gerpinnes, bl. 19919. Gerpinnes, p. 19919.

Waalse Overheidsdienst Service public de Wallonie

Plaatselijke Besturen, bl. 19926. Pouvoirs locaux, p. 19926.

Service public de Wallonie Service public de Wallonie

Pouvoirs locaux, bl. 19926. Pouvoirs locaux, p. 19926.

Service public de Wallonie Service public de Wallonie

SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement. — Dépar- SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement. — Dépar-
tement du Sol et des Déchets. — Direction des Infrastructures de tement du Sol et des Déchets. — Direction des Infrastructures de
Gestion et de la Politique des Déchets. — Autorisation de transferts Gestion et de la Politique des Déchets. — Autorisation de transferts
transfrontaliers de déchets BE0003002740, bl. 19927. transfrontaliers de déchets BE0003002740, p. 19927.

Service public de Wallonie Service public de Wallonie

SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement. — Dépar- SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement. — Dépar-
tement du Sol et des Déchets. — Direction des Infrastructures de tement du Sol et des Déchets. — Direction des Infrastructures de
Gestion et de la Politique des Déchets. — Autorisation de transferts Gestion et de la Politique des Déchets. — Autorisation de transferts
transfrontaliers de déchets CH0017477, bl. 19928. transfrontaliers de déchets CH0017477, p. 19928.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19693

Service public de Wallonie Service public de Wallonie

SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement. — Dépar- SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement. — Dépar-
tement du Sol et des Déchets. — Direction des Infrastructures de tement du Sol et des Déchets. — Direction des Infrastructures de
Gestion et de la Politique des Déchets. — Autorisation de transferts Gestion et de la Politique des Déchets. — Autorisation de transferts
transfrontaliers de déchets DE1350180023, bl. 19928. transfrontaliers de déchets DE1350180023, p. 19928.

Service public de Wallonie Service public de Wallonie

SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement. — Dépar- SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement. — Dépar-
tement du Sol et des Déchets. — Direction des Infrastructures de tement du Sol et des Déchets. — Direction des Infrastructures de
Gestion et de la Politique des Déchets. — Autorisation de transferts Gestion et de la Politique des Déchets. — Autorisation de transferts
transfrontaliers de déchets DE1350183150, bl. 19929. transfrontaliers de déchets DE1350183150, p. 19929.

Service public de Wallonie Service public de Wallonie

SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement. — Dépar- SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement. — Dépar-
tement du Sol et des Déchets. — Direction des Infrastructures de tement du Sol et des Déchets. — Direction des Infrastructures de
Gestion et de la Politique des Déchets. — Autorisation de transferts Gestion et de la Politique des Déchets. — Autorisation de transferts
transfrontaliers de déchets DE1350187463, bl. 19929. transfrontaliers de déchets DE1350187463, p. 19929.

Service public de Wallonie Service public de Wallonie

SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement. — Dépar- SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement. — Dépar-
tement du Sol et des Déchets. — Direction des Infrastructures de tement du Sol et des Déchets. — Direction des Infrastructures de
Gestion et de la Politique des Déchets. — Autorisation de transferts Gestion et de la Politique des Déchets. — Autorisation de transferts
transfrontaliers de déchets DE4081000659, bl. 19930. transfrontaliers de déchets DE4081000659, p. 19930.

Service public de Wallonie Service public de Wallonie

SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement. — Dépar- SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement. — Dépar-
tement du Sol et des Déchets. — Direction des Infrastructures de tement du Sol et des Déchets. — Direction des Infrastructures de
Gestion et de la Politique des Déchets. — Autorisation de transferts Gestion et de la Politique des Déchets. — Autorisation de transferts
transfrontaliers de déchets FR2021014011, bl. 19930. transfrontaliers de déchets FR2021014011, p. 19930.

Service public de Wallonie Service public de Wallonie

SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement. — Dépar- SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement. — Dépar-
tement du Sol et des Déchets. — Direction des Infrastructures de tement du Sol et des Déchets. — Direction des Infrastructures de
Gestion et de la Politique des Déchets. — Autorisation de transferts Gestion et de la Politique des Déchets. — Autorisation de transferts
transfrontaliers de déchets FR2021014012, bl. 19931. transfrontaliers de déchets FR2021014012, p. 19931.

Service public de Wallonie Service public de Wallonie

SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement. — Dépar- SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement. — Dépar-
tement du Sol et des Déchets. — Direction des Infrastructures de tement du Sol et des Déchets. — Direction des Infrastructures de
Gestion et de la Politique des Déchets. — Autorisation de transferts Gestion et de la Politique des Déchets. — Autorisation de transferts
transfrontaliers de déchets FR2021008005, bl. 19931. transfrontaliers de déchets FR2021008005, p. 19931.

Service public de Wallonie Service public de Wallonie

SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement. — Dépar- SPW Agriculture, Ressources naturelles et Environnement. — Dépar-
tement du Sol et des Déchets. — Direction des Infrastructures de tement du Sol et des Déchets. — Direction des Infrastructures de
Gestion et de la Politique des Déchets. — Autorisation de transferts Gestion et de la Politique des Déchets. — Autorisation de transferts
transfrontaliers de déchets FR2021059098, bl. 19932. transfrontaliers de déchets FR2021059098, p. 19932.

Officiële berichten Avis officiels

Parlement wallon Parlement wallon

Avis de recrutement, bl. 19933. Avis de recrutement, p. 19933.


19694 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

Grondwettelijk Hof Cour constitutionnelle

Uittreksel uit arrest nr. 149/2021 van 21 oktober 2021, Extrait de l’arrêt n° 149/2021 du 21 octobre 2021, p. 19935.
bl. 19933.

Verfassungsgerichtshof

Auszug aus dem Entscheid Nr. 149/2021 vom 21. Oktober 2021, S. 19937.

Grondwettelijk Hof Cour constitutionnelle

Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van Avis prescrit par l’article 74 de la loi spéciale du 6 janvier 1989,
6 januari 1989, bl. 19940. p. 19939.

Verfassungsgerichtshof

Bekanntmachung vorgeschrieben durch Artikel 74 des Sondergesetzes vom 6. Januar 1989, S. 19940.

Grondwettelijk Hof Cour constitutionnelle

Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van Avis prescrit par l’article 74 de la loi spéciale du 6 janvier 1989,
6 januari 1989, bl. 19941. p. 19940.

Verfassungsgerichtshof

Bekanntmachung vorgeschrieben durch Artikel 74 des Sondergesetzes vom 6. Januar 1989, S. 19942.

Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning Service public fédéral Stratégie et Appui

Vergelijkende selectie van Nederlandstalige Junior functioneel ana- Sélection comparative d’Analystes fonctionnels junior (m/f/x)
listen (m/v/x) (niveau A1) voor de FOD BOSA. — (niveau A1), francophones, pour le SPF Stratégie et Appui. — Numéro
Selectienummer: ANG22012, bl. 19942. de sélection : AFG21323, p. 19942.

Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning Service public fédéral Stratégie et Appui

Vergelijkende selectie van Nederlandstalige Experten Productveilig- Sélection comparative d’Experts en sécurité des produits appareils
heid Drukapparatuur (m/v/x) (niveau A2) voor de FOD Economie, sous pression (m/f/x) (niveau A2), néerlandophones, pour le SPF Eco-
K.M.O., Middenstand en Energie. — Selectienummer: ANG22045, nomie, P.M.E., Classes moyennes et Energie. — Numéro de
bl. 19943. sélection : ANG22045, p. 19943.

Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning Service public fédéral Stratégie et Appui

Vergelijkende selectie van Nederlandstalige Attachés Communicatie Sélection comparative d’Attachés en Communication (m/f/x)
(m/v/x) (niveau A1) voor de Federale Diensten van de Gouverneur (niveau A1) néerlandophones pour les Services Fédéraux auprès du
van provincie Antwerpen - FOD Binnenlandse Zaken. — Selectienummer: Gouverneur de la province d’Anvers - SPF Intérieur. — Numéro de
ANG22115, bl. 19943. sélection : ANG22115, p. 19943.

Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning Service public fédéral Stratégie et Appui

Vergelijkende selectie van Nederlandstalige Controleurs - Certificeer- Sélection comparative de Contrôleurs - Certificateurs (m/f/x)
ders (m/v/x) (niveau B) voor FOD Mobiliteit en Vervoer. — Selectie- (niveau B), néerlandophones, pour le SPF Mobilité et Transports.
nummer : ANG22126, bl. 19943. — Numéro de sélection : ANG22126, p. 19943.

Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning Service public fédéral Stratégie et Appui

Vergelijkende selectie van Nederlandstalige Fiscaal Specialisten Sélection comparative de Spécialistes fiscaux (m/f/x) (niveau A2),
(m/v/x) (niveau A2) voor de FOD Financiën. — Selectienummer: francophones, pour le SPF Finances. — Numéro de sélection :
ANG22097. — Erratum, bl. 19943. AFG22057. — Erratum, p. 19943.

Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning Service public fédéral Stratégie et Appui

Vergelijkende selectie van Franstalige Facility Managers (niveau B) Sélection comparative de Facility Managers m/f/x) (niveau B),
voor het Ministerie van Defensie. — Selectienummer: AFG22088, francophones, pour le Ministère de la Défense. — Numéro de
bl. 19944. sélection : AFG22088, p. 19944.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19695

Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning Service public fédéral Stratégie et Appui

Resultaat van de vergelijkende selectie van Nederlandstalige Tand- Résultat de la sélection comparative de Dentistes-Inspecteurs sociaux
artsen - Sociaal Inspecteurs (m/v/x) (niveau A2) voor RIZIV. — (m/f/x) (niveau A2), néerlandophones, pour l’INAMI. — Numéro de
Selectienummer : ANG22038, bl. 19944. sélection : ANG22038, p. 19944.

Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning Service public fédéral Stratégie et Appui

Resultaat van de vergelijkende selectie van Franstalige Vertalers/ Résultat de la sélection comparative de Traducteurs/Interprètes
Tolks (m/v/x) (niveau A2) voor de FOD Financien. — Selectienummer: (m/f/x) (niveau A2), francophones, pour le SPF Finances. — Numéro
AFG21175, bl. 19944. de sélection : AFG21175, p. 19944.

Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning Service public fédéral Stratégie et Appui

Resultaat van de vergelijkende selectie van Franstalige Itil process Résultat de la sélection comparative d’ Itil process managers (m/f/x)
managers (m/v/x) (niveau A2) voor de FOD Economie, K.M.O., (niveau A2), francophones, pour le SPF Economie, PME, Classes
Middenstand en Energie. — Selectienummer: AFG21258, moyennes et Energie. — Numéro de sélection : AFG21258, p. 19944.
bl. 19944.

Federale Overheidsdienst Financiën Service public fédéral Finances

Vergelijkende selectie van een Executive secretary (m/v/x), Sélection comparative d’un(e) Executive secretary (m/f/x), p. 19945.
bl. 19945.

Federale Overheidsdienst Financiën Service public fédéral Finances

Administratie van het kadaster, registratie en domeinen. — Bekend- Administration du cadastre, de l’enregistrement et des domaines. —
making voorgeschreven bij artikel 770 van het Burgerlijk Wetboek. — Publication prescrite par l’article 770 du Code civil. — Succession en
Erfloze nalatenschap, bl. 19946. déshérence, p. 19946.

Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale

Rechterlijke Macht. — Nederlandstalige arbeidsrechtbank van Brussel, Pouvoir judiciaire. — Tribunal du travail néerlandophone de Bruxelles,
bl. 19946. p. 19946.

Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg Service public fédéral Emploi, Travail et Concertation sociale

Rechterlijke Macht. — Nederlandstalige arbeidsrechtbank van Brussel, Pouvoir judiciaire. — Tribunal du travail néerlandophone de Bruxelles,
bl. 19946. p. 19946.

Federale Overheidsdienst Justitie Service public fédéral Justice

Rechterlijke Orde. — Vacante betrekkingen, bl. 19947. Ordre judiciaire. — Places vacantes, p. 19947.

Federale Overheidsdienst Justitie Service public fédéral Justice

Naamsverandering. — Bekendmaking, bl. 19947. Changement de nom. — Publication, p. 19947.

Vast Comité van Toezicht op de Politiediensten Comité permanent de contrôle des Services de Police

8 MAART 2022. — Aanwerving van een beheerder Nederlandstalige 8 MARS 2022. — Recrutement d’un(e) gestionnaire de dossiers
dossiers voor de Klachtensectie (m/v/x) Erratum, bl. 19948. néerlandophone pour la Section plaintes (m/f/x) Erratum, p. 19948.

Gemeenschaps- en Gewestregeringen Gouvernements de Communauté et de Région

Gemeinschafts- und Regionalregierungen

Vlaamse Gemeenschap Communauté flamande

Vlaamse overheid Vlaamse overheid

Mobiliteit en Openbare Werken Mobiliteit en Openbare Werken

14 JANUARI 2022. — Goedkeuring wijziging Havenpolitieverorde- 14 JANUARI 2022. — Goedkeuring wijziging Havenpolitieverorde-
ning Antwerpen, bl. 19948. ning Antwerpen, p. 19948.
19696 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

Vlaamse overheid Vlaamse overheid

Mobiliteit en Openbare Werken Mobiliteit en Openbare Werken

Standaardbestek administratieve bepalingen van toepassing voor het Standaardbestek administratieve bepalingen van toepassing voor het
standaardbestek 250 (wegenbouw), het standaardbestek 260 (kunstwer- standaardbestek 250 (wegenbouw), het standaardbestek 260 (kunstwer-
ken en waterbouw) en het standaardbestek 270 (elektromechanische ken en waterbouw) en het standaardbestek 270 (elektromechanische
uitrustingen). — Versie 5.0, bl. 19949. uitrustingen). — Versie 5.0, p. 19949.

Brussels Hoofdstedelijk Gewest Région de Bruxelles-Capitale

Gewestelijke Overheidsdienst Brussel Openbaar Ambt Service public régional Bruxelles Fonction publique

Directie Talent Acquisition Vergelijkende selectie van Franstalige Direction Talent Acquistion Sélection comparative de Coordinateurs
Coördinatoren van bouwprojectleiders (m/v/x) (niveau A1) voor des chefs de projet construction (m/f/x) (niveau A1), francophones,
Gewestelijke Overheidsdienst Brussels. — Selectienummer : Req46, pour le Service public régional de Bruxelles. — Numéro de sélection :
bl. 19949. Req46, p. 19949.

Gewestelijke Overheidsdienst Brussel Openbaar Ambt Service public régional Bruxelles Fonction publique

Directie Talent Acquisition Vergelijkende selectie van Franstalige Direction Talent Acquistion Sélection comparative d’ Experts Inspec-
Inspectiedeskundige kunstwerken (m/v/x) (niveau A1) voor Gewes- tion des ouvrages d’art (m/f/x) (niveau A1), francophones, pour le
telijke Overeidsdienst Brussel. — Selectienummer : Req45, Service public régional de Bruxelles. — Numéro de sélection : Req45,
bl. 19949. p. 19949.

De Wettelijke Bekendmakingen en Verschillende Berichten Les Publications légales et Avis divers

Deze worden niet opgenomen in deze inhoudsopgave en bevinden Ils ne sont pas repris dans ce sommaire mais figurent aux
zich van bl. 19950 tot 19990. pages 19950 à 19990.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19697

WETTEN, DECRETEN, ORDONNANTIES EN VERORDENINGEN


LOIS, DECRETS, ORDONNANCES ET REGLEMENTS

COUR CONSTITUTIONNELLE
[2021/205921]
Extrait de l’arrêt n° 177/2021 du 9 décembre 2021
Numéros du rôle : 7277, 7279, 7280, 7289, 7291 et 7296
En cause : les recours en annulation totale ou partielle de la loi du 7 mai 2019 « modifiant la loi du 7 mai 1999 sur
les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs, et insérant l’article 37/1
dans la loi du 19 avril 2002 relative à la rationalisation du fonctionnement et de la gestion de la Loterie Nationale »,
introduits par la SA « Derby » et la SA « Tiercé Ladbroke », par la SA « Betcenter Group », par E.G., par la SPRL « World
Football Association », par la SA « PMU Belge » et par la SA « Rocoluc » et autres.
La Cour constitutionnelle,
composée des présidents P. Nihoul et L. Lavrysen, et des juges J.-P. Moerman, T. Giet, R. Leysen, J. Moerman,
M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne et D. Pieters, assistée du greffier F. Meersschaut, présidée par le
président P. Nihoul,
après en avoir délibéré, rend l’arrêt suivant :
I. Objet des recours et procédure
a. Par requête adressée à la Cour par lettre recommandée à la poste le 8 novembre 2019 et parvenue au greffe le
12 novembre 2019, un recours en annulation des articles 2, 3, 2o, 18, 20, 2o, 21, 3o et 4o, 22, 23, 1o, 24, 2o et 3o, et 31 de
la loi du 7 mai 2019 « modifiant la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard
et la protection des joueurs, et insérant l’article 37/1 dans la loi du 19 avril 2002 relative à la rationalisation du
fonctionnement et de la gestion de la Loterie Nationale » (publiée au Moniteur belge du 15 mai 2019) a été introduit par
la SA « Derby » et la SA « Tiercé Ladbroke », assistées et représentées par Me P. Joassart, avocat au barreau de Bruxelles.
b. Par requête adressée à la Cour par lettre recommandée à la poste le 8 novembre 2019 et parvenue au greffe le
13 novembre 2019, la SA « Betcenter Group », assistée et représentée par Me L. Wynant et Me A. Loubkine, avocats au
barreau de Bruxelles, a introduit un recours en annulation de la même loi.
c. Par requête adressée à la Cour par lettre recommandée à la poste le 7 novembre 2019 et parvenue au greffe le
13 novembre 2019, E.G., assisté et représenté par Me D. Philippe et Me J.-F. Libert, avocats au barreau de Bruxelles, a
introduit un recours en annulation des articles 28, 1o, et 31, 1o, de la même loi.
d. Par requête adressée à la Cour par lettre recommandée à la poste le 14 novembre 2019 et parvenue au greffe le
15 novembre 2019, la SPRL « World Football Association », assistée et représentée par Me Y. Spiegl et Me C. Maczkovics,
avocats au barreau de Bruxelles, a introduit un recours en annulation des articles 20, 2o, 21, 3o et 4o, 23, 1o, 24, 2o et 3o,
et 31, 1o et 2o, de la même loi.
e. Par requête adressée à la Cour par lettre recommandée à la poste le 14 novembre 2019 et parvenue au greffe le
15 novembre 2019, la SA « PMU Belge », assistée et représentée par Me Y. Spiegl et Me C. Maczkovics, a introduit un
recours en annulation des articles 20, 2o, et 21, 3o et 4o, de la même loi.
f. Par requête adressée à la Cour par lettre recommandée à la poste le 14 novembre 2019 et parvenue au greffe le
18 novembre 2019, un recours en annulation des articles 4, 20, 24 et 36 de la même loi a été introduit par la
SA « Rocoluc », la SA « Fremoluc » et Frédéric Van den Berghe, assistés et représentés par Me F. Tulkens et
Me M. Vanderstraeten, avocats au barreau de Bruxelles.
Ces affaires, inscrites sous les numéros 7277, 7279, 7280, 7289, 7291 et 7296 du rôle de la Cour, ont été jointes.
(...)
II. En droit
(...)
Quant à l’étendue des recours en annulation
B.1. Les parties requérantes dans l’affaire no 7277 demandent l’annulation des articles 2, 3, 2o, 18, 20, 2o, 21, 3o et
4o, 22, 23, 1o, 24, 2o et 3o, et 31 de la loi du 7 mai 2019 « modifiant la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris,
les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs, et insérant l’article 37/1 dans la loi du 19 avril 2002
relative à la rationalisation du fonctionnement et de la gestion de la Loterie Nationale » (ci-après : la loi du 7 mai 2019).
La partie requérante dans l’affaire no 7279 demande l’annulation de la même loi.
La partie requérante dans l’affaire no 7280 demande l’annulation des articles 28, 1o, et 31, 1o, de la même loi.
La partie requérante dans l’affaire no 7289 demande l’annulation des articles 20, 2o, 21, 3o et 4o, 23, 1o, 24, 2o et 3o,
et 31, 1o et 2o, de la même loi.
La partie requérante dans l’affaire no 7291 demande l’annulation des articles 20, 2o, et 21, 3o et 4o, de la même loi.
Les parties requérantes dans l’affaire no 7296 demandent l’annulation « en tous cas » des articles 4, 20, 24 et 36 de
la même loi.
Quant à la loi attaquée
B.2.1. La loi du 7 mai 2019 modifie la loi du 7 mai 1999 « sur les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux
de hasard et la protection des joueurs » (ci-après : la loi du 7 mai 1999). La loi initiale du 7 mai 1999 tend :
« à définir une série de principes dans la loi, un cadre qui soumettrait les opérateurs de jeux à des règles
d’exploitation strictes en contrepartie de la sécurité professionnelle et de la certitude d’un gain raisonnable.
Elle repose sur le double principe suivant :
- l’exploitation de jeux de hasard reste - a priori - interdite;
- une autorisation d’exploitation doit être considérée comme un privilège qu’il y a lieu de supprimer
immédiatement en cas d’infraction aux règles imposées ou de violation de ces règles.
[...]
Tout est conçu en fonction d’un quadruple objectif :
- la protection de la société et la sauvegarde de l’ordre public;
- la protection du joueur;
- la protection des exploitants;
19698 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

- la protection des intérêts fiscaux des régions » (Doc. parl., Sénat, 1995-1996, no 1-419/1, pp. 2-3).
La loi du 7 mai 1999 se fonde donc sur le principe selon lequel l’exploitation de jeux de hasard est a priori interdite,
mais elle prévoit des exceptions par un système d’autorisations sous la forme de licences octroyées par la Commission
des jeux de hasard (Doc. Parl., Chambre, 2008-2009, DOC 52-1992/001, pp. 3-4). Le législateur poursuit notamment un
objectif de canalisation consistant à lutter contre l’offre de jeux de hasard illégale en autorisant une offre de jeux de
hasard légale limitée (ibid., p. 4).
Les établissements de jeux de hasard autorisés par la loi du 7 mai 1999 sont répartis en quatre catégories
(article 6, alinéa 1er, de cette loi) : les établissements de jeux de hasard de classe I ou casinos (article 28), les
établissements de jeux de hasard de classe II ou salles de jeux automatiques (article 34), les établissements de jeux de
hasard de classe III ou débits de boissons (article 39) et les établissements de jeux de hasard de classe IV ou « les endroits
qui sont uniquement destinés à l’engagement de paris » (article 43/4).
Aux termes de l’article 25 de la loi du 7 mai 1999, les quatre catégories d’établissements de jeux de hasard se
distinguent, en outre, par le type de licence requise pour leur exploitation : une licence A est requise pour exploiter un
casino (article 25, alinéa 1er, 1), une licence B est requise pour exploiter une salle de jeux automatiques (article 25,
alinéa 1er, 2), une licence C est requise pour exploiter un débit de boissons (article 25, alinéa 1er, 3). La licence F1
(article 25, alinéa 1er, 6) permet l’exploitation de « l’organisation de paris ». La licence F2 (article 25, alinéa 1er, 7) permet
« l’engagement de paris pour le compte de titulaires de licences de classe F1 » dans un établissement de jeux de hasard
fixe ou mobile de classe IV et, en dehors d’un tel établissement, par les libraires et dans les hippodromes aux conditions
fixées par l’article 43/4, § 5, 1o et 2o, de la loi du 7 mai 1999.
En outre, l’article 43/8 de la loi du 7 mai 1999 prévoit que les licences supplémentaires A+, B+ et F1+ sont
nécessaires pour exploiter des jeux de hasard via des instruments de la société de l’information, qu’elles ne peuvent être
octroyées qu’à des personnes qui sont déjà titulaires d’une licence de classe A, B ou F1, que ces personnes ne peuvent
obtenir qu’une seule licence supplémentaire et que cette licence supplémentaire ne peut porter que sur l’exploitation
de jeux de même nature que ceux qu’elles proposent déjà dans le monde réel.
B.2.2. L’économie générale de la loi du 7 mai 2019 peut se résumer comme suit :
« Le projet de loi modifie des dispositions de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les établissements
de jeux de hasard et la protection du joueur pour notamment l’adapter à certaines pratiques constatées auprès des
opérateurs de jeux.
Il augmente le nombre maximum de jeux de hasard pouvant être exploités dans les débits de boissons en y
interdisant l’exploitation de machines non autorisées par la loi.
La composition de la Commission des jeux de hasard et les conditions de nomination sont modifiées.
Le pouvoir de sanction de la Commission des jeux de hasard est renforcé.
Les établissements de classe IV sont tenus de conclure une convention avec la commune où ils souhaitent s’établir.
Les jeux de hasard dits ’ virtuels ’ exploités dans les établissements de jeux de hasard fixes de classe IV sont
interdits aux personnes de moins de 21 ans et le système de contrôle EPIS devient applicable aux établissements de jeux
de hasard fixes de classe IV.
Compétence est donnée au Roi pour réglementer la publicité liée aux jeux de hasard » (Doc. parl., Chambre,
2018-2019, DOC 54-3327/001, p. 3).
En plus de ce qui précède, la loi du 7 mai 2019 :
- modifie les conditions auxquelles des paris hippiques peuvent être organisés (article 43/2 de la loi du 7 mai 1999,
tel qu’il a été modifié par l’article 21 de la loi du 7 mai 2019) et introduit la nouvelle classe de licence F1P pour
l’exploitation de « l’organisation de paris sur les courses hippiques » (article 25, alinéa 1er, 6/2, de la loi du 7 mai 1999,
inséré par l’article 14 de la loi du 7 mai 2019);
- confie à la Commission des jeux de hasard la compétence d’« interdire des paris si le bon déroulement de
l’événement ne peut pas être garanti ou si elle estime que des possibilités spécifiques de paris sont exposées à la
fraude » (article 43/1, alinéa 3, de la loi du 7 mai 1999, inséré par l’article 20, 2o, de la loi du 7 mai 2019);
- insère une nouvelle disposition concernant les navires à passagers internationaux à bord desquels des jeux de
hasard ou des paris sont offerts (article 3ter de la loi du 7 mai 1999, inséré par l’article 4 de la loi du 7 mai 2019).
Quant à l’intérêt
B.3. La Constitution et la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour constitutionnelle imposent à toute personne
physique ou morale qui introduit un recours en annulation de justifier d’un intérêt. Ne justifient de l’intérêt requis que
les personnes dont la situation pourrait être affectée directement et défavorablement par la norme attaquée.
B.4.1. Les parties requérantes dans l’affaire no 7277 justifient leur intérêt au recours en faisant valoir qu’elles sont
actives dans le domaine des jeux de hasard et des paris, qu’elles sont titulaires de licences F1 et F2 et qu’elles exploitent
des établissements de jeux de hasard de classe IV. Selon elles, les dispositions attaquées restreignent leurs activités et
les soumettent à des obligations contraignantes.
B.4.2.1. L’ASBL « UBA-BNGO », partie intervenante dans l’affaire no 7277, fait valoir que le premier moyen, la
première branche du quatrième moyen et le cinquième moyen dans l’affaire no 7277, qui sont dirigés contre l’article 3,
2o, de la loi du 7 mai 2019, sont irrecevables à défaut d’intérêt à l’annulation de cette disposition.
B.4.2.2. L’article 3, 2o, de la loi du 7 mai 2019 insère deux nouveaux alinéas à l’article 3 de la loi du 7 mai 1999, qui
deviennent les deuxième et troisième alinéas de cette disposition.
À la suite de cette modification, l’article 3 de la loi du 7 mai 1999 dispose :
« Ne sont pas des jeux de hasard au sens de la présente loi :
1. l’exercice des sports;
2. les jeux offrant au joueur ou au parieur comme seul enjeu le droit de poursuivre le jeu gratuitement et ce,
cinq fois au maximum;
3. les jeux de cartes ou de société pratiqués en dehors des établissements de jeux de hasard de classe I et II, à
l’exception des jeux de cartes ou de société, pratiqués dans des établissements de jeu de hasard de classe III qui utilisent
un appareil, les jeux exploités dans des parcs d’attractions ou par des industriels forains à l’occasion [...] de kermesses,
de foires commerciales ou autres et en des occasions analogues, ainsi que les jeux organisés occasionnellement et tout
au plus quatre fois par an par une association locale à l’occasion d’un événement particulier ou par une association de
fait à but social ou philanthropique ou par une association sans but lucratif au bénéfice d’une œuvre sociale ou
philanthropique, et ne nécessitant qu’un enjeu très limité et qui ne peuvent procurer, au joueur ou au parieur, qu’un
avantage matériel de faible valeur.
Les jeux de cartes ou de société pratiqués visés à l’alinéa 1er, 3, offerts sur des appareils, sont interdits aux mineurs
d’âge et ne peuvent être joués qu’au moyen d’appareils explicitement autorisés à cet effet par la commission des jeux
de hasard. Le contrôle de l’âge du joueur doit se faire de manière automatique au moyen d’un lecteur de cartes
d’identité électronique.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19699

L’autorité communale peut soumettre les jeux de cartes ou de société visés à l’alinéa 1er, 3, qu’ils soient ou non
offerts sur des appareils, et qui ne nécessitent qu’un enjeu très limité et ne peuvent procurer au joueur ou au parieur
qu’un avantage matériel de faible valeur, à une autorisation préalable et à des conditions d’exploitation non-techniques.
Le Roi détermine, en application de l’alinéa 1er, 2 et 3, les conditions du type d’établissement, du type de jeu, du
montant de la mise, de l’avantage qui peut être attribué et de la perte moyenne par heure ».
L’article 2, alinéa 1er, 1o et 5o, de la loi du 7 mai 1999 définit le jeu de hasard comme « tout jeu pour lequel un enjeu
de nature quelconque est engagé, ayant pour conséquence soit la perte de l’enjeu par au moins un des joueurs, soit le
gain de quelque nature qu’il soit, au profit d’au moins un des joueurs, ou organisateurs du jeu et pour lequel le hasard
est un élément, même accessoire, pour le déroulement du jeu, la détermination du vainqueur ou la fixation du gain »
et le pari comme un « jeu de hasard dans lequel chaque joueur mise un montant et qui produit un gain ou une perte
qui ne dépend pas d’un acte posé par le joueur mais de la vérification d’un fait incertain qui survient sans l’intervention
des joueurs ».
Selon l’article 3, alinéa 1er, 3o, de la loi du 7 mai 1999, certains jeux de cartes ou de société ne sont toutefois pas
considérés comme des jeux de hasard. L’article 3, alinéas 2 et 3, de la loi du 7 mai 1999, tels qu’ils ont été insérés par
l’article 3, 2o, de la loi du 7 mai 2019, prévoit un encadrement de ces jeux de cartes ou de société qui sont exclus de la
définition des jeux de hasard. Ainsi, les jeux de cartes ou de société qui ne sont pas pratiqués dans un établissement
de jeux de hasard de classe I, II ou III ne sont pas des jeux de hasard, mais lorsqu’ils sont proposés sur des appareils
(« appareils 3.3 »), ils sont interdits aux mineurs d’âge et ne peuvent être pratiqués qu’au moyen d’appareils
expressément autorisés à cet effet par la Commission des jeux de hasard. De plus, l’autorité communale peut soumettre
les jeux de cartes ou de société qui ne sont pas considérés comme des jeux de hasard à une autorisation préalable et
à des conditions d’exploitation non techniques, qu’ils soient proposés sur des appareils ou non.
B.4.2.3. Selon l’article 43/4, § 1er, alinéa 1er, de la loi du 7 mai 1999, non modifié par la loi du 7 mai 2019, les
établissements de jeux de hasard de classe IV sont les « lieux exclusivement destinés à engager des paris autorisés
conformément à la présente loi pour le compte de titulaires de la licence de classe F1 ».
Lors des travaux préparatoires, il a été exposé ce qui suit :
« Les établissements de jeux de hasard de classe IV sont des lieux exclusivement destinés à engager des paris
autorisés conformément à la présente loi. Ces établissements de jeux de hasard peuvent être répartis en établissements
de jeux de hasard ayant un caractère fixe ou établissements de jeux de hasard ayant un caractère mobile.
Nonobstant cette destination exclusive pour l’engagement de paris, les établissements de jeux de hasard fixes sont
autorisés à vendre des revues spécialisées, des magazines sportifs, des gadgets et des boissons non alcoolisées. En effet,
ceux-ci sont liés à l’activité économique réalisée par l’agence de paris. En outre, une agence de paris fixe est autorisée
à exploiter au maximum deux jeux de hasard, automatiques qui proposent des paris sur des activités similaires à celles
conclues dans l’agence de paris.
Dans ces établissements, seuls peuvent être proposés les paris pour lesquels l’organisateur a obtenu une licence de
classe F1. L’engagement d’autres paris pour lesquels l’organisateur n’a pas obtenu de licence de classe F1 est interdit »
(Doc. parl., Chambre, 2008-2009, DOC 52-1992/001, p. 36).
Il ressort ainsi du texte de l’article 43/4 de la loi du 7 mai 1999 et des travaux préparatoires précités que les
établissements des jeux de hasard de classe IV sont uniquement dédiés à l’activité de l’engagement de paris, à
l’exclusion d’autres activités connexes ou de l’offre d’autres types de jeux. L’article 43/4, § 2, alinéa 3, de la loi du
7 mai 1999, non modifié par la loi du 7 mai 2019, prévoit toutefois une exception à cette règle. Ainsi, outre l’engagement
de paris, trois autres types d’activités sont autorisés dans un établissement de jeux de hasard fixe de classe IV : (1) la
vente de journaux spécialisés, de magazines de sport et de gadgets, (2) la vente de boissons non alcoolisées et
(3) l’exploitation de « maximum deux jeux de hasard automatiques qui proposent des paris sur des activités similaires
à celles engagées dans l’agence de paris ».
Il s’ensuit que les établissements de jeux de hasard de classe IV ne sont pas autorisés à exploiter des jeux de cartes
ou de société visés à l’article 3, alinéa 1er, 3o, de la loi du 7 mai 1999. Dès lors que l’article 3, 2o, de la loi du 7 mai 2019
concerne l’exploitation de ces jeux de cartes ou de société et que l’interdiction d’exploiter ceux-ci dans les
établissements de jeux de hasard de classe IV est antérieure à la loi du 7 mai 2019, l’article 3, 2o, de la loi du 7 mai 2019
n’affecte pas directement et défavorablement la situation des parties requérantes dans l’affaire no 7277.
B.4.2.4. Le recours dans l’affaire no 7277 est irrecevable en ce qu’il est dirigé contre l’article 3, 2o, de la loi du
7 mai 2019.
B.4.3.1. L’ASBL « UBA-BNGO » fait valoir que la seconde branche du quatrième moyen dans l’affaire no 7277, qui
est dirigée contre les articles 2 et 18 de la loi du 7 mai 2019, est irrecevable à défaut d’intérêt à l’annulation de ces
dispositions.
B.4.3.2. L’article 18 de la loi du 7 mai 2019 modifie l’article 39 de la loi du 7 mai 1999, qui définit désormais les
établissements de jeux de hasard de classe III ou débits de boissons comme étant « des établissements où sont vendues
des boissons qui, quelle qu’en soit la nature, doivent être consommées sur place et dans lesquels sont exploités au
maximum deux jeux de hasard automatiques et deux jeux de hasard automatiques avec mise atténuée ».
L’article 2, alinéa 1er, 11o, de la loi du 7 mai 1999, inséré par l’article 2 de la loi du 7 mai 2019, définit les « jeux de
hasard automatiques avec mise atténuée » comme un « appareil sur lequel des jeux de hasard sont exploités sur lequel
il est moins possible de jouer à des jeux de hasard que sur d’autres appareils dans les établissements de jeux de hasard
de classe III, de sorte que l’ensemble des mises résulte en une perte horaire de moyenne inférieure au montant par heure
tel que visé à l’article 8, alinéa 3, et que les mises par jeu ne peuvent pas dépasser la valeur de la pièce de monnaie de
la plus grande valeur en circulation ». L’article 2, alinéa 2, de la loi du 7 mai 1999, également inséré par l’article 2 de
la loi du 7 mai 2019, prévoit que le Roi fixe l’échelle des mises visée dans la définition précitée.
B.4.3.3. Il ressort des développements de la requête que les parties requérantes dans l’affaire no 7277 estiment que
les articles 2 et 18 de la loi du 7 mai 2019 font naître une différence de traitement injustifiée entre, d’une part, les
établissements de jeux de hasard de classe III disposant d’une licence C et, d’autre part, les lieux qui ne disposent pas
de licence.
Les parties requérantes dans l’affaire no 7277 n’appartiennent à aucune des deux catégories qu’elles comparent.
Elles ne démontrent pas en quoi les articles 2 et 18 de la loi du 7 mai 2019 pourraient affecter directement et
défavorablement leur situation.
B.4.3.4. Le recours dans l’affaire no 7277 est irrecevable en ce qu’il est dirigé contre les articles 2 et 18 de la loi du
7 mai 2019.
B.5.1. Le Conseil des ministres fait valoir que les parties requérantes dans les affaires nos 7277, 7289, 7291 et 7296
n’ont pas d’intérêt légitime à demander l’annulation de l’article 43/1, alinéa 3, de la loi du 7 mai 1999, inséré par
l’article 20, 2o, de la loi du 7 mai 2019, qui dispose :
« La commission peut interdire des paris si le bon déroulement de l’événement ne peut pas être garanti ou si elle
estime que des possibilités spécifiques de paris sont exposées à la fraude. Les titulaires de licence concernés en sont
immédiatement informés ».
19700 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

Le Conseil des ministres fait valoir que l’intention des parties requérantes en demandant cette annulation est
qu’elles puissent proposer des paris exposés à la fraude, de sorte que leur intérêt doit être considéré comme illégitime.
B.5.2. Les parties requérantes dans les affaires nos 7277, 7289, 7291 et 7296 ne critiquent pas en soi le fait que des
paris susceptibles de fraude puissent être interdits, mais elles soutiennent entre autres que la disposition attaquée confie
une trop grande marge d’appréciation à la Commission des jeux de hasard. Leur intérêt n’est donc pas illégitime.
B.5.3. L’exception est rejetée.
Quant au fond
En ce qui concerne les paris hippiques (deuxième, septième et huitième moyens dans l’affaire no 7277; premier moyen et second
moyen, deuxième branche, dans les affaires nos 7289 et 7291)
Les dispositions attaquées
B.6.1. L’article 22 de la loi du 7 mai 2019 insère un nouvel article 43/2/1 dans la loi du 7 mai 1999. Cette disposition
prévoit que l’organisation de paris hippiques nécessite une licence F1P, que la Commission des jeux de hasard ne peut
octroyer qu’aux titulaires de licence F1. En outre, elle habilite le Roi à fixer les conditions spécifiques qui doivent être
respectées pour l’engagement de paris hippiques.
Le nouvel article 43/2/1 de la loi du 7 mai 1999 dispose :
« § 1er. Les organisateurs de paris sur les courses hippiques doivent disposer d’une licence de classe F1P que la
commission ne peut accorder qu’aux titulaires d’une licence de classe F1.
La commission prend une décision sur les demandes d’octroi de la licence de classe F1P dans les trois mois de la
demande.
§ 2. Le Roi fixe les conditions spécifiques qui doivent être respectées pour l’engagement de ces paris par le titulaire
d’une licence F1P ».
B.6.2. L’article 21, 3o, de la loi du 7 mai 2019 remplace le deuxième paragraphe de l’article 43/2 de la loi du
7 mai 1999 et l’article 21, 4o, de la loi du 7 mai 2019 insère un troisième paragraphe dans cette même disposition. À la
suite de ces modifications, l’article 43/2 de la loi du 7 mai 1999 dispose :
« § 1er. En matière de courses hippiques, seuls les paris suivants sont autorisés :
1o les paris mutuels sur les courses hippiques qui ont lieu en Belgique et qui sont organisées par une association
de courses agréée par la fédération compétente;
2o les paris mutuels sur les courses hippiques qui ont lieu à l’étranger;
3o les paris à cote fixe ou conventionnelle sur des courses hippiques qui ont lieu en Belgique et qui sont organisées
par une association de courses agréée par la fédération compétente;
4o les paris à cote fixe ou conventionnelle sur des courses hippiques qui ont lieu à l’étranger.
§ 2. Concernant les courses hippiques :
1o les paris visés au paragraphe 1er, 1o et 3o, ne peuvent être organisés que moyennant l’autorisation de
l’association de courses qui organise la course en question et aux conditions fixées par le Roi. Cette association peut
adopter la forme d’une association sans but lucratif;
2o les paris visés au paragraphe 1er, 2o, ne peuvent être organisés qu’aux conditions fixées par le Roi par
l’organisateur de paris visé au 1o et moyennant une convention conclue entre l’organisateur étranger agréé dans un Etat
membre de l’Union européenne et le titulaire d’une licence de classe F1;
3o les paris visés au paragraphe 1er, 4o, ne peuvent être organisés qu’aux conditions fixées par le Roi par
l’organisateur des paris visé au 1o.
§ 3. Le titulaire d’une licence F1P, qui souhaite proposer des paris sur des courses hippiques organisées par une
association de courses visée au paragraphe 2, 1o, conclut une convention avec cette association de courses. La
convention par laquelle l’association autorise l’offre de paris fixe au minimum la manière dont l’association de courses
transmet les données relatives aux courses qu’elle organise, le délai de transmission de ces données ainsi que la
compensation convenue entre les parties. Lorsque le titulaire de licence F1P souhaite proposer des paris sur l’ensemble
des courses hippiques organisées par des associations de courses agréées, il conclut une convention avec l’ensemble de
ces associations. Cette convention fixe au minimum la manière dont les associations de courses transmettent les
données relatives aux courses qu’elles organisent, le délai de transmission de ces données ainsi que la compensation
convenue entre les parties.
Lorsqu’un titulaire de licence F1P souhaite proposer des paris sur toutes les courses hippiques organisées par des
associations de courses agréées ou sur des courses hippiques se déroulant à l’étranger, les associations de courses
s’accordent sur la gestion des données et des images de leurs courses hippiques ainsi que sur l’octroi des autorisations
pour l’offre de paris sur ces courses. Le titulaire d’une licence F1P n’est redevable que d’une seule compensation
périodique pour cette autorisation, répartie entre les associations de courses agréées selon une clé de répartition
définies entre elles ».
Il s’ensuit notamment que le titulaire d’une licence F1P qui souhaite organiser des paris sur des courses hippiques
qui ont lieu en Belgique doit obtenir l’autorisation de l’association de courses qui organise la course en question
(article 43/2, § 2, 1o, de la loi du 7 mai 1999) et doit lui payer une compensation dont le montant est fixé
conventionnellement (article 43/2, § 3, alinéa 1er, de la loi du 7 mai 1999). Seuls les titulaires de licence F1P qui ont reçu
l’autorisation d’organiser des paris sur des courses hippiques se déroulant en Belgique peuvent en outre organiser des
paris sur des courses hippiques qui ont lieu à l’étranger (article 43/2, § 2, 2o et 3o, de la loi du 7 mai 1999). Si le titulaire
d’une licence F1P souhaite organiser des paris sur l’ensemble des courses hippiques se déroulant en Belgique ou s’il
souhaite organiser des paris sur des courses hippiques se déroulant à l’étranger, il doit payer une compensation
périodique aux associations de courses, que ces dernières se répartissent entre elles (article 43/2, § 3, alinéas 1er et 2,
de la loi du 7 mai 1999).
B.6.3. Il ressort des travaux préparatoires que le législateur entendait ainsi renforcer la protection des joueurs et
veiller à l’intégrité des paris hippiques en assurant le financement du secteur hippique. Les travaux préparatoires
exposent :
« Généralités
Les amendements avec les numéros 18 à 24 visent à renforcer le cadre réglementaire, afin de soutenir le secteur des
paris hippiques et des paris sous licence, qui jouissent d’une longue tradition et qui sont liés à diverses activités
culturelles dans notre pays. Proposer au joueur une offre sous licence et contrôlée dans son propre pays lui garantit une
meilleure protection. L’intégrité des paris est liée à une organisation professionnelle du secteur hippique, qui a besoin
d’un soutien structurel pour pouvoir continuer à développer ses activités.
[...]
Le secteur des courses hippiques et le secteur des paris sont fortement liés l’un à l’autre. Depuis longtemps, les
gens font des paris sur des courses hippiques créant une marge sur ces paris qui d’une part assure le financement des
primes des courses, qui sont les revenus des acteurs socioprofessionnels du secteur des courses, et qui d’autre part
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19701

permet l’organisation de courses. Il s’agit du modèle d’entreprise général du secteur des courses hippiques. Il est donc
important que le secteur des courses soit financé normalement par les paris et, en ce qui concerne les organisateurs
autorisés de paris, qu’ils disposent de courses (de qualité) pour lesquelles des paris peuvent être proposés et, à cette
fin, ils doivent avoir un cadre clair afin de disposer des données et des images télévisées de ces courses. Si les paris
n’apportent pas de retour, le secteur des courses hippiques ne pourra jamais fonctionner et aucun pari sûr ne pourra
être proposé sur des courses hippiques.
[...]
Il ressort des travaux parlementaires préparatoires de la loi du 10 janvier 2010 qu’au travers de cette modification
législative, le législateur vise un triple objectif :
(i) la préservation de l’équilibre financier du secteur hippique et, plus particulièrement, des associations de courses;
(ii) la lutte contre la criminalité et la fraude; et enfin
(iii) la lutte contre la dépendance au jeu et la protection du consommateur.
[...]
Le législateur avait donc clairement l’intention de soutenir le secteur des courses hippiques. Les frais exposés par
le secteur des courses pour l’organisation de ces dernières sont principalement des frais pour des services communs au
profit du secteur des courses lui-même et des organisateurs de paris sur ces courses, de sorte qu’il est équitable que ces
derniers couvrent donc également ces frais.
Dès lors, la législation existante sur les jeux de hasard prévoit déjà un soutien conventionnel de la filière hippique,
mais uniquement en ce qui concerne les paris mutuels sur des courses hippiques ayant lieu à l’étranger. En outre, en
fonction de la loi, les associations de courses obtiennent des revenus financiers des conventions commerciales qu’ils
concluent avec les titulaires de licence de classe F1 qui proposent des paris sur des courses hippiques se déroulant en
Belgique. Pendant quelques années, ce système - rendu possible par la loi modifiée à l’époque - a été la planche de salut
des courses hippiques en Belgique. Cependant, la loi modifiée n’est pas suffisante parce que dans la pratique, ce soutien
défini contractuellement n’est pas (n’est plus) fonctionnel, de sorte qu’à présent il ne suffit absolument pas à préserver
la viabilité du secteur des courses hippiques, qui assument tous les frais pour avoir la qualité exigée. En outre, une
adaptation de la loi doit mieux régler certains points.
La modification de la loi ne consiste pas en une nouvelle ligne de politique, mais en une modification technique
afin de confirmer à nouveau la politique existante.
Élaboration de l’objectif de soutien du secteur
Lignes directrices
Afin de réajuster ce soutien financier du sport hippique, il est nécessaire de modifier le système existant. Pour ce
faire, il convient de prévoir un retour conventionnel généralisé dans la loi sur les jeux de hasard. Le retour
conventionnel régi par la loi ne s’applique plus uniquement aux paris mutuels, mais est généralisé à tous les types de
paris hippiques (mutuels et à cote), tant pour les courses organisées en Belgique que pour celles organisées à l’étranger.
[...]
Droits aux images
Une deuxième question que les organisateurs de paris hippiques autorisés doivent résoudre concerne les images
télévisées des courses. La diffusion des images des courses hippiques belges est très complexe. Les associations de
courses sont les détenteurs respectifs des droits sur les images des courses organisées chez elles.
Dans un contexte où les opérateurs doivent verser une contribution au secteur hippique pour tous les paris
hippiques, il est indiqué d’instaurer un système simplifié pour l’exploitation des images et des données des courses
hippiques par les opérateurs de paris en question. La contribution des opérateurs de paris - déterminée
conventionnellement, mais régie par la loi - est destinée aux associations de courses. Ces associations de courses sont
les propriétaires des données (programmation des courses des différentes associations de courses, listes des
participants, résultats, etc.) et des images de courses se déroulant dans leur hippodrome. Une réglementation relative
aux images et aux données de courses hippiques doit faire partie de la convention devant être conclue entre
l’association (les associations) de courses et le titulaire de licence F1P. Les exploitants légitimes de paris pour les courses
hippiques doivent pouvoir obtenir ces droits de manière uniforme.
Importance de la protection du joueur et de l’intégrité
Une troisième question concerne la protection adéquate des joueurs et l’intégrité du sport hippique au sein d’un
cadre régulateur stable. À cet égard, l’organe de gestion qui chapeaute le sport hippique (Fédération belge des courses
hippiques ASBL) a un rôle important à jouer. Il assure la coordination entre les associations de courses, est responsable
de la gestion générale des courses hippiques et peut collaborer à la lutte contre le trucage de compétitions. Cela
implique, entre autres, une participation de la Fédération à la plate-forme nationale, qui doit faire office d’organe de
concertation entre les autorités, les partenaires d’enquête, la Commission des jeux de hasard et le secteur sportif, afin
d’améliorer les flux d’information entre les différentes parties prenantes. La Fédération a donc la responsabilité de
veiller d’une part à une organisation et une gestion optimales des courses hippiques et d’autre part au maintien de
l’intégrité du sport hippique » (Doc. parl., Chambre, 2018-2019, DOC 54-3327/002, pp. 37-41).
Et :
« Les modifications apportées à l’article 43/2 de la loi relative aux jeux de hasard visent à assurer au secteur des
courses hippiques un retour généralisé. Actuellement, il est peu logique que la source principale de la couverture des
frais du secteur des courses hippiques belge soit basée sur les paris mutuels sur des courses hippiques ayant lieu à
l’étranger. Un retour conventionnel régi par la loi est donc généralisé à tous les types de paris hippiques (mutuels et
à cote), tant pour les courses belges que pour les courses étrangères.
Ce retour généralisé peut être assuré en subordonnant tous les types de paris hippiques à un accord avec le secteur
(comme c’est le cas actuellement pour les paris mutuels, à propos desquels la loi sur les jeux de hasard précise qu’ils
’ ne peuvent être organisés que par ou moyennant l’autorisation de l’association de courses ’).
Cela peut se faire en réservant toute forme de pari sur des courses hippiques à des organisateurs de paris qui
offrent des paris mutuels sur des courses hippiques se déroulant en Belgique, pour lesquelles une convention doit être
conclue avec les associations de courses reconnues. Dans cette convention, les associations de courses peuvent intégrer
un retour financier au profit du secteur des courses hippiques.
Dans ce cadre, il est important de reconnaître que, pour le secteur hippique comme pour le secteur des
organisateurs de paris, un ’ one-stop-shop ’ pour les opérateurs de paris sera bénéfique pour le bon fonctionnement du
système, afin d’obtenir l’autorisation totale pour l’ensemble des paris sur les courses hippiques. Pour ces raisons, les
associations de courses doivent se rassembler afin que les opérateurs de paris puissent conclure une convention sur
l’ensemble de toutes les formes de paris sur les courses hippiques (mutuels et à cote, se déroulant en Belgique ainsi qu’à
l’étranger). Pour les paris proposés dans l’enceinte de l’hippodrome, il faut encore toujours uniquement conclure une
convention avec l’association de courses en question. Si l’opérateur de paris veut uniquement proposer des paris sur
des courses hippiques organisées par une association de courses spécifiques, il ne pourra encore conclure cette
convention qu’avec cette association de courses » (ibid., pp. 44-45).
19702 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

La répartition des compétences


B.7. Les parties requérantes dans l’affaire no 7277 prennent un deuxième moyen de la violation, par l’article 21, 4o,
de la loi du 7 mai 2019, des articles 39 et 127 de la Constitution et des articles 4, 9o, et 6, § 1er, V, alinéa 1er, 1o, de la loi
spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles (ci-après : la loi spéciale du 8 août 1980).
Elles font valoir que la disposition attaquée a pour unique objectif de financer le secteur hippique et qu’elle ne
relève dès lors pas de la compétence fédérale en matière de jeux et paris mais de la compétence communautaire en
matière de sport ou de la compétence régionale en matière de politique agricole.
B.8.1. L’article 39 de la Constitution dispose :
« La loi attribue aux organes régionaux qu’elle crée et qui sont composés de mandataires élus, la compétence de
régler les matières qu’elle détermine, à l’exception de celles visées aux articles 30 et 127 à 129, dans le ressort et selon
le mode qu’elle établit. Cette loi doit être adoptée à la majorité prévue à l’article 4, dernier alinéa ».
L’article 127 de la Constitution dispose :
« § 1er. Les Parlements de la Communauté française et de la Communauté flamande, chacun pour ce qui le
concerne, règlent par décret :
1o les matières culturelles;
2o l’enseignement, à l’exception :
a) de la fixation du début et de la fin de l’obligation scolaire;
b) des conditions minimales pour la délivrance des diplômes;
c) du régime des pensions;
3o la coopération entre les communautés, ainsi que la coopération internationale, y compris la conclusion de traités,
pour les matières visées aux 1o et 2o.
Une loi adoptée à la majorité prévue à l’article 4, dernier alinéa, arrête les matières culturelles visées au 1o, les
formes de coopération visées au 3o, ainsi que les modalités de conclusion de traités, visée au 3o.
§ 2. Ces décrets ont force de loi respectivement dans la région de langue française et dans la région de langue
néerlandaise, ainsi qu’à l’égard des institutions établies dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale qui, en raison de
leurs activités, doivent être considérées comme appartenant exclusivement à l’une ou à l’autre communauté ».
L’article 4, 9o, de la loi spéciale du 8 août 1980 dispose :
« Les matières culturelles visées à l’article 127, § 1er, 1o, de la Constitution sont :
[...]
9o L’éducation physique, les sports et la vie en plein air ».
L’article 6, § 1er, V, alinéa 1er, 1o, de la loi spéciale du 8 août 1980 dispose :
« Les matières visées à l’article 39 de la Constitution sont :
[...]
V. En ce qui concerne l’agriculture :
1o la politique agricole et la pêche maritime ».
B.8.2. L’autorité fédérale est compétente pour régler les jeux et paris, pour déterminer les conditions auxquelles
peuvent s’exercer les activités qu’elle autorise et pour en organiser le contrôle.
B.8.3. Sans qu’il soit besoin de se prononcer sur la question de savoir si des mesures relatives aux courses de
chevaux relèvent des compétences respectives des communautés et des régions en matière de sport et d’agriculture, la
Cour constate qu’en l’espèce, les articles 21, 3o et 4o, de la loi du 7 mai 2019 ne portent pas sur l’autorisation des courses
de chevaux elles-mêmes mais portent sur l’autorisation de paris sur les courses de chevaux, sur la relation contractuelle
entre les organisateurs de paris hippiques et les associations de courses et sur la compensation que les premiers doivent
payer aux secondes.
B.8.4. De telles mesures ne relèvent ni du sport professionnel ni des sports d’amateur, compétences que l’article 4,
9o, de la loi spéciale du 8 août 1980 confie aux communautés en rangeant parmi les matières culturelles l’éducation
physique, les sports et la vie en plein air. Les travaux préparatoires de la loi du 21 juillet 1971 « relative à la compétence
et au fonctionnement des conseils culturels pour la Communauté culturelle française et pour la Communauté culturelle
néerlandaise » (dont l’article 2, alinéa 1er, 9o, visait ces matières dans les mêmes termes que l’article 4, 9o, de la loi
spéciale du 8 août 1980) indiquent d’ailleurs que le législateur a entendu en exclure la réglementation sur les paris
(Doc. parl., Sénat, 1970-1971, no 400, p. 6).
B.8.5. De telles mesures sont également étrangères à la politique agricole qui relève de la compétence des régions
en vertu de l’article 6, § 1er, V, alinéa 1er, 1o, de la loi spéciale du 8 août 1980 et qui, sous réserve des exceptions prévues
au second alinéa de cette disposition, comprend la négociation et l’exécution de la politique agricole commune, les
normes relatives à la qualité des matières premières ainsi que des produits végétaux et animaux lorsqu’il ne s’agit pas
d’assurer la sécurité de la chaîne alimentaire, les mesures compensatoires de diminution d’activités des agriculteurs et
les aides structurelles (Doc. parl., Sénat, 2000-2001, no 2-709/7, pp. 4 et suivantes).
B.8.6. De telles mesures relèvent de la compétence fédérale en matière de jeux et paris.
B.9. Le deuxième moyen dans l’affaire no 7277 n’est pas fondé.
La liberté d’établissement et la libre prestation des services
B.10.1. Les parties requérantes dans l’affaire no 7277 prennent un huitième moyen, première branche, de la
violation, par les articles 21, 3o et 4o, et 22 de la loi du 7 mai 2019, des articles 10 et 11 de la Constitution, lus isolément
ou en combinaison avec l’article 23, alinéa 3, 1o, de la Constitution et avec les articles 49, 52, 54, 56, 57 et 62 du Traité
sur le fonctionnement de l’Union européenne (ci-après : le TFUE).
B.10.2. Les parties requérantes dans les affaires nos 7289 et 7291 prennent un second moyen, deuxième branche, de
la violation, par l’article 21, 3o et 4o, de la loi du 7 mai 2019, des articles 49 et 56 du TFUE, lus en combinaison avec les
articles 10 et 11 de la Constitution.
B.10.3. En substance, les parties requérantes dans les affaires nos 7277, 7289 et 7291 font valoir qu’en ce qu’elles
subordonnent l’organisation de paris hippiques à l’autorisation des associations de courses et au payement à celles-ci
d’une compensation, les dispositions attaquées constituent une restriction à la liberté d’établissement et à la libre
prestation des services qui n’est pas raisonnablement justifiée.
B.11. Lorsqu’une partie requérante dénonce, dans le cadre d’un recours en annulation, la violation des articles 10
et 11 de la Constitution, lus en combinaison avec d’autres dispositions constitutionnelles ou internationales ou avec
d’autres principes généraux du droit garantissant un droit fondamental, le moyen consiste en ce que cette partie estime
qu’une différence de traitement est établie, parce que la disposition qu’elle attaque dans le recours la prive de l’exercice
de ce droit fondamental, alors que ce dernier serait garanti sans restriction à tout autre citoyen.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19703

La catégorie de personnes qui aurait été privée de cette garantie fondamentale doit donc être comparée à la
catégorie de personnes à laquelle cette garantie s’applique.
La Cour examine les moyens en ce sens.
B.12.1. Pour satisfaire aux exigences de l’article 6 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour constitutionnelle,
les moyens de la requête doivent faire connaître, parmi les règles dont la Cour garantit le respect, celles qui seraient
violées ainsi que les dispositions qui violeraient ces règles et exposer en quoi ces règles auraient été transgressées par
ces dispositions.
B.12.2. Les parties requérantes dans l’affaire no 7277 n’exposent pas en quoi l’article 22 de la loi du 7 mai 2019, qui
impose aux organisateurs de paris hippiques d’obtenir une licence F1P et de respecter les conditions spécifiques fixées
par le Roi, violerait les dispositions visées au moyen.
Le huitième moyen, première branche, dans l’affaire no 7277 est irrecevable en ce qu’il est dirigé contre l’article 22
de la loi du 7 mai 2019.
B.13.1. Les paris sur les compétitions sportives, en ce compris les courses hippiques, offrent, contre une mise valant
payement, une espérance de gain en argent (CJUE, grande chambre, 8 septembre 2010, C-46/08, Carmen Media Group
Ltd, point 40; CJCE, 21 octobre 1999, C-67/98, Zenatti, point 18). Ils constituent donc une activité économique, encadrée
par les libertés économiques consacrées par le TFUE, dont la liberté d’établissement et la libre prestation des services
(CJUE, grande chambre, 8 septembre 2010, C-46/08, Carmen Media Group Ltd, point 41; CJCE, 11 septembre 2003,
C-6/01, Anomar, points 44 et 47).
B.13.2.1. Il ressort de la jurisprudence de la Cour de justice qu’une mesure constitue une restriction à la liberté
d’établissement et à la libre prestation des services garanties par les articles 49 et 56 du TFUE lorsque cette mesure
interdit, gêne ou rend moins attrayant l’exercice de ces libertés (CJUE, 22 janvier 2015, C-463/13, Stanley International
Betting Ltd, point 45).
B.13.2.2. Dès lors qu’il subordonne l’organisation de paris hippiques à l’autorisation des associations de courses et
au payement à celles-ci d’une compensation, l’article 21, 3o et 4o, de la loi du 7 mai 2019 entraîne une restriction à la
liberté d’établissement et à la libre prestation des services.
B.13.3. Pour être compatible avec les articles 49 et 56 du TFUE, une mesure indistinctement applicable restreignant
la liberté d’établissement et la libre prestation des services doit être justifiée par une raison impérieuse d’intérêt général,
elle doit être propre à garantir la réalisation de l’objectif poursuivi, ce qui implique qu’elle doit répondre véritablement
au souci de l’atteindre d’une manière cohérente et systématique, et elle ne doit pas aller au-delà de ce qui est nécessaire
pour atteindre cet objectif (CJUE, 22 juin 2017, C-49/16, Unibet International Ltd, point 40; grande chambre,
8 septembre 2010, C-46/08, Carmen Media Group Ltd, point 55; CJCE, 6 novembre 2003, C-243/01, Gambelli, point 65).
B.13.4.1. Dans le domaine des jeux et des paris, la Cour de justice a jugé que les objectifs de prévention de la fraude,
de protection des consommateurs et de protection de l’ordre social constituent des raisons impérieuses d’intérêt général
pouvant justifier des restrictions à la liberté d’établissement et à la libre prestation des services (CJUE, 22 juin 2017,
C-49/16, Unibet International Ltd, point 36; 30 juin 2011, C-212/08, Zeturf Ltd, point 38; CJCE, 8 septembre 2009, C-42/07,
Liga Portuguesa de Futebol Profissional et Bwin International Ltd, point 56). En outre, selon la Cour de justice, les
particularités d’ordre moral, religieux ou culturel ainsi que les conséquences moralement et financièrement
préjudiciables pour l’individu et la société qui entourent les jeux et les paris peuvent être de nature à justifier l’existence,
au profit des autorités nationales, d’un pouvoir d’appréciation suffisant pour déterminer les exigences que comporte
la protection du consommateur et de l’ordre social (CJUE, 3 juin 2010, C-258/08, Ladbrokes Betting & Gaming Ltd et
Ladbrokes International Ltd, point 19).
En revanche, la Cour de justice considère que, bien qu’il ne soit pas indifférent que le prélèvement sur les recettes
provenant des jeux de hasard autorisés puisse participer, de manière significative, au financement d’activités
désintéressées ou d’intérêt général, un tel motif ne pourrait constituer qu’une conséquence bénéfique accessoire et non
la justification réelle de la politique restrictive mise en place, dès lors que les motifs purement économiques ne
constituent pas une raison impérieuse d’intérêt général pouvant justifier une restriction à la liberté d’établissement ou
à la libre prestation des services (CJUE, 30 juin 2011, C-212/08, Zeturf Ltd, point 52; CJCE, 21 octobre 1999, C-67/98,
Zenatti, point 36).
B.13.4.2. Comme il est dit en B.6.3, la disposition attaquée vise à renforcer la protection des joueurs et à garantir
l’intégrité des paris hippiques en assurant le financement du secteur hippique.
La protection des joueurs et la lutte contre la fraude en garantissant l’intégrité des paris hippiques constituent des
raisons impérieuses d’intérêt général.
B.13.5. En ce qu’elle soumet l’organisation de paris hippiques à l’autorisation des associations de courses et au
payement à celles-ci d’une compensation, la disposition attaquée est pertinente au regard des objectifs poursuivis. Les
travaux préparatoires soulignent en effet que « l’intégrité des paris est liée à une organisation professionnelle du secteur
hippique, qui a besoin d’un soutien structurel pour pouvoir continuer à développer ses activités » et que « si les paris
n’apportent pas de retour, le secteur des courses hippiques ne pourra jamais fonctionner et aucun pari sûr ne pourra
être proposé sur des courses hippiques » (Doc. parl., Chambre, 2018-2019, DOC 54-3327/002, pp. 37-38).
En outre, la disposition attaquée répond au souci d’atteindre d’une manière cohérente et systématique les objectifs
poursuivis. S’inscrivant dans l’objectif de canalisation qui est poursuivi plus généralement par la loi du 7 mai 1999, elle
est de nature à diriger les joueurs vers une offre légale de paris hippiques organisés sur des courses dont la qualité et
la pérennité sont assurées par le financement provenant du secteur des paris. À cet égard, il convient de souligner que
la Cour de justice a jugé qu’une politique d’expansion contrôlée des activités de jeux de hasard peut être cohérente tant
avec l’objectif consistant à prévenir l’exploitation des activités de jeux de hasard à des fins criminelles ou frauduleuses
qu’avec celui de la prévention de l’incitation à des dépenses excessives liées au jeu et de lutte contre l’assuétude à
celui-ci, en dirigeant les consommateurs vers l’offre émanant des opérateurs autorisés (CJUE, 28 février 2018, C-3/17,
Sporting Odds Ltd, point 29).
B.13.6.1. La Cour doit encore examiner si la disposition attaquée est proportionnée aux objectifs poursuivis.
B.13.6.2. La réalisation des objectifs poursuivis ne nécessite pas que les associations de courses se voient reconnaître
le droit de refuser l’organisation de paris hippiques par les personnes auxquelles la Commission des jeux de hasard a
octroyé une licence F1P.
Ce faisant, la disposition attaquée est de nature à créer un conflit d’intérêts chez les associations de courses. En
effet, dès lors qu’il n’est pas exclu que les associations de courses puissent être titulaires d’une licence F1P, elles peuvent
avoir un intérêt financier à ne pas octroyer d’autorisation à leurs concurrents si elles sont elles-mêmes titulaires d’une
licence F1P. Plus généralement, la disposition attaquée peut inciter les associations de courses, et également celles qui
ne sont pas titulaires d’une licence F1P, à marquer exclusivement leur accord sur l’offre de paris émanant des titulaires
de licences qui sont disposés à offrir les conditions contractuelles les plus avantageuses pour l’association de courses,
et à organiser ainsi une enchère entre les titulaires d’une licence.
19704 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

B.13.6.3. Selon les travaux préparatoires, la compensation que les titulaires de licence F1P doivent payer aux
associations de courses vise, d’une part, à faire participer les premiers aux frais exposés par les secondes pour
l’organisation des courses, dès lors que ces frais « sont principalement des frais pour des services communs au profit
du secteur des courses lui-même et des organisateurs de paris sur ces courses » (Doc. parl., Chambre, 2018-2019,
DOC 54-3327/002, p. 39) et constitue, d’autre part, la contrepartie pour l’exploitation des images et des données des
courses hippiques par les titulaires de licence F1P (ibid., p. 40).
En ce qui concerne les courses hippiques se déroulant en Belgique, qui sont organisées par les associations de
courses auxquelles la compensation doit être payée, la disposition attaquée ne prévoit aucun mécanisme permettant
d’assurer que la compensation, en ce qu’elle vise à faire participer les titulaires de licence F1P dans les coûts d’intérêt
commun supportés par les associations de courses, n’excède pas ces coûts.
En ce qui concerne les courses hippiques se déroulant à l’étranger, qui ne sont pas organisées par les associations
de courses auxquelles la compensation doit être payée, il convient de constater, sans qu’il soit nécessaire de déterminer
si la participation de « chevaux belges » aux courses hippiques étrangères peut justifier qu’une compensation soit payée
auxdites associations de courses, que la disposition attaquée ne lie pas la compensation à la participation de « chevaux
belges » aux courses hippiques étrangères.
B.13.6.4. Il résulte de ce qui précède que la restriction à la liberté d’établissement et à la libre prestation des services
que la disposition attaquée entraîne n’est pas proportionnée aux objectifs poursuivis.
B.14. L’article 21, 3o et 4o, de la loi du 7 mai 2019 viole les articles 10 et 11 de la Constitution, lus en combinaison
avec les articles 49 et 56 du TFUE. La lecture combinée de ces dispositions avec les autres dispositions visées dans le
moyen ne saurait aboutir à un constat de violation plus étendu.
Il y a lieu d’annuler l’article 21, 3o et 4o, de la loi du 7 mai 2019.
Le principe d’égalité et de non-discrimination et le droit européen de la concurrence
B.15.1. Les parties requérantes dans l’affaire no 7277 prennent un septième moyen de la violation des articles 10 et
11 de la Constitution par les articles 21, 3o et 4o, et 22 de la loi du 7 mai 2019.
Dans une première branche, elles font valoir que les dispositions attaquées font naître une différence de traitement
injustifiée entre les organisateurs de paris hippiques, qui doivent conclure une convention avec les associations de
courses et leur verser une compensation, et les organisateurs de paris dans tous les autres domaines, qui ne sont soumis
à aucune contrainte financière.
Dans une seconde branche, elles font valoir que les dispositions attaquées font naître une différence de traitement
injustifiée entre, d’une part, les titulaires de licence F1P et les établissements de jeux de hasard fixes de classe IV qui
engagent leurs paris et, d’autre part, les libraires, la Loterie Nationale et les organisateurs qui engagent des paris dans
les hippodromes, en ce que la seconde catégorie ne doit ni conclure une convention avec les associations de courses,
ni leur verser une compensation.
B.15.2. Les parties requérantes dans l’affaire no 7277 prennent un huitième moyen, seconde branche, de la violation,
par les articles 21, 3o et 4o, et 22 de la loi du 7 mai 2019, des articles 10 et 11 de la Constitution, lus isolément ou en
combinaison avec les articles 101, 102 et 106 du TFUE.
Elles font valoir qu’en ce qui concerne les courses hippiques se déroulant en Belgique, les dispositions attaquées
amènent toutes les associations de courses à négocier en commun avec les organisateurs de paris, supprimant dès lors
toute concurrence entre les associations de courses. En outre, elles font valoir qu’en ce qui concerne les courses
hippiques se déroulant à l’étranger, les associations de courses sont inévitablement amenées à abuser de la position
dominante que les dispositions attaquées leur confèrent.
B.15.3. Les parties requérantes dans les affaires nos 7289 et 7291 prennent un premier moyen de la violation, par
l’article 21, 3o et 4o, de la loi du 7 mai 2019, des articles 10 et 11 de la Constitution, lus en combinaison avec les
articles 102 et 106 du TFUE.
Elles font valoir qu’en confiant aux associations de courses agréées par la fédération compétente le pouvoir
d’autoriser l’organisation de paris hippiques sur des courses se déroulant en Belgique ou à l’étranger, les dispositions
attaquées confèrent à ces associations des droits spéciaux qui leur permettent d’évincer leurs concurrents sur le marché
des paris hippiques.
B.16.1. Pour satisfaire aux exigences de l’article 6 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour constitutionnelle,
les moyens de la requête doivent faire connaître, parmi les règles dont la Cour garantit le respect, celles qui seraient
violées ainsi que les dispositions qui violeraient ces règles et exposer en quoi ces règles auraient été transgressées par
ces dispositions.
B.16.2. Les parties requérantes dans l’affaire no 7277 n’exposent pas en quoi l’article 22 de la loi du 7 mai 2019, qui
impose aux organisateurs de paris hippiques d’obtenir une licence F1P et de respecter les conditions spécifiques fixées
par le Roi, violerait, d’une part, les articles 10 et 11 de la Constitution lus isolément et, d’autre part, les articles 10 et 11
de la Constitution lus en combinaison avec les articles 101, 102 et 106 du TFUE.
Le septième moyen et le huitième moyen, seconde branche, dans l’affaire no 7277 sont irrecevables en ce qu’ils sont
dirigés contre l’article 22 de la loi du 7 mai 2019.
B.17. En ce qu’ils sont dirigés contre l’article 21, 3o et 4o, de la loi du 7 mai 2019, le septième moyen et le huitième
moyen, seconde branche, dans l’affaire no 7277 et le premier moyen dans les affaires nos 7289 et 7291 ne peuvent donner
lieu à une annulation plus étendue que celle qui est mentionnée en B.14. Par conséquent, ils ne doivent pas être
examinés.
En ce qui concerne l’obligation pour les établissements de jeux de hasard fixes de classe IV de conclure une convention avec
la commune et en ce qui concerne les restrictions de localisation qui leur sont applicables (troisième, neuvième et dixième moyens
dans l’affaire no 7277; premier, deuxième et troisième moyens dans l’affaire no 7279; second moyen, troisième et quatrième branches,
dans l’affaire no 7289; deuxième moyen dans l’affaire no 7296)
Les dispositions attaquées
B.18.1. L’article 23, 1o, de la loi du 7 mai 2019 dispose :
« À l’article 43/4 de la [loi du 7 mai 1999], inséré par la loi du 10 janvier 2010, les modifications suivantes sont
apportées :
1o le paragraphe 1er est complété par un alinéa rédigé comme suit :
’ L’exploitation d’un établissement de jeux de hasard fixe de classe IV doit s’effectuer en vertu d’une convention
à conclure entre la commune du lieu de l’établissement et l’exploitant. La convention détermine où l’établissement de
jeux de hasard est établi ainsi que les modalités, jours et heures d’ouverture et de fermeture des établissements de jeux
de hasard de classe IV et qui exerce le contrôle de la commune. ’ ».
L’article 24, 2o et 3o, de la loi du 7 mai 2019 dispose :
« Dans l’article 43/5 de la [loi du 7 mai 1999], inséré par la loi du 10 janvier 2010, les modifications suivantes sont
apportées :
[...]
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19705

2o l’alinéa 1er est complété par les 5. et 6. rédigés comme suit :


’ 5. veiller à ne pas établir l’emplacement de l’établissement de jeux de hasard de classe IV à proximité
d’établissements d’enseignement, d’hôpitaux et d’endroits fréquentés par des jeunes, sauf dérogation motivée par la
commune;
6. présenter la convention conclue entre l’établissement de jeux de hasard de classe IV et la commune du lieu de
l’établissement sous la condition d’obtenir la licence de classe F2 requise ’;
3o l’article est complété par l’alinéa suivant :
’ Les 5. et 6. de l’alinéa 1er ne s’appliquent pas aux demandeurs de licences de classe F2 pour l’engagement de paris
en dehors d’un établissement de jeux de hasard de classe IV visé à l’article 43/4, § 5, ou pour l’engagement de paris
dans un établissement de jeux de hasard mobile visé à l’article 43/4, § 2, alinéa 5. ’ ».
L’article 36 de la loi du 7 mai 2019 dispose :
« Par dérogation aux articles 23, alinéa 1er, 1o, et 24, les titulaires de licence F1 et F2, qui, au moment de l’entrée
en vigueur de la présente loi, disposent d’une licence octroyée par la commission des jeux de hasard, peuvent
poursuivre leurs activités aux mêmes conditions.
Les conditions visées aux articles 23, alinéa 1er, 1o, et 24 s’appliquent aux demandes de licence et aux demandes
de renouvellement de licence introduites au plus tôt deux ans à compter de l’entrée en vigueur de la présente loi ».
B.18.2. Les articles 23, 1o, et 24, 2o et 3o, de la loi du 7 mai 2019 imposent deux nouvelles obligations aux
établissements de jeux de hasard fixes de classe IV.
D’une part, l’exploitation de ces établissements nécessite désormais de conclure une convention avec la commune
du lieu de l’établissement. Cette convention détermine où l’établissement de jeux de hasard est établi ainsi que les
modalités, jours et heures d’ouverture et de fermeture et qui exerce le contrôle de la commune (articles 43/4, § 1er,
alinéa 4 et 43/5, alinéa 1er, 6o, de la loi du 7 mai 1999, insérés par les articles 23, 1o, et 24, 2o, de la loi du 7 mai 2019).
D’autre part, les établissements de jeux de hasard fixes de classe IV ne peuvent pas être établis à proximité
d’établissements d’enseignement, d’hôpitaux et d’endroits fréquentés par des jeunes, sauf dérogation motivée par la
commune (article 43/5, alinéa 1er, 5o, de la loi du 7 mai 1999, inséré par l’article 24, 2o, de la loi du 7 mai 2019).
L’article 36 de la loi du 7 mai 2019 prévoit un régime transitoire selon lequel ces deux obligations s’appliquent aux
demandes de licence et aux demandes de renouvellement de licence introduites au plus tôt deux ans à compter de
l’entrée en vigueur de la loi du 7 mai 2019.
Les deux obligations précitées ne s’appliquent ni aux établissements de jeux de hasard mobiles de classe IV, ni aux
libraires, ni aux hippodromes (article 43/5, alinéa 3, de la loi du 7 mai 1999, inséré par l’article 24, 3o, de la loi du
7 mai 2019).
B.18.3. Il ressort des travaux préparatoires que ces deux nouvelles obligations applicables aux établissements de
jeux de hasard fixes de classe IV visent à renforcer le rôle des communes dans le contrôle de ces établissements et à
limiter les risques d’ordre social liés à l’emplacement de ceux-ci et qu’elles s’inscrivent dans l’objectif général de
protection des joueurs. En outre, les travaux préparatoires soulignent que les articles 34, alinéa 3, et 36, 4o et 5o, de la
loi du 7 mai 1999 imposent déjà des obligations similaires aux établissements de jeux de hasard de classe II. Les travaux
préparatoires exposent ainsi :
« L’exploitation d’un établissement de jeux de hasard fixe de classe IV doit s’effectuer en vertu d’une convention
à conclure entre la commune du lieu de l’établissement et l’exploitant. Cette convention détermine où l’établissement
de jeux de hasard est établi, notamment en tenant compte de la proximité de l’établissement de jeux de hasard de
classe IV avec par exemple des établissements d’enseignement, des hôpitaux, des endroits fréquentés par des jeunes,
des lieux de culte ou encore des prisons. Cette convention détermine également les modalités, jours et heures
d’ouverture et de fermeture des établissements de jeux de hasard de classe IV et qui exerce le contrôle de la commune.
Prévoir une convention donne aux communes un contrôle effectif dans ces licences et leur donne une partie du
contrôle des établissements de jeux de hasard. C’est logique en raison de leur mission du maintien de l’ordre, de la paix
et de la sécurité sur leur territoire.
Une telle disposition n’est pas neuve dans la loi sur les jeux de hasard. En effet, cette condition existe déjà pour
les salles de jeux automatiques (art. 34, al. 3, de la loi).
[...]
L’article 14 ajoute deux conditions supplémentaires auxquelles doivent répondre les demandeurs d’une licence de
classe F1 et F2.
La première condition a pour but de limiter les risques d’ordre social liés à l’emplacement des agences de paris.
Celles-ci ne peuvent pas être établies à proximité des lieux fréquentés par les jeunes ou des établissements
d’enseignement. Il s’agit ici d’écoles, de maisons de jeunes, etc. De même, une agence de paris ne peut pas être établie
à proximité des hôpitaux notamment où des personnes sont traitées pour des troubles liés aux jeux.
Cette condition est similaire à celle existante pour les demandeurs d’une licence de classe B (art. 36.4, de la loi).
Une dérogation à cette condition est toutefois possible sur base d’une motivation de la commune. Si dans la
convention qu’elle a pris avec l’établissement, la commune a pris suffisamment de mesures de protection vis-à-vis du
joueur potentiel, il peut être dérogé à cette condition, par exemple, si un établissement veut s’établir à proximité d’une
école et que la commune a prévu des heures d’ouverture qui ne permettent pas à des jeunes de s’y rendre pendant ou
juste avant et après les cours. La commune doit motiver expressément sa décision de ne pas interdire d’établissement
à proximité des d’établissements d’enseignement, d’hôpitaux et, d’endroits fréquentés par des jeunes.
La deuxième condition ajoutée est liée à l’article 13 en projet et plus précisément au fait que l’exploitation d’un
établissement de jeux de hasard de classe IV doit s’effectuer en vertu d’une convention à conclure entre la commune
du lieu de l’établissement et l’exploitant.
Pour obtenir une licence F2, le demandeur doit présenter ladite convention à la commission des jeux de hasard.
Encore une fois une telle condition existe déjà pour les demandeurs d’une licence de classe B (Art. 36.5, de la loi).
À noter que ces deux nouvelles conditions ne s’appliquent ni aux librairies et hippodromes, ni aux établissements
mobiles de classe IV, et ce, en raison du montant limité de la mise autorisée dans les librairies et du caractère temporaire
des hippodromes et des établissements mobiles » (Doc. parl., Chambre, 2018-2019, DOC 54-3327/001, pp. 12-14).
La répartition des compétences
B.19. Les parties requérantes dans l’affaire no 7277 prennent un troisième moyen de la violation, par les articles 23,
1o, et 24, 2o et 3o, de la loi du 7 mai 2019, de l’article 39 de la Constitution et de l’article 6, § 1er, VIII, alinéa 1er, 1o, de
la loi spéciale du 8 août 1980.
En substance, elles font valoir que les dispositions attaquées empiètent sur la compétence des régions de
déterminer les attributions des communes.
19706 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

B.20.1. La composition, l’organisation, la compétence et le fonctionnement des institutions communales relèvent


par principe de la compétence des régions en vertu de l’article 6, § 1er, VIII, alinéa 1er, 1o, de la loi spéciale
du 8 août 1980.
B.20.2. L’article 6, § 1er, VIII, alinéa 1er, 1o, alinéa 3, de la loi spéciale du 8 août 1980 et l’article 6, § 1er, VIII, alinéa 2,
de la même loi spéciale disposent respectivement :
« Les conseils communaux et, dans la mesure où ils existent, les conseils provinciaux ou les conseils des
collectivités supracommunales, règlent respectivement tout ce qui est d’intérêt communal, provincial ou supra-
communal; ils délibèrent et statuent sur tout ce qui leur est soumis par l’autorité fédérale ou par les communautés »;
« Les actes, règlements et ordonnances des autorités des provinces, des collectivités supracommunales, des
communes, des agglomérations et des fédérations de communes et des autres autorités administratives ne peuvent être
contraires aux lois et aux arrêtés de l’autorité fédérale ou aux décrets et arrêtés des communautés, qui peuvent, en tout
cas, charger ces autorités de leur exécution, et d’autres missions, en ce compris donner un avis, ainsi que d’inscrire au
budget toutes les dépenses qu’elles imposent à ces autorités ».
Il ressort de ces dispositions que l’autorité fédérale peut confier des tâches aux communes lorsqu’elle agit dans le
cadre de ses propres compétences.
B.20.3. Dès lors que la compétence de l’autorité fédérale en matière de jeux et paris lui permet de réglementer les
établissements de jeux de hasard fixes de classe IV, elle est compétente pour confier aux communes des tâches relatives
à l’autorisation et au contrôle de ces établissements.
B.21. Le troisième moyen dans l’affaire no 7277 n’est pas fondé.
La comparaison entre les établissements de jeux de hasard fixes de classe IV et ceux de classe II et le régime transitoire
B.22.1. Les parties requérantes dans l’affaire no 7277 prennent un neuvième moyen, première branche, de la
violation des articles 10, 11 et 23, alinéa 3, 1o, de la Constitution par les articles 23, 1o, et 24, 2o et 3o, de la loi du
7 mai 2019.
Elles font valoir que les dispositions attaquées traitent de manière identique les établissements de jeux de hasard
fixes de classe IV et ceux de classe II, alors que ces deux catégories d’établissements se trouvent dans des situations
différentes.
B.22.2. Les parties requérantes dans l’affaire no 7296 prennent un deuxième moyen de la violation des articles 10
et 11 de la Constitution par les articles 24 et 36, alinéa 2, de la loi du 7 mai 2019.
Dans les première et deuxième branches, elles font valoir que les dispositions attaquées font naître deux différences
de traitement injustifiées entre les demandeurs d’une licence F2 pour l’exploitation d’un établissement de jeux de
hasard fixe de classe IV et les demandeurs d’une licence B pour l’exploitation d’un établissement de jeux de hasard de
classe II : d’une part, seuls les seconds ne peuvent pas s’établir à proximité de lieux de culte et de prisons et, d’autre
part, seuls les premiers peuvent bénéficier d’une dérogation motivée par la commune leur permettant de s’établir à
proximité d’établissements d’enseignement, d’hôpitaux ou d’endroits fréquentés par des jeunes.
Dans la troisième branche, elles font valoir que l’article 36, alinéa 2, de la loi du 7 mai 2019 perpétue de manière
disproportionnée la différence de traitement existante mais injustifiée entre les établissements de jeux de hasard fixes
de classe IV et ceux de classe II.
Dans la quatrième branche, elles font valoir que les branches précédentes font corrélativement apparaître, d’une
part, une différence de traitement injustifiée entre les joueurs, en ce qu’ils jouissent d’une protection moindre dans les
établissements de jeux de hasard fixes de classe IV que dans ceux de classe II, et, d’autre part, une différence de
traitement injustifiée entre les voisins des établissements de jeux de hasard, qui en fonction de la classe de ceux-ci sont
plus ou moins protégés contre les nuisances qui en émanent.
B.22.3. La partie requérante dans l’affaire no 7279 prend un deuxième moyen de la violation du principe de la
sécurité juridique en tant que principe général du droit à valeur constitutionnelle.
Selon elle, l’article 36 de la loi du 7 mai 2019 reporte à une date indéterminée l’entrée en vigueur des dispositions
qu’il vise.
B.23. Les parties requérantes dans l’affaire no 7277 n’exposent pas en quoi l’article 23, alinéa 3, 1o, de la Constitution
serait violé par les dispositions attaquées.
Le neuvième moyen, première branche, dans l’affaire no 7277 est irrecevable en ce qu’il est pris de la violation de
l’article 23, alinéa 3, 1o, de la Constitution.
B.24. Il ressort de l’exposé du moyen que les griefs des parties requérantes dans l’affaire no 7296 sont dirigés contre
l’article 24, 2o, de loi du 7 mai 2019 en ce qu’il insère l’article 43/5, alinéa 1er, 5o, dans la loi du 7 mai 1999 et contre
l’article 36, alinéa 2, de la loi du 7 mai 2019. En ce qui concerne l’affaire no 7296, la Cour limite dès lors son examen à
ces dispositions.
B.25.1. En vertu de l’article 142, alinéa 2, de la Constitution et de l’article 1er de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur
la Cour constitutionnelle, la Cour est compétente pour statuer sur les recours en annulation d’une loi, d’un décret ou
d’une règle visée à l’article 134 de la Constitution pour cause de violation des règles qui sont établies par la Constitution
ou en vertu de celle-ci pour déterminer les compétences respectives de l’autorité fédérale, des communautés et des
régions et pour cause de violation des articles du titre II (« Des Belges et de leurs droits ») et des articles 143, § 1er, 170,
172 et 191 de la Constitution.
B.25.2. La Cour n’est pas compétente pour contrôler directement la compatibilité d’une loi avec le principe de la
sécurité juridique.
B.25.3. Dès lors qu’il est pris uniquement de la violation du principe de la sécurité juridique, le deuxième moyen
dans l’affaire no 7279 est irrecevable.
B.26. Le principe d’égalité et de non-discrimination n’exclut pas qu’une différence de traitement soit établie entre
des catégories de personnes, pour autant qu’elle repose sur un critère objectif et qu’elle soit raisonnablement justifiée.
Ce principe s’oppose, par ailleurs, à ce que soient traitées de manière identique, sans qu’apparaisse une justification
raisonnable, des catégories de personnes se trouvant dans des situations qui, au regard de la mesure critiquée, sont
essentiellement différentes.
L’existence d’une telle justification doit s’apprécier en tenant compte du but et des effets de la mesure critiquée
ainsi que de la nature des principes en cause; le principe d’égalité et de non-discrimination est violé lorsqu’il est établi
qu’il n’existe pas de rapport raisonnable de proportionnalité entre les moyens employés et le but visé.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19707

B.27. Les développements d’une proposition de loi, qui visait notamment à porter à 21 ans la limite d’âge pour la
pratique de l’ensemble des paris et jeux de hasard et dont l’examen a été joint au projet ayant abouti à la loi du
7 mai 2019, exposent :
« Les développements du projet de loi 1992/001 [soulignent] que les paris sont déjà autorisés à partir de la majorité
parce que ces jeux de hasard créent moins d’accoutumance que ceux qui peuvent être exploités par les titulaires d’une
licence A et B ou par les titulaires d’une licence supplémentaire et en renvoyant plus particulièrement à la théorie
’ short-odd & long-odd ’(c.-à-d. la thèse selon laquelle les jeux dont le résultat est immédiatement connu créent davantage
d’accoutumance que les paris dont le résultat n’est connu qu’ultérieurement, par exemple le résultat final d’une
compétition sportive). [...]
[...]
[...] Reste ensuite à savoir s’il existe encore réellement une distinction entre les ’ long odds ’ et les ’ short odds ’. En
effet, les paris actuels peuvent porter sur une telle diversité d’éléments pendant les matchs, les paris en cours de jeu
permettant de parier sur un événement toujours en cours (par exemple, sur l’équipe qui recevra la première carte jaune
au cours d’un match de football). En cas de paris en cours de jeu, les parieurs peuvent adapter leurs paris pendant la
partie en fonction de l’évolution du match. Le degré de risque de ce type de jeu est dès lors passé de ’ peu addictif ’
à ’ jeu à haut risque ’ pour les joueurs problématiques » (Doc. parl., Chambre, 2016-2017, DOC 54-2214/001, pp. 7-8).
À propos de la nouvelle limite d’âge de 21 ans pour la pratique dans les établissements de jeux de hasard fixes de
classe IV des jeux de hasard automatiques qui sont visés à l’article 43/4, § 2, alinéa 3, troisième tiret, de la loi du
7 mai 1999, l’exposé des motifs du projet de loi ayant abouti à la loi du 7 mai 2019 expose :
« Par rapport aux paris offerts dans les agences de paris, les jeux de hasard virtuels peuvent être plus addictifs pour
les jeunes notamment car ils ne sont pas liés à un évènement sportif réel (qui est limité dans le temps). Le résultat est
connu immédiatement après la mise, ce qui implique que la période entre la mise et le gain est très courte » (Doc. parl.,
Chambre, 2018-2019, DOC 54-3327/001, p. 15).
Lors des travaux préparatoires de la loi du 7 mai 2019, un membre a en outre souligné :
« Les études scientifiques sont claires et les facteurs de risque qui entraînent des comportements excessifs voire des
assuétudes sont connus: faible temps entre la mise et le résultat, accessibilité du jeu, dématérialisation de l’argent,
absence de contrôle social, la consommation d’alcool, la croyance que l’on peut avoir une maîtrise sur l’issue d’un
match ou d’un jeu, le haut taux de redistribution (plus un joueur a l’impression qu’il gagne, plus il rejouera). Plus ces
facteurs sont cumulés, plus le jeu présente un risque » (Doc. parl., Chambre, 2018-2019, DOC 54-3327/008, p. 7).
B.28.1. Comme le Conseil des ministres et la Loterie Nationale le soulignent, le législateur a raisonnablement pu
considérer que les paris qui sont classiquement engagés dans les établissements de jeux de hasard fixes de classe IV
présentent moins de risques que les jeux de hasard qui sont exploités dans les établissements de jeux de hasard de
classe II (salles de jeux automatiques) mais que les risques liés aux établissements de jeux de hasard fixes de classe IV
se sont néanmoins accrus en raison de deux facteurs. D’une part, le développement croissant des paris en direct, à
savoir les paris portant sur un événement ou des faits qui sont en cours, dont le résultat n’est pas déjà connu et dont
le fait incertain n’est pas déjà survenu, engendre des risques accrus, dès lors que ces paris peuvent être caractérisés par
un court intervalle de temps entre la mise et le résultat. D’autre part, les jeux de hasard automatiques visés à
l’article 43/4, § 2, alinéa 3, troisième tiret, de la loi du 7 mai 1999 présentent également un risque accru.
B.28.2 Eu égard à l’accroissement des risques liés aux établissements de jeux de hasard fixes de classe IV, il n’est
pas dépourvu de justification raisonnable de leur imposer de conclure une convention avec la commune et de leur
interdire par principe de s’établir à proximité d’établissements d’enseignement, d’hôpitaux et d’endroits fréquentés par
des jeunes, à l’instar des obligations similaires qui s’appliquaient déjà aux établissements de jeux de hasard de classe II.
Le fait que les établissements de jeux de hasard fixes de classe IV et les établissements de jeux de hasard de
classe II sont soumis à plusieurs égards à des règles différentes, notamment quant à la durée de leur licence respective,
n’implique pas que les obligations imposées aux établissements de jeux de hasard fixes de classe IV par les dispositions
attaquées seraient disproportionnées.
B.28.3. Le législateur a raisonnablement pu considérer que les risques liés aux établissements de jeux de hasard
fixes de classe IV ne sont toutefois pas devenus identiques à ceux liés aux établissements de jeux de hasard de classe II.
Il n’est pas dépourvu de justification raisonnable de ne pas étendre à tout établissement de jeux de hasard fixe de
classe IV l’interdiction de s’établir à proximité de lieux de culte et de prisons que l’article 36, 4o, de la loi du 7 mai 1999
prévoit pour les établissements de jeux de hasard de classe II. Il en va d’autant plus ainsi qu’une commune peut, si les
circonstances locales concrètes le justifient, refuser de conclure une convention avec l’exploitant d’un établissement de
jeux de hasard fixe de classe IV qui souhaiterait s’établir à proximité d’un lieu de culte ou d’une prison. Les travaux
préparatoires exposent en effet :
« L’exploitation d’un établissement de jeux de hasard fixe de classe IV doit s’effectuer en vertu d’une convention
à conclure entre la commune du lieu de l’établissement et l’exploitant. Cette convention détermine où l’établissement
de jeux de hasard est établi, notamment en tenant compte de la proximité de l’établissement de jeux de hasard de
classe IV avec par exemple des établissements d’enseignement, des hôpitaux, des endroits fréquentés par des jeunes,
des lieux de culte ou encore des prisons » (Doc. parl., Chambre, 2018-2019, DOC 54-3327/001, p. 12).
De même, il n’est pas dépourvu de justification raisonnable de permettre aux communes de déroger à l’interdiction
de principe de s’établir à proximité d’établissements d’enseignement, d’hôpitaux et d’endroits fréquentés par des
jeunes qui est applicable aux établissements de jeux de hasard fixes de classe IV, bien qu’une telle faculté de dérogation
n’existe pas à l’égard des établissements de jeux de hasard de classe II.
B.29.1. Il appartient en principe au législateur, lorsqu’il décide d’introduire une nouvelle réglementation, d’estimer
s’il est nécessaire ou opportun d’assortir celle-ci de dispositions transitoires. Le principe d’égalité et de
non-discrimination n’est violé que si le régime transitoire ou son absence entraîne une différence de traitement dénuée
de justification raisonnable ou s’il est porté une atteinte excessive au principe de la confiance légitime.
B.29.2. Le régime transitoire prévu par l’article 36 de la loi du 7 mai 2019 a pour effet que l’obligation pour les
établissements de jeux de hasard fixes de classe IV de conclure une convention avec la commune et l’interdiction de
principe pour ces établissements de s’établir à proximité d’établissements d’enseignement, d’hôpitaux et d’endroits
fréquentés par des jeunes s’appliquent aux demandes de licence et de renouvellement de licence qui sont introduites
à partir du 25 mai 2021, à savoir deux ans après l’entrée en vigueur de la loi du 7 mai 2019.
Comme le soulignent les travaux préparatoires, ce régime transitoire est raisonnablement justifié par le souhait de
laisser un temps d’adaptation suffisant aux communes et de garantir la sécurité juridique des établissements de jeux de
hasard fixes de classe IV qui étaient en activité lors de l’entrée en vigueur de la loi du 7 mai 2019 (Doc. parl., Chambre,
2018-2019, DOC 54-3327/005, p. 28).
B.30. Le neuvième moyen, première branche, dans l’affaire no 7277 et le deuxième moyen dans l’affaire no 7296 ne
sont pas fondés.
La différence de traitement entre les établissements de jeux de hasard fixes de classe IV et les libraires
19708 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

B.31.1. Les parties requérantes dans l’affaire no 7277 prennent un neuvième moyen, seconde branche, de la
violation des articles 10, 11 et 23, alinéa 3, 1o, de la Constitution par les articles 23, 1o, et 24, 2o et 3o, de la loi du
7 mai 2019.
En substance, elles font valoir que les dispositions attaquées font naître une différence de traitement injustifiée
entre les établissements de jeux de hasard fixes de classe IV et les libraires, en ce que seuls les premiers sont soumis à
l’obligation de conclure une convention avec la commune et à l’interdiction de principe de s’établir à proximité
d’établissements d’enseignement, d’hôpitaux et d’endroits fréquentés par des jeunes.
B.31.2. La partie requérante dans l’affaire no 7279 prend un premier moyen de la violation des articles 10 et 11 de
la Constitution par la loi du 7 mai 2019, notamment, en ce qu’elle fait naître la différence de traitement précitée.
En substance, elle fait valoir que les établissements de jeux de hasard fixes de classe IV et les libraires sont des
catégories comparables, que la différence de traitement critiquée ne poursuit aucun objectif légitime, que le critère de
distinction n’est ni objectif, ni pertinent et que les conséquences pour les établissements de jeux de hasard fixes de
classe IV sont disproportionnées.
B.32. Les parties requérantes dans l’affaire no 7277 n’exposent pas en quoi l’article 23, alinéa 3, 1o, de la Constitution
serait violé par les dispositions attaquées.
Le neuvième moyen, seconde branche, dans l’affaire no 7277 est irrecevable en ce qu’il est pris de la violation de
l’article 23, alinéa 3, 1o, de la Constitution.
B.33. Il ressort de l’exposé du moyen que les griefs de la partie requérante dans l’affaire no 7279 sont dirigés contre
les articles 23, 1o, et 24, 2o et 3o, de la loi du 7 mai 2019. En ce qui concerne l’affaire no 7279, la Cour limite dès lors son
examen à ces dispositions.
B.34. Le principe d’égalité et de non-discrimination n’exclut pas qu’une différence de traitement soit établie entre
des catégories de personnes, pour autant qu’elle repose sur un critère objectif et qu’elle soit raisonnablement justifiée.
L’existence d’une telle justification doit s’apprécier en tenant compte du but et des effets de la mesure critiquée
ainsi que de la nature des principes en cause; le principe d’égalité et de non-discrimination est violé lorsqu’il est établi
qu’il n’existe pas de rapport raisonnable de proportionnalité entre les moyens employés et le but visé.
B.35. Les établissements de jeux de hasard fixes de classe IV et les libraires qui sont titulaires d’une licence F2 sont
comparables au regard des mesures en cause, dès lors qu’ils peuvent tous deux engager des paris.
B.36. Contrairement à ce que soutient la partie requérante dans l’affaire no 7279, la distinction entre les
établissements de jeux de hasard fixes de classe IV et les libraires visés à l’article 43/4, § 5, 1o, de la loi du 7 mai 1999
repose sur un critère objectif.
L’article 43/4, § 5, 1o, de la loi du 7 mai 1999 dispose :
« § 5. En dehors des établissements de jeux de hasard de classe IV précités peuvent également être engagés :
1o les paris sur les événements sportifs et sur les courses hippiques, à titre complémentaire, par les libraires,
personnes physiques ou personnes morales, inscrits à la Banque-carrefour des entreprises en qualité d’entreprise
commerciale, pour autant qu’ils ne soient pas engagés dans des endroits où des boissons alcoolisées sont vendues pour
être consommées sur place.
Le Roi fixe les conditions spécifiques auxquelles les libraires doivent satisfaire pour l’engagement de ces paris. Ils
doivent disposer d’une licence de classe F2 ».
La notion de « libraires » doit s’entendre dans le sens courant qui figure dans l’article 16, § 2, alinéa 1er, a), de la
loi du 10 novembre 2006 « relative aux heures d’ouverture dans le commerce, l’artisanat et les services ». Il s’agit des
unités d’établissement dont l’activité principale consiste en la vente de journaux, de magazines, de produits de tabac
et d’articles pour fumeurs, de cartes téléphoniques et de produits de la Loterie nationale. Par conséquent, il n’y a pas
de discordance dans la loi entre le terme français « libraires » et le terme néerlandais « dagbladhandelaars ».
La notion d’activité exercée « à titre complémentaire » doit également s’entendre dans son sens courant, à savoir
une activité qui n’est pas exercée à titre principal. Contrairement à ce que soutient la partie requérante dans l’affaire
o
n 7279, il n’y a pas de discordance entre le terme français d’activité exercée « à titre complémentaire » et le terme
néerlandais « nevenactiviteit ». Le législateur a valablement pu habiliter le Roi à définir les conditions spécifiques pour
qu’il soit question d’une activité exercée « à titre complémentaire ». Les travaux préparatoires de la loi du
10 janvier 2010 « portant modification de la législation relative aux jeux de hasard » (ci-après : la loi du 10 janvier 2010)
exposent à cet égard :
« Les libraires ne peuvent engager de paris qu’à titre accessoire. Le Roi doit préciser les conditions plus spécifiques
pour qu’il puisse être question d’une activité accessoire. Ces critères doivent au moins concerner la part des paris
autorisés conformément à la présente loi par rapport au chiffre d’affaires total de la librairie » (Doc. parl., Chambre,
2008-2009, DOC 52-1992/001, p. 38).
Et :
« [Une membre] cite l’exposé des motifs (DOC 52-1992/001, p. 38) selon lequel les critères qui devront être fixés
par le Roi devront au moins concerner la part des paris autorisés par rapport au chiffre d’affaires total de la librairie.
L’intervenante estime que le chiffre d’affaires est un critère extrêmement volatile que l’on peut difficilement considérer
comme un critère principal pour la détermination du caractère accessoire ou non d’une activité.
Le secrétaire d’État [à la Coordination de la lutte contre la fraude, adjoint au premier ministre, et secrétaire d’État,
adjoint au ministre de la Justice] remarque à cet égard que les critères qui seront déterminés par le Roi seront avant tout
bel et bien des critères objectifs. Le chiffre d’affaires ne sera pris en compte qu’en cas de contestation » (Doc. parl.,
Chambre, 2008-2009, DOC 52-1992/006, p. 84).
Il n’appartient pas à la Cour de contrôler la constitutionnalité de l’arrêté royal du 22 décembre 2010 « déterminant
les conditions pour l’engagement de paris en dehors des établissements de jeux de hasard de classe IV », que le Roi a
pris sur le fondement de cette habilitation.
B.37.1. Le critère de distinction entre les établissements de jeux de hasard fixes de classe IV et les libraires visés à
l’article 43/4, § 5, 1o, de la loi du 7 mai 1999 est pertinent au regard des objectifs de limitation des risques d’ordre social
et de protection des joueurs qui sont poursuivis par les mesures attaquées.
B.37.2. Les travaux préparatoires de la loi du 10 janvier 2010 exposent :
« - Le type de joueur qui se rend chez un libraire pour engager un pari sur des courses hippiques diffère du type
de joueur fréquentant une agence de paris. Une agence de paris accueille les joueurs qui y passent un certain temps
pour engager leurs paris, alors que le joueur qui se rend dans une librairie n’y reste que le temps nécessaire pour
déposer son pari.
- L’infrastructure d’une librairie diffère de celle d’une agence de paris. Les agences de paris disposent de tables sur
lesquelles sont déposés des journaux sportifs permettant aux joueurs d’effectuer un choix avant d’engager leur pari.
Elles possèdent par ailleurs des écrans qui permettent aux joueurs de suivre les courses. Ces agences sont équipées de
manière à attirer les joueurs, qui viennent y passer leur temps et nouent des contacts avec d’autres joueurs.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19709

- Pour le libraire, l’acceptation de paris peut ne constituer qu’une activité exercée à titre complémentaire,
contrairement aux agences de paris, dont c’est l’activité principale. Pour cette raison, le Roi devra préciser les critères
et conditions auxquels les libraires devront satisfaire pour qu’il s’agisse d’une activité exercée à titre complémentaire.
Ces conditions porteront en tout cas sur des éléments qui ne soient pas de nature à inciter le joueur à rester dans la
librairie pour engager un pari. Le Roi pourra par exemple interdire aux libraires d’installer des écrans permettant aux
joueurs de suivre les événements sportifs sur lesquels ils parient, ou leur interdire de réserver certaines parties de leur
surface commerciale à l’engagement de paris, etc. » (Doc. parl., Sénat, 2009-2010, no 4-1411/4, p. 15).
Les travaux préparatoires de la loi du 7 mai 2019 exposent à propos des mesures attaquées :
« À noter que ces deux nouvelles conditions ne s’appliquent ni aux librairies et hippodromes, ni aux établissements
mobiles de classe IV, et ce, en raison du montant limité de la mise autorisée dans les librairies et du caractère temporaire
des hippodromes et des établissements mobiles » (Doc. parl., Chambre, 2018-2019, DOC 54-3327/001, p. 14).
B.37.3. Les établissements de jeux de hasard fixes de classe IV présentent plusieurs caractéristiques qui les
distinguent des libraires.
Premièrement, l’engagement de paris constitue en principe l’activité exclusive des établissements de jeux de hasard
fixes de classe IV, tandis qu’elle ne constitue qu’une activité accessoire pour les libraires.
Deuxièmement, sur le fondement de l’article 43/4, § 5, 1o, de la loi du 7 mai 1999, le Roi a pris l’arrêté royal du
22 décembre 2010 « déterminant les conditions pour l’engagement de paris en dehors des établissements de jeux de
hasard de classe IV », qui détermine notamment les conditions applicables à l’engagement de paris par les libraires. Cet
arrêté royal limite l’espace des librairies qui peut être occupé pour l’engagement de paris et limite la publicité axée sur
cette activité (article 4) et interdit dans les librairies la présence d’écrans de télévision et d’autres supports audiovisuels
faisant la promotion des paris ou diffusant les événements auxquels ils ont trait (article 3). Comme le souligne le Conseil
des ministres, cette dernière interdiction est de nature à rendre très difficile dans les librairies la pratique des paris en
direct, qui, comme il est dit en B.28.1, présentent des risques accrus selon le législateur.
Troisièmement, les établissements de jeux de hasard fixes de classe IV, et non les libraires, peuvent exploiter au
« maximum deux jeux de hasard automatiques qui proposent des paris sur des activités similaires à celles engagées
dans l’agence de paris » (article 43/4, § 2, alinéa 3, troisième tiret, de la loi du 7 mai 1999). Comme il est dit en B.28.1,
ces jeux de hasard automatiques présentent des risques accrus selon le législateur.
Quatrièmement, la mise maximale est limitée à 200 euros par jour chez un libraire (article 1er de l’arrêté royal du
22 décembre 2010 « déterminant les conditions pour l’engagement de paris en dehors des établissements de jeux de
hasard de classe IV »). Cette limite oblige le joueur qui souhaite miser un montant supérieur à 200 euros à se déplacer
chez un autre titulaire de licence F2 et elle peut dès lors constituer un frein pour le joueur.
B.37.4. Il ressort de ce qui précède que le législateur a raisonnablement pu considérer que les établissements de jeux
de hasard fixes de classe IV présentent des risques plus élevés que les libraires et qu’ils doivent dès lors être soumis
à des conditions supplémentaires.
B.38. Enfin, les dispositions attaquées ne produisent pas d’effets disproportionnés à l’égard des établissements de
jeux de hasard fixes de classe IV.
B.39. Le neuvième moyen, seconde branche, dans l’affaire no 7277 n’est pas fondé. Le premier moyen dans l’affaire
no 7279 n’est pas fondé en ce qu’il est dirigé contre les articles 23, 1o, et 24, 2o et 3o, de la loi du 7 mai 2019.
La liberté d’établissement, la libre prestation des services et la liberté d’entreprendre
B.40.1. Les parties requérantes dans l’affaire no 7277 prennent un dixième moyen de la violation, par les articles 23,
1 , et 24, 2o et 3o, de la loi du 7 mai 2019, des articles 10, 11 et 23 de la Constitution, lus en combinaison avec l’article 49
o

du TFUE.
En substance, elles font valoir que les dispositions attaquées portent atteinte au droit au travail, au libre choix
d’une activité professionnelle, à la liberté de commerce et d’industrie et à la liberté d’établissement et que cette atteinte
n’est pas raisonnablement justifiée.
B.40.2. La partie requérante dans l’affaire no 7279 prend un troisième moyen de la violation, par la loi du 7 mai 2019,
des articles 49 et 56 du TFUE, de la liberté d’entreprendre consacrée par les articles II.3 et II.4 du Code de droit
économique et à l’article 16 de la Charte des droits fondamentaux de l’Union européenne, lus en combinaison avec les
articles 10 et 11 de la Constitution.
En substance, elle fait valoir que les dispositions attaquées ne fixent pas de critères objectifs, non discriminatoires
et connus à l’avance pour encadrer la décision d’une commune de conclure ou non une convention avec un
établissement de jeux de hasard fixe de classe IV et la décision d’une commune d’octroyer ou non une dérogation à
l’interdiction de principe de s’établir à proximité d’établissements d’enseignement, d’hôpitaux et d’endroits fréquentés
par des jeunes.
B.40.3. La partie requérante dans l’affaire no 7289 prend un second moyen, troisième branche, de la violation, par
les articles 23, 1o, et 24, 2o, alinéa 2, de la loi du 7 mai 2019, des articles 49 et 56 du TFUE, lus en combinaison avec les
articles 10 et 11 de la Constitution.
En substance, elle fait valoir que l’obligation pour les établissements de jeux de hasard fixes de classe IV de
conclure une convention avec la commune n’est pas proportionnée à l’objectif poursuivi de protection des joueurs. En
outre, elle estime que cette obligation ne permet pas d’atteindre de manière cohérente et systématique l’objectif qui est
poursuivi, dès lors qu’elle n’est pas applicable aux libraires, aux hippodromes et aux établissements de jeux de hasard
mobiles de classe IV.
B.40.4. La partie requérante dans l’affaire no 7289 prend un second moyen, quatrième branche, de la violation des
articles 49 et 56 du TFUE, lus en combinaison avec les articles 10 et 11 de la Constitution, par l’article 24, 2o, alinéa 1er,
de la loi du 7 mai 2019, lu isolément ou en combinaison avec l’article 24, 3o, de la même loi.
En substance, elle fait valoir que les dispositions attaquées ne précisent pas les critères permettant d’apprécier la
proximité avec les établissements d’enseignement, les hôpitaux et les endroits fréquentés par des jeunes et qu’elles
n’encadrent pas la faculté de dérogation dont les communes disposent.
B.41. Il ressort de l’exposé du moyen que les griefs de la partie requérante dans l’affaire no 7279 sont dirigés contre
les articles 23, 1o, et 24, 2o et 3o, de la loi du 7 mai 2019. En ce qui concerne l’affaire no 7279, la Cour limite dès lors son
examen à ces dispositions.
B.42.1. L’article 23, alinéa 3, 1o, de la Constitution dispose :
« Ces droits comprennent notamment :
1o le droit au travail et au libre choix d’une activité professionnelle dans le cadre d’une politique générale de
l’emploi, visant entre autres à assurer un niveau d’emploi aussi stable et élevé que possible, le droit à des conditions
de travail et à une rémunération équitables, ainsi que le droit d’information, de consultation et de négociation
collective ».
Cette disposition inclut le droit au travail et le droit au libre choix d’une activité professionnelle parmi les droits
économiques, sociaux et culturels.
19710 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

B.42.2. Il ressort des travaux préparatoires de l’article 23 de la Constitution que le Constituant n’a pas entendu
consacrer la liberté de commerce et d’industrie ou la liberté d’entreprendre dans les notions de « droit au travail » et
de « libre choix d’une activité professionnelle » (Doc. parl., Sénat, S.E. 1991-1992, no 100-2/3o, p. 15; no 100-2/4o, pp. 93
à 99; no 100-2/9o, pp. 3 à 10). Une telle approche découle également du dépôt de différentes propositions de « révision
de l’article 23, alinéa 3, de la Constitution, en vue de le compléter par un 6o garantissant la liberté de commerce et
d’industrie » (Doc. parl., Sénat, 2006-2007, no 3-1930/1; Sénat, S.E. 2010, no 5-19/1; Chambre, 2014-2015,
DOC 54-0581/001).
B.42.3. La loi du 28 février 2013, qui a introduit l’article II.3 du Code de droit économique, a abrogé le décret dit
d’Allarde des 2-17 mars 1791. Ce décret, qui garantissait la liberté de commerce et d’industrie, a régulièrement servi de
norme de référence à la Cour dans son contrôle du respect des articles 10 et 11 de la Constitution.
B.42.4. La liberté d’entreprendre, visée par l’article II.3 du Code de droit économique, doit s’exercer « dans le
respect des traités internationaux en vigueur en Belgique, du cadre normatif général de l’union économique et de
l’unité monétaire tel qu’établi par ou en vertu des traités internationaux et de la loi » (article II.4 du même Code).

La liberté d’entreprendre doit par conséquent être lue en combinaison avec les dispositions de droit de l’Union
européenne applicables, ainsi qu’avec l’article 6, § 1er, VI, alinéa 3, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes
institutionnelles, au regard duquel la Cour peut effectuer directement un contrôle, en tant que règle répartitrice de
compétences.

Enfin, la liberté d’entreprendre est également garantie par l’article 16 de la Charte des droits fondamentaux de
l’Union européenne.

B.42.5. La liberté d’entreprendre ne peut être conçue comme une liberté absolue. Elle ne fait pas obstacle à ce que
le législateur compétent règle l’activité économique des personnes et des entreprises. Le législateur n’interviendrait de
manière déraisonnable que s’il limitait la liberté d’entreprendre sans aucune nécessité ou si cette limitation était
disproportionnée au but poursuivi.

B.42.6. La liberté d’entreprendre est étroitement liée à la libre prestation des services (article 56 du TFUE) et à la
liberté d’établissement (article 49 du TFUE).

B.42.7. En l’espèce, la Cour doit contrôler les dispositions attaquées au regard des articles 10 et 11 de la
Constitution, lus en combinaison avec la liberté d’entreprendre, la liberté d’établissement et la libre prestation des
services.

B.43.1. Dès lors qu’elles soumettent l’exploitation des établissements de jeux de hasard fixes de classe IV à
l’obligation de conclure une convention avec la commune et à l’interdiction de principe de s’établir à proximité
d’établissements d’enseignement, d’hôpitaux et d’endroits fréquentés par des jeunes, les dispositions attaquées
entraînent une restriction à la liberté d’établissement.

B.43.2. Comme il est dit en B.13.3, une mesure restreignant la liberté d’établissement, et qui est indistinctement
applicable, doit être justifiée par une raison impérieuse d’intérêt général, elle doit être propre à garantir la réalisation
de l’objectif poursuivi, ce qui implique qu’elle doit répondre véritablement au souci de l’atteindre d’une manière
cohérente et systématique, et elle ne doit pas aller au-delà de ce qui est nécessaire pour atteindre cet objectif.

B.43.3. Comme il est dit en B.18.3, les dispositions attaquées visent en particulier à limiter les risques d’ordre social
liés à l’emplacement des établissements de jeux de hasard fixes de classe IV et à protéger les joueurs. Il ressort de la
jurisprudence de la Cour de justice citée en B.13.4.1 qu’il s’agit de raisons impérieuses d’intérêt général.

B.43.4. L’obligation de conclure une convention avec la commune et l’interdiction de principe de s’établir à
proximité d’établissements d’enseignement, d’hôpitaux et d’endroits fréquentés par des jeunes sont des mesures
pertinentes au regard des objectifs poursuivis.

En outre, le fait que ces mesures s’appliquent aux établissements de jeux de hasard fixes de classe IV, mais non aux
établissements de jeux de hasard mobiles de classe IV, aux libraires et aux hippodromes, n’implique pas que les objectifs
ne seraient pas poursuivis de manière cohérente et systématique. D’une part, il ressort de ce qui est dit en B.35 à B.38
que la non-application de ces mesures aux libraires est raisonnablement justifiée. D’autre part, la non-application de ces
mesures aux établissements de jeux de hasard mobiles de classe IV et aux hippodromes est raisonnablement justifiée
par leur caractère temporaire (Doc. parl., Chambre, 2018-2019, DOC 54-3327/001, p. 14) et par le fait que leur
emplacement est déjà encadré par la loi du 7 mai 1999, dès lors que les premiers sont exploités sur le lieu de
l’événement, de l’épreuve sportive ou de la compétition sportive sur lesquels ils engagent des paris (article 43/4, § 2,
alinéas 5 et 6, de la loi du 7 mai 1999) et qu’en ce qui concerne les seconds, les paris sont engagés dans l’enceinte d’un
hippodrome (article 43/4, § 5, 2o, de la loi du 7 mai 1999).

B.43.5. La Cour doit encore examiner si les mesures en question sont proportionnées aux objectifs poursuivis.

B.43.6. Eu égard à l’accroissement des risques liés aux établissements de jeux de hasard fixes de classe IV décrit en
B.28.1, il n’est pas disproportionné de subordonner l’exploitation d’un établissement de jeux de hasard fixe de classe IV
à la conclusion d’une convention avec la commune et à l’interdiction de principe de s’établir à proximité
d’établissements d’enseignement, d’hôpitaux et d’endroits fréquentés par des jeunes.

B.43.7. Dès lors que ces mesures constituent deux des conditions à respecter pour l’octroi d’une licence F2
(article 43/5, alinéa 1er, 5o et 6o, de la loi du 7 mai 1999), il convient également de prendre en considération la
jurisprudence de la Cour de justice selon laquelle il découle du principe de proportionnalité qu’un régime
d’autorisation administrative préalable en ce qui concerne l’offre de certains types de jeux de hasard doit être fondé sur
des critères objectifs, non discriminatoires et connus à l’avance, de manière à encadrer l’exercice du pouvoir
d’appréciation des autorités nationales afin que celui-ci ne puisse être utilisé de manière arbitraire (CJUE,
24 janvier 2013, C-186/11 et C-209/11, Stanleybet International Ltd e.a., point 47).

Lorsqu’elle décide de conclure une convention avec un établissement de jeux de hasard fixe de classe IV, la
commune exerce une compétence discrétionnaire (Doc. parl., Chambre, 2018-2019, DOC 54-3327/005, p. 7). Cette
compétence est suffisamment encadrée pour éviter le risque d’arbitraire.

Tout d’abord, le pouvoir d’appréciation de la commune est limité par les objectifs poursuivis par la loi du
7 mai 1999.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19711

En outre, la notion de « proximité » entre les établissements de jeux de hasard fixes de classe IV et les
établissements d’enseignement, les hôpitaux et les endroits fréquentés par des jeunes n’est pas à ce point vague qu’elle
ferait courir un risque d’arbitraire. Cette notion, qui doit s’entendre dans son sens courant évoquant une distance peu
importante, doit s’apprécier au regard des circonstances locales concrètes. De même, la faculté de dérogation reconnue
à la commune lui permet également de tenir compte des circonstances locales concrètes, ainsi que des conditions
prévues dans la convention conclue avec l’établissement :
« Une dérogation à cette condition est toutefois possible sur base d’une motivation de la commune. Si dans la
convention qu’elle a pris avec l’établissement, la commune a pris suffisamment de mesures de protection vis-à-vis du
joueur potentiel, il peut être dérogé à cette condition, par exemple, si un établissement veut s’établir à proximité d’une
école et que la commune a prévu des heures d’ouverture qui ne permettent pas à des jeunes de s’y rendre pendant ou
juste avant et après les cours. La commune doit motiver expressément sa décision de ne pas interdire d’établissement
à proximité des d’établissements d’enseignement, d’hôpitaux et, d’endroits fréquentés par des jeunes » (Doc. parl.,
Chambre, 2018-2019, DOC 54-3327/001, p. 14).
Enfin, la commune doit notamment respecter les principes généraux de bonne administration, comme l’obligation
de motivation. Cette dernière suppose un exposé suffisant des motifs qui fondent la décision de la commune, de façon
à ce que les intéressés puissent apprécier s’il y a lieu d’exercer les voies de recours dont ils disposent.
B.44. Les dispositions attaquées ne violent pas les articles 10 et 11 de la Constitution lus en combinaison avec
l’article 49 du TFUE.
B.45. Il ressort également de ce qui précède que les dispositions attaquées ne violent pas les articles 10 et 11 de la
Constitution lus en combinaison avec la liberté d’entreprendre et qu’à supposer que les dispositions attaquées
entraînent une restriction à la libre prestation des services, elles ne violent pas les articles 10 et 11 de la Constitution lus
en combinaison avec l’article 56 du TFUE.
B.46. Le dixième moyen dans l’affaire no 7277, le troisième moyen dans l’affaire no 7279 et le second moyen,
troisième et quatrième branches, dans l’affaire no 7289 ne sont pas fondés.
En ce qui concerne l’obligation d’enregistrement applicable dans les établissements de jeux de hasard fixes de classe IV
(onzième et douzième moyens dans l’affaire no 7277; premier moyen dans l’affaire no 7279; second moyen dans l’affaire no 7280;
second moyen, cinquième branche, dans l’affaire no 7289)
La disposition attaquée et son contexte
B.47.1. L’article 31 de la loi du 7 mai 2019 modifie l’article 62 de la loi du 7 mai 1999 et dispose :
« À l’article 62, de la [loi du 7 mai 1999], modifié par la loi du 10 janvier 2010, les modifications suivantes sont
apportées :
1o dans l’alinéa 1er, les mots ’ des classes I et II ’ sont remplacés par les mots ’ des classes I, II et aux établissements
de jeux de hasard fixes de classe IV ’;
2o dans l’alinéa 6, les mots ’ de classe I ou II ’ sont remplacés par les mots ’ de classe I, II ou de classe IV pour les
établissements de jeux de hasard fixes ’ ».
Cette disposition rend l’article 62 de la loi du 7 mai 1999 applicable aux établissements de jeux de hasard fixes de
classe IV. L’article 62 de la loi du 7 mai 1999 impose aux établissements de jeux de hasard de classes I et II et désormais
également aux établissements de jeux de hasard fixes de classe IV de conserver une copie du document d’identité que
le joueur doit présenter et de tenir un registre reprenant certaines informations relatives aux joueurs. Tel qu’il a été
modifié par l’article 31 de la loi du 7 mai 2019, l’article 62 de la loi du 7 mai 1999 dispose :
« Complémentairement à ce qui est prévu à l’article 54, l’accès aux salles de jeux des établissements de jeux de
hasard des classes I, II et aux établissements de jeux de hasard fixes de classe IV est autorisé que sur présentation, par
la personne concernée, d’un document d’identité et moyennant l’inscription, par l’exploitant, des nom complet,
prénoms, date de naissance, lieu de naissance, profession et de l’adresse de cette personne dans un registre.
L’exploitant fait signer ce registre par la personne concernée.
Une copie de la pièce ayant servi à l’identification du joueur doit être conservée pendant au moins cinq ans à dater
de la dernière activité de jeu de celui-ci.
Le Roi détermine les modalités pratiques d’admission et d’enregistrement des joueurs.
Il arrête les conditions d’accès aux registres.
L’absence de tenue ou la tenue incorrecte de ce registre de même que sa non-communication aux autorités, son
altération ou sa disparition peut entraîner le retrait de la licence de classe I, II ou de classe IV pour les établissements
de jeux de hasard fixes par la commission.
Le Roi détermine les modalités d’admission et d’enregistrement des joueurs pour la pratique de jeux de hasard via
un réseau de communication électronique ainsi que les conditions que le registre doit remplir ».
B.47.2. Comme son premier alinéa l’indique, l’article 62 de la loi du 7 mai 1999 doit être lu en combinaison avec
l’article 54 de la même loi. Cette dernière disposition concerne les interdictions d’accéder à certains établissements de
jeux de hasard et de pratiquer certains jeux de hasard qui sont applicables aux mineurs ou aux personnes de moins de
21 ans (article 54, § 1er), aux magistrats, aux notaires, aux huissiers et aux membres des services de police en dehors de
l’exercice de leurs fonctions (article 54, § 2, alinéa 1er) et aux personnes exclues par la Commission des jeux de hasard
(article 54, § § 3 et 4).
Certaines de ces interdictions, notamment celles qui sont applicables aux personnes exclues par la Commission des
jeux de hasard, portent uniquement sur les jeux de hasard « pour lesquels une obligation d’enregistrement existe », à
savoir : (1) les jeux de hasard pratiqués dans les établissements de jeux de hasard visés à l’article 62 de la loi du
7 mai 1999, (2) les paris qui font l’objet d’une mise supérieure à un montant fixé par le Roi (article 43/4, § 3, de la loi
du 7 mai 1999), étant précisé que ce montant a été fixé à 1 000 euros par l’arrêté royal du 22 décembre 2010
« déterminant le montant ou la contrepartie de la mise de paris pour laquelle une obligation d’enregistrement existe
ainsi que le contenu et les modalités de cet enregistrement » et (3) les jeux de hasard exploités au moyen des
instruments de la société de l’information (article 43/8, § 2, 2o, de la loi du 7 mai 1999). En soumettant les établissements
de jeux de hasard fixes de classe IV à l’obligation d’enregistrement prévue à l’article 62 de la loi du 7 mai 1999,
l’article 31 de la loi du 7 mai 2019 rend applicable à ces établissements les interdictions qui portent sur les jeux de hasard
« pour lesquels une obligation d’enregistrement existe ».
B.47.3. En outre, l’article 55 de la loi du 7 mai 1999 prévoit la création d’un système de traitement des informations
concernant les personnes visées à l’article 54 de la même loi. Aux termes de l’article 55, alinéa 2, de la loi du 7 mai 1999,
les finalités de ce système sont, d’une part, « de permettre à la commission des jeux de hasard d’exercer les missions
qui lui sont attribuées par la présente loi » et, d’autre part, « de permettre aux exploitants et au personnel des
établissements de jeux de hasard de contrôler le respect des exclusions visées à l’article 54 ». Ce système de traitement
est le système EPIS (« Excluded Persons Information System »), qui a été créé par l’arrêté royal du 15 décembre 2004
« relatif à la création d’un système de traitement des informations concernant les joueurs exclus des salles de jeux de
hasard de classe I et de classe II ».
19712 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

B.47.4. Le commentaire de l’article 19 du projet de loi, devenu l’article 31 de la loi du 7 mai 2019, expose :
« L’article 19 étend l’application de l’Excluded Persons Information System (EPIS), à tous les établissements de jeux
de hasard fixes de classe IV. EPIS qui regroupe tous les joueurs exclus, est utilisé actuellement à l’entrée d’un casino
(classe I) ou d’une salle de jeux automatiques (classe II) réel ou virtuel, ou bien d’une agence de paris virtuelle. Les nom,
prénom et date de naissance du joueur doivent obligatoirement être enregistrés dans EPIS afin de vérifier s’il peut être
admis.
À noter que cette vérification peut se faire à l’entrée de l’établissement de jeu de hasard mais également au
comptoir. Un contrôle doit être effectué avant qu’un joueur ne puisse jouer à une machine ou parier par exemple.
EPIS a prouvé qu’il constitue un outil très efficace dans la lutte contre la dépendance au jeu et il est indispensable
pour renforcer la protection du joueur.
Dans son avis 36/2018 du 2 mai 2018, la Commission de la protection de la vie privée considère que l’élargissement
du spectre d’EPIS est proportionnel au regard de la finalité d’EPIS qui est la protection des joueurs » (Doc. parl.,
Chambre, 2018-2019, DOC 54-3327/001, pp. 16-17).
Le droit au respect de la vie privée
B.48. Les parties requérantes dans l’affaire no 7277 prennent un douzième moyen de la violation, par l’article 31 de
la loi du 7 mai 2019, de l’article 22 de la Constitution, lu en combinaison avec l’article 8 de la Convention européenne
des droits de l’homme, avec l’article 5, paragraphe 1, point c), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et
du Conseil du 27 avril 2016 « relatif à la protection des personnes physiques à l’égard du traitement des données à
caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur
la protection des données) » (ci-après : le RGPD) et avec l’article 28, 3o, de la loi du 30 juillet 2018 « relative à la
protection des personnes physiques à l’égard des traitements de données à caractère personnel » (ci-après : la loi du
30 juillet 2018).
Dans une première branche, elles font valoir en substance que l’article 62 de la loi du 7 mai 1999, rendu applicable
par l’article 31 de la loi du 7 mai 2019 aux établissements de jeux de hasard fixes de classe IV, habilite le Roi à déterminer
des éléments essentiels liés à la tenue du registre et à sa consultation.
Dans une seconde branche, elles font valoir en substance que la disposition attaquée n’est ni pertinente ni
proportionnée au regard de l’objectif de protection des joueurs qui est poursuivi.
B.49.1. L’article 22 de la Constitution dispose :
« Chacun a droit au respect de sa vie privée et familiale, sauf dans les cas et conditions fixés par la loi.
La loi, le décret ou la règle visée à l’article 134 garantissent la protection de ce droit ».
B.49.2. L’article 8 de la Convention européenne des droits de l’homme dispose :
« 1. Toute personne a droit au respect de sa vie privée et familiale, de son domicile et de sa correspondance.
2. Il ne peut y avoir ingérence d’une autorité publique dans l’exercice de ce droit que pour autant que cette
ingérence est prévue par la loi et qu’elle constitue une mesure qui, dans une société démocratique, est nécessaire à la
sécurité nationale, à la sûreté publique, au bien-être économique du pays, à la défense de l’ordre et à la prévention des
infractions pénales, à la protection de la santé ou de la morale, ou à la protection des droits et libertés d’autrui ».
B.49.3. Le Constituant a recherché la plus grande concordance possible entre l’article 22 de la Constitution et
l’article 8 de la Convention européenne des droits de l’homme (Doc. parl., Chambre, 1992-1993, no 997/5, p. 2).
La portée de cet article 8 est analogue à celle de la disposition constitutionnelle précitée, de sorte que les garanties
que fournissent ces deux dispositions forment un tout indissociable.
B.49.4. Le droit au respect de la vie privée, tel qu’il est garanti par les dispositions constitutionnelle et
conventionnelle précitées, a pour but essentiel de protéger les personnes contre les ingérences dans leur vie privée.
Ce droit a une portée étendue et englobe notamment la protection des données à caractère personnel et des
informations personnelles. La jurisprudence de la Cour européenne des droits de l’homme fait apparaître que de la
protection de ce droit relèvent notamment les données et informations personnelles suivantes : le nom, l’adresse, les
activités professionnelles, les relations personnelles, les empreintes digitales, les images filmées, les photographies, les
communications, les données ADN, les données judiciaires (condamnations ou inculpations), les données financières
et les informations concernant des biens (voy. notamment CEDH, 26 mars 1987, Leander c. Suède, § § 47-48; grande
chambre, 4 décembre 2008, S. et Marper c. Royaume-Uni, § § 66-68; 17 décembre 2009, B.B. c. France, § 57; 10 février 2011,
Dimitrov-Kazakov c. Bulgarie, § § 29-31; 18 octobre 2011, Khelili c. Suisse, § § 55-57; 9 octobre 2012, Alkaya c. Turquie, § 29;
18 avril 2013, M.K. c. France, § 26; 18 septembre 2014, Brunet c. France, § 31).
B.49.5. Le droit au respect de la vie privée n’est toutefois pas absolu. L’article 22 de la Constitution et l’article 8 de
la Convention européenne des droits de l’homme n’excluent pas une ingérence d’une autorité publique dans l’exercice
de ce droit, pourvu que cette ingérence soit prévue par une disposition législative suffisamment précise, qu’elle réponde
à un besoin social impérieux dans une société démocratique et qu’elle soit proportionnée à l’objectif légitime qu’elle
poursuit.
Le législateur dispose en la matière d’une marge d’appréciation. Cette marge n’est toutefois pas illimitée : pour
qu’une norme soit compatible avec le droit au respect de la vie privée, il faut que le législateur ait établi un juste
équilibre entre tous les droits et intérêts en cause.
B.49.6. L’article 5, paragraphe 1, point c), du RGPD dispose :
« Les données à caractère personnel doivent être :
[...]
c) adéquates, pertinentes et limitées à ce qui est nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées
(minimisation des données) ».
B.49.7. L’article 28, 3o, de la loi du 30 juillet 2018 dispose :
« Les données à caractère personnel sont :
[...]
3o adéquates, pertinentes et non excessives au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées ».
B.50. Sans qu’il soit besoin de se prononcer sur la question de savoir si la Cour est compétente pour connaître d’une
violation de la loi du 30 juillet 2018, lue en combinaison avec l’article 22 de la Constitution, il y a lieu de constater que
les parties requérantes dans l’affaire no 7277 n’indiquent pas en quoi l’article 28, 3o, de cette loi contiendrait des
garanties distinctes de celles qui sont prévues par les autres dispositions visées dans le moyen et qui seraient
pertinentes au regard de la problématique litigieuse.
B.51. En ce qu’elle impose aux personnes se rendant dans un établissement de jeux de hasard fixe de classe IV de
présenter un document d’identité, dont l’exploitant doit conserver la copie pendant au moins cinq ans à dater de la
dernière activité de jeu, et de communiquer certaines données à caractère personnel, que l’exploitant doit inscrire dans
un registre, la disposition attaquée entraîne une ingérence dans le droit au respect de la vie privée.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19713

La Cour doit dès lors examiner si cette ingérence répond à un besoin social impérieux dans une société
démocratique, si elle est prévue par une disposition législative suffisamment précise et si elle est proportionnée à
l’objectif légitime qu’elle poursuit.
B.52. Il ressort des travaux préparatoires mentionnés en B.47.4 que la disposition attaquée vise à protéger les
joueurs. Cette disposition a pour conséquence que les interdictions d’accès visées à l’article 54, § § 3 et 4, de la loi du
7 mai 1999 s’appliquent dorénavant aussi aux établissements de jeux de hasard fixes de classe IV. Le contrôle d’identité
prescrit en vertu de la disposition attaquée permet, grâce au système EPIS visé à l’article 55 de la loi du 7 mai 1999 et
mentionné en B.47.3, de vérifier si la personne en question se trouve dans l’une des situations qui donnent lieu à une
interdiction d’accès. Les travaux préparatoires soulignent à cet égard qu’« EPIS a prouvé qu’il constitue un outil très
efficace dans la lutte contre la dépendance au jeu et il est indispensable pour renforcer la protection du joueur »
(Doc. parl., Chambre, 2018-2019, DOC 54-3327/001, p. 17).
Il s’ensuit que la disposition attaquée répond à un besoin social impérieux dans une société démocratique.
B.53.1. L’article 22 de la Constitution réserve au législateur compétent le pouvoir de fixer dans quels cas et à quelles
conditions il peut être porté atteinte au droit au respect de la vie privée. Il garantit ainsi à tout citoyen qu’aucune
ingérence dans l’exercice de ce droit ne peut avoir lieu qu’en vertu de règles adoptées par une assemblée délibérante,
démocratiquement élue.
Une délégation à un autre pouvoir n’est toutefois pas contraire au principe de légalité, pour autant que
l’habilitation soit définie de manière suffisamment précise et qu’elle porte sur l’exécution de mesures dont les éléments
essentiels ont été fixés préalablement par le législateur.
B.53.2. Outre l’exigence de légalité formelle, l’article 22 de la Constitution, lu en combinaison avec l’article 8 de la
Convention européenne des droits de l’homme, impose que l’ingérence dans l’exercice du droit au respect de la vie
privée soit définie en des termes clairs et suffisamment précis qui permettent d’appréhender de manière prévisible les
hypothèses dans lesquelles le législateur autorise une pareille ingérence.
En matière de protection des données, cette exigence de prévisibilité implique qu’il doit être prévu de manière
suffisamment précise dans quelles circonstances les traitements de données à caractère personnel sont autorisés (CEDH,
grande chambre, 4 mai 2000, Rotaru c. Roumanie, § 57; grande chambre, 4 décembre 2008, S. et Marper c. Royaume-Uni,
§ 99).
Toute personne doit dès lors avoir une idée suffisamment claire des données traitées, des personnes concernées par
un traitement de données déterminé et des conditions et finalités dudit traitement.
B.53.3. L’article 62, alinéa 1er, de la loi du 7 mai 1999, rendu applicable par la disposition attaquée aux
établissements de jeux de hasard fixes de classe IV, détermine les données à caractère personnel qui doivent être
inscrites dans le registre que l’exploitant doit tenir. L’article 62, alinéa 3, de la loi du 7 mai 1999 impose à l’exploitant
de conserver une copie de la pièce ayant servi à l’identification du joueur pendant au moins cinq ans à dater de la
dernière activité de jeu.
B.53.4. Les finalités du contrôle d’identité et les finalités de l’enregistrement des données à caractère personnel en
question et de la conservation d’une copie de la pièce ayant servi à l’identification du joueur, qui sont liés à ce contrôle,
ainsi que les personnes habilitées à avoir accès à ces informations, sont déterminées à suffisance par la lecture combinée
des articles 54, 55 et 62 de la loi du 7 mai 1999, lus à la lumière des travaux préparatoires cités en B.52. Il s’agit, d’une
part, des exploitants et du personnel des établissements de jeux de hasard concernés afin de contrôler le respect des
exclusions visées à l’article 54 de la loi du 7 mai 1999 et, d’autre part, de la Commission des jeux de hasard afin d’exercer
les missions qui lui sont attribuées par la loi du 7 mai 1999. Relève en particulier de cette mission, en vertu des
articles 15/2, § 1er, et 15/3 de la loi du 7 mai 1999, le contrôle du respect de cette même loi et de ses arrêtés d’exécution.
L’enregistrement des données à caractère personnel et la conservation d’une copie de la pièce révélant l’identité du
joueur permettent à la Commission des jeux de hasard de savoir qui a eu accès aux établissements de jeux de hasard
en question et dès lors de contrôler que ces établissements respectent les interdictions d’accès applicables en vertu de
l’article 54 de la loi du 7 mai 1999. À cet égard, l’article 62, alinéa 6, de la loi du 7 mai 1999 dispose également que
« l’absence de tenue ou la tenue incorrecte de ce registre de même que sa non-communication aux autorités, son
altération ou sa disparition peut entraîner le retrait de la licence de classe I, II ou de classe IV pour les établissements
de jeux de hasard fixes par la Commission [des jeux de hasard] ».
B.53.5. La disposition attaquée ne prévoit toutefois aucune durée maximale de conservation des données à
caractère personnel inscrites dans le registre visé à l’article 62 de la loi du 7 mai 1999. En outre, elle ne prévoit aucune
durée maximale de conservation de la copie de la pièce ayant servi à l’identification du joueur, dès lors que l’article 62,
alinéa 3, de la loi du 7 mai 1999 prévoit seulement une durée minimale de conservation de cinq ans à dater de la
dernière activité de jeu du joueur.
B.54. L’article 31 de la loi du 7 mai 2019 viole l’article 22 de la Constitution en ce qu’il ne prévoit pas de durée
maximale de conservation des données à caractère personnel inscrites dans le registre visé à l’article 62 de la loi du
7 mai 1999 et en ce qu’il ne prévoit pas de durée maximale de conservation de la copie de la pièce ayant servi à
l’identification du joueur.
B.55.1. La Cour examine à présent la proportionnalité de l’ingérence dans le droit au respect de la vie privée,
uniquement en ce que cet examen pourrait aboutir à un constat de violation plus étendu que celui mentionné en B.54.
B.55.2. Il n’est pas disproportionné d’étendre aux établissements de jeux de hasard fixes de classe IV les obligations
en matière de contrôle d’identité et de conservation des données à caractère personnel prévues à l’article 62 de la loi
du 7 mai 1999, dès lors que le législateur a également voulu interdire l’accès à ces établissements aux personnes qui sont
exclues par la Commission des jeux de hasard sur la base de l’article 54, § § 3 et 4, de la loi du 7 mai 1999, eu égard
à l’accroissement, décrit en B.28.1, des risques liés à ces établissements. À défaut d’identification des joueurs et, partant,
de possibilité de vérifier si l’intéressé figure dans le système EPIS visé à l’article 55 de la loi du 7 mai 1999 et mentionné
en B.47.3, l’interdiction et les exclusions prévues à l’article 54 de la loi du 7 mai 1999 seraient largement privées d’effets
pratiques. Ainsi qu’il est mentionné en B.53.4, l’enregistrement des données à caractère personnel en question permet
à la Commission des jeux de hasard de contrôler le respect de la loi du 7 mai 1999 et de ses arrêtés d’exécution, en
particulier l’article 54 de cette même loi.
En outre, il n’est pas disproportionné que l’identification et l’enregistrement s’effectuent lors de l’accès à
l’établissement de jeux de hasard fixe de classe IV, dès lors qu’un tel établissement a en principe pour destination
exclusive l’engagement de paris et que le législateur a donc raisonnablement pu considérer que les personnes qui y
entrent le font en principe pour parier.
Enfin, les données à caractère personnel qui doivent être inscrites dans le registre visé à l’article 62 de la loi du
7 mai 1999 sont pertinentes et nécessaires au regard des objectifs poursuivis. En effet, ces données à caractère personnel
permettent de vérifier si la personne concernée figurait dans le système EPIS mentionné en B.47.3 et devait donc se voir
refuser l’accès à l’établissement de jeux de hasard.
19714 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

B.56. Il y a lieu d’annuler l’article 31 de la loi du 7 mai 2019 uniquement en ce qu’il ne prévoit pas de durée
maximale de conservation des données à caractère personnel inscrites dans le registre visé à l’article 62 de la loi du
7 mai 1999 et en ce qu’il ne prévoit pas de durée maximale de conservation de la copie de la pièce ayant servi à
l’identification du joueur.
Le douzième moyen dans l’affaire no 7277 n’est pas fondé pour le surplus.
Le principe d’égalité et de non-discrimination, la liberté d’entreprendre, la liberté d’établissement et la libre prestation des
services
B.57.1. Les parties requérantes dans l’affaire no 7277 prennent un onzième moyen de la violation, par l’article 31
de la loi du 7 mai 2019, des articles 10 et 11 de la Constitution, lus en combinaison avec le principe de la liberté de
commerce et d’industrie consacré par les articles II.3 et II.4 du Code de droit économique et avec le droit au libre choix
d’une activité professionnelle consacré par l’article 23 de la Constitution.
Dans une première branche, elles font grief à la disposition attaquée de traiter de manière identique, d’une part,
les établissements de jeux de hasard de classes I et II et, d’autre part, les établissements de jeux de hasard fixes de
classe IV, en ce qu’ils sont tous soumis à l’obligation d’enregistrement prévue à l’article 62 de la loi du 7 mai 1999, alors
qu’ils ne présentent pas les mêmes risques.
Dans une deuxième branche, elles font valoir que la disposition attaquée fait naître une différence de traitement
injustifiée, en ce que l’obligation d’enregistrement prévue à l’article 62 de la loi du 7 mai 1999 s’applique uniquement
pour l’entrée dans la salle de jeux en ce qui concerne les établissements de jeux de hasard de classes I et II, alors qu’elle
s’applique pour l’entrée dans l’établissement lui-même en ce qui concerne les établissements de jeux de hasard fixes de
classe IV.
Dans une troisième branche, elles font valoir que la disposition attaquée fait naître une différence de traitement
injustifiée, en ce qu’elle impose l’obligation d’enregistrement prévue à l’article 62 de la loi du 7 mai 1999 aux
établissements de jeux de hasard fixes de classe IV et non à la Loterie Nationale, aux librairies, aux hippodromes et aux
établissements de jeux de hasard de classe III.
B.57.2. La partie requérante dans l’affaire no 7279 prend un premier moyen de la violation des articles 10 et 11 de
la Constitution par la loi du 7 mai 2019, notamment, en ce qu’elle fait naître une différence de traitement injustifiée en
imposant l’obligation d’enregistrement prévue à l’article 62 de la loi du 7 mai 1999 aux établissements de jeux de hasard
fixes de classe IV et non aux librairies.
B.57.3. La partie requérante dans l’affaire no 7280 prend un second moyen de la violation, par l’article 31, 1o, de la
loi du 7 mai 2019, des articles 10 et 11 de la Constitution, du principe constitutionnel d’égalité et de non-discrimination
et du principe constitutionnel de proportionnalité, lus isolément ou en combinaison avec les articles 8 et 14 de la
Convention européenne des droits de l’homme et avec l’article 26 du Pacte international relatif aux droits civils et
politiques.
En substance, elle fait valoir que la disposition attaquée a pour effet d’encourager les joueurs à se diriger vers
d’autres offres où les contrôles qu’elle prévoit ne sont pas applicables, comme les librairies ou les établissements de jeux
de hasard de classe III, voire vers l’offre illégale.
B.57.4. La partie requérante dans l’affaire no 7289 prend un second moyen, cinquième branche, de la violation, par
l’article 31, 1o et 2o, de la loi du 7 mai 2019, des articles 49 et 56 du TFUE, lus en combinaison avec les articles 10 et 11
de la Constitution.
En substance, elle fait valoir que la disposition attaquée entraîne une restriction injustifiée à la liberté
d’établissement et à la libre prestation des services.
B.58. Il ressort de l’exposé du moyen que les griefs de la partie requérante dans l’affaire no 7279 sont dirigés contre
l’article 31 de la loi du 7 mai 2019. En ce qui concerne l’affaire no 7279, la Cour limite dès lors son examen à cette
disposition.
B.59. La Cour examine les moyens conjointement, uniquement en ce qu’ils pourraient aboutir à un constat de
violation plus étendu que celui qui est mentionné en B.54.
B.60.1. La Cour examine d’abord, d’une part, l’identité de traitement entre les établissements de jeux de hasard de
classes I et II et les établissements de jeux de hasard fixes de classe IV en ce qui concerne l’obligation d’enregistrement
prévue à l’article 62 de la loi du 7 mai 1999 et, d’autre part, la différence de traitement entre ces établissements quant
aux modalités de cette obligation.
B.60.2. Il ressort de ce qui est dit en B.55.2 qu’il n’est pas dépourvu de justification raisonnable d’étendre aux
établissements de jeux de hasard fixes de classe IV l’obligation d’enregistrement prévue à l’article 62 de la loi du
7 mai 1999 qui était déjà applicable aux établissements de jeux de hasard de classes I et II.
B.60.3. Il n’est pas dépourvu de justification raisonnable que l’obligation d’enregistrement prévue à l’article 62 de
la loi du 7 mai 1999 s’applique lors de l’entrée dans les salles de jeux en ce qui concerne les établissements de jeux de
hasard de classes I et II et qu’elle s’applique lors de l’entrée dans l’établissement lui-même en ce qui concerne les
établissements de jeux de hasard fixes de classe IV.
En effet, les articles 32, point 4, et 37, point 4, de la loi du 7 mai 1999 obligent les établissements de jeux de hasard
de classes I et II à séparer entièrement et rigoureusement la salle de jeux des espaces ayant une autre affectation à
l’intérieur de l’établissement ainsi que des espaces extérieurs à l’établissement qui sont accessibles au public, en ce sens
qu’il ne peut en aucun cas être possible d’avoir, de l’extérieur de la salle de jeux, une vue sur les jeux de hasard.
Comme il est dit en B.55.2, dès lors qu’un établissement de jeux de hasard fixe de classe IV a en principe pour
destination exclusive l’engagement de paris, le législateur a raisonnablement pu considérer que les personnes qui y
entrent le font en principe pour parier et il a dès lors raisonnablement pu prévoir que l’obligation d’enregistrement
prévue à l’article 62 de la loi du 7 mai 1999 s’effectue lors de l’entrée dans l’établissement. Contrairement à ce que
soutiennent les parties requérantes dans l’affaire no 7277, il n’en découle pas que ce contrôle doive s’effectuer sur le
trottoir, dès lors qu’il ressort des travaux préparatoires qu’il peut s’effectuer à l’entrée ou au comptoir vers lequel la
personne doit alors être dirigée dès qu’elle entre dans l’établissement :
« À noter que cette vérification peut se faire à l’entrée de l’établissement de jeu de hasard mais également au
comptoir. Un contrôle doit être effectué avant qu’un joueur ne puisse jouer à une machine ou parier par exemple » (Doc.
parl., Chambre, 2018-2019, DOC 54-3327/001, p. 17).
B.61.1. La Cour examine à présent la différence de traitement entre, d’une part, les établissements de jeux de hasard
fixes de classe IV et, d’autre part, les libraires, les hippodromes, les établissements de jeux de hasard de classe III et la
Loterie Nationale.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19715

B.61.2. En ce qui concerne les libraires, auxquels l’obligation d’enregistrement prévue à l’article 62 de la loi du
7 mai 1999 ne s’applique pas, le ministre de la Justice a exposé lors des travaux préparatoires de la disposition attaquée :
« Le projet de loi vise également à instaurer le système d’enregistrement EPIS dans les agences de paris. Il est
évident que cela ne s’arrêtera pas là; sous la prochaine législature, il faudra également prendre des mesures quant à
l’application généralisée de l’EPIS, pour les marchands de journaux, par exemple. Notons toutefois qu’il existe une
restriction dans la mesure où ceux-ci peuvent proposer des paris à titre d’activité complémentaire » (Doc. parl.,
Chambre, 2018-2019, DOC 54-3327/005, p. 27).
Et :
« Le ministre revient enfin sur le risque de discrimination lié aux contrôles EPIS qui sera étendu aux agences de
paris mais pas aux marchands de journaux indépendants.
Ce contrôle est en effet réservé aux agences de paris. C’est en effet leur activité principale, contrairement aux
marchands de journaux. Cela justifie donc qu’un contrôle s’impose davantage pour les agences de paris que pour les
marchands de journaux. Cependant, le ministre est convaincu qu’à terme, le contrôle EPIS devra être élargi aux
marchands de journaux et aux cafés » (ibid., pp. 29-30).
Pour les motifs exprimés en B.35 à B.38, la différence de traitement examinée entre les établissements de jeux de
hasard fixes de classe IV et les libraires est raisonnablement justifiée.
B.61.3. En ce qui concerne les hippodromes, la non-application de l’obligation d’enregistrement prévue à l’article 62
de la loi du 7 mai 1999 est raisonnablement justifiée par le caractère temporaire de l’activité d’engagement de paris qui
y est exercée. En outre, une obligation d’enregistrement s’y applique pour les paris dont la mise est supérieure au
montant ou à la contrepartie de 1 000 euros, qui a été fixé par le Roi sur la base de l’article 43/4, § 3, de la loi du
7 mai 1999 (arrêté royal du 22 décembre 2010 « déterminant le montant ou la contrepartie de la mise de paris pour
laquelle une obligation d’enregistrement existe ainsi que le contenu et les modalités de cet enregistrement » et article 7
de l’arrêté royal du 22 décembre 2010 « déterminant les conditions pour l’engagement de paris en dehors des
établissements de jeux de hasard de classe IV »).
B.61.4. En ce qui concerne les établissements de jeux de hasard de classe III (débits de boissons), la non-application
de l’obligation d’enregistrement prévue à l’article 62 de la loi du 7 mai 1999 est raisonnablement justifiée eu égard, non
seulement, à la difficulté pratique de la mettre en œuvre, mais surtout à la circonstance que la fréquentation des débits
de boissons n’est pas principalement motivée par les jeux de hasard.
B.61.5. En ce qui concerne la comparaison que les parties requérantes dans l’affaire no 7277 opèrent entre les paris
engagés dans les établissements de jeux de hasard fixes de classe IV et les paris organisés par la Loterie Nationale, il
convient de constater que les paris organisés par la Loterie Nationale sont par principe soumis à la loi du 7 mai 1999
(voy. l’arrêt de la Cour no 33/2004 du 10 mars 2004, B.8.2). Il s’ensuit que les paris que la Loterie Nationale organise
dans le monde réel ne peuvent être engagés qu’auprès d’un titulaire de licence F2. Lorsque ces paris sont engagés dans
un établissement de jeux de hasard fixe de classe IV, l’obligation d’enregistrement prévue à l’article 62 de la loi du
7 mai 1999 s’applique, de sorte que la différence de traitement alléguée est à cet égard inexistante.
B.62. Il ressort également de ce qui précède qu’à supposer que la disposition attaquée entraîne une restriction à la
liberté d’entreprendre, à la liberté d’établissement et à la libre prestation des services, lues en combinaison avec les
articles 10 et 11 de la Constitution, celle-ci est justifiée par une raison impérieuse d’intérêt général, à savoir la protection
des joueurs, elle est pertinente au regard de cet objectif et elle ne produit pas d’effets disproportionnés.
B.63. Le onzième moyen dans l’affaire no 7277, le second moyen dans l’affaire no 7280 et le second moyen,
cinquième branche, dans l’affaire no 7289 ne sont pas fondés. Le premier moyen dans l’affaire no 7279 n’est pas fondé
en ce qu’il est dirigé contre l’article 31 de la loi du 7 mai 2019.
En ce qui concerne la compétence de la Commission des jeux de hasard d’interdire certains paris (sixième moyen dans l’affaire
no 7277; second moyen, première branche, dans les affaires nos 7289 et 7291; troisième moyen dans l’affaire no 7296)
La disposition attaquée
B.64.1. L’article 43/1, alinéa 3, de la loi du 7 mai 1999, inséré par l’article 20, 2o, de la loi du 7 mai 2019, habilite
la Commission des jeux de hasard à interdire des paris si le bon déroulement de l’événement ne peut pas être garanti
ou si elle estime que des possibilités spécifiques de paris sont exposées à la fraude. Il dispose :
« La commission peut interdire des paris si le bon déroulement de l’événement ne peut pas être garanti ou si elle
estime que des possibilités spécifiques de paris sont exposées à la fraude. Les titulaires de licence concernés en sont
immédiatement informés ».
B.64.2. Les travaux préparatoires exposent :
« Le nouvel alinéa 3 permet à la Commission des jeux de hasard de mettre un terme à certains événements
soupçonnés d’être ’ exposés à la fraude ’. Dans ce cas, le titulaire de licence concerné doit en être informé. Il s’agit de
tous les paris possibles, quelle que soit la manière employée pour les proposer.
À titre d’exemple, si un audit montre que d’importantes irrégularités ont eu lieu dans une certaine catégorie
d’événements qui peuvent compromettre le bon déroulement de l’événement, et que l’on s’attend à ce que ces
irrégularités se produisent également dans l’avenir, la commission peut estimer que ce type d’événements est exposé
à la fraude. Il ne s’agit donc pas d’un seul événement spécifique mais plutôt de certaines catégories d’événement,
comme des matchs de tennis dans de petits tournois hors de la vue des caméras. Une telle exposition à la fraude ainsi
estimée sera en général également publiée via une note informative sur le site internet de la Commission des jeux de
hasard » (Doc. parl., Chambre, 2018-2019, DOC 54-3327/004, pp. 18-19).
Le troisième moyen, première branche, dans l’affaire no 7296
B.65. Les parties requérantes dans l’affaire no 7296 prennent un troisième moyen, première branche, de la violation
de l’article 23 de la Constitution par l’article 43/1, alinéa 3, de la loi du 7 mai 1999, inséré par l’article 20, 2o, de la loi
du 7 mai 2019.
Elles font valoir que les paris en direct étaient auparavant interdits et que la disposition attaquée a pour effet de
les autoriser, ce qui engendre un recul significatif du degré de protection des joueurs et dès lors du droit à la protection
de la santé, qui n’est pas justifié par un motif d’intérêt général.
B.66. Avant sa modification par la loi du 7 mai 2019, l’article 43/1 de la loi du 7 mai 1999, tel qu’il avait été inséré
par l’article 22 de la loi du 10 janvier 2010, disposait :
« Il est interdit d’organiser des paris concernant un événement ou une activité contraire à l’ordre public ou aux
bonnes mœurs.
Il est interdit d’organiser des paris sur des événements ou des faits dont le résultat est déjà connu ou dont le fait
incertain est déjà survenu ».
Les travaux préparatoires de la loi du 10 janvier 2010 exposent :
« L’article 43/1 définit les paris qui sont autorisés. En vue de la politique de canalisation visant à rendre la
réglementation belge conforme à la jurisprudence en vigueur de la Cour Européenne de Justice, il est préconisé de
n’autoriser que les paris déjà présents actuellement sur le marché belge et d’interdire toutes les autres formes de paris.
19716 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

Des paris peuvent être organisés sur des événements sportifs, sur des courses hippiques et des événements autres
que sportifs qui ne sont pas contraires à l’ordre public ou aux bonnes mœurs. Les combats de coqs ne sont pas
conciliables avec l’ordre public ou les bonnes mœurs.
Actuellement, seuls les paris mutuels et les paris à cote fixe sont présents sur le marché belge (à l’exception des
paris sur les courses hippiques) » (Doc. Parl., Chambre, 2008-2009, DOC 52-1992/001, pp. 33).
L’article 43/1, alinéa 3, de la loi du 7 mai 1999, inséré par l’article 20, 2o, de la loi du 7 mai 2019, dispose :
« La commission peut interdire des paris si le bon déroulement de l’événement ne peut pas être garanti ou si elle
estime que des possibilités spécifiques de paris sont exposées à la fraude. Les titulaires de licence concernés en sont
immédiatement informés ».
B.67. Sans qu’il soit nécessaire d’examiner si, avant l’entrée en vigueur de la disposition attaquée, les paris en direct
étaient autorisés ou non, il suffit de constater qu’il n’est pas démontré que la disposition attaquée impliquerait un recul
considérable du niveau de protection existant du droit à la protection de la santé des joueurs. En effet, la disposition
attaquée ne règle pas le concept des paris en direct mais habilite de manière générale la Commission des jeux de hasard
à interdire les paris si le bon déroulement de l’événement ne peut être garanti ou si elle estime que des possibilités
spécifiques de paris sont exposées à la fraude.
B.68. Le troisième moyen, première branche, dans l’affaire no 7296 n’est pas fondé.
Le sixième moyen, seconde branche, dans l’affaire no 7277, et le troisième moyen, deuxième et troisième branches, dans l’affaire
no 7296
B.69.1. Les parties requérantes dans l’affaire no 7277 prennent un sixième moyen, seconde branche, de la violation
de l’article 12, alinéa 2, de la Constitution par l’article 20, 2o, de la loi du 7 mai 2019.
En substance, elles font valoir que la disposition attaquée viole le principe de légalité en matière pénale, en ce
qu’elle habilite la Commission des jeux de hasard à édicter des interdictions qui sont pénalement sanctionnées, que
cette habilitation ne porte pas sur des points de détail et qu’elle ne permet d’anticiper ce qui sera considéré comme une
infraction.
B.69.2. Les parties requérantes dans l’affaire no 7296 prennent un troisième moyen, deuxième et troisième branches,
de la violation, par l’article 43/1, alinéa 3, de la loi du 7 mai 1999, inséré par l’article 20, 2o, de la loi du 7 mai 2019, de
l’article 12 de la Constitution, lu isolément ou en combinaison avec l’article 7 de la Convention européenne des droits
de l’homme, et des articles 33, 37, 105 et 108 de la Constitution.
En substance, les parties requérantes dans l’affaire no 7296 font grief à la disposition attaquée de déléguer de
manière imprécise à la Commission des jeux de hasard la faculté d’édicter des interdictions qui sont pénalement
sanctionnées et de lui attribuer un pouvoir réglementaire.
B.70. La Cour examine les moyens conjointement.
B.71. Il ressort des travaux préparatoires cités en B.64.2 que l’interdiction que la Commission des jeux de hasard
peut imposer sur la base de l’article 43/1, alinéa 3, de la loi du 7 mai 1999 concerne des catégories d’événements. Une
telle interdiction a une portée réglementaire.
L’article 64 de la loi du 7 mai 1999 érige en infraction pénale le non-respect de l’article 43/1 de la même loi et,
partant, le non-respect d’une interdiction imposée par la Commission des jeux de hasard sur la base de cette
disposition. L’article 43/1, alinéa 3, de la loi du 7 mai 1999, inséré par l’article 20, 2o, de la loi du 7 mai 2019, relève dès
lors du champ d’application de l’article 12, alinéa 2, de la Constitution, lu en combinaison avec l’article 7 de la
Convention européenne des droits de l’homme.
B.72. Les articles 33, 37, 105 et 108 de la Constitution ne s’opposent pas à ce que, dans une matière technique
déterminée, le législateur confie des compétences exécutives spécifiques à une autorité administrative autonome
soumise tant au contrôle juridictionnel qu’au contrôle parlementaire et n’interdisent pas au législateur d’accorder des
délégations à un organe exécutif, pour autant qu’elles portent sur l’exécution de mesures dont le législateur compétent
a déterminé l’objet, en particulier dans les matières techniques et complexes.
B.73.1. En attribuant au pouvoir législatif la compétence pour déterminer dans quels cas des poursuites pénales
sont possibles, l’article 12, alinéa 2, de la Constitution garantit à tout justiciable qu’aucun comportement ne sera
punissable qu’en vertu de règles adoptées par une assemblée délibérante, démocratiquement élue.
En outre, le principe de légalité en matière pénale qui découle de la disposition constitutionnelle et de la
disposition internationale précitées procède de l’idée que la loi pénale doit être formulée en des termes qui permettent
à chacun de savoir, au moment où il adopte un comportement, si celui-ci est ou non punissable. Il exige que le
législateur indique, en des termes suffisamment précis, clairs et offrant la sécurité juridique, quels faits sont sanctionnés,
afin, d’une part, que celui qui adopte un comportement puisse évaluer préalablement, de manière satisfaisante, quelle
sera la conséquence pénale de ce comportement et afin, d’autre part, que ne soit pas laissé au juge un trop grand
pouvoir d’appréciation.
Toutefois, le principe de légalité en matière pénale n’empêche pas que la loi attribue un pouvoir d’appréciation au
juge. Il faut en effet tenir compte du caractère de généralité des lois, de la diversité des situations auxquelles elles
s’appliquent et de l’évolution des comportements qu’elles répriment.
La condition qu’une infraction doit être clairement définie par la loi se trouve remplie lorsque le justiciable peut
savoir, à partir du libellé de la disposition pertinente et, au besoin, à l’aide de son interprétation par les juridictions,
quels actes et omissions engagent sa responsabilité pénale.
Ce n’est qu’en examinant une disposition pénale spécifique qu’il est possible de déterminer, en tenant compte des
éléments propres aux infractions qu’elle entend réprimer, si les termes généraux utilisés par le législateur sont à ce point
vagues qu’ils méconnaîtraient le principe de légalité en matière pénale.
B.73.2. Le principe de légalité en matière pénale ne va pas jusqu’à obliger le législateur à régler lui-même chaque
aspect de l’incrimination. Une délégation à un autre organe n’est pas contraire à ce principe, pour autant que
l’habilitation soit définie de manière suffisamment précise et porte sur l’exécution de mesures dont les éléments
essentiels ont été fixés préalablement par le législateur.
B.74. La disposition attaquée a fait l’objet de la discussion suivante en commission :
« L’orateur demande ce qu’on entend par exemple comme étant des paris exposés à la fraude.
[Un deuxième membre] fait référence à la justification qui mentionne notamment la catégorie des matches de
tennis dans de petits tournois hors de la vue des caméras. Cela les rend plus exposés à la fraude.
[Un troisième membre] demande comment on va gérer ceci de manière concrète. Le pari (et notamment le live
betting) est autorisé, y compris lors des matches de première division de football. La Commission des jeux de hasard
va-t-elle aussi oser interdire ces paris si on se rend compte que ces matches de football sont exposés à la fraude ?
L’orateur se demande si cet article ne va pas être sujet à des problèmes d’interprétation.
[Le deuxième membre] indique que ce sera à la Commission des jeux de hasard à se pencher sur cette question.
En cas de fraude, elle devra donc s’y attaquer. Cet article le permet désormais.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19717

[Un quatrième membre] confirme cela. La plateforme fédérale ’ Match fixing ’ a demandé à toutes les fédérations
de désigner une personne de référence sur cet aspect. Le but est que les fédérations et le parquet s’attaquent ensemble
à la problématique. L’oratrice constate aussi qu’en pratique, la plupart des fédérations ont déjà agi avec des résultats.
On peut donc agir désormais en cas de suspicions de fraude.
[Le troisième membre] demande ce que signifie cette interdiction de la Commission: sera-ce une décision définitive
ou temporaire ? Y aura-t-il des conditions attachées à cette interdiction ? La base légale n’est pas très détaillée sur ce
point.
[Le deuxième membre] ajoute qu’il s’agit de mettre en terme à certains évènements soupçonnés d’être exposés à
la fraude ou à certaines catégories d’évènements. Il y a donc une marge de manœuvre. La justification est claire la
dessus » (Doc. parl., Chambre, 2018-2019, DOC 54-3327/005, pp. 57-58).
B.75. En prévoyant que l’interdiction que la Commission des jeux de hasard peut édicter, dont le non-respect est
pénalement sanctionné, ne peut porter que sur des possibilités spécifiques de paris exposées à la fraude ou que sur des
paris portant sur un événement dont le bon déroulement ne peut pas être garanti, le législateur a suffisamment précisé
le comportement punissable.
Le législateur a également précisé l’objectif de l’habilitation attaquée ainsi que les limites dans lesquelles celle-ci
a été accordée. À la lumière des travaux préparatoires cités en B.64.2 et en B.74, les notions employées par la disposition
attaquée sont suffisamment précises pour encadrer l’habilitation confiée à la Commission des jeux de hasard.
B.76. En exécution de l’habilitation qui lui est conférée, la Commission des jeux de hasard doit déterminer
concrètement les possibilités spécifiques de paris exposées à la fraude ou les paris portant sur un événement dont le
bon déroulement ne peut pas être garanti qu’elle entend interdire, de sorte que ce sont les paris visés par ces décisions
de la Commission des jeux de hasard qui sont interdits. L’article 43/1, alinéa 3, de la loi du 7 mai 1999 prévoit en outre
que les titulaires de licence concernés sont immédiatement informés de ces décisions de la Commission des jeux de
hasard.
La condition qu’un fait punissable doit être défini en des termes clairs ne se trouve remplie que lorsque le
justiciable peut savoir, à partir du libellé de la disposition pertinente et, au besoin, à l’aide de son interprétation par les
juridictions, quels actes et omissions engagent sa responsabilité pénale.
Seul le contrôle d’une interdiction spécifique permet de déterminer si la formulation choisie par la Commission des
jeux de hasard est à ce point vague qu’elle violerait le principe de légalité en matière pénale. Ce contrôle ressortit à la
compétence des juridictions administratives et judiciaires.
B.77. Enfin, eu égard à la technicité et au caractère évolutif que la matière peut présenter, le législateur a
valablement pu confier cette compétence à la Commission des jeux de hasard.
B.78. Le sixième moyen, seconde branche, dans l’affaire no 7277 et le troisième moyen, deuxième et troisième
branches, dans l’affaire no 7296 ne sont pas fondés.
Le sixième moyen, première branche, dans l’affaire no 7277 et le second moyen, première branche, dans les affaires nos 7289
et 7291
B.79.1. Les parties requérantes dans l’affaire no 7277 prennent un sixième moyen, première branche, de la violation,
par l’article 20, 2o, de la loi du 7 mai 2019, des articles 10, 11, et 23 de la Constitution, lus en combinaison avec l’article 49
du TFUE.
En substance, elles font valoir que la disposition attaquée porte atteinte au droit au travail et au libre choix d’une
activité professionnelle, à la liberté de commerce et d’industrie et à la liberté d’établissement, en ce qu’elle laisse une
marge d’appréciation trop importante à la Commission des jeux de hasard.
B.79.2. Les parties requérantes dans les affaires nos 7289 et 7291 prennent un second moyen, première branche, de
la violation, par l’article 20, 2o, de la loi du 7 mai 2019, des articles 49 et 56 du TFUE, lus en combinaison avec les
articles 10 et 11 de la Constitution.
En substance, elles font grief à la disposition attaquée de ne pas préciser les circonstances dans lesquelles la
Commission des jeux de hasard peut interdire certains paris.
B.80. La Cour examine les moyens conjointement.
B.81. La Cour doit en l’espèce contrôler la disposition attaquée au regard des articles 10 et 11 de la Constitution,
lus en combinaison avec la liberté d’entreprendre, la liberté d’établissement et la libre prestation des services.
B.82. Pour les motifs mentionnés en B.75 et B.76, il y a lieu de constater que l’habilitation confiée à la Commission
des jeux de hasard d’interdire des paris si elle estime que des possibilités spécifiques de paris sont exposées à la fraude
ou si le bon déroulement de l’événement ne peut pas être garanti est suffisamment encadrée pour éviter le risque
d’arbitraire.
En outre, les décisions que la Commission des jeux de hasard peut adopter sur la base de la disposition attaquée
peuvent faire l’objet d’un recours en annulation, assorti le cas échéant d’une demande de suspension ordinaire ou
d’extrême urgence, devant le Conseil d’État et elles peuvent être contrôlées par toute juridiction sur le fondement de
l’article 159 de la Constitution.
B.83. Enfin, la disposition attaquée est proportionnée aux objectifs légitimes de protection des joueurs et de lutte
contre la fraude qu’elle poursuit.
B.84. Le sixième moyen, première branche, dans l’affaire no 7277, et le second moyen, première branche, dans les
affaires nos 7289 et 7291, ne sont pas fondés.
En ce qui concerne les titulaires de licence auxquels le parieur peut s’adresser (quatrième moyen dans l’affaire no 7296)
B.85. L’article 43/1, alinéa 4, de la loi du 7 mai 1999, inséré par l’article 20, 2o, de la loi du 7 mai 2019, dispose :
« En ce qui concerne le pari pris dans le monde réel, le joueur choisit le titulaire de la licence concerné auquel il
s’adresse s’il a des questions ou des remarques sur son exploitation ».
B.86. Les parties requérantes dans l’affaire no 7296 prennent un quatrième moyen de la violation par cette
disposition des articles 10 et 11 de la Constitution.
En substance, elles font valoir que l’engagement de paris ne peut pas avoir lieu via des instruments de la société
de l’information mais qu’il doit nécessairement avoir lieu dans l’établissement physique d’un titulaire de licence F2.
Selon elles, la disposition attaquée fait naître une différence de traitement injustifiée entre, d’une part, les joueurs qui
engagent des paris dans le monde réel, qui peuvent adresser leurs questions et remarques au titulaire de la licence F1
ou au titulaire de la licence F2 et, d’autre part, les joueurs qui font usage d’instruments de la société de l’information,
qui peuvent adresser leurs questions uniquement au titulaire de la licence F1+ et non au titulaire de la licence F2.
B.87. L’article 25, alinéa 1er, 6 à 7, de la loi du 7 mai 1999 dispose :
« Il existe neuf classes de licences et trois licences supplémentaires :
[...]
6. la licence de classe F1 permet, pour des périodes de neuf ans renouvelables, aux conditions qu’elle détermine,
l’exploitation de l’organisation des paris;
19718 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

6/1. la licence supplémentaire de classe F1+ permet, aux conditions qu’elle détermine, l’exploitation de
l’organisation des paris par le biais des instruments de la société de l’information;
6/2. la licence de classe F1P permet, aux conditions qu’elle détermine et aux conditions fixées pour les licences de
classe F1, et le cas échéant F1+, l’exploitation de l’organisation de paris sur les courses hippiques;
7. la licence de classe F2 permet, pour des périodes renouvelables de trois ans, aux conditions qu’elle détermine,
l’engagement de paris pour le compte de titulaires de licence de classe F1 dans un établissement de jeux de hasard de
classe IV fixe ou mobile. Cette licence permet également l’engagement de paris en dehors des établissements de jeux
de hasard de classe IV dans les cas visés à l’article 43/4, § 5, 1o et 2o. Pour cette licence, des périodes renouvelables de
trois ans sont également prévues.
[...] ».
L’article 43/8 de la loi du 7 mai 1999 dispose :
« § 1er. La commission peut octroyer à un titulaire d’une licence de classe A, B ou F1, au maximum une licence
supplémentaire, respectivement A+, B+ et F1+, pour l’exploitation de jeux de hasard via des instruments de la société
de l’information. La licence supplémentaire ne peut porter que sur l’exploitation des jeux de même nature que ceux
offerts dans le monde réel.
Toutefois, à l’exception de ce qui concerne les jeux de même nature que ceux offerts dans le monde réel, le Roi peut,
par arrêté délibéré en Conseil des ministres, déterminer des critères d’exploitation distincts pour les licences
supplémentaires par rapport aux licences octroyées pour l’exploitation des jeux de hasard dans le monde réel.
§ 2. Le Roi détermine par arrêté délibéré en Conseil des ministres :
1o les conditions qualitatives auxquelles le demandeur doit satisfaire et qui portent au moins sur les éléments
suivants :
a) la solvabilité du demandeur;
b) la sécurité des opérations de payement entre l’exploitant et le joueur;
c) la politique de l’exploitant concernant l’accessibilité de groupes socialement vulnérables aux jeux de hasard;
d) le règlement des plaintes;
e) les modalités relatives à la publicité;
f) le respect de toutes ses obligations fiscales;
2o les conditions auxquelles les jeux peuvent être offerts et qui portent au minimum sur l’enregistrement et
l’identification du joueur, le contrôle de l’âge, les jeux offerts, les règles de jeu, le mode de payement et le mode de
distribution des prix;
3o les modalités de surveillance et de contrôle des jeux de hasard exploités, qui portent au minimum sur la
condition selon laquelle les serveurs sur lesquels les données et la structure du site web sont gérées se trouvent dans
un établissement permanent sur le territoire belge;
4o quels jeux peuvent être exploités;
5o les modalités de l’information des joueurs, concernant la légalité des jeux offerts par le biais des instruments de
la société de l’information;
§ 3. La durée de validité des licences supplémentaires est liée à la durée de validité respective de la licence de
classe A, B ou F1.
§ 4. La commission tient à jour une liste des licences supplémentaires délivrées, qui est consultable par toute
personne qui en fait la demande ».
B.88. Les travaux préparatoires de la loi du 10 janvier 2010 exposent que l’objectif du législateur est de lutter contre
la prolifération des paris en ligne au moyen d’une politique de licence cohérente et correctement contrôlée :
« Le développement des moyens de communication électronique, comme le téléphone mobile, la télévision
interactive et surtout l’Internet, a permis de faciliter sensiblement l’organisation de jeux de hasard et de paris.
La loi du 7 mai 1999 ne réglemente pas l’autorisation des jeux de hasard par le biais des instruments de la société
de l’information (dont l’internet). De ce fait, ils sont en principe interdits. En pratique, on assiste néanmoins à une
multiplication débridée des jeux de hasard proposés par le biais de l’Internet. Les paris en ligne constituent à cet égard
la tendance la plus récente.
Le seuil de l’offre en ligne est très bas: elle est accessible à tout moment et le joueur ne doit pas se déplacer. En outre,
le jeu se déroule de manière totalement anonyme, de sorte que le joueur peut plus rapidement succomber à la tentation
du jeu.
Le projet de nouvelle loi sur les jeux de hasard vise à canaliser la prolifération des jeux en ligne par le biais d’une
politique cohérente et correctement contrôlée de licences. À cette fin, les jeux de hasard via Internet seront réservés à
ceux qui exploitent les jeux de hasard dans le monde réel également. Seules les entités qui disposent d’une licence dans
le monde réel peuvent offrir ce type d’activité dans le monde virtuel. Ainsi, un exploitant de casino qui dispose d’une
licence supplémentaire ne pourra offrir que des jeux de casino via Internet et non des paris, par exemple. Comme dans
le monde réel, la Commission des jeux de hasard contrôlera également le bon déroulement et l’organisation des jeux
de hasard dans le monde virtuel » (Doc. parl., Chambre, 2008-2009, DOC 52-1992/006, pp. 6-7).
B.89. Eu égard à l’objectif poursuivi par le législateur, les articles 25, alinéa 1er, 6/1, et 43/8 de la loi du 7 mai 1999
doivent être interprétés en ce sens que la licence F1+ permet l’organisation et l’engagement de paris via des instruments
de la société de l’information.
Cette interprétation est confirmée par les travaux préparatoires de la disposition attaquée :
« Le législateur a choisi de distinguer dans le monde réel l’organisation de paris de l’engagement de paris, de sorte
que deux licences différentes sont respectivement disponibles à l’article 25 de la loi sur les jeux de hasard. La licence
de classe F1 doit être octroyée à l’organisateur de paris, la licence de classe F2 à la personne qui propose au client les
paris de l’organisateur. Cette distinction n’existe pas pour les paris en ligne, le titulaire de licence de classe F1+ se
chargeant tant de l’organisation que de l’engagement des paris » (Doc. parl., Chambre, 2018-2019, DOC 54-3327/004,
p. 19).
B.90. Dès lors qu’il repose sur la prémisse erronée selon laquelle la licence F1+ ne permet pas l’engagement de paris
via des instruments de la société de l’information, le quatrième moyen dans l’affaire no 7296 n’est pas fondé.
En ce qui concerne la limite d’âge de 21 ans pour la pratique des jeux de hasard automatiques dans les établissements de jeux
de hasard fixes de classe IV (premier moyen dans l’affaire no 7280)
B.91. L’article 54, § 1er, alinéa 5, de la loi du 7 mai 1999, inséré par l’article 28, 1o, de la loi du 7 mai 2019, dispose :
« La pratique des jeux de hasard automatiques visés à l’article 43/4, § 2, alinéa 3, dans les établissements de jeux
de hasard fixes de classe IV est interdite aux personnes de moins de vingt-et-un ans ».
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19719

B.92. La partie requérante dans l’affaire no 7280 prend un premier moyen de la violation, par cette disposition, des
articles 10 et 11 de la Constitution, du principe constitutionnel d’égalité et de non-discrimination et du principe
constitutionnel de proportionnalité, lus isolément ou en combinaison avec l’article 14 de la Convention européenne des
droits de l’homme et avec l’article 26 du Pacte international relatif aux droits civils et politiques. Elle fait valoir que la
disposition attaquée fait naître une différence de traitement injustifiée entre les majeurs de plus de 21 ans et les majeurs
de moins de 21 ans et qu’elle opère une différence de traitement injustifiée entre les divers jeux qui sont exploités dans
les établissements de jeux de hasard fixes de classe IV.
B.93. Selon la jurisprudence de la Cour européenne des droits de l’homme, l’article 14 de la Convention européenne
des droits de l’homme n’a pas d’existence indépendante puisqu’il vaut uniquement pour la « jouissance des droits et
libertés » reconnus dans la Convention (CEDH, grande chambre, 19 février 2013, X et autres c. Autriche, § 94).
La partie requérante dans l’affaire no 7280 ne mentionne pas d’autres dispositions de la Convention européenne
des droits de l’homme, lues en combinaison avec son article 14. En conséquence, la Cour n’examine pas le moyen en
ce qu’il porte sur la violation de l’article 14 de la Convention, lu en combinaison avec les articles 10 et 11 de la
Constitution.
B.94. Les travaux préparatoires de la disposition attaquée exposent :
« L’objectif est d’interdire la pratique des jeux de hasard virtuels dans les agences de paris aux personnes de moins
de 21 ans.
En effet, par rapport aux paris offerts dans les agences de paris, les jeux de hasard virtuels peuvent être plus
addictifs pour les jeunes notamment car ils ne sont pas liés à un évènement sportif réel (qui est limité dans le temps).
Le résultat est connu immédiatement après la mise, ce qui implique que la période entre la mise et le gain est très
courte » (Doc. parl., Chambre, 2018-2019, DOC 54-3327/001, p. 15).
B.95. Dès lors qu’il constate que les jeux de hasard automatiques visés à l’article 43/4, § 2, alinéa 3, troisième tiret,
de la loi du 7 mai 1999 présentent un risque plus élevé pour les jeunes, le législateur prend une mesure pertinente et
proportionnée en interdisant leur pratique aux personnes de moins de 21 ans.
B.96. Le premier moyen dans l’affaire no 7280 n’est pas fondé.
En ce qui concerne les navires à passagers internationaux (premier moyen dans l’affaire no 7296)
B.97. L’article 3ter de la loi du 7 mai 1999, inséré par l’article 4 de la loi du 7 mai 2019, dispose :
« La présente loi ne s’applique pas aux navires à passagers internationaux à bord desquels des jeux de hasard ou
des paris sont offerts et qui usent de leur droit de passage inoffensif au sens de la Convention des Nations Unies sur
le droit de la Mer, signée à Montego Bay le 10 décembre 1982.
L’exploitation de jeux de hasard ou de paris à bord des navires visés à l’alinéa 1er, est cependant interdite entre le
moment où le navire a une interface navire/port telle que visée à l’article 5, 5o, de la loi du 5 février 2007 relative à la
sûreté maritime et le moment où le navire lève l’ancre.
Durant toute la durée du séjour du navire dans le port, l’exploitation des jeux de hasard ou des paris est interdite ».
B.98. Les parties requérantes dans l’affaire no 7296 prennent un premier moyen de la violation, par cette
disposition, des articles 10, 11 et 23 de la Constitution.
Dans une première branche, elles font valoir que la disposition attaquée fait naître une différence de traitement
injustifiée entre, d’une part, les exploitants de jeux de hasard qui doivent respecter la loi du 7 mai 1999 et, d’autre part,
les navires à passagers internationaux qui, dans les conditions visées par la disposition attaquée, peuvent exploiter des
jeux de hasard en Belgique sans respecter cette loi.
Dans une deuxième branche, elles font valoir que la disposition attaquée fait naître une différence de traitement
injustifiée entre, d’une part, les joueurs qui jouent à des jeux de hasard au sein d’un établissement de jeux de hasard
ou au moyen d’instruments de la société de l’information qui relèvent du champ d’application de la loi du 7 mai 1999
et, d’autre part, les joueurs qui jouent à des jeux de hasard à bord de navires à passagers internationaux usant de leur
droit de passage inoffensif en Belgique, en ce que seule la première catégorie de joueurs bénéficie de la protection offerte
par la loi du 7 mai 1999.
Dans une troisième branche, elles font valoir que la disposition attaquée entraîne un recul significatif du degré de
protection de la santé des joueurs et que ce recul n’est pas justifié par un motif d’intérêt général.
B.99. La Cour examine d’abord la première branche du moyen.
B.100. Les travaux préparatoires exposent :
« L’accord de gouvernement du 10 octobre 2014 prévoit que ’ Le gouvernement autorisera les navires de croisière
internationaux qui sont équipés d’un casino et/ou de jeux de hasard, à exploiter ceux-ci dans nos eaux territoriales
jusqu’à ce qu’ils mouillent l’ancre dans le port ’.
Le présent article exécute cette partie de l’accord de gouvernement.
Cet article prévoit que la loi sur les jeux de hasard ne s’applique pas aux navires à passagers internationaux qui
entrent dans les eaux territoriales belges et à bord desquels des jeux de hasard ou des paris sont offerts.
Cette exception permet aux navires de croisière internationaux de continuer à offrir leurs jeux de hasard ou paris
à bord lorsqu’ils entrent dans les eaux territoriales belges et ce, jusqu’au moment où le navire a une interface
navire/port. L’article 5, 5o, de la loi du 5 février 2007 relative à la sûreté maritime définit l’interface navire/port comme
suit : ’ les interactions qui se produisent lorsqu’un navire est directement et immédiatement affecté par des activités
entraînant le mouvement de personnes ou de marchandises ou la fourniture de services portuaires vers le navire ou à
partir du navire ’. L’interaction navire/port implique que le navire est sous la juridiction complète de la Belgique dès
qu’elle a lieu.
Cette exception ne s’applique que pour les navires de croisière en passage inoffensif dans les eaux territoriales
belges. En effet, seuls les navires qui traversent la mer territoriale vers le port de destination sont autorisés à exploiter
leurs jeux de hasard et paris à bord durant la durée de cette traversée. L’exploitation des jeux de hasard ou paris à bord
est interdite si le navire jette l’ancre dans les eaux territoriales.
L’article 17 de la Convention sur le droit de la mer, signée à Montego Bay (Jamaïque) le 10 décembre 1982 prévoit
que les navires de tous les États, côtiers ou sans littoral, jouissent du droit de passage inoffensif dans la mer territoriale.
Ce passage inoffensif vise le fait de naviguer dans la mer territoriale aux fins notamment de se rendre dans les eaux
intérieures ou les quitter, ou faire escale dans une telle rade ou installation portuaire ou la quitter (art. 18.1, b), de la
convention).
Durant toute la durée du séjour du navire dans le port, l’exploitation des jeux de hasard ou paris est interdite. Ces
navires ne doivent en effet pas devenir des ’ nouveaux établissements de jeux de hasard ’.
Une amende est prévue en cas de non-respect des conditions prescrites par l’article 3ter de la loi sur les jeux de
hasard.
19720 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

En réponse aux observations formulées par le Conseil d’État dans son avis 63.661/4 du 4 juillet 2018, il convient
de préciser que la notion ’ interface navire/port ’ au sens de l’article 5, 5o, de la loi du 5 février 2007 ne peut pas être
interprété de manière restrictive comme un amarrage purement physique au quai. Dès que le navire est directement et
immédiatement affecté par des activités entraînant le mouvement de personnes ou de marchandises ou la fourniture
de services portuaires vers le navire ou à partir du navire, référence est faite à une ’interface navire / port ’. On
comprend également les situations dans lesquelles le navire se trouve dans une écluse, navigue dans le port, etc.
Suite à la remarque du Conseil d’État concernant cet article, certaines précisions ont été reprises dans les
commentaires de cet article » (Doc. parl., Chambre, 2018-2019, DOC 54-3327/001, pp. 6-7).
B.101. Les articles 17 à 19 de la Convention des Nations Unies du 10 décembre 1982 sur le droit de la mer
disposent :
« Article 17
Droit de passage inoffensif
Sous réserve de la Convention, les navires de tous les États, côtiers ou sans littoral, jouissent du droit de passage
inoffensif dans la mer territoriale.
Article 18
Signification du terme ’ passage ’
1. On entend par ’ passage ’ le fait de naviguer dans la mer territoriale aux fins de :
a) la traverser sans entrer dans les eaux intérieures ni faire escale dans une rade ou une installation portuaire située
en dehors des eaux intérieures; ou
b) se rendre dans les eaux intérieures ou les quitter, ou faire escale dans une telle rade ou installation portuaire ou
la quitter.
2. Le passage doit être continu et rapide. Toutefois, le passage comprend l’arrêt et le mouillage, mais seulement s’ils
constituent des incidents ordinaires de navigation ou s’imposent par suite d’un cas de force majeure ou de détresse ou
dans le but de porter secours à des personnes, des navires ou des aéronefs en danger ou en détresse.
Article 19
Signification de l’expression ’ passage inoffensif ’
1. Le passage est inoffensif aussi longtemps qu’il ne porte pas atteinte à la paix, au bon ordre ou à la sécurité de
l’État côtier. Il doit s’effectuer en conformité avec les dispositions de la Convention et les autres règles du droit
international.
2. Le passage d’un navire étranger est considéré comme portant atteinte à la paix, au bon ordre ou à la sécurité de
l’État côtier si, dans la mer territoriale, ce navire se livre à l’une quelconque des activités suivantes :
a) menace ou emploi de la force contre la souveraineté, l’intégrité territoriale ou l’indépendance politique de l’Etat
côtier ou de toute autre manière contraire aux principes du droit international énoncés dans la Charte des Nations
Unies;
b) exercice ou manœuvre avec armes de tout type;
c) collecte de renseignements au détriment de la défense ou de la sécurité de l’État côtier;
d) propagande visant à nuire à la défense ou à la sécurité de l’État côtier;
e) lancement, appontage ou embarquement d’aéronefs;
f) lancement, appontage ou embarquement d’engins militaires;
g) embarquement ou débarquement de marchandises, de fonds ou de personnes en contravention aux lois et
règlements douaniers, fiscaux, sanitaires ou d’immigration de l’État côtier;
h) pollution délibérée et grave, en violation de la Convention;
i) pêche;
j) recherches ou levés;
k) perturbation du fonctionnement de tout système de communication ou de tout autre équipement ou installation
de l’État côtier;
l) toute autre activité sans rapport direct avec le passage ».
B.102. Les établissements de jeux de hasard soumis à la loi du 7 mai 1999 et les navires à passagers internationaux
à bord desquels des jeux de hasard ou des paris sont offerts et qui usent de leur droit de passage inoffensif dans la mer
territoriale belge sont des catégories comparables au regard de la loi du 7 mai 1999 et des objectifs qu’elle poursuit, dès
lors qu’ils exploitent tous deux des jeux de hasard ou des paris.
B.103. Il convient de constater que la loi du 7 mai 2019 ne prévoit pas de garanties suffisantes pour éviter
l’apparition de croisières de courte durée à bord desquelles des passagers pourraient embarquer en Belgique, lors
desquelles les passagers pourraient participer à des jeux de hasard ou des paris dès que le navire navigue dans la mer
territoriale sans que la loi du 7 mai 1999 s’applique, et qui pourraient ainsi détourner les joueurs des établissements de
jeux de hasard soumis à la loi du 7 mai 1999 et de la protection que cette loi y garantit. L’interdiction d’exploiter des
jeux de hasard ou des paris entre le moment où le navire a une interface navire/port et le moment où le navire lève
l’ancre, ainsi que durant toute la durée du séjour du navire dans le port, n’est pas suffisante à cet égard.
B.104. Le premier moyen, première branche, dans l’affaire no 7296 est fondé.
Il y a lieu d’annuler l’article 4 de la loi du 7 mai 2019.
Dès lors que les deux autres branches ne peuvent donner lieu à une annulation plus étendue, elles ne doivent pas
être examinées.
Par ces motifs,
la Cour
- annule les articles 4 et 21, 3o et 4o, de la loi du 7 mai 2019 « modifiant la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard,
les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs, et insérant l’article 37/1 dans la loi du
19 avril 2002 relative à la rationalisation du fonctionnement et de la gestion de la Loterie Nationale »;
- annule l’article 31 de la loi du 7 mai 2019 précitée, uniquement en ce qu’il ne prévoit pas de durée maximale de
conservation des données à caractère personnel inscrites dans le registre visé à l’article 62 de la loi du 7 mai 1999 « sur
les jeux de hasard, les paris, les établissements de jeux de hasard et la protection des joueurs » et en ce qu’il ne prévoit
pas de durée maximale de conservation de la copie de la pièce ayant servi à l’identification du joueur;
- rejette les recours pour le surplus.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19721

Ainsi rendu en langue française, en langue néerlandaise et en langue allemande, conformément à l’article 65 de la
loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour constitutionnelle, le 9 décembre 2021.
Le greffier, Le président,
F. Meersschaut P. Nihoul

GRONDWETTELIJK HOF
[2021/205921]
Uittreksel uit arrest nr. 177/2021 van 9 december 2021
Rolnummers 7277, 7279, 7280, 7289, 7291 en 7296
In zake : de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 7 mei 2019 « tot wijziging van de wet
van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, en
tot invoeging van artikel 37/1 in de wet van 19 april 2002 tot rationalisering van de werking en het beheer van de
Nationale Loterij », ingesteld door de nv « Derby » en de nv « Tiercé Ladbroke », door de nv « Betcenter Group », door
E.G., door de bvba « World Football Association », door de nv « Belgische PMU » en door de nv « Rocoluc » en anderen.
Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters P. Nihoul en L. Lavrysen, en de rechters J.-P. Moerman, T. Giet, R. Leysen,
J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne en D. Pieters, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder
voorzitterschap van voorzitter P. Nihoul,
wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging
a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 8 november 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie
is ingekomen op 12 november 2019, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 2, 3, 2o, 18, 20, 2o, 21, 3o en 4o,
22, 23, 1o, 24, 2o en 3o, en 31 van de wet 7 mei 2019 « tot wijziging van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de
weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, en tot invoeging van artikel 37/1 in de
wet van 19 april 2002 tot rationalisering van de werking en het beheer van de Nationale Loterij » (bekendgemaakt in
het Belgisch Staatsblad van 15 mei 2019) door de nv « Derby » en de nv « Tiercé Ladbroke », bijgestaan en
vertegenwoordigd door Mr. P. Joassart, advocaat bij de balie te Brussel.
b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 8 november 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie
is ingekomen op 13 november 2019, heeft de nv « Betcenter Group », bijgestaan en vertegenwoordigd door
Mr. L. Wynant en Mr. A. Loubkine, advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van dezelfde wet.
c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 7 november 2019 ter post aangetekende brief en ter griffie
is ingekomen op 13 november 2019, heeft E.G., bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Philippe en Mr. J.-F. Libert,
advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 28, 1o, en 31, 1o, van dezelfde wet.
d. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 14 november 2019 ter post aangetekende brief en ter
griffie is ingekomen op 15 november 2019, heeft de bvba « World Football Association », bijgestaan en vertegen-
woordigd door Mr. Y. Spiegl en Mr. C. Maczkovics, advocaten bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld
van de artikelen 20, 2o, 21, 3o en 4o, 23, 1o, 24, 2o en 3o, en 31, 1o en 2o, van dezelfde wet.
e. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 14 november 2019 ter post aangetekende brief en ter
griffie is ingekomen op 15 november 2019, heeft de nv « Belgische PMU », bijgestaan en vertegenwoordigd door
Mr. Y. Spiegl en Mr. C. Maczkovics, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 20, 2o, en 21, 3o en 4o, van dezelfde
wet.
f. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 14 november 2019 ter post aangetekende brief en ter
griffie is ingekomen op 18 november 2019, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 4, 20, 24 en 36 van
dezelfde wet door de nv « Rocoluc », de nv « Fremoluc » en Frédéric Van den Berghe, bijgestaan en vertegenwoordigd
door Mr. F. Tulkens en Mr. M. Vanderstraeten, advocaten bij de balie te Brussel.
Die zaken, ingeschreven onder de nummers 7277, 7279, 7280, 7289, 7291 en 7296 van de rol van het Hof, werden
samengevoegd.
(...)
II. In rechte
(...)
Ten aanzien van de omvang van de beroepen tot vernietiging
B.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 vorderen de vernietiging van de artikelen 2, 3, 2o, 18, 20, 2o, 21,
3o en 4o, 22, 23, 1o, 24, 2o en 3o, en 31 van de wet van 7 mei 2019 « tot wijziging van de wet van 7 mei 1999 op de
kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, en tot invoeging van
artikel 37/1 in de wet van 19 april 2002 tot rationalisering van de werking en het beheer van de Nationale Loterij »
(hierna : de wet van 7 mei 2019).
De verzoekende partij in de zaak nr. 7279 vordert de vernietiging van dezelfde wet.
De verzoekende partij in de zaak nr. 7280 vordert de vernietiging van de artikelen 28, 1o, en 31, 1o, van dezelfde
wet.
De verzoekende partij in de zaak nr. 7289 vordert de vernietiging van de artikelen 20, 2o, 21, 3o en 4o, 23, 1o, 24,
2o en 3o, en 31, 1o en 2o, van dezelfde wet.
De verzoekende partij in de zaak nr. 7291 vordert de vernietiging van de artikelen 20, 2o, en 21, 3o en 4o, van
dezelfde wet.
De verzoekende partijen in de zaak nr. 7296 vorderen de vernietiging van de artikelen 4, 20, 24 en 36 van dezelfde
wet « in alle gevallen ».
Ten aanzien van de bestreden wet
B.2.1. De wet van 7 mei 2019 brengt wijzigingen aan in de wet van 7 mei 1999 « op de kansspelen, de
weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers » (hierna : de wet van 7 mei 1999). De
initiële wet van 7 mei 1999 heeft als doelstelling :
« een aantal principes bij wet vast te leggen : een kader dat speloperatoren aan strikte uitbatingsregels zou binden
met, als compensatie, de zekerheid van beroep en van redelijke winst.
Dit voorstel vertrekt van een tweevoudig principe :
- het uitbaten van kansspelen blijft - a priori - verboden;
19722 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

- een uitbatingstoelating moet beschouwd worden als een voorrecht dat bij overtreding of schending van de
opgelegde regels, onmiddellijk moet herroepen worden.
[...]
Alles wordt bedacht in functie van een viervoudig doel :
- de bescherming van de maatschappij en de openbare orde;
- de bescherming van de speler;
- de bescherming van de uitbaters;
- de bescherming van de fiscale belangen van de Gewesten » (Parl. St., Senaat, 1995-1996, nr. 1-419/1, pp. 2-3).
De wet van 7 mei 1999 is derhalve gebaseerd op het principe dat het exploiteren van kansspelen a priori verboden
is, maar er wordt in uitzonderingen voorzien door een systeem van toelatingen in de vorm van de toekenning van
vergunningen door de Kansspelcommissie (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1992/001, pp. 3-4). De wetgever streeft
onder meer een kanalisatiedoelstelling na die bestaat in het bestrijden van het illegale aanbod van kansspelen door een
beperkt legaal aanbod van kansspelen toe te staan (ibid., p. 4).
De bij de wet van 7 mei 1999 toegestane kansspelinrichtingen worden ingedeeld in vier categorieën (artikel 6,
eerste lid, van die wet) : de kansspelinrichtingen klasse I of casino’s (artikel 28), de kansspelinrichtingen klasse II of
speelautomatenhallen (artikel 34), de kansspelinrichtingen klasse III of drankgelegenheden (artikel 39) en de
kansspelinrichtingen klasse IV of « plaatsen uitsluitend bestemd voor het aannemen van weddenschappen »
(artikel 43/4).
Luidens artikel 25 van de wet van 7 mei 1999 onderscheiden de vier categorieën van kansspelinrichtingen zich
bovendien door het soort vergunning die is vereist voor de exploitatie ervan : een vergunning A is vereist om een casino
te exploiteren (artikel 25, eerste lid, 1), een vergunning B is vereist om een speelautomatenhal te exploiteren (artikel 25,
eerste lid, 2), een vergunning C is vereist om een drankgelegenheid te exploiteren (artikel 25, eerste lid, 3). De
vergunning F1 (artikel 25, eerste lid, 6) staat de exploitatie van « de inrichting van weddenschappen » toe. De
vergunning F2 (artikel 25, eerste lid, 7) staat « de aanneming van weddenschappen voor rekening van de houder van
een vergunning klasse F1 » toe in een vaste of mobiele kansspelinrichting klasse IV en, buiten een dergelijke inrichting,
door dagbladhandelaars en op renbanen onder de bij artikel 43/4, § 5, 1o en 2o, van de wet van 7 mei 1999 vastgestelde
voorwaarden.
Bovendien bepaalt artikel 43/8 van de wet van 7 mei 1999 dat de aanvullende vergunningen A+, B+ en F1+ nodig
zijn om kansspelen te exploiteren via instrumenten van de informatiemaatschappij, dat zij slechts kunnen worden
toegekend aan personen die reeds vergunninghouder klasse A, B of F1 zijn, dat die personen slechts een enkele
aanvullende vergunning kunnen verkrijgen en dat die aanvullende vergunning enkel betrekking kan hebben op de
exploitatie van spelen van dezelfde aard als die welke zij reeds in de reële wereld aanbieden.
B.2.2. Het algemene opzet van de wet van 7 mei 2019 kan als volgt worden samengevat :
« Het ontwerp van wet wijzigt de bepalingen van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de weddenschappen,
de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers om voornoemde wet inzonderheid aan te passen aan
bepaalde bij de speloperatoren vastgestelde praktijken.
Het verhoogt het maximum aantal kansspelen die in drankgelegenheden mogen worden geëxploiteerd, en
verbiedt de exploitatie van machines die niet bij wet zijn toegestaan.
De samenstelling van de Kansspelcommissie en de benoemingsvoorwaarden worden gewijzigd.
De sanctiebevoegdheid van de Kansspelcommissie wordt versterkt.
De inrichtingen klasse IV zijn verplicht om een convenant af te sluiten met de gemeente waarin zij zich wensen
te vestigen.
De zogenaamde virtuele kansspelen die worden geëxploiteerd in de vaste kansspelinrichtingen klasse IV, zijn
verboden voor personen jonger dan 21 jaar en het EPIS-controlesysteem wordt toepasselijk voor de vaste
kansspelinrichtingen klasse IV.
De Koning krijgt de bevoegdheid om de reclame voor kansspelen te reglementeren » (Parl. St., Kamer, 2018-2019,
DOC 54-3327/001, p. 3).
Naast hetgeen voorafgaat :
- wijzigt de wet van 7 mei 2019 de voorwaarden waaronder weddenschappen op paardenwedrennen kunnen
worden georganiseerd (artikel 43/2 van de wet van 7 mei 1999, zoals gewijzigd bij artikel 21 van de wet van 7 mei 2019)
en voert zij de nieuwe klasse van vergunning F1P in voor de exploitatie van « de inrichting van weddenschappen op
paardenwedrennen » (artikel 25, eerste lid, 6/2, van de wet van 7 mei 1999, ingevoegd bij artikel 14 van de wet van
7 mei 2019);
- wordt bij de wet van 7 mei 2019 aan de Kansspelcommissie de bevoegdheid toevertrouwd om « weddenschappen
[te] verbieden indien het eerlijke verloop van het evenement niet kan worden gegarandeerd of indien zij meent dat
specifieke wedmogelijkheden fraudegevoelig zijn » (artikel 43/1, derde lid, van de wet van 7 mei 1999, ingevoegd bij
artikel 20, 2o, van de wet van 7 mei 2019);
- wordt bij de wet van 7 mei 2019 een nieuwe bepaling ingevoegd met betrekking tot internationale
passagiersschepen die aan boord kansspelen of weddenschappen aanbieden (artikel 3ter van de wet van 7 mei 1999,
ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 7 mei 2019).
Ten aanzien van het belang
B.3. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke
persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang
doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden
geraakt.
B.4.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 verantwoorden hun belang bij het beroep door aan te voeren dat
zij actief zijn op het gebied van kansspelen en weddenschappen, dat zij vergunninghouders F1 en F2 zijn en dat zij
kansspelinrichtingen klasse IV exploiteren. Volgens hen beperken de bestreden bepalingen hun activiteiten en
onderwerpen zij hen aan dwingende verplichtingen.
B.4.2.1. De vzw « UBA-BNGO », tussenkomende partij in de zaak nr. 7277, doet gelden dat het eerste middel, het
eerste onderdeel van het vierde middel en het vijfde middel in de zaak nr. 7277, die tegen artikel 3, 2o, van de wet van
7 mei 2019 zijn gericht, niet ontvankelijk zijn bij gebrek aan belang bij de vernietiging van die bepaling.
B.4.2.2. Bij artikel 3, 2o, van de wet van 7 mei 2019 worden twee nieuwe leden ingevoegd in artikel 3 van de wet
van 7 mei 1999, die het tweede en het derde lid van die bepaling worden.
Ingevolge die wijziging bepaalt artikel 3 van de wet van 7 mei 1999 :
« Geen kansspelen in de zin van deze wet zijn :
1. de sportbeoefening;
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19723

2. spelen die aan de speler of gokker geen ander voordeel opleveren dan het recht om maximaal vijf keer gratis
verder te spelen;
3. kaart- of gezelschapsspelen, uitgeoefend buiten de kansspelinrichtingen klasse I en II, met uitzondering van
kaart- of gezelschapsspelen, uitgeoefend in kansspelinrichtingen klasse III die gebruik maken van een toestel, alsook
spelen uitgebaat door pretparken of door kermisexploitanten naar aanleiding van kermissen, handelsbeurzen of andere
beurzen onder soortgelijke omstandigheden, alsook spelen die occasioneel en maximaal vier keer per jaar worden
ingericht door een plaatselijke vereniging ter gelegenheid van een bijzondere gebeurtenis of door een feitelijke
vereniging met een sociaal of liefdadig doel of een vereniging zonder winstgevend oogmerk ten behoeve van een
sociaal of liefdadig doel, en die slechts een zeer beperkte inzet vereisen en aan de speler of gokker slechts een materieel
voordeel van geringe waarde kunnen opleveren.
De kaart- of gezelschapsspelen, bedoeld in het eerste lid, 3., die worden aangeboden op toestellen, zijn verboden
voor minderjarigen en kunnen alleen worden gespeeld op toestellen die daartoe uitdrukkelijk zijn toegelaten door de
kansspelcommissie. De controle van de leeftijd van de speler dient op automatische wijze te gebeuren via een
e-ID-lezer.
De gemeentelijke overheid kan de kaart- of gezelschapsspelen, bedoeld in het eerste lid, 3., al dan niet aangeboden
op toestellen, en die slechts een zeer beperkte inzet vereisen en aan de speler of gokker slechts een materieel voordeel
van geringe waarde kunnen opleveren aan een voorafgaande toelating en aan niet-technische exploitatievoorwaarden
onderwerpen.
De Koning bepaalt met toepassing van het eerste lid, 2. en 3., de nadere voorwaarden van het soort inrichting, het
soort spel, het bedrag van de inzet, het voordeel dat kan worden toegekend en het gemiddeld uurverlies ».
Bij artikel 2, eerste lid, 1o en 5o, van de wet van 7 mei 1999 worden kansspelen gedefinieerd als « elk spel, waarbij
een ingebrachte inzet van om het even welke aard, hetzij het verlies van deze inzet door minstens één der spelers, hetzij
een winst van om het even welke aard voor minstens één der spelers, of inrichters van het spel tot gevolg heeft en
waarbij het toeval een zelfs bijkomstig element is in het spelverloop, de aanduiding van de winnaar of de bepaling van
de winstgrootte », en de weddenschap als een « kansspel waarbij elke speler een inzet inbrengt en waarbij winst of
verlies wordt opgeleverd die niet afhangt van een daad gesteld door de speler, maar van de verwezenlijking van een
onzekere gebeurtenis die zich voordoet zonder tussenkomst van de spelers ».
Volgens artikel 3, eerste lid, 3o, van de wet van 7 mei 1999 worden bepaalde kaart- of gezelschapsspelen evenwel
niet beschouwd als kansspelen. Artikel 3, tweede en derde lid, van de wet van 7 mei 1999, zoals ingevoegd bij artikel 3,
2o, van de wet van 7 mei 2019, voorziet in een afbakening van die kaart- of gezelschapsspelen die van de definitie van
kansspelen worden uitgesloten. Aldus zijn kaart- of gezelschapsspelen die niet worden uitgeoefend in een
kansspelinrichting klasse I, II of III, geen kansspelen, maar wanneer zij worden aangeboden op toestellen
(« 3.3-toestellen »), zijn zij voor minderjarigen verboden en kunnen zij alleen worden gespeeld op toestellen die daartoe
uitdrukkelijk zijn toegelaten door de Kansspelcommissie. Bovendien kan de gemeentelijke overheid de kaart- of
gezelschapsspelen die niet als kansspelen worden beschouwd, aan een voorafgaande toelating en aan niet-technische
exploitatievoorwaarden onderwerpen, ongeacht of de kaart- of gezelschapsspelen al dan niet worden aangeboden op
toestellen.
B.4.2.3. Volgens artikel 43/4, § 1, eerste lid, van de wet van 7 mei 1999, dat niet is gewijzigd bij de wet van
7 mei 2019, zijn kansspelinrichtingen klasse IV « plaatsen [die] uitsluitend bestemd [zijn] voor het aannemen van
weddenschappen die overeenkomstig deze wet zijn toegestaan voor rekening van de vergunninghouders F1 ».
Tijdens de parlementaire voorbereiding werd het volgende uiteengezet :
« Kansspelinrichtingen klasse IV zijn plaatsen uitsluitend bestemd voor het aannemen van weddenschappen die
overeenkomstig deze wet zijn toegestaan. Deze kansspelinrichtingen kunnen worden opgedeeld in kansspel-
inrichtingen met een vast karakter en kansspelinrichtingen met een mobiel karakter.
Ondanks deze uitsluitende bestemming voor het aannemen van weddenschappen is het de vaste kansspel-
inrichtingen toegelaten om gespecialiseerde bladen, sportmagazines, gadgets en niet [-]alcoholische dranken te
verkopen. Deze staan immers in verhouding met de door het wedkantoor uitgevoerde economische activiteit. Tevens
is in een vast wedkantoor de exploitatie toegelaten van maximaal twee automatische kansspelen die weddenschappen
op gelijklopende activiteiten aanbieden als deze die afgesloten worden in het wedkantoor.
In deze inrichtingen kunnen enkel de weddenschappen worden aangeboden waarvoor de inrichter van deze
weddenschappen een vergunning F1 heeft bekomen. Het aannemen van andere weddenschappen waarvoor de
inrichter geen vergunning F1 heeft bekomen zijn verboden » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1992/001, p. 36).
Uit de tekst van artikel 43/4 van de wet van 7 mei 1999 en uit de voormelde parlementaire voorbereiding blijkt
aldus dat de kansspelinrichtingen klasse IV enkel zijn gewijd aan de activiteit van het aannemen van weddenschappen,
met uitsluiting van andere nevenactiviteiten of het aanbod van andere soorten van spelen. Artikel 43/4, § 2, derde lid,
van de wet van 7 mei 1999, dat niet is gewijzigd bij de wet van 7 mei 2019, voorziet echter in een uitzondering op die
regel. Aldus worden, naast het aannemen van weddenschappen, drie andere soorten van activiteiten toegestaan in een
vaste kansspelinrichting klasse IV : (1) de verkoop van gespecialiseerde bladen, sportmagazines en gadgets, (2) de
verkoop van niet-alcoholische dranken en (3) de exploitatie van « maximaal twee automatische kansspelen die
weddenschappen op soortgelijke activiteiten aanbieden als deze die aangegaan worden in het wedkantoor ».
Daaruit volgt dat de kansspelinrichtingen klasse IV geen in artikel 3, eerste lid, 3o, van de wet van 7 mei 1999
bedoelde kaart- of gezelschapsspelen mogen exploiteren. Aangezien artikel 3, 2o, van de wet van 7 mei 2019 betrekking
heeft op de exploitatie van die kaart- of gezelschapsspelen en aangezien het verbod om die te exploiteren in
kansspelinrichtingen klasse IV dateert van vóór de wet van 7 mei 2019, raakt artikel 3, 2o, van de wet van 7 mei 2019
de situatie van de verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 niet rechtstreeks en ongunstig.
B.4.2.4. Het beroep in de zaak nr. 7277 is niet ontvankelijk in zoverre het tegen artikel 3, 2o, van de wet van
7 mei 2019 is gericht.
B.4.3.1. De vzw « UBA-BNGO » doet gelden dat het tweede onderdeel van het vierde middel in de zaak nr. 7277,
dat tegen de artikelen 2 en 18 van de wet van 7 mei 2019 is gericht, niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang bij de
vernietiging van die bepalingen.
B.4.3.2. Artikel 18 van de wet van 7 mei 2019 wijzigt artikel 39 van de wet van 7 mei 1999, dat de
kansspelinrichtingen klasse III of drankgelegenheden voortaan definieert als « inrichtingen waar drank, ongeacht de
aard ervan, wordt verkocht voor gebruik ter plaatse en waarin maximaal twee automatische kansspelen en twee
automatische kansspelen met verminderde inzet worden geëxploiteerd ».
Bij artikel 2, eerste lid, 11o, van de wet van 7 mei 1999, ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 7 mei 2019, worden
« automatische kansspelen met verminderde inzet » gedefinieerd als een « toestel waarop kansspelen worden
geëxploiteerd waarbij met het kansspel minder kan gespeeld worden dan op andere toestellen in kansspelinrichtingen
klasse III, waardoor het geheel van de inzetten resulteert in een gemiddeld uurverlies dat lager ligt dan het bedrag per
uur bedoeld in artikel 8, derde lid, en de inzetten per spel de waarde van het hoogste muntstuk in omloop niet kan
overstijgen ». Artikel 2, tweede lid, van de wet van 7 mei 1999, eveneens ingevoegd bij artikel 2 van de wet van
7 mei 2019, voorziet erin dat de Koning de hoogte van de in de voormelde definitie bedoelde inzetten, bepaalt.
19724 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

B.4.3.3. Uit de uiteenzetting van het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 van
mening zijn dat de artikelen 2 en 18 van de wet van 7 mei 2019 een onverantwoord verschil in behandeling doen
ontstaan tussen, enerzijds, de kansspelinrichtingen klasse III die over een vergunning C beschikken, en, anderzijds, de
plaatsen die niet over een vergunning beschikken.
De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 behoren niet tot een van de twee categorieën die zij vergelijken. Zij
tonen niet aan in welk opzicht de artikelen 2 en 18 van de wet van 7 mei 2019 hun situatie rechtstreeks en ongunstig
zouden kunnen raken.
B.4.3.4. Het beroep in de zaak nr. 7277 is onontvankelijk in zoverre het tegen de artikelen 2 en 18 van de wet van
7 mei 2019 is gericht.
B.5.1. De Ministerraad doet gelden dat de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7277, 7289, 7291 en 7296 geen
legitiem belang hebben bij het vorderen van de vernietiging van artikel 43/1, derde lid, van de wet van 7 mei 1999,
ingevoegd bij artikel 20, 2o, van de wet van 7 mei 2019, dat bepaalt :
« De commissie kan weddenschappen verbieden indien het eerlijke verloop van het evenement niet kan worden
gegarandeerd of indien zij meent dat specifieke wedmogelijkheden fraudegevoelig zijn. De betrokken vergunning-
houders worden hierover onverwijld ingelicht ».
De Ministerraad stelt dat de verzoekende partijen met deze vernietiging willen bereiken dat zij fraudegevoelige
weddenschappen kunnen aanbieden, zodat hun belang onwettig moet worden geacht.
B.5.2. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7277, 7289, 7291 en 7296 bekritiseren op zich niet het feit dat
fraudegevoelige weddenschappen kunnen worden verboden, maar zij voeren onder meer aan dat de bestreden
bepaling een al te grote beoordelingsmarge toevertrouwt aan de Kansspelcommissie. Hun belang is derhalve niet
onwettig.
B.5.3. De exceptie wordt verworpen.
Ten gronde
Wat betreft de weddenschappen op paardenwedrennen (tweede, zevende en achtste middel in de zaak nr. 7277; eerste middel
en tweede middel, tweede onderdeel, in de zaken nrs. 7289 en 7291)
De bestreden bepalingen
B.6.1. Bij artikel 22 van de wet van 7 mei 2019 wordt een nieuw artikel 43/2/1 ingevoegd in de wet van 7 mei 1999.
Die bepaling voorziet erin dat de organisatie van weddenschappen op paardenwedrennen een vergunning F1P vereist,
die de Kansspelcommissie enkel kan toekennen aan vergunninghouders F1. Bovendien machtigt zij de Koning om de
nadere voorwaarden te bepalen die moeten worden nageleefd voor het aannemen van weddenschappen op
paardenwedrennen.
Het nieuwe artikel 43/2/1 van de wet van 7 mei 1999 bepaalt :
« § 1. De inrichters van de weddenschappen op paardenwedrennen moeten beschikken over een vergunning
klasse F1P, dewelke de commissie enkel kan toekennen aan een vergunninghouder klasse F1.
De commissie spreekt zich uit over de aanvragen tot toekenning van een vergunning klasse F1P binnen drie
maanden na de aanvraag.
§ 2. De Koning bepaalt de nadere voorwaarden die de vergunninghouder F1P moet naleven voor de aanneming
van deze weddenschappen ».
B.6.2. Bij artikel 21, 3o, van de wet van 7 mei 2019 wordt paragraaf 2 van artikel 43/2 van de wet van 7 mei 1999
vervangen en bij artikel 21, 4o, van de wet van 7 mei 2019 wordt een paragraaf 3 ingevoegd in diezelfde bepaling.
Ingevolge die wijzigingen bepaalt artikel 43/2 van de wet van 7 mei 1999 :
« § 1. Inzake paardenwedrennen worden enkel volgende weddenschappen toegelaten :
1o de onderlinge weddenschappen op paardenwedrennen die in België plaatsvinden en die worden georganiseerd
door een renvereniging die erkend is door de bevoegde federatie;
2o de onderlinge weddenschappen op paardenwedrennen die in het buitenland plaatsvinden;
3o de weddenschappen tegen vaste of conventionele notering op paardenwedrennen die in België plaatsvinden en
die worden georganiseerd door een renvereniging die erkend is door de bevoegde federatie;
4o de weddenschappen tegen vaste of conventionele notering op paardenwedrennen die in het buitenland
plaatsvinden.
§ 2. Inzake paardenwedrennen kunnen :
1o de weddenschappen bedoeld in paragraaf 1, 1o en 3o, enkel worden ingericht mits toestemming van de
renvereniging die de betreffende wedren organiseert onder de door de Koning bepaalde voorwaarden. Deze vereniging
mag de vorm aannemen van een vereniging zonder winstoogmerk;
2o de weddenschappen bedoeld in paragraaf 1, 2o, enkel worden ingericht onder de door de Koning bepaalde
voorwaarden door de inrichter van de weddenschappen bedoeld in de bepaling onder 1o en mits een overeenkomst
tussen de buitenlandse inrichter erkend in een lidstaat van de Europese Unie en de vergunninghouder F1;
3o de weddenschappen bedoeld in paragraaf 1, 4o, enkel worden ingericht onder de door de Koning bepaalde
voorwaarden door de inrichter van de weddenschappen bedoeld in de bepaling onder 1o.
§ 3. De vergunninghouder F1P die weddenschappen op paardenwedrennen georganiseerd door een renvereniging
bedoeld in paragraaf 2, 1o, wil aanbieden, sluit een overeenkomst met die renvereniging. De overeenkomst waarbij de
renvereniging instemt met de aanbieding van weddenschappen, bepaalt minstens hoe de renvereniging de gegevens
met betrekking tot de wedrennen die zij organiseert doorzendt, de termijn voor het doorzenden ervan en de vergoeding
die door de partijen wordt overeengekomen. Wanneer de vergunninghouder F1P weddenschappen wil aanbieden op
het geheel van de paardenwedrennen georganiseerd door erkende renverenigingen, sluit hij een overeenkomst met het
geheel van deze renverenigingen. Deze overeenkomst bepaalt minstens hoe de renverenigingen de gegevens met
betrekking tot de wedrennen die zij organiseren doorzenden, de termijn voor het doorzenden ervan en de vergoeding
die door de partijen wordt overeengekomen.
Wanneer een vergunninghouder F1P weddenschappen wil aanbieden op alle paardenwedrennen georganiseerd
door de erkende renverenigingen of paardenwedrennen gelopen in het buitenland, bereiken de renverenigingen
overeenstemming over het beheer van de gegevens en beelden van hun paardenwedrennen, alsook over het verlenen
van toestemming om weddenschappen aan te bieden op de paardenwedrennen. De vergunninghouder F1P zal slechts
een enkele periodieke vergoeding verschuldigd zijn voor deze toestemming, verdeeld onder de erkende ren-
verenigingen volgens een door hen onderling bepaalde verdeelsleutel ».
Daaruit volgt met name dat de vergunninghouder F1P die weddenschappen wenst te organiseren op
paardenwedrennen die in België plaatsvinden, toestemming moet verkrijgen van de renvereniging die de betreffende
wedren organiseert (artikel 43/2, § 2, 1o, van de wet van 7 mei 1999) en haar een vergoeding moet betalen waarvan het
bedrag bij overeenkomst wordt bepaald (artikel 43/2, § 3, eerste lid, van de wet van 7 mei 1999). Enkel de
vergunninghouders F1P die toestemming hebben gekregen om weddenschappen te organiseren op paardenwedrennen
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19725

die in België plaatsvinden, mogen bovendien weddenschappen organiseren op paardenwedrennen die in het
buitenland plaatsvinden (artikel 43/2, § 2, 2o en 3o, van de wet van 7 mei 1999). Indien de vergunninghouder F1P
weddenschappen wenst te organiseren op alle paardenwedrennen die in België plaatsvinden of indien hij
weddenschappen wenst te organiseren op paardenwedrennen die in het buitenland plaatsvinden, dient hij een
periodieke vergoeding te betalen aan de renverenigingen, die die laatste onder elkaar verdelen (artikel 43/2, § 3, eerste
en tweede lid, van de wet van 7 mei 1999).
B.6.3. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever aldus de bescherming van de spelers wou
versterken en wou waken over de integriteit van de weddenschappen op paardenwedrennen door de financiering van
de sector van de paardenwedrennen te zorgen. In de parlementaire voorbereiding wordt uiteengezet :
« Algemeen
De amendementen met de nummers 18 tot 24 beogen het regelgevend kader te versterken ter ondersteuning van
de sector van paarden- en vergunde weddenschappen die een lange traditie kennen en verbonden zijn met
verschillende culturele activiteiten in dit land. De bescherming van de speler is beter gevrijwaard met een vergund en
gecontroleerd aanbod in eigen land. De integriteit van de weddenschappen is verbonden met een professionele
organisatie van de paardensector die een structurele ondersteuning nodig heeft om hun activiteiten te kunnen blijven
ontwikkelen.
[...]
De paardenrensector en de wedsector zijn onderling sterk met elkaar verbonden. Van oudsher plaatsen mensen
weddenschappen op paardenwedrennen waarbij een marge op deze weddenschappen enerzijds de financiering van de
prijzengelden van de rennen verzekert die de inkomsten zijn van de socioprofessionele actoren van de rensector en
anderzijds de organisatie van rennen mogelijk maakt. Dit is het algemeen ondernemingsmodel van de paardenren-
sector. Daarom is het belangrijk dat de rensector de normale financiering krijgt vanuit de weddenschappen en, wat de
vergunde inrichters van weddenschappen betreft, dat zij (kwalitatieve) rennen voorhanden hebben waar wedden-
schappen op kunnen worden aangeboden en dienen zij daarbij een duidelijk kader te hebben om te beschikken over
de gegevens en televisiebeelden van deze rennen. Indien er geen terugvloei komt van de weddenschappen kan de
paardenrensector nooit functioneren en kunnen geen veilige weddenschappen op paardenwedrennen worden
aangeboden.
[...]
Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 10 januari 2010 blijkt dat de wetgever met deze wetswijziging
een drievoudig doel nastreeft :
(i) de vrijwaring van het financiële evenwicht van de sector van de paardenwedrennen en, meer bepaald, van de
renverenigingen die deze verzekeren;
(ii) de bestrijding van de criminaliteit en de fraude; en ten slotte
(iii) de bestrijding van spelverslaving en de bescherming van de consument.
[...]
De wetgever had dus duidelijke bedoelingen ter ondersteuning van de paardenrensector. De kosten gemaakt door
de rensector voor het organiseren van de rennen zijn in essentie kosten voor gemeenschappelijke diensten ten voordele
van de rensector zelf en van de inrichters van weddenschappen op die rennen, waardoor het billijk is dat die laatste
aldus die kosten mede dekken.
De bestaande kansspelwetgeving voorziet dan ook reeds in een conventionele ondersteuning van de paardenren-
sector, maar slechts inzake onderlinge weddenschappen op paardenwedrennen gelopen in het buitenland. Daarnaast
bekomen de renverenigingen in functie van de wet financiële inkomsten uit de commerciële overeenkomsten die zij
sluiten met de vergunninghouders F1 die weddenschappen aanbieden op paardenrennen gelopen in het binnenland.
Gedurende enige jaren was dit systeem - mogelijk gemaakt door de dan gewijzigde wet - de levenslijn van de
paardenwedrennen in België. Echter, de gewijzigde wet is niet voldoende want in de praktijk is deze contractueel
bepaalde ondersteuning niet (langer) functioneel zodat dit nu geenszins voldoet om de paardenrensector, die al de
kosten draagt voor de vereiste kwaliteit, de nodige zuurstof te geven. Een aantal aandachtspunten moeten daarenboven
bij een aanpassing van de wet beter geregeld worden.
Deze wetswijziging houdt geen nieuwe beleidslijn in, maar is een technische wijziging om het bestaande beleid
opnieuw te bekrachtigen.
Een uitwerking van de beoogde doelstelling van ondersteuning voor de sector
Algemene krachtlijnen
Teneinde deze financiële ondersteuning van de paardenrensport terug op punt te zetten, is een wijziging nodig aan
het bestaande systeem. Dit kan worden bereikt door een veralgemeende conventionele return te voorzien in de
Kansspelwet. De wettelijk aangestuurde conventionele return geldt niet enkel meer voor de onderlinge wedden-
schappen maar wordt veralgemeend naar elk type van weddenschap op paardenrennen (onderling en tegen notering),
zowel voor rennen gelopen in het binnenland als in het buitenland. [...]
Rechten op de beelden
Een tweede kwestie waarmee vergunde inrichters van weddenschappen op de paardenwedrennen kampen betreft
de televisiebeelden van de rennen. De verdeling van de beelden van de paardenwedrennen gelopen in België is een
onduidelijk kluwen. De renverenigingen zijn de respectievelijke rechtenhouders van de beelden van de rennen die bij
hen worden gelopen.
In een context waarbinnen de operatoren voor alle weddenschappen op paardenwedrennen een afdracht moeten
maken aan de paardenrensector, is het gepast een vereenvoudigd systeem in werking te stellen voor het gebruik van
de beelden en gegevens van de paardenwedrennen door de wedoperatoren in kwestie. De - conventioneel bepaalde
maar wettelijk aangestuurde - afdracht van de wedoperatoren komt ten gunste van de renverenigingen. Deze
renverenigingen zijn eigenaar van de gegevens (programma van de rennen van de verschillende renverenigingen,
deelnemerslijsten, resultaten, etc.) en beelden van rennen gelopen op hun renbaan. Een regeling inzake de rechten op
de beelden en de gegevens van paardenwedrennen dient deel uit te maken van de overeenkomst te sluiten tussen de
renvereniging(en) en de vergunninghouder F1P. Rechtmatige aanbieders van weddenschappen op paardenwedrennen
dienen op eenvormige wijze die rechten te kunnen bekomen.
Belang van bescherming van de speler en integriteit
Een derde kwestie betreft correcte spelersbescherming en integriteit van de paardensport binnen een stabiel
regulerend kader. Hierin is een belangrijke rol weggelegd voor de overkoepelende beheersorganen inzake
paardenrensport (Belgische Federatie voor Paardenwedrennen vzw). Zij heeft een coördinerende functie tussen de
renverenigingen, is verantwoordelijk voor het algemene beheer van de paardenwedrensport, en kan een rol opnemen
in de strijd tegen match-fixing. Dit impliceert onder meer participatie van de Federatie in het Nationaal Platform, dat
19726 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

als overlegorgaan moet dienen tussen de overheid, de opsporingspartners, de Kansspelcommissie en de sportsector,


met als doel de informatiestromen tussen de verschillende stakeholders te verbeteren. De Federatie staat dus enerzijds
in voor het toezicht op een geoptimaliseerde organisatie en beheer van paardenwedrennen en anderzijds voor het
bewaren van de integriteit van de paardenrensport » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3327/002, pp. 37-41).
En :
« De wijzigingen aan artikel 43/2 van de Kansspelwet zijn erop gericht een veralgemeende return aan de
paardenrensector mogelijk te maken. Het is op heden weinig logisch dat de voornaamste bron van kostendekking van
de Belgische paardenrensector is gebaseerd op de onderlinge weddenschappen op buitenlandse paardenwedrennen.
Een wettelijk aangestuurde conventionele return wordt dan ook veralgemeend naar elk type van weddenschap op
paardenrennen (onderling en tegen notering), zowel voor rennen gelopen in het binnenland als in het buitenland.
Deze veralgemeende return kan worden bewerkstelligd door alle vormen van weddenschappen op paardenwed-
rennen onderhevig te maken aan een akkoord met de paardenrensector (zoals nu voor de onderlinge weddenschappen,
waarover de Kansspelwet stelt dat ze ’ enkel worden ingericht door of mits toestemming van de renvereniging ’).
Dit gebeurt door elke vorm van weddenschappen op paardenwedrennen voor te behouden aan die inrichters van
weddenschappen die onderlinge weddenschappen aanbieden op paardenwedrennen gelopen in België, waarvoor een
overeenkomst moet worden gesloten met de erkende renverenigingen. In deze overeenkomst kunnen de ren-
verenigingen een financiële return opnemen ten bate van de paardenrensector.
Daarbij is het van belang te erkennen dat zowel voor de paardenrensector als voor de sector van de inrichters van
weddenschappen de werkbaarheid van het systeem baat heeft bij een one-stop-shop voor de wedoperatoren om de totale
toestemming voor het geheel van weddenschappen op paardenwedrennen te verkrijgen. Om deze redenen moeten de
renverenigingen zich verenigen opdat de wedoperatoren een overeenkomst kunnen sluiten over het geheel van alle
vormen van weddenschappen op paardenwedrennen (onderling en tegen notering, gelopen in België alsook in het
buitenland). Voor weddenschappen die worden aangeboden binnen de omheining van de renbaan, moet nog steeds
enkel met de renvereniging in kwestie worden gecontracteerd. Indien de wedoperator enkel weddenschappen zou
willen aanbieden op paardenwedrennen georganiseerd door een specifieke renvereniging, zal deze nog steeds enkel
met deze renvereniging kunnen contracteren » (ibid., pp. 44-45).
De bevoegdheidsverdeling
B.7. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 leiden een tweede middel af uit de schending, door artikel 21, 4o,
van de wet van 7 mei 2019, van de artikelen 39 en 127 van de Grondwet en van de artikelen 4, 9o, en 6, § 1, V, eerste
lid, 1o, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van
8 augustus 1980).
Zij doen gelden dat de bestreden bepaling enkel tot doel heeft de sector van de paardenwedrennen te financieren
en dat zij bijgevolg niet tot de federale bevoegdheid inzake spelen en weddenschappen maar tot de gemeenschaps-
bevoegdheid inzake sport of tot de gewestelijke bevoegdheid inzake landbouwbeleid behoort.
B.8.1. Artikel 39 van de Grondwet bepaalt :
« De wet draagt aan de gewestelijke organen welke zij opricht en welke samengesteld zijn uit verkozen
mandatarissen de bevoegdheid op om de aangelegenheden te regelen welke zij aanduidt met uitsluiting van die
bedoeld in de artikelen 30 en 127 tot 129 en dit binnen het gebied en op de wijze die zij bepaalt. Deze wet moet worden
aangenomen met de meerderheid bepaald in artikel 4, laatste lid ».
Artikel 127 van de Grondwet bepaalt :
« § 1. De Parlementen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap regelen, elk voor zich, bij decreet :
1o de culturele aangelegenheden;
2o het onderwijs, met uitsluiting van :
a) de bepaling van het begin en het einde van de leerplicht;
b) de minimale voorwaarden voor het uitreiken van de diploma’s;
c) de pensioenregeling;
3o de samenwerking tussen de gemeenschappen, alsook de internationale samenwerking, met inbegrip van het
sluiten van verdragen, voor de aangelegenheden bedoeld in 1o en 2o.
Een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid, stelt de in 1o vermelde culturele
aangelegenheden, de in 3o vermelde vormen van samenwerking, alsook de nadere regelen voor het in 3o vermelde
sluiten van verdragen vast.
§ 2. Deze decreten hebben kracht van wet respectievelijk in het Nederlandse taalgebied en in het Franse taalgebied,
alsmede ten aanzien van de instellingen gevestigd in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad die, wegens hun
activiteiten, moeten worden beschouwd uitsluitend te behoren tot de ene of de andere gemeenschap ».
Artikel 4, 9o, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt :
« De culturele aangelegenheden bedoeld in artikel 127, § 1, 1o, van de Grondwet zijn :
[...]
9o De lichamelijke opvoeding, de sport en het openluchtleven ».
Artikel 6, § 1, V, eerste lid, 1o, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt :
« De aangelegenheden bedoeld in artikel 39 van de Grondwet zijn :
[...]
V. Wat de landbouw betreft :
1o het landbouwbeleid en de zeevisserij ».
B.8.2. De federale overheid is bevoegd om de spelen en weddenschappen te regelen, om de voorwaarden te
bepalen waaronder de door haar toegestane activiteiten kunnen worden uitgeoefend, en om de controle ervan te
organiseren.
B.8.3. Zonder dat het nodig is zich uit te spreken over de vraag of maatregelen met betrekking tot
paardenwedrennen tot de respectieve bevoegdheden van de gemeenschappen en de gewesten inzake sport of
landbouw behoren, stelt het Hof vast dat de artikelen 21, 3o en 4o, van de wet van 7 mei 2019 te dezen geen betrekking
hebben op de vergunning voor paardenwedrennen op zich, maar betrekking hebben op de vergunning voor
weddenschappen op paardenwedrennen, op de contractuele relatie tussen de organisatoren van weddenschappen op
paardenwedrennen en de renverenigingen en op de vergoeding die de eerstgenoemden dienen te betalen aan de
laatstgenoemden.
B.8.4. Zulke maatregelen behoren niet tot de beroepssport, noch tot de sport voor liefhebbers, bevoegdheden die
artikel 4, 9o, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 aan de gemeenschappen toevertrouwt door lichamelijke
opvoeding, sport en openluchtleven bij de culturele aangelegenheden onder te brengen. In de parlementaire
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19727

voorbereiding van de wet van 21 juli 1971 « betreffende de bevoegdheid en de werking van de cultuurraden voor de
Nederlandse cultuurgemeenschap en voor de Franse cultuurgemeenschap » (waarvan artikel 2, eerste lid, 9o, die
aangelegenheden beoogde met dezelfde bewoordingen als artikel 4, 9o, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980)
wordt overigens aangegeven dat de wetgever de reglementering van weddenschappen daarvan heeft willen uitsluiten
(Parl. St., Senaat, 1970-1971, nr. 400, p. 6).
B.8.5. Dergelijke maatregelen behoren evenmin tot het landbouwbeleid dat onder de bevoegdheid van de gewesten
valt krachtens artikel 6, § 1, V, eerste lid, 1o, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, en dat, onder voorbehoud van
de in het tweede lid van die bepaling bedoelde uitzonderingen, het overleg over en de uitvoering van het
gemeenschappelijk landbouwbeleid omvat, alsook de normen met betrekking tot de kwaliteit van de grondstoffen en
van de plantaardige en dierlijke producten wanneer het niet gaat om de veiligheid van de voedselketen, de
compensatiemaatregelen voor activiteitsvermindering van landbouwers, of de structurele steun (Parl. St., Senaat,
2000-2001, nr. 2-709/7, pp. 4 en volgende).
B.8.6. Dergelijke maatregelen behoren tot de federale bevoegdheid inzake spelen en weddenschappen.
B.9. Het tweede middel in de zaak nr. 7277 is niet gegrond.
De vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten
B.10.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 leiden een achtste middel, eerste onderdeel, af uit de schending,
door de artikelen 21, 3o en 4o, en 22 van de wet van 7 mei 2019, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet
in samenhang gelezen met artikel 23, derde lid, 1o, van de Grondwet en met de artikelen 49, 52, 54, 56, 57 en 62 van
het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU).
B.10.2. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7289 en 7291 leiden een tweede middel, tweede onderdeel, af uit
de schending, door artikel 21, 3o en 4o, van de wet van 7 mei 2019, van de artikelen 49 en 56 van het VWEU, in
samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
B.10.3. In essentie doen de verzoekende partijen in de zaken nrs. 7277, 7289 en 7291 gelden dat de bestreden
bepalingen, in zoverre zij de organisatie van weddenschappen op paardenwedrennen afhankelijk maken van de
toestemming van de renverenigingen en van het betalen van een vergoeding aan die renverenigingen, een beperking
van de vrijheid van vestiging en van het vrij verrichten van diensten uitmaken die niet redelijk verantwoord is.
B.11. Wanneer een verzoekende partij, in het kader van een beroep tot vernietiging, de schending aanvoert van de
artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met andere grondwetsartikelen of internationale bepalingen
of met algemene rechtsbeginselen die een fundamentele waarborg bevatten, bestaat het middel erin dat zij van oordeel
is dat een verschil in behandeling wordt ingesteld doordat die fundamentele waarborg haar wordt ontnomen door de
bepaling die zij met het beroep bestrijdt, terwijl die waarborg voor andere burgers onverminderd geldt.
De categorie van personen die die fundamentele waarborg zou zijn ontnomen, dient aldus te worden vergeleken
met de categorie van personen voor wie die waarborg geldt.
Het Hof onderzoekt de middelen in die zin.
B.12.1. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk
Hof, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving
waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten
in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden.
B.12.2. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 zetten niet uiteen in welk opzicht artikel 22 van de wet van
7 mei 2019, dat aan de organisatoren van weddenschappen op paardenwedrennen de verplichting oplegt om een
vergunning F1P te verkrijgen en om de door de Koning bepaalde nadere voorwaarden na te leven, de in het middel
bedoelde bepalingen zou schenden.
Het eerste onderdeel van het achtste middel in de zaak nr. 7277 is niet ontvankelijk in zoverre het tegen artikel 22
van de wet van 7 mei 2019 is gericht.
B.13.1. De weddenschappen op sportwedstrijden, met inbegrip van de paardenwedrennen, bieden, tegen een inleg
die als betaling geldt, uitzicht op een geldprijs (HvJ, grote kamer, 8 september 2010, C-46/08, Carmen Media Group Ltd,
punt 40; 21 oktober 1999, C-67/98, Zenatti, punt 18). Zij vormen dus een economische activiteit, waarvoor de in het
VWEU neergelegde economische vrijheden, waaronder de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten,
gelden (HvJ, grote kamer, 8 september 2010, C-46/08, Carmen Media Group Ltd, punt 41; 11 september 2003, C-6/01,
Anomar, punten 44 en 47).
B.13.2.1. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat een maatregel een beperking van de door de
artikelen 49 en 56 van het VWEU gewaarborgde vrijheid van vestiging en vrijheid van dienstverrichting uitmaakt
wanneer die maatregel de uitoefening van die vrijheden verbiedt, belemmert of minder aantrekkelijk maakt (HvJ,
22 januari 2015, C-463/13, Stanley International Betting Ltd, punt 45).
B.13.2.2. Aangezien het de organisatie van weddenschappen op paardenwedrennen afhankelijk maakt van de
toestemming van de renverenigingen en van het betalen van een vergoeding aan die renverenigingen, brengt artikel 21,
3o en 4o, van de wet van 7 mei 2019 een beperking van de vrijheid van vestiging en van het vrij verrichten van diensten
met zich mee.
B.13.3. Om bestaanbaar te zijn met de artikelen 49 en 56 van het VWEU, moet een zonder onderscheid van
toepassing zijnde maatregel die de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten beperkt, rechtvaardiging
vinden in een dwingende reden van algemeen belang, moet hij geschikt zijn om de verwezenlijking van het
nagestreefde doel te verzekeren, hetgeen inhoudt dat hij daadwerkelijk moet tegemoetkomen aan de bekommernis om
het op samenhangende en stelselmatige wijze te bereiken, en mag hij niet verder gaan dan ter bereiking van dat doel
noodzakelijk is (HvJ, 22 juni 2017, C-49/16, Unibet International Ltd., punt 40; grote kamer, 8 september 2010, C-46/08,
Carmen Media Group Ltd, punt 55; 6 november 2003, C-243/01, Gambelli, punt 65).
B.13.4.1. Op het gebied van kansspelen en weddenschappen heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat de
doelstellingen inzake fraudebestrijding, consumentenbescherming en bescherming van de maatschappelijke orde
dwingende redenen van algemeen belang uitmaken die beperkingen van de vrijheid van vestiging en van het vrij
verrichten van diensten kunnen rechtvaardigen (HvJ, 22 juni 2017, C-49/16, Unibet International Ltd, punt 36;
30 juni 2011, C-212/08, Zeturf Ltd, punt 38; 8 september 2009, C-42/07, Liga Portuguesa de Futebol Profissional en Bwin
International Ltd, punt 56). Bovendien kunnen, volgens het Hof van Justitie, de bijzonderheden van morele, religieuze
of culturele aard en de aan kansspelen en weddenschappen verbonden moreel en financieel schadelijke gevolgen voor
het individu en de samenleving rechtvaardigen dat de nationale autoriteiten over voldoende beoordelingsvrijheid
beschikken om te bepalen wat noodzakelijk is voor de bescherming van de consument en van de maatschappelijke orde
(HvJ, 3 juni 2010, C-258/08, Ladbrokes Betting & Gaming Ltd en Ladbrokes International Ltd, punt 19).
19728 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

Daarentegen is het Hof van Justitie van oordeel dat, hoewel het niet onbelangrijk is dat de afhouding op de
opbrengsten uit legale kansspelen significant kan bijdragen tot de financiering van onbaatzuchtige activiteiten of
activiteiten van algemeen belang, een dergelijk motief slechts een bijkomstig gunstig gevolg en niet de werkelijke
rechtvaardiging van het ingevoerde restrictieve beleid kan vormen, aangezien louter economische motieven geen
dwingende reden van algemeen belang vormen die een beperking van de vrijheid van vestiging of van het vrij
verrichten van diensten kan rechtvaardigen (HvJ, 30 juni 2011, C-212/08, Zeturf Ltd, punt 52; 21 oktober 1999, C-67/98,
Zenatti, punt 36).
B.13.4.2. Zoals in B.6.3 is vermeld, strekt de bestreden bepaling ertoe de bescherming van de spelers te versterken
en de integriteit van de weddenschappen op paardenwedrennen te waarborgen door voor de financiering van de sector
van de paardenwedrennen te zorgen.
De bescherming van de spelers en de bestrijding van fraude door de integriteit van de weddenschappen op
paardenwedrennen te waarborgen, vormen dwingende redenen van algemeen belang.
B.13.5. In zoverre zij de organisatie van weddenschappen op paardenwedrennen onderwerpt aan de toestemming
van de renverenigingen en aan het betalen van een vergoeding aan die renverenigingen, is de bestreden bepaling
pertinent ten aanzien van de nagestreefde doelstellingen. In de parlementaire voorbereiding wordt immers
beklemtoond dat « de integriteit van de weddenschappen [...] verbonden [is] met een professionele organisatie van de
paardensector die een structurele ondersteuning nodig heeft om hun activiteiten te kunnen blijven ontwikkelen » en
dat, « indien er geen terugvloei komt van de weddenschappen [,] [...] de paardenrensector nooit [kan] functioneren en
[...] geen veilige weddenschappen op paardenwedrennen [kunnen] worden aangeboden » (Parl. St., Kamer, 2018-2019,
DOC 54-3327/002, pp. 37-38).
Bovendien komt de bestreden bepaling tegemoet aan de bekommernis om de nagestreefde doelstellingen op
samenhangende en stelselmatige wijze te bereiken. De bestreden bepaling, die past in het kader van de
kanalisatiedoelstelling die meer algemeen bij de wet van 7 mei 1999 wordt nagestreefd, is van dien aard dat zij de
spelers stuurt in de richting van een legaal aanbod van weddenschappen op paardenwedrennen die worden
georganiseerd op wedrennen waarvan de kwaliteit en het voortbestaan worden verzekerd door de financiering die
afkomstig is van de sector van de weddenschappen. In dat verband dient te worden beklemtoond dat het Hof van
Justitie heeft geoordeeld dat een beleid dat is gericht op een gecontroleerde expansie van kansspelactiviteiten, in
overeenstemming kan zijn met zowel de doelstelling de exploitatie van kansspelactiviteiten voor criminele of
frauduleuze doeleinden te voorkomen als de doelstelling te voorkomen dat personen tot geldverkwisting door gokken
worden aangezet en gokverslaving te bestrijden, doordat dat beleid de consument stuurt in de richting van het aanbod
van aanbieders met een vergunning (HvJ, 28 februari 2018, C-3/17, Sporting Odds Ltd, punt 29).
B.13.6.1. Het Hof dient nog te onderzoeken of de bestreden bepaling evenredig is met de nagestreefde
doelstellingen.
B.13.6.2. De verwezenlijking van de nagestreefde doelstellingen vereist niet dat aan de renverenigingen het recht
wordt toegekend om de organisatie, van weddenschappen op paardenwedrennen door de personen aan wie de
Kansspelcommissie een vergunning F1P heeft toegekend, te weigeren.
Hierdoor is de bestreden bepaling van dien aard dat zij een belangenconflict in het leven roept bij de
renverenigingen. Aangezien het niet uitgesloten is dat de renverenigingen houder kunnen zijn van een vergunning F1P,
kunnen zij immers een financieel belang erbij hebben om geen toestemming te verlenen aan hun concurrenten indien
zij zelf houder zijn van een vergunning F1P. Meer in het algemeen kan de bestreden bepaling de renverenigingen, ook
diegenen die geen houder zijn van een vergunning F1P, ertoe aanzetten om uitsluitend in te stemmen met de
aanbieding van weddenschappen die uitgaan van vergunninghouders die bereid zijn om de voor de renvereniging
voordeligste contractuele voorwaarden te bieden, en als dusdanig een opbod tussen vergunninghouders te organiseren.
B.13.6.3. Volgens de parlementaire voorbereiding strekt de vergoeding die de vergunninghouders F1P aan de
renverenigingen moeten betalen, ertoe, enerzijds, de eerstgenoemden te laten bijdragen in de kosten die door de
laatstgenoemden zijn gemaakt voor het organiseren van de wedrennen, aangezien die kosten « in essentie kosten [zijn]
voor gemeenschappelijke diensten ten voordele van de rensector zelf en van de inrichters van weddenschappen op die
rennen » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3327/002, p. 39), en vormt zij, anderzijds, de tegenprestatie voor het
gebruik van de beelden en gegevens van de paardenwedrennen door de vergunninghouders F1P (ibid., p. 40).
Wat betreft de paardenwedrennen die in België plaatsvinden, die worden georganiseerd door de renverenigingen
waaraan de vergoeding moet worden betaald, voorziet de bestreden bepaling niet in enig mechanisme aan de hand
waarvan kan worden verzekerd dat de vergoeding, in zoverre zij ertoe strekt de vergunninghouders F1P te laten
bijdragen in de door de renverenigingen gedragen kosten van gemeenschappelijk belang, die kosten niet overschrijdt.
Wat betreft de paardenwedrennen die in het buitenland plaatsvinden, die niet worden georganiseerd door de
renverenigingen waaraan de vergoeding moet worden betaald, dient te worden vastgesteld, zonder dat het
noodzakelijk is te bepalen of de deelname van « Belgische paarden » aan buitenlandse paardenwedrennen kan
verantwoorden dat aan die renverenigingen een vergoeding wordt betaald, dat de bestreden bepaling de vergoeding
niet verbindt met de deelname van « Belgische paarden » aan buitenlandse paardenwedrennen.
B.13.6.4. Uit het voorgaande vloeit voort dat de beperking van de vrijheid van vestiging en van het vrij verrichten
van diensten die de bestreden bepaling met zich meebrengt, niet evenredig is met de nagestreefde doelstellingen.
B.14. Artikel 21, 3o en 4o, van de wet van 7 mei 2019 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang
gelezen met de artikelen 49 en 56 van het VWEU. De gecombineerde lezing van die bepalingen met de andere in het
middel bedoelde bepalingen kan niet tot een ruimere vaststelling van schending leiden.
Artikel 21, 3o en 4o, van de wet van 7 mei 2019 dient te worden vernietigd.
Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie en het Europese mededingingsrecht
B.15.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 leiden een zevende middel af uit de schending van de
artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de artikelen 21, 3o en 4o, en 22 van de wet van 7 mei 2019.
In een eerste onderdeel doen zij gelden dat de bestreden bepalingen een onverantwoord verschil in behandeling
doen ontstaan tussen de organisatoren van weddenschappen op paardenwedrennen, die een overeenkomst met de
renverenigingen moeten sluiten en hun een vergoeding moeten betalen, en de organisatoren van weddenschappen in
alle andere domeinen, die niet aan enige financiële verplichting worden onderworpen.
In een tweede onderdeel doen zij gelden dat de bestreden bepalingen een onverantwoord verschil in behandeling
doen ontstaan tussen, enerzijds, de vergunninghouders F1P en de vaste kansspelinrichtingen klasse IV die hun
weddenschappen aannemen en, anderzijds, de dagbladhandelaars, de Nationale Loterij en de organisatoren die
weddenschappen aannemen op renbanen, in zoverre de tweede categorie noch een overeenkomst met de
renverenigingen moet sluiten, noch hun een vergoeding moet betalen.
B.15.2. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 leiden een achtste middel, tweede onderdeel, af uit de
schending, door de artikelen 21, 3o en 4o, en 22 van de wet van 7 mei 2019, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet,
al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 101, 102 en 106 van het VWEU.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19729

Zij doen gelden dat de bestreden bepalingen, wat betreft de paardenwedrennen die in België plaatsvinden, alle
renverenigingen ertoe brengen gezamenlijk te onderhandelen met de organisatoren van weddenschappen en dat zij
bijgevolg elke concurrentie tussen de renverenigingen afschaffen. Bovendien doen zij gelden dat de renverenigingen,
wat betreft de paardenwedrennen die in het buitenland plaatsvinden, onvermijdelijk ertoe worden gebracht misbruik
te maken van de machtspositie die de bestreden bepalingen hun toekennen.
B.15.3. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7289 en 7291 leiden een eerste middel af uit de schending, door
artikel 21, 3o en 4o, van de wet van 7 mei 2019, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met
de artikelen 102 en 106 van het VWEU.
Zij doen gelden dat de bestreden bepalingen, door aan de door de bevoegde federatie erkende renverenigingen de
bevoegdheid toe te vertrouwen om de organisatie van weddenschappen op paardenwedrennen toe te staan op
wedrennen die in België of in het buitenland plaatsvinden, aan die verenigingen bijzondere rechten toekennen
waardoor ze hun concurrenten op de markt van de weddenschappen op paardenwedrennen kunnen uitschakelen.
B.16.1. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk
Hof, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving
waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten
in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden.
B.16.2. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 zetten niet uiteen in welk opzicht artikel 22 van de wet van
7 mei 2019, dat aan de organisatoren van weddenschappen op paardenwedrennen de verplichting oplegt om een
vergunning F1P te verkrijgen en om de door de Koning bepaalde nadere voorwaarden na te leven, enerzijds, de
artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk gelezen, en, anderzijds, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in
samenhang gelezen met de artikelen 101, 102 en 106 van het VWEU, zou schenden.
Het zevende middel en het achtste middel, tweede onderdeel, in de zaak nr. 7277 zijn niet ontvankelijk in zoverre
zij tegen artikel 22 van de wet van 7 mei 2019 zijn gericht.
B.17. In zoverre zij tegen artikel 21, 3o en 4o, van de wet van 7 mei 2019 zijn gericht, kunnen het zevende middel
en het tweede onderdeel van het achtste middel in de zaak nr. 7277 en het eerste middel in de zaken nrs. 7289 en 7291
geen aanleiding geven tot een ruimere vernietiging dan die welke in B.14 is vermeld. Bijgevolg dienen zij niet te worden
onderzocht.
Wat betreft de verplichting voor de vaste kansspelinrichtingen klasse IV om met de gemeenten een convenant te sluiten en
wat betreft de lokalisatiebeperkingen die op hen van toepassing zijn (derde, negende en tiende middel in de zaak nr. 7277; eerste,
tweede en derde middel in de zaak nr. 7279; tweede middel, derde en vierde onderdeel, in de zaak nr. 7289; tweede middel in de zaak
nr. 7296)
De bestreden bepalingen
B.18.1. Artikel 23, 1o, van de wet van 7 mei 2019 bepaalt :
« In artikel 43/4 van [de wet van 7 mei 1999], ingevoegd bij de wet van 10 januari 2010, worden de volgende
wijzigingen aangebracht :
1o paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende :
’ De uitbating van een vaste kansspelinrichting klasse IV moet geschieden krachtens een convenant dat
voorafgaandelijk wordt gesloten tussen de gemeente van vestiging en de uitbater. Het convenant bepaalt waar de
kansspelinrichting wordt gevestigd alsook de nadere voorwaarden, de openings- en sluitingsuren, alsook de openings-
en sluitingsdagen van de kansspelinrichtingen klasse IV en wie het gemeentelijk toezicht waarneemt. ’ ».
Artikel 24, 2o en 3o, van de wet van 7 mei 2019 bepaalt :
« In artikel 43/5 van [de wet van 7 mei 1999], ingevoegd bij de wet van 10 januari 2010, worden de volgende
wijzigingen aangebracht :
[...]
2o het eerste lid wordt aangevuld met de bepalingen onder 5. en 6., luidende :
’ 5. ervoor zorgen dat de kansspelinrichting klasse IV niet gevestigd wordt in de nabijheid van onderwijs-
instellingen, ziekenhuizen, plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht, zulks behoudens met redenen omklede
afwijking die door de gemeente wordt toegestaan;
6. het convenant kunnen voorleggen dat werd gesloten tussen de kansspelinrichting klasse IV en de gemeente
waar die inrichting gevestigd is onder de voorwaarde dat de vergunning van klasse F2 wordt verkregen. ’;
3o het artikel wordt aangevuld met het volgende lid :
’ De bepalingen onder 5. en 6. van het eerste lid zijn niet van toepassing op de aanvragers van vergunningen
klasse F2 voor het aannemen van weddenschappen buiten een kansspelinrichting klasse IV bedoeld in artikel 43/4,
§ 5, of voor het aannemen van weddenschappen in een mobiele kansspelinrichting bedoeld in artikel 43/4, § 2,
vijfde lid. ’ ».
Artikel 36 van de wet van 7 mei 2019 bepaalt :
« In afwijking van de artikelen 23, eerste lid, 1o, en 24, kunnen de vergunninghouders F1 en F2, die, op het tijdstip
van de inwerkingtreding van deze wet, over een door de kansspelcommissie toegekende vergunning beschikken, hun
activiteiten onder dezelfde voorwaarden voortzetten.
De voorwaarden bedoeld in de artikelen 23, eerste lid, 1o, en 24, zijn van toepassing op de aanvragen van een
vergunning en op de aanvragen om hernieuwing van een vergunning ingediend ten vroegste twee jaar na de
inwerkingtreding van deze wet ».
B.18.2. Bij de artikelen 23, 1o, en 24, 2o en 3o, van de wet van 7 mei 2019 worden twee nieuwe verplichtingen
opgelegd aan de vaste kansspelinrichtingen klasse IV.
Enerzijds vereist de exploitatie van die inrichtingen voortaan dat een convenant wordt gesloten met de gemeente
van vestiging. Dat convenant bepaalt waar de kansspelinrichting wordt gevestigd alsook de nadere voorwaarden, de
openings- en sluitingsuren, de openings- en sluitingsdagen en wie het gemeentelijk toezicht waarneemt (artikelen 43/4,
§ 1, vierde lid, en 43/5, eerste lid, 6o, van de wet van 7 mei 1999, ingevoegd bij de artikelen 23, 1o, en 24, 2o, van de
wet van 7 mei 2019).
Anderzijds mogen de vaste kansspelinrichtingen klasse IV niet worden gevestigd in de nabijheid van
onderwijsinstellingen, ziekenhuizen en plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht, behoudens een met redenen
omklede afwijking die door de gemeente wordt toegestaan (artikel 43/5, eerste lid, 5o, van de wet van 7 mei 1999,
ingevoegd bij artikel 24, 2o, van de wet van 7 mei 2019).
Artikel 36 van de wet van 7 mei 2019 voorziet in een overgangsregeling volgens welke die twee verplichtingen van
toepassing zijn op de vergunningsaanvragen en op de aanvragen tot hernieuwing van een vergunning die ten vroegste
twee jaar na de inwerkingtreding van de wet van 7 mei 2019 zijn ingediend.
19730 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

De twee voormelde verplichtingen zijn noch op de mobiele kansspelinrichtingen klasse IV, noch op de
dagbladhandelaars, noch op de renbanen van toepassing (artikel 43/5, derde lid, van de wet van 7 mei 1999, ingevoegd
bij artikel 24, 3o, van de wet van 7 mei 2019).
B.18.3. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat die twee nieuwe verplichtingen die van toepassing zijn op de
vaste kansspelinrichtingen klasse IV, ertoe strekken de rol van de gemeenten bij het toezicht op die inrichtingen te
versterken en de sociale risico’s in verband met de ligging ervan te beperken en dat zij aansluiten bij het algemene doel
van bescherming van de spelers. Bovendien wordt in de parlementaire voorbereiding beklemtoond dat de artikelen 34,
derde lid, en 36, 4o en 5o, van de wet van 7 mei 1999 reeds soortgelijke verplichtingen opleggen aan de
kansspelinrichtingen klasse II. In de parlementaire voorbereiding wordt aldus uiteengezet :
« De uitbating van een vaste kansspelinrichting klasse IV moet geschieden krachtens een convenant dat wordt
gesloten tussen de gemeente van vestiging en de uitbater. Dat convenant bepaalt waar de kansspelinrichting wordt
gevestigd, inzonderheid rekening houdend met onderwijsinstellingen, ziekenhuizen, plaatsen die vooral door jongeren
worden bezocht, plaatsen waar erediensten worden gehouden of gevangenissen. Dat convenant bepaalt ook de nadere
voorwaarden, de openings- en sluitingsuren en de openings- en sluitingsdagen van de kansspelinrichtingen klasse IV
en wie het gemeentelijk toezicht waarneemt.
Dankzij dat convenant krijgen de gemeenten daadwerkelijk zeggenschap in deze vergunning en wordt een deel
van de controle op deze kansspelinrichtingen in handen van de gemeente gegeven. Dat is logisch gelet op de opdracht
van controle van de orde, rust en veiligheid op haar grondgebied.
Een dergelijke bepaling is niet nieuw in de kansspelwet. Die voorwaarde bestaat immers al voor de
speelautomatenhallen (art. 34, derde lid, van de wet).
[...]
Artikel 14 voegt twee extra voorwaarden toe waaraan de aanvragen van een vergunning klasse F1 en F2 moeten
voldoen.
De eerste voorwaarde strekt ertoe de risico’s van sociale aard, die gepaard gaan met de vestiging van wedkantoren,
te beperken. Die mogen niet worden gevestigd in de nabijheid van plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht
of onderwijsinstellingen. Het gaat hier om scholen, jeugdhuizen, enz. Evenzo mag een wedkantoor niet worden
gevestigd in de nabijheid van ziekenhuizen waar inzonderheid personen worden behandeld wegens spelgerelateerde
problemen.
Deze voorwaarde lijkt op degene die bestaat voor de aanvragers van een vergunning klasse B (art. 36.4 van de wet).
Een afwijking op deze voorwaarde is evenwel mogelijk op grond van een motivering van de gemeente. Als de
gemeente in het convenant dat zij met de inrichting heeft afgesloten, voldoende beschermingsmaatregelen heeft
genomen ten aanzien van de potentiële speler, kan van deze voorwaarde afgeweken worden, bijvoorbeeld als een
inrichting zich in de nabijheid van een school wil vestigen en de gemeente openingsuren heeft bepaald waardoor
jongeren er niet kunnen komen tijdens of kort voor en na de schooluren. De gemeente moet haar beslissing om de
vestiging in de nabijheid van onderwijsinstellingen, ziekenhuizen en plaatsen die vooral door jongeren worden
bezocht, niet te verbieden, uitdrukkelijk motiveren.
De tweede voorwaarde die wordt toegevoegd, houdt verband met artikel 13 van het ontwerp en meer in het
bijzonder met het gegeven dat de uitbating van een kansspelinrichting klasse IV moet geschieden krachtens een
convenant dat wordt gesloten tussen de gemeente van vestiging en de uitbater.
Om een vergunning klasse F2 te verkrijgen, moet de aanvrager voornoemd convenant voorleggen aan de
Kansspelcommissie. Zoals gezegd, bestaat een dergelijke voorwaarde al voor de aanvragers van een vergunning
klasse B (art. 36.5 van de wet).
Daarbij moet worden opgemerkt dat deze twee nieuwe voorwaarden niet van toepassing zijn op krantenwinkels
en renbanen, en ook niet op de mobiele inrichtingen klasse IV, zulks wegens het beperkte bedrag van de inzet in
krantenwinkels en het tijdelijke karakter van renbanen en mobiele inrichtingen » (Parl. St., Kamer, 2018-2019,
DOC 54-3327/001, pp. 12-14).
De bevoegdheidsverdeling
B.19. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 leiden een derde middel af uit de schending, door de artikelen 23,
1o, en 24, 2o en 3o, van de wet van 7 mei 2019, van artikel 39 van de Grondwet en van artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 1o,
van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.
In essentie doen zij gelden dat de bestreden bepalingen inbreuk maken op de bevoegdheid van de gewesten om
de bevoegdheden van de gemeenten te bepalen.
B.20.1. De samenstelling, de organisatie, de bevoegdheid en de werking van de gemeentelijke instellingen behoort
principieel tot de bevoegdheid van de gewesten krachtens artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 1o, van de bijzondere wet van
8 augustus 1980.
B.20.2. Artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 1o, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 en artikel 6, § 1, VIII,
tweede lid, van dezelfde bijzondere wet bepalen respectievelijk :
« De gemeenteraden en, in de mate dat deze bestaan, de provincieraden of de raden van bovengemeentelijke
besturen, regelen respectievelijk alles wat van gemeentelijk, provinciaal of bovengemeentelijk belang is; zij
beraadslagen en besluiten over elk onderwerp dat hen door de federale overheid of door de gemeenschappen is
voorgelegd »;
« De handelingen, reglementen en verordeningen van de overheden van de provincies, de bovengemeentelijke
besturen, de gemeenten, de agglomeraties en federaties van gemeenten en andere bestuursoverheden mogen niet in
strijd zijn met de wetten en de besluiten van de federale overheid of de decreten en besluiten van de gemeenschappen,
welke in elk geval die overheden met de uitvoering daarvan en met andere opdrachten, met inbegrip van het geven
van advies, kunnen belasten, alsook met het op de begroting brengen van alle uitgaven die zij aan deze overheden
opleggen ».
Uit die bepalingen blijkt dat de federale overheid taken kan toevertrouwen aan de gemeenten wanneer zij optreedt
in het kader van haar eigen bevoegdheden.
B.20.3. Aangezien de bevoegdheid van de federale overheid inzake spelen en weddenschappen haar de
mogelijkheid biedt de vaste kansspelinrichtingen klasse IV te regelen, is zij bevoegd om aan de gemeenten taken met
betrekking tot de toelating van en het toezicht op die inrichtingen toe te vertrouwen.
B.21. Het derde middel in de zaak nr. 7277 is niet gegrond.
De vergelijking tussen de vaste kansspelinrichtingen klasse IV en de kansspelinrichtingen klasse II en de overgangsregeling
B.22.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 leiden een negende middel, eerste onderdeel, af uit de
schending van de artikelen 10, 11 en 23, derde lid, 1o, van de Grondwet door de artikelen 23, 1o, en 24, 2o en 3o, van
de wet van 7 mei 2019.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19731

Zij doen gelden dat de bestreden bepalingen de vaste kansspelinrichtingen klasse IV en de kansspelinrichtingen
klasse II op identieke wijze behandelen, terwijl die twee categorieën van inrichtingen zich in verschillende situaties
bevinden.
B.22.2. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7296 leiden een tweede middel af uit de schending van de
artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de artikelen 24 en 36, tweede lid, van de wet van 7 mei 2019.
In het eerste en het tweede onderdeel doen zij gelden dat de bestreden bepalingen twee onverantwoorde
verschillen in behandeling doen ontstaan tussen de aanvragers van een vergunning F2 voor de exploitatie van een vaste
kansspelinrichting klasse IV en de aanvragers van een vergunning B voor de exploitatie van een kansspelinrichting
klasse II : enerzijds mogen enkel de laatstgenoemden zich niet vestigen in de nabijheid van plaatsen waar erediensten
worden gehouden en gevangenissen en, anderzijds, kunnen enkel de eerstgenoemden een door de gemeente met
redenen omklede afwijking genieten waardoor ze zich kunnen vestigen in de nabijheid van onderwijsinstellingen,
ziekenhuizen of plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht.
In het derde onderdeel doen zij gelden dat artikel 36, tweede lid, van de wet van 7 mei 2019 het bestaande maar
onverantwoorde verschil in behandeling tussen de vaste kansspelinrichtingen klasse IV en de kansspelinrichtingen
klasse II op onevenredige wijze bestendigt.
In het vierde onderdeel doen zij gelden dat uit de vorige onderdelen tegelijkertijd, enerzijds, een onverantwoord
verschil in behandeling tussen de spelers blijkt, in zoverre zij minder bescherming genieten in de vaste
kansspelinrichtingen klasse IV dan in de kansspelinrichtingen klasse II, en, anderzijds, een onverantwoord verschil in
behandeling tussen de buren van de kansspelinrichtingen, die naargelang van de klasse ervan meer of minder
beschermd zijn tegen de hinder die eruit voortvloeit.
B.22.3. De verzoekende partij in de zaak nr. 7279 leidt een tweede middel af uit de schending van het
rechtszekerheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel met grondwettelijke waarde.
Volgens haar stelt artikel 36 van de wet van 7 mei 2019 de inwerkingtreding van de bepalingen die erin worden
beoogd, uit tot een onbepaalde datum.
B.23. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 zetten niet uiteen in welk opzicht artikel 23, derde lid, 1o, van
de Grondwet zou zijn geschonden door de bestreden bepalingen.
Het eerste onderdeel van het negende middel in de zaak nr. 7277 is niet ontvankelijk in zoverre het is afgeleid uit
de schending van artikel 23, derde lid, 1o, van de Grondwet.
B.24. Uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat de grieven van de verzoekende partijen in de zaak nr. 7296 zijn
gericht tegen artikel 24, 2o, van de wet van 7 mei 2019 in zoverre het artikel 43/5, eerste lid, 5o, invoegt in de wet van
7 mei 1999 en tegen artikel 36, tweede lid, van de wet van 7 mei 2019. Wat de zaak nr. 7296 betreft, beperkt het Hof zijn
onderzoek bijgevolg tot die bepalingen.
B.25.1. Krachtens artikel 142, tweede lid, van de Grondwet en artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989
op het Grondwettelijk Hof is het Hof bevoegd om uitspraak te doen op de beroepen tot vernietiging van een wet, een
decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, wegens schending van de regels die door of krachtens
de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de federale overheid, de
gemeenschappen en de gewesten en wegens schending van de artikelen van titel II (« De Belgen en hun rechten ») en
van de artikelen 143, § 1, 170, 172 en 191 van de Grondwet.
B.25.2. Het Hof is niet bevoegd om een wet rechtstreeks te toetsen aan het rechtszekerheidsbeginsel.
B.25.3. Aangezien het tweede middel in de zaak nr. 7279 enkel is afgeleid uit de schending van het
rechtszekerheidsbeginsel, is het onontvankelijk.
B.26. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen
categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk
verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de
betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat
daarvoor een redelijke verantwoording bestaat.
Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de
gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid
en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de
aangewende middelen en het beoogde doel.
B.27. In de toelichting bij een wetsvoorstel, dat met name ertoe strekte de leeftijdsgrens voor deelname aan alle
weddenschappen en kansspelen op 21 jaar te brengen en waarvan de behandeling werd gevoegd bij het ontwerp dat
tot de wet van 7 mei 2019 heeft geleid, wordt uiteengezet :
« Wetsontwerp 1992/001 heeft bij de toelichting [...] [beklemtoond] dat deze weddenschappen reeds worden
toegelaten vanaf de meerderjarigheid omdat deze kansspelen minder verslavend zijn dan deze die mogen worden
uitgebaat door vergunningshouders A en B of door aanvullende vergunninghouders, waarbij inzonderheid werd
verwezen naar de ’ short odd ’ & ’ long odd ’-theorie (d.i. de these dat weddenschappen waarbij de uitkomst onmiddellijk
bekend is verslavender zijn dan weddenschappen waarbij het resultaat pas ’ later ’ bekend is, cf. einduitslag van een
sportmatch). [...]
[...]
[...] Ten tweede werpt de vraag zich op in hoeverre er nog werkelijk sprake is van het onderscheid tussen de zgn.
’ long odds ’ en ’ short odds ’. Zo kan vandaag tijdens sportwedstrijden op zo’n divers aantal zaken gegokt worden, het
zgn. ’ In-game betting ’ waarbij gegokt kan worden op een gebeurtenis die nog aan de gang is (cf. inzetten op de ploeg
die de eerste gele kaart krijgt in een voetbalwedstrijd). Bij ’ In-game betting ’ kunnen gokkers tijdens de match hun
weddenschappen aanpassen afhankelijk van het verloop van de match. Dit veranderde de risicograad van dit soort
spelen van ’ weinig verslavend ’ naar een ’ hoog risico-spel ’ voor problematische gokkers » (Parl. St., Kamer, 2016-2017,
DOC 54-2214/001, pp. 7-8).
In verband met de nieuwe leeftijdsgrens van 21 jaar voor deelname aan de in artikel 43/4, § 2, derde lid, derde
streepje, van de wet van 7 mei 1999 bedoelde automatische kansspelen in de vaste kansspelinrichtingen klasse IV wordt
in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat tot de wet van 7 mei 2019 heeft geleid, uiteengezet :
« Vergeleken met de weddenschappen die in wedkantoren worden aangeboden, kunnen de virtuele kansspelen [...]
verslavender zijn voor jongeren, inzonderheid omdat die niet verbonden zijn aan een reëel sportevenement (dat
beperkt is in de tijd). Het resultaat is onmiddellijk na de inzet bekend, wat impliceert dat de periode tussen de inzet
en de winst zeer kort is » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3327/001, p. 15).
19732 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

Tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 7 mei 2019 heeft een lid bovendien beklemtoond :
« De wetenschappelijke onderzoeken laten er geen twijfel over bestaan; de risicofactoren die tot excessief
spelgedrag of zelfs tot verslaving leiden, zijn gekend : korte tijdsspanne tussen inzetten en resultaat, toegankelijkheid
van het spel, virtueel geld, geen sociale controle, alcoholgebruik, overtuiging dat men de afloop van een wedstrijd of
een spel kan beïnvloeden, hoge herverdelingsgraad (hoe vaker een speler de indruk heeft dat hij wint, hoe vaker hij
opnieuw zal spelen). Een spel vertoont grotere risico’s naarmate meerdere van die factoren samengaan » (Parl. St.,
Kamer, 2018-2019, DOC 54-3327/008, p. 7).
B.28.1. Zoals de Ministerraad en de Nationale Loterij beklemtonen, vermocht de wetgever redelijkerwijs te
oordelen dat de weddenschappen die klassiek worden aangenomen in vaste kansspelinrichtingen klasse IV minder
risico’s vertonen dan de kansspelen die worden geëxploiteerd in kansspelinrichtingen klasse II (speelautomatenhallen),
maar dat de risico’s in verband met de vaste kansspelinrichtingen klasse IV desalniettemin zijn toegenomen wegens
twee factoren. Enerzijds brengt de toenemende ontwikkeling van live weddenschappen, namelijk weddenschappen
met betrekking tot een evenement of gebeurtenissen die aan de gang zijn, waarvan de uitslag niet reeds bekend is en
waarbij de onzekere gebeurtenis niet reeds heeft plaatsgevonden, grotere risico’s met zich mee, aangezien die
weddenschappen kunnen worden gekenmerkt door een korte tijdspanne tussen de inzet en het resultaat. Anderzijds
vertonen de in artikel 43/4, § 2, derde lid, derde streepje, van de wet van 7 mei 1999 bedoelde automatische kansspelen
eveneens een groter risico.
B.28.2. Gelet op de toename van de risico’s in verband met de vaste kansspelinrichtingen klasse IV is het niet
zonder redelijke verantwoording om hun de verplichting op te leggen om met de gemeente een convenant te sluiten
en hun principieel te verbieden om zich te vestigen in de nabijheid van onderwijsinstellingen, ziekenhuizen en plaatsen
die vooral door jongeren worden bezocht, in navolging van de soortgelijke verplichtingen die reeds van toepassing
waren op de kansspelinrichtingen klasse II.
Het feit dat de vaste kansspelinrichtingen klasse IV en de kansspelinrichtingen klasse II in verscheidene opzichten
aan verschillende regels worden onderworpen, met name wat betreft de duur van de respectieve vergunning ervan,
houdt niet in dat de verplichtingen die bij de bestreden bepalingen aan de vaste kansspelinrichtingen klasse IV worden
opgelegd, onevenredig zouden zijn.
B.28.3. De wetgever vermocht redelijkerwijs te oordelen dat de risico’s in verband met de vaste kansspel-
inrichtingen klasse IV evenwel niet identiek zijn geworden aan die in verband met de kansspelinrichtingen klasse II.
Het is niet zonder redelijke verantwoording om het verbod om zich in de nabijheid van plaatsen waar erediensten
worden gehouden en van gevangenissen te vestigen waarin artikel 36, 4o, van de wet van 7 mei 1999 voorziet voor de
kansspelinrichtingen klasse II, niet uit te breiden tot elke vaste kansspelinrichting klasse IV. Zulks geldt des te meer
daar een gemeente, indien de concrete lokale omstandigheden zulks verantwoorden, kan weigeren om een convenant
te sluiten met de exploitant van een vaste kansspelinrichting klasse IV die zich zou willen vestigen in de nabijheid van
een plaats waar erediensten worden gehouden of van een gevangenis. In de parlementaire voorbereiding wordt
immers uiteengezet :
« De uitbating van een vaste kansspelinrichting klasse IV moet geschieden krachtens een convenant dat wordt
gesloten tussen de gemeente van vestiging en de uitbater. Dat convenant bepaalt waar de kansspelinrichting wordt
gevestigd, inzonderheid rekening houdend met onderwijsinstellingen, ziekenhuizen, plaatsen die vooral door jongeren
worden bezocht, plaatsen waar erediensten worden gehouden of gevangenissen » (Parl. St., Kamer, 2018-2019,
DOC 54-3327/001, p. 12).
Evenzo is het niet zonder redelijke verantwoording om het de gemeenten mogelijk te maken af te wijken van het
principiële verbod om zich te vestigen in de nabijheid van onderwijsinstellingen, ziekenhuizen en plaatsen die vooral
door jongeren worden bezocht dat van toepassing is op de vaste kansspelinrichtingen klasse IV, hoewel een dergelijke
afwijkingsmogelijkheid niet bestaat ten aanzien van de kansspelinrichtingen klasse II.
B.29.1. Het staat in beginsel aan de wetgever om, wanneer hij beslist nieuwe regelgeving in te voeren, te beoordelen
of het noodzakelijk of opportuun is die beleidswijziging vergezeld te doen gaan van overgangsmaatregelen. Het
beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie wordt slechts geschonden indien de overgangsregeling of de ontstentenis
daarvan tot een verschil in behandeling leidt waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat of indien aan het
vertrouwensbeginsel op buitensporige wijze afbreuk wordt gedaan.
B.29.2. De in artikel 36 van de wet van 7 mei 2019 bedoelde overgangsregeling heeft tot gevolg dat de verplichting
voor de vaste kansspelinrichtingen klasse IV om met de gemeente een convenant te sluiten en het principiële verbod
voor die inrichtingen om zich te vestigen in de nabijheid van onderwijsinstellingen, ziekenhuizen en plaatsen die
vooral door jongeren worden bezocht, van toepassing zijn op de vergunningsaanvragen en op de aanvragen tot
hernieuwing van een vergunning die worden ingediend vanaf 25 mei 2021, namelijk twee jaar na de inwerkingtreding
van de wet van 7 mei 2019.
Zoals in de parlementaire voorbereiding wordt beklemtoond, wordt die overgangsregeling redelijk verantwoord
door de wens om de gemeenten voldoende tijd te laten om zich aan te passen en om de rechtszekerheid te waarborgen
van de vaste kansspelinrichtingen klasse IV die bij de inwerkingtreding van de wet van 7 mei 2019 actief waren
(Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3327/005, p. 28).
B.30. Het eerste onderdeel van het negende middel in de zaak nr. 7277 en het tweede middel in de zaak nr. 7296
zijn niet gegrond.
Het verschil in behandeling tussen de vaste kansspelinrichtingen klasse IV en de dagbladhandelaars
B.31.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 leiden een negende middel, tweede onderdeel, af uit de
schending van de artikelen 10, 11 en 23, derde lid, 1o, van de Grondwet door de artikelen 23, 1o, en 24, 2o en 3o, van
de wet van 7 mei 2019.
In essentie doen zij gelden dat de bestreden bepalingen een onverantwoord verschil in behandeling doen ontstaan
tussen de vaste kansspelinrichtingen klasse IV en de dagbladhandelaars, in zoverre enkel de eerstgenoemden worden
onderworpen aan de verplichting om met de gemeente een convenant te sluiten en aan het principiële verbod om zich
te vestigen in de nabijheid van onderwijsinstellingen, ziekenhuizen en plaatsen die vooral door jongeren worden
bezocht.
B.31.2. De verzoekende partij in de zaak nr. 7279 leidt een eerste middel af uit de schending van de artikelen 10
en 11 van de Grondwet door de wet van 7 mei 2019, met name in zoverre zij het voormelde verschil in behandeling
doet ontstaan.
In essentie doet zij gelden dat de vaste kansspelinrichtingen klasse IV en de dagbladhandelaars vergelijkbare
categorieën zijn, dat met het bekritiseerde verschil in behandeling geen legitiem doel wordt nagestreefd, dat het
criterium van onderscheid noch objectief, noch pertinent is en dat de gevolgen voor de vaste kansspelinrichtingen
klasse IV onevenredig zijn.
B.32. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 zetten niet uiteen in welk opzicht artikel 23, derde lid, 1o, van
de Grondwet zou zijn geschonden door de bestreden bepalingen.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19733

Het tweede onderdeel van het negende middel in de zaak nr. 7277 is niet ontvankelijk in zoverre het is afgeleid
uit de schending van artikel 23, derde lid, 1o, van de Grondwet.
B.33. Uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat de grieven van de verzoekende partij in de zaak nr. 7279 zijn
gericht tegen de artikelen 23, 1o, en 24, 2o en 3o, van de wet van 7 mei 2019. Wat de zaak nr. 7279 betreft, beperkt het
Hof zijn onderzoek bijgevolg tot die bepalingen.
B.34. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen
categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk
verantwoord is.
Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de
gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid
en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen
de aangewende middelen en het beoogde doel.
B.35. De vaste kansspelinrichtingen klasse IV en de dagbladhandelaars die houder zijn van een vergunning F2, zijn
vergelijkbaar ten aanzien van de in het geding zijnde maatregelen, aangezien zij allebei weddenschappen mogen
aannemen.
B.36. In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij in de zaak nr. 7279 aanvoert, berust het onderscheid tussen
de vaste kansspelinrichtingen klasse IV en de in artikel 43/4, § 5, 1o, van de wet van 7 mei 1999 bedoelde
dagbladhandelaars op een objectief criterium.
Artikel 43/4, § 5, 1o, van de wet van 7 mei 1999 bepaalt :
« § 5. Buiten voormelde kansspelinrichtingen klasse IV mogen tevens worden aangenomen :
1o de weddenschappen op sportevenementen en op paardenwedrennen, bij wijze van nevenactiviteit door de
dagbladhandelaars, natuurlijke personen of rechtspersonen, die als commerciële onderneming zijn ingeschreven in de
Kruispuntbank voor ondernemingen, voor zover ze niet worden aangenomen in gelegenheden waar alcoholische
dranken worden verkocht voor verbruik ter plaatse.
De Koning bepaalt de nadere voorwaarden die de dagbladhandelaars moeten naleven voor de aanneming van
deze weddenschappen. Zij dienen te beschikken over een vergunning klasse F2 ».
Het begrip « dagbladhandelaars » moet worden begrepen in de courante betekenis die wordt vermeld in artikel 16,
§ 2, eerste lid, a), van de wet van 10 november 2006 « betreffende de openingsuren in handel, ambacht en
dienstverlening ». Het betreft de vestigingseenheden waarvan de hoofdactiviteit bestaat in de verkoop van kranten,
tijdschriften, tabak en rookwaren, telefoonkaarten en producten van de Nationale Loterij. Bijgevolg is er geen
discordantie in de wet tussen de Franse term « libraires » en de Nederlandse term « dagbladhandelaars ».
Het begrip « nevenactiviteit » dient eveneens in de courante betekenis ervan te worden begrepen, namelijk een
activiteit die niet in hoofdberoep wordt uitgeoefend. In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij in de zaak
nr. 7279 aanvoert, is er geen discordantie tussen de Franse term d’« activité exercée ’ à titre complémentaire ’ » en de
Nederlandse term « nevenactiviteit ». De wetgever vermocht de Koning op geldige wijze ertoe te machtigen de nadere
voorwaarden te bepalen opdat sprake is van een « nevenactiviteit ». In de parlementaire voorbereiding van de wet van
10 januari 2010 « tot wijziging van de wetgeving inzake kansspelen » (hierna : de wet van 10 januari 2010) wordt in dat
verband uiteengezet :
« Dagbladhandelaars mogen enkel als nevenactiviteit weddenschappen aannemen. De Koning dient de nadere
criteria te bepalen opdat van een nevenactiviteit sprake kan zijn. Deze criteria moeten minstens betrekking hebben op
het aandeel van de overeenkomstig deze wet toegelaten weddenschappen ten aanzien van het totale zakencijfer van de
dagbladhandel » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1992/001, p. 38).
En :
« [Een lid] haalt de memorie van toelichting aan (DOC 52 1992/001, blz. 38), waarin staat dat de door de Koning
vast te stellen criteria minstens betrekking moeten hebben op het aandeel van de toegelaten weddenschappen ten
aanzien van het totale zakencijfer van de dagbladhandel. De spreekster vindt dat de omzet een uiterst vluchtig
criterium is dat voor de bepaling van het al dan niet bijkomstige karakter van een activiteit moeilijk als een
hoofdcriterium kan worden beschouwd.
De staatssecretaris [voor de Coördinatie van de fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister, en
staatssecretaris, toegevoegd aan de minister van Justitie,] merkt in dit verband op dat de criteria die de Koning zal
bepalen, in de eerste plaats wel degelijk objectieve criteria zullen zijn. Met de omzet zal maar bij betwisting rekening
worden gehouden » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1992/006, p. 84).
Het Hof vermag niet de grondwettigheid te toetsen van het koninklijk besluit van 22 december 2010 « tot
vaststelling van de voorwaarden tot aanneming van weddenschappen buiten kansspelinrichtingen klasse IV », dat de
Koning op grond van die machtiging heeft genomen.
B.37.1. Het criterium van onderscheid tussen de vaste kansspelinrichtingen klasse IV en de in artikel 43/4, § 5, 1o,
van de wet van 7 mei 1999 bedoelde dagbladhandelaars is pertinent ten aanzien van de met de bestreden maatregelen
nagestreefde doelstellingen om de sociale risico’s te beperken en de spelers te beschermen.
B.37.2. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 10 januari 2010 wordt uiteengezet :
« - Het type speler dat een dagbladhandelaar bezoekt voor het plaatsen van een weddenschap op paardenrennen
is verschillend van het type speler die we aantreffen in een wedkantoor. Een wedkantoor beoogt de spelers die daar
enige tijd vertoeven om hun weddenschappen te plaatsen dit terwijl de speler in een dagbladwinkel er slechts de
nodige tijd vertoeft om zijn weddenschap in te dienen.
- De dagbladwinkel verschilt van infrastructuur van een wedkantoor. In een wedkantoor bevinden zich tafels met
sportkranten die de speler toelaten een keuze te maken vooraleer de weddenschap te plaatsen [.] Daarnaast bevinden
er zich in een wedkantoor beeldschermen waarop de wedstrijden kunnen worden gevolgd. De wedkantoren zijn
dermate ingericht om spelers aan te trekken die daar hun tijd verdrijven en met andere spelers contact leggen.
- Bij de dagbladhandelaar kan de aanname van de weddenschappen slechts bij wijze van nevenactiviteit
plaatsvinden dit terwijl voor de wedkantoren de aanname van weddenschappen een hoofdactiviteit vormt. De Koning
zal om die reden duidelijke criteria en voorwaarden bepalen waaraan de dagbladhandelaars moeten voldoen opdat
sprake is van een nevenactiviteit. Die voorwaarden zullen alleszins betrekking hebben op elementen die ervoor zorgen
dat de speler niet aangetrokken wordt om in de dagbladwinkel te vertoeven voor het plaatsen van een weddenschap.
Bijvoorbeeld een verbod op beeldschermen waarbij sportevenementen worden vertoond waarop kan worden gewed,
een verbod om gedeeltes van de winkeloppervlakte voor te behouden voor de weddenschappen,... » (Parl. St., Senaat,
2009-2010, nr. 4-1411/4, p. 15).
19734 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

In de parlementaire voorbereiding van de wet van 7 mei 2019 wordt in verband met de bestreden maatregelen
uiteengezet :
« Daarbij moet worden opgemerkt dat deze twee nieuwe voorwaarden niet van toepassing zijn op krantenwinkels
en renbanen, en ook niet op de mobiele inrichtingen klasse IV, zulks wegens het beperkte bedrag van de inzet in
krantenwinkels en het tijdelijke karakter van renbanen en mobiele inrichtingen » (Parl. St., Kamer, 2018-2019,
DOC 54-3327/001, p. 14).
B.37.3. De vaste kansspelinrichtingen klasse IV vertonen verscheidene kenmerken die ze onderscheiden van
dagbladhandelaars.
Ten eerste vormt het aannemen van weddenschappen in beginsel de exclusieve activiteit van de vaste
kansspelinrichtingen klasse IV, terwijl het voor de dagbladhandelaars maar een bijkomstige activiteit vormt.
Ten tweede heeft de Koning, op grond van artikel 43/4, § 5, 1o, van de wet van 7 mei 1999, het koninklijk besluit
van 22 december 2010 « tot vaststelling van de voorwaarden tot aanneming van weddenschappen buiten
kansspelinrichtingen klasse IV » genomen, dat met name de voorwaarden bepaalt die van toepassing zijn op het
aannemen van weddenschappen door dagbladhandelaars. Dat koninklijk besluit beperkt de ruimte in de kranten-
winkels die in beslag mag worden genomen voor het aannemen van weddenschappen en de reclame die op die
activiteit is gericht (artikel 4), en verbiedt bij dagbladhandelaars de aanwezigheid van tv-schermen en andere
audiovisuele dragers die de weddenschappen promoten of de gebeurtenissen waarop die betrekking hebben, tonen
(artikel 3). Zoals de Ministerraad beklemtoont, kan dat laatste verbod bij dagbladhandelaars de deelname aan live
weddenschappen ernstig bemoeilijken, weddenschappen die, zoals in B.28.1 is vermeld, volgens de wetgever grotere
risico’s vertonen.
Ten derde mogen de vaste kansspelinrichtingen klasse IV, en niet de dagbladhandelaars, « maximaal twee
automatische kansspelen die weddenschappen op soortgelijke activiteiten aanbieden als deze die aangegaan worden
in het wedkantoor », exploiteren (artikel 43/4, § 2, derde lid, derde streepje, van de wet van 7 mei 1999). Zoals in B.28.1
is vermeld, vertonen die automatische kansspelen grotere risico’s volgens de wetgever.
Ten vierde wordt de maximuminzet beperkt tot 200 euro per dag bij een dagbladhandelaar (artikel 1 van het
koninklijk besluit van 22 december 2010 « tot vaststelling van de voorwaarden tot aanneming van weddenschappen
buiten kansspelinrichtingen klasse IV »). Die limiet verplicht de speler die een bedrag wenst in te zetten dat hoger is
dan 200 euro, om zich te verplaatsen naar een andere vergunninghouder F2 en zij kan bijgevolg een rem vormen voor
de speler.
B.37.4. Uit het voorgaande blijkt dat de wetgever redelijkerwijs vermocht te oordelen dat de vaste kansspel-
inrichtingen klasse IV grotere risico’s vertonen dan dagbladhandelaars en dat zij bijgevolg aan extra voorwaarden
moeten worden onderworpen.
B.38. Ten slotte brengen de bestreden bepalingen geen onevenredige gevolgen teweeg ten aanzien van de vaste
kansspelinrichtingen klasse IV.
B.39. Het tweede onderdeel van het negende middel in de zaak nr. 7277 is niet gegrond. Het eerste middel in de
zaak nr. 7279 is niet gegrond in zoverre het tegen de artikelen 23, 1o, en 24, 2o en 3o, van de wet van 7 mei 2019 is gericht.
De vrijheid van vestiging, het vrij verrichten van diensten en de vrijheid van ondernemen
B.40.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 leiden een tiende middel af uit de schending, door de
artikelen 23, 1o, en 24, 2o en 3o, van de wet van 7 mei 2019, van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, in samenhang
gelezen met artikel 49 van het VWEU.
In essentie doen zij gelden dat de bestreden bepalingen het recht op arbeid, de vrije keuze van beroepsarbeid, de
vrijheid van handel en nijverheid en de vrijheid van vestiging aantasten en dat die aantasting niet redelijk verantwoord
is.
B.40.2. De verzoekende partij in de zaak nr. 7279 leidt een derde middel af uit de schending, door de wet van
7 mei 2019, van de artikelen 49 en 56 van het VWEU en van de vrijheid van ondernemen die is vastgelegd in de
artikelen II.3 en II.4 van het Wetboek van economisch recht en in artikel 16 van het Handvest van de grondrechten van
de Europese Unie, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
In essentie doet zij gelden dat de bestreden bepalingen geen objectieve, niet-discriminerende en vooraf bekende
criteria vaststellen om de beslissing van een gemeente om al dan niet een convenant te sluiten met een vaste
kansspelinrichting klasse IV en de beslissing van een gemeente om al dan niet een afwijking toe te kennen op het
principiële verbod om zich te vestigen in de nabijheid van onderwijsinstellingen, ziekenhuizen en plaatsen die vooral
door jongeren worden bezocht, af te bakenen.
B.40.3. De verzoekende partij in de zaak nr. 7289 leidt een tweede middel, derde onderdeel, af uit de schending,
door de artikelen 23, 1o, en 24, 2o, tweede lid, van de wet van 7 mei 2019, van de artikelen 49 en 56 van het VWEU, in
samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
In essentie doet zij gelden dat de verplichting voor de vaste kansspelinrichtingen klasse IV om met de gemeente
een convenant te sluiten, niet evenredig is met het nagestreefde doel van bescherming van de spelers. Bovendien is zij
van mening dat die verplichting het niet mogelijk maakt om op samenhangende en stelselmatige wijze de doelstelling
die wordt nagestreefd te bereiken, aangezien zij niet van toepassing is op dagbladhandelaars, op renbanen en op
mobiele kansspelinrichtingen klasse IV.
B.40.4. De verzoekende partij in de zaak nr. 7289 leidt een tweede middel, vierde onderdeel, af uit de schending
van de artikelen 49 en 56 van het VWEU, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, door
artikel 24, 2o, eerste lid, van de wet van 7 mei 2019, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 24, 3o, van dezelfde
wet.
In essentie doet zij gelden dat de bestreden bepalingen niet de criteria preciseren aan de hand waarvan de
nabijheid met de onderwijsinstellingen, de ziekenhuizen en de plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht,
kunnen worden beoordeeld en dat zij de afwijkingsmogelijkheid waarover de gemeenten beschikken, niet afbakenen.
B.41. Uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat de grieven van de verzoekende partij in de zaak nr. 7279 zijn
gericht tegen de artikelen 23, 1o, en 24, 2o en 3o, van de wet van 7 mei 2019. Wat de zaak nr. 7279 betreft, beperkt het
Hof zijn onderzoek bijgevolg tot die bepalingen.
B.42.1. Artikel 23, derde lid, 1o, van de Grondwet bepaalt :
« Die rechten omvatten inzonderheid :
1o het recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid in het raam van een algemeen werkgelegenheids-
beleid dat onder meer gericht is op het waarborgen van een zo hoog en stabiel mogelijk werkgelegenheidspeil, het recht
op billijke arbeidsvoorwaarden en een billijke beloning, alsmede het recht op informatie, overleg en collectief
onderhandelen ».
Die bepaling vermeldt het recht op arbeid en het recht op de vrije keuze van beroepsarbeid onder de economische,
sociale en culturele rechten.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19735

B.42.2. Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 23 van de Grondwet blijkt dat de Grondwetgever de vrijheid
van handel en nijverheid of de vrijheid van ondernemen niet heeft willen verankeren in de begrippen « recht op
arbeid » en « vrije keuze van beroepsarbeid » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1991-1992, nr. 100-2/3o, p. 15; nr. 100-2/4o, pp. 93
tot 99; nr. 100-2/9o, pp. 3 tot 10). Eenzelfde benadering blijkt eveneens uit de indiening van verschillende voorstellen
tot « herziening van artikel 23, derde lid, van de Grondwet, teneinde het aan te vullen met een 6o, ter vrijwaring van
de vrijheid van handel en nijverheid » (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-1930/1; Senaat, B.Z. 2010, nr. 5-19/1; Kamer,
2014-2015, DOC 54-0581/001).
B.42.3. De wet van 28 februari 2013 die artikel II.3 van het Wetboek van economisch recht heeft ingevoerd, heeft
het zogenaamde decreet d’Allarde van 2-17 maart 1791 opgeheven. Dat decreet, dat de vrijheid van handel en
nijverheid waarborgde, heeft het Hof meermaals in zijn toetsing aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet betrokken.
B.42.4. De vrijheid van ondernemen, bedoeld in artikel II.3 van het Wetboek van economisch recht, moet worden
uitgeoefend « met inachtneming van de in België van kracht zijnde internationale verdragen, van het algemeen
normatief kader van de economische unie en de monetaire eenheid zoals vastgesteld door of krachtens de
internationale verdragen en de wet » (artikel II.4 van hetzelfde Wetboek).
De vrijheid van ondernemen dient derhalve in samenhang te worden gelezen met de toepasselijke bepalingen van
het Europese Unierecht, alsook met artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot
hervorming der instellingen, waaraan, als bevoegdheidverdelende regel, het Hof rechtstreeks vermag te toetsen.
Ten slotte wordt de vrijheid van ondernemen eveneens gewaarborgd door artikel 16 van het Handvest van de
grondrechten van de Europese Unie.
B.42.5. De vrijheid van ondernemen kan niet als een absolute vrijheid worden opgevat. Zij belet niet dat de
bevoegde wetgever de economische bedrijvigheid van personen en ondernemingen regelt. De wetgever zou pas
onredelijk optreden indien hij de vrijheid van ondernemen zou beperken zonder dat daartoe enige noodzaak bestaat
of indien die beperking onevenredig zou zijn met het nagestreefde doel.
B.42.6. De vrijheid van ondernemen is nauw verwant met het vrij verrichten van diensten (artikel 56 van het
VWEU) en de vrijheid van vestiging (artikel 49 van het VWEU).
B.42.7. Te dezen dient het Hof de bestreden bepalingen te toetsen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in
samenhang gelezen met de vrijheid van ondernemen, de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten.
B.43.1. Aangezien zij de exploitatie van de vaste kansspelinrichtingen klasse IV onderwerpen aan de verplichting
om met de gemeente een convenant te sluiten en aan het principiële verbod om zich te vestigen in de nabijheid van
onderwijsinstellingen, ziekenhuizen en plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht, brengen de bestreden
bepalingen een beperking van de vrijheid van vestiging met zich mee.
B.43.2. Zoals in B.13.3 is vermeld, moet een maatregel die de vrijheid van vestiging beperkt, en die zonder
onderscheid van toepassing is, rechtvaardiging vinden in een dwingende reden van algemeen belang, moet hij geschikt
zijn om de verwezenlijking van het nagestreefde doel te verzekeren, hetgeen inhoudt dat hij daadwerkelijk moet
tegemoetkomen aan de bekommernis om dat doel op samenhangende en stelselmatige wijze te bereiken, en mag hij
niet verder gaan dan ter bereiking van dat doel noodzakelijk is.
B.43.3. Zoals in B.18.3 is vermeld, strekken de bestreden bepalingen in het bijzonder ertoe de sociale risico’s in
verband met de ligging van de vaste kansspelinrichtingen klasse IV te beperken en de spelers te beschermen. Uit de
in B.13.4.1 aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat het dwingende redenen van algemeen belang
betreft.
B.43.4. De verplichting om met de gemeente een convenant te sluiten en het principiële verbod om zich te vestigen
in de nabijheid van onderwijsinstellingen, ziekenhuizen en plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht, zijn
maatregelen die pertinent zijn ten aanzien van de nagestreefde doelstellingen.
Bovendien houdt het feit dat die maatregelen van toepassing zijn op de vaste kansspelinrichtingen klasse IV, maar
niet op de mobiele kansspelinrichtingen klasse IV, de dagbladhandelaars en de renbanen, niet in dat de doelstellingen
niet op samenhangende en stelselmatige wijze zouden worden nagestreefd. Enerzijds blijkt uit hetgeen in B.35 tot B.38
is vermeld dat de niet-toepassing van die maatregelen op de dagbladhandelaars redelijk verantwoord is. Anderzijds
wordt de niet-toepassing van die maatregelen op de mobiele kansspelinrichtingen klasse IV en op de renbanen redelijk
verantwoord door het tijdelijke karakter ervan (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3327/001, p. 14) en door het feit dat
de ligging ervan reeds is afgebakend bij de wet van 7 mei 1999, aangezien de eerste worden geëxploiteerd op de plaats
van het evenement, van de sportwedstrijd of van de sportcompetitie waarvoor zij weddenschappen aannemen
(artikel 43/4, § 2, vijfde en zesde lid, van de wet van 7 mei 1999) en aangezien, wat de laatste betreft, de
weddenschappen worden aangenomen binnen de omheining van een renbaan (artikel 43/4, § 5, 2o, van de wet van
7 mei 1999).
B.43.5. Het Hof dient nog te onderzoeken of de maatregelen in kwestie evenredig zijn met de nagestreefde
doelstellingen.
B.43.6. Gelet op de in B.28.1 beschreven toename van de risico’s in verband met de vaste kansspelinrichtingen
klasse IV, is het niet onevenredig om de exploitatie van een vaste kansspelinrichting klasse IV afhankelijk te maken van
het sluiten van een convenant met de gemeente en van het principiële verbod om zich te vestigen in de nabijheid van
onderwijsinstellingen, ziekenhuizen en plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht.
B.43.7. Aangezien die maatregelen twee van de na te leven voorwaarden voor de toekenning van een
vergunning F2 vormen (artikel 43/5, eerste lid, 5o en 6o, van de wet van 7 mei 1999), dient eveneens rekening te worden
gehouden met de rechtspraak van het Hof van Justitie volgens welke uit het evenredigheidsbeginsel voortvloeit dat een
stelsel van voorafgaande administratieve vergunning voor het aanbieden van bepaalde soorten kansspelen gebaseerd
moet zijn op objectieve criteria die niet-discriminerend en vooraf bekend zijn, zodat een grens wordt gesteld aan de
uitoefening van de beoordelingsbevoegdheid van de nationale autoriteiten en deze niet op willekeurige wijze kan
worden gebruikt (HvJ, 24 januari 2013, C-186/11 en C-209/11, Stanleybet International Ltd e.a., punt 47).
Wanneer zij beslist om met een vaste kansspelinrichting klasse IV een convenant te sluiten, oefent de gemeente een
discretionaire bevoegdheid uit (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3327/005, p. 7). Die bevoegdheid is voldoende
afgebakend om het risico van willekeur te vermijden.
Allereerst wordt de beoordelingsbevoegdheid van de gemeente beperkt door de bij de wet van 7 mei 1999
nagestreefde doelstellingen.
19736 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

Bovendien is het begrip « nabijheid » tussen de vaste kansspelinrichtingen klasse IV en de onderwijsinstellingen,


de ziekenhuizen en de plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht, niet dermate vaag dat het een risico van
willekeur zou doen ontstaan. Dat begrip, dat moet worden begrepen in de courante betekenis ervan waarbij een geringe
afstand wordt bedoeld, moet worden beoordeeld ten aanzien van de concrete lokale omstandigheden. Evenzo maakt
de aan de gemeente toegekende afwijkingsmogelijkheid het haar eveneens mogelijk rekening te houden met de
concrete lokale omstandigheden, alsook met de voorwaarden waarin in het met de inrichting gesloten convenant is
voorzien :
« Een afwijking op deze voorwaarde is evenwel mogelijk op grond van een motivering van de gemeente. Als de
gemeente in het convenant dat zij met de inrichting heeft afgesloten, voldoende beschermingsmaatregelen heeft
genomen ten aanzien van de potentiële speler, kan van deze voorwaarde afgeweken worden, bijvoorbeeld als een
inrichting zich in de nabijheid van een school wil vestigen en de gemeente openingsuren heeft bepaald waardoor
jongeren er niet kunnen komen tijdens of kort voor en na de schooluren. De gemeente moet haar beslissing om de
vestiging in de nabijheid van onderwijsinstellingen, ziekenhuizen en plaatsen die vooral door jongeren worden
bezocht, niet te verbieden, uitdrukkelijk motiveren » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3327/001, p. 14).
Ten slotte dient de gemeente met name de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, zoals de motiveringsplicht,
in acht te nemen. Die laatste vergt een afdoende uiteenzetting van de redenen die de beslissing van de gemeente
dragen, zodat de betrokkenen kunnen oordelen of er aanleiding bestaat om de rechtsmiddelen aan te wenden waarover
zij beschikken.
B.44. De bestreden bepalingen schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met
artikel 49 van het VWEU.
B.45. Uit wat voorafgaat, blijkt eveneens dat de bestreden bepalingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in
samenhang gelezen met de vrijheid van ondernemen, niet schenden en dat de bestreden bepalingen, gesteld dat zij een
beperking van het vrij verrichten van diensten met zich meebrengen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in
samenhang gelezen met artikel 56 van het VWEU, niet schenden.
B.46. Het tiende middel in de zaak nr. 7277, het derde middel in de zaak nr. 7279 en het derde en vierde onderdeel
van het tweede middel in de zaak nr. 7289 zijn niet gegrond.
Wat betreft de registratieplicht die van toepassing is in de vaste kansspelinrichtingen klasse IV (elfde en twaalfde middel in
de zaak nr. 7277; eerste middel in de zaak nr. 7279; tweede middel in de zaak nr. 7280; tweede middel, vijfde onderdeel, in de zaak
nr. 7289)
De bestreden bepaling en de context ervan
B.47.1. Artikel 31 van de wet van 7 mei 2019 wijzigt artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 en bepaalt :
« In artikel 62 van [de wet van 7 mei 1999], gewijzigd bij de wet van 10 januari 2010, worden de volgende
wijzigingen aangebracht :
1o in het eerste lid worden de woorden ’ klassen I en II ’ vervangen door de woorden ’ klassen I, II en tot de vaste
kansspelinrichtingen klasse IV ’;
2o in het zesde lid worden de woorden ’ klasse I of II ’ vervangen door de woorden ’ klasse I, II of klasse IV voor
de vaste kansspelinrichtingen ’ ».
Die bepaling maakt artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 van toepassing op de vaste kansspelinrichtingen klasse IV.
Bij artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 wordt aan de kansspelinrichtingen klasse I en II en voortaan ook aan de vaste
kansspelinrichtingen klasse IV de verplichting opgelegd om een afschrift van het identiteitsbewijs te bewaren dat de
speler moet voorleggen en een register bij te houden waarin bepaalde inlichtingen over de spelers worden vermeld.
Zoals gewijzigd bij artikel 31 van de wet van 7 mei 2019, bepaalt artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 :
« In aanvulling op het door artikel 54 bepaalde, is de toegang tot de speelzalen van kansspelinrichtingen van de
klassen I, II en tot de vaste kansspelinrichtingen klasse IV [...] slechts toegestaan wanneer de betrokken persoon een
identiteitsbewijs voorlegt en de exploitant zijn volledige naam, voornamen, geboortedatum, geboorteplaats, beroep en
adres in een register inschrijft.
De exploitant doet de betrokkene dat register ondertekenen.
Een afschrift van het stuk waaruit de identiteit van de speler blijkt, moet gedurende ten minste vijf jaar na zijn
laatste deelneming aan een kansspel worden bewaard.
De Koning bepaalt de wijze waarop de spelers worden toegelaten en geregistreerd.
Hij bepaalt de voorwaarden inzake toegang tot de registers.
De commissie kan de vergunning klasse I, II of klasse IV voor de vaste kansspelinrichtingen intrekken zo dat
register niet of onjuist wordt bijgehouden, alsook ingeval het register niet aan de [overheden] wordt medegedeeld,
beschadigd raakt dan wel verdwijnt.
De Koning bepaalt de wijze waarop de spelers worden toegelaten en geregistreerd voor deelneming aan
kansspelen via een elektronisch communicatienetwerk evenals de voorwaarden waaraan het register moet voldoen ».
B.47.2. Zoals het eerste lid ervan aangeeft, dient artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 in samenhang te worden
gelezen met artikel 54 van dezelfde wet. Die laatste bepaling betreft de verboden op toegang tot bepaalde
kansspelinrichtingen en op deelname aan bepaalde kansspelen die van toepassing zijn op minderjarigen of op personen
jonger dan 21 jaar (artikel 54, § 1), op magistraten, notarissen, deurwaarders en leden van de politiediensten buiten het
kader van de uitoefening van hun functies (artikel 54, § 2, eerste lid) en op de personen die door de Kansspelcommissie
zijn uitgesloten (artikel 54, § § 3 en 4).
Sommige van die verboden, met name die welke van toepassing zijn op de door de Kansspelcommissie uitgesloten
personen, betreffen enkel de kansspelen « waarvoor een registratieplicht geldt », namelijk : (1) de kansspelen waaraan
wordt deelgenomen in de in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 bedoelde kansspelinrichtingen, (2) de
weddenschappen waarvoor een inzet wordt gedaan die een door de Koning bepaald bedrag overschrijdt (artikel 43/4,
§ 3, van de wet van 7 mei 1999), waarbij wordt gepreciseerd dat dat bedrag is vastgesteld op 1 000 euro bij het koninklijk
besluit van 22 december 2010 « tot vaststelling van het bedrag of de tegenwaarde van de inzet van weddenschappen
waarvoor een registratieplicht geldt en tot vaststelling van de inhoud en de wijze van deze registratie », en (3) de
kansspelen die via instrumenten van de informatiemaatschappij worden geëxploiteerd (artikel 43/8, § 2, 2o, van de wet
van 7 mei 1999). Door de vaste kansspelinrichtingen klasse IV te onderwerpen aan de in artikel 62 van de wet van
7 mei 1999 bedoelde registratieplicht, maakt artikel 31 van de wet van 7 mei 2019 de verboden die betrekking hebben
op de kansspelen « waarvoor een registratieplicht geldt », van toepassing op die inrichtingen.
B.47.3. Bovendien voorziet artikel 55 van de wet van 7 mei 1999 in het instellen van een systeem van
informatieverwerking betreffende de personen bedoeld in artikel 54 van dezelfde wet. Luidens artikel 55, tweede lid,
van de wet van 7 mei 1999 zijn de doelstellingen van dat systeem, enerzijds, « de kansspelcommissie in staat te stellen
de bij deze wet toegekende opdrachten uit te oefenen » en, anderzijds, « de exploitanten en het personeel van de
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19737

kansspelinrichtingen in staat te stellen de naleving te controleren van de ontzegging van toegang bedoeld in
artikel 54 ». Dat verwerkingssysteem is het EPIS-systeem (« Excluded Persons Information System »), dat in het leven is
geroepen bij het koninklijk besluit van 15 december 2004 « betreffende het instellen van een systeem van
informatieverwerking voor spelers aan wie de toegang tot kansspelinrichtingen van klasse I en klasse II wordt
ontzegd ».
B.47.4. In de bespreking van artikel 19 van het wetsontwerp, dat artikel 31 van de wet van 7 mei 2019 is geworden,
wordt uiteengezet :
« Artikel 19 breidt de toepassing van het Excluded Persons Information System (EPIS) uit tot alle vaste
kansspelinrichtingen klasse IV. EPIS, dat alle uitgesloten spelers verzamelt, wordt nu gebruikt bij de toegang tot een
reëel of virtueel casino (klasse I), een reële of virtuele speelautomatenhal (klasse II) of een virtueel wedkantoor. De
naam, voornaam en geboortedatum van de speler moeten verplicht worden geregistreerd in EPIS om na te gaan of de
speler toegang kan worden verleend.
Er moet worden opgemerkt dat die controle kan gebeuren bij de toegang tot de kansspelinrichting maar ook aan
de balie. Een controle moet gebeuren voordat een speler kan spelen op een toestel of wedden bijvoorbeeld.
EPIS heeft bewezen een zeer doeltreffend instrument te zijn in de bestrijding van de verslaving aan kansspelen en
is onontbeerlijk om de bescherming van de spelers te versterken.
In haar advies 36/2018 van 2 mei 2018 meent de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer
dat de verruiming van het EPIS bereik proportioneel is met het doeleinde van EPIS, met name de bescherming van de
spelers » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3327/001, pp. 16-17).
Het recht op eerbiediging van het privéleven
B.48. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 leiden een twaalfde middel af uit de schending, door artikel 31
van de wet van 7 mei 2019, van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees
Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 5, lid 1, c), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees
Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de
verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van
Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) » (hierna : de AVG) en met artikel 28, 3o, van de wet
van 30 juli 2018 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van
persoonsgegevens » (hierna : de wet van 30 juli 2018).
In een eerste onderdeel doen zij in essentie gelden dat artikel 62 van de wet van 7 mei 1999, dat bij artikel 31 van
de wet van 7 mei 2019 van toepassing is gemaakt op de vaste kansspelinrichtingen klasse IV, de Koning ertoe machtigt
essentiële elementen in verband met het bijhouden van het register en de raadpleging ervan te bepalen.
In een tweede onderdeel doen zij in essentie gelden dat de bestreden bepaling noch pertinent, noch evenredig is
ten aanzien van het nagestreefde doel van bescherming van de spelers.
B.49.1. Artikel 22 van de Grondwet bepaalt :
« Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de
voorwaarden door de wet bepaald.
De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ».
B.49.2. Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :
« 1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor
zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ’s lands veiligheid, de
openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen
van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en
vrijheden van anderen ».
B.49.3. De Grondwetgever heeft gestreefd naar een zo groot mogelijke concordantie tussen artikel 22 van de
Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5,
p. 2).
De draagwijdte van dat artikel 8 is analoog aan die van de voormelde grondwetsbepaling, zodat de waarborgen
die beide bepalingen bieden, een onlosmakelijk geheel vormen.
B.49.4. Het recht op eerbiediging van het privéleven, zoals gewaarborgd in de voormelde grondwets- en
verdragsbepalingen, heeft als essentieel doel de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven.
Dat recht heeft een ruime draagwijdte en omvat, onder meer, de bescherming van persoonsgegevens en van
persoonlijke informatie, waaronder met name digitale vingerafdrukken vallen. Uit de rechtspraak van het Europees
Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat, onder meer, de volgende gegevens en informatie betreffende personen
vallen onder de bescherming van dat recht : de naam, het adres, de professionele activiteiten, de persoonlijke relaties,
digitale vingerafdrukken, camerabeelden, foto’s, communicatiegegevens, DNA-gegevens, gerechtelijke gegevens
(veroordeling of verdenking), financiële gegevens en informatie over bezittingen (zie onder meer EHRM, 26 maart 1987,
Leander t. Zweden, § § 47-48; grote kamer, 4 december 2008, S. en Marper t. Verenigd Koninkrijk, § § 66-68;
17 december 2009, B.B. t. Frankrijk, § 57; 10 februari 2011, Dimitrov-Kazakov t. Bulgarije, § § 29-31; 18 oktober 2011, Khelili
t. Zwitserland, § § 55-57; 9 oktober 2012, Alkaya t. Turkije, § 29; 18 april 2013, M.K. t. Frankrijk, § 26; 18 september 2014,
Brunet t. Frankrijk, § 31).
B.49.5. Het recht op eerbiediging van het privéleven is evenwel niet absoluut. Artikel 22 van de Grondwet en
artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens sluiten een overheidsinmenging in de uitoefening van
dat recht niet uit, voor zover zij wordt toegestaan door een voldoende precieze wettelijke bepaling, zij beantwoordt aan
een dwingende maatschappelijke behoefte in een democratische samenleving en zij evenredig is met de daarmee
nagestreefde wettige doelstelling.
De wetgever beschikt ter zake over een beoordelingsvrijheid. Die vrijheid is evenwel niet onbegrensd : opdat een
wettelijke regeling verenigbaar is met het recht op eerbiediging van het privéleven, is vereist dat de wetgever een billijk
evenwicht heeft ingesteld tussen alle rechten en belangen die in het geding zijn.
B.49.6. Artikel 5, lid 1, c), van de AVG bepaalt :
« Persoonsgegevens moeten :
[...]
c) toereikend zijn, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden
verwerkt (’ minimale gegevensverwerking ’) ».
B.49.7. Artikel 28, 3o, van de wet van 30 juli 2018 bepaalt :
« De persoonsgegevens :
[...]
19738 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

3o zijn toereikend, ter zake dienend en niet bovenmatig in verhouding tot de doeleinden waarvoor zij worden
verwerkt ».
B.50. Zonder dat het nodig is zich uit te spreken over de vraag of het Hof bevoegd is om kennis te nemen van een
schending van de wet van 30 juli 2018, in samenhang gelezen met artikel 22 van de Grondwet, dient te worden
vastgesteld dat de verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 niet aangeven in welk opzicht artikel 28, 3o, van die wet
waarborgen zou bevatten die zich onderscheiden van die waarin de andere in het middel bedoelde bepalingen
voorzien en die relevant zouden zijn ten aanzien van de in het geding zijnde problematiek.
B.51. In zoverre zij aan de personen die zich naar een vaste kansspelinrichting klasse IV begeven, de verplichting
oplegt om een identiteitsbewijs voor te leggen, waarvan de exploitant het afschrift gedurende ten minste vijf jaar na de
laatste deelneming aan een kansspel moet bewaren, en om bepaalde persoonsgegevens mee te delen, die de exploitant
in een register moet inschrijven, brengt de bestreden bepaling een inmenging in het recht op eerbiediging van het
privéleven met zich mee.
Het Hof dient bijgevolg te onderzoeken of die inmenging beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke
behoefte in een democratische samenleving, of daarin wordt voorzien bij een voldoende precieze wettelijke bepaling
en of zij evenredig is met de door haar nagestreefde wettige doelstelling.
B.52. Uit de in B.47.4 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de bestreden bepaling ertoe strekt de spelers
te beschermen. Die bepaling leidt ertoe dat de toegangsverboden bedoeld in artikel 54, § § 3, en 4, van de wet van
7 mei 1999 voortaan ook gelden met betrekking tot de vaste kansspelinrichtingen klasse IV. De krachtens de bestreden
bepaling voorgeschreven identiteitscontrole laat toe om, met behulp van het in artikel 55 van de wet van 7 mei 1999
bedoelde en in B.47.3 vermelde EPIS-systeem, te verifiëren of de desbetreffende persoon zich bevindt in één van de
situaties die aanleiding geven tot een toegangsverbod. In de parlementaire voorbereiding wordt in dat verband
beklemtoond dat « EPIS heeft bewezen een zeer doeltreffend instrument te zijn in de bestrijding van de verslaving aan
kansspelen en [...] onontbeerlijk [is] om de bescherming van de spelers te versterken » (Parl. St., Kamer, 2018-2019,
DOC 54-3327/001, p. 17).
Daaruit volgt dat de bestreden bepaling beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte in een
democratische samenleving.
B.53.1. Bij artikel 22 van de Grondwet wordt aan de bevoegde wetgever de bevoegdheid voorbehouden om te
bepalen in welke gevallen en onder welke voorwaarden afbreuk kan worden gedaan aan het recht op eerbiediging van
het privéleven. Het waarborgt aldus aan elke burger dat geen inmenging in de uitoefening van dat recht kan
plaatsvinden dan krachtens regels die zijn aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering.
Een delegatie aan een andere macht is evenwel niet in strijd met het wettigheidsbeginsel, voor zover de machtiging
voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de
essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld.
B.53.2. Naast het formele wettigheidsvereiste legt artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8
van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, de verplichting op dat de inmenging in het recht op
eerbiediging van het privéleven in duidelijke en voldoende nauwkeurige bewoordingen wordt geformuleerd die het
mogelijk maken de hypothesen te voorzien waarin de wetgever een dergelijke inmenging in het recht op eerbiediging
van het privéleven toestaat.
Inzake bescherming van de gegevens impliceert deze vereiste van voorzienbaarheid dat voldoende precies moet
worden bepaald in welke omstandigheden de verwerkingen van persoonsgegevens zijn toegelaten (EHRM, grote
kamer, 4 mei 2000, Rotaru t. Roemenië, § 57; grote kamer, 4 december 2008, S. en Marper t. Verenigd Koninkrijk, § 99).
Derhalve moet eenieder een voldoende duidelijk beeld hebben van de verwerkte gegevens, de bij een bepaalde
gegevensverwerking betrokken personen en de voorwaarden voor en de doeleinden van de verwerking.
B.53.3. Artikel 62, eerste lid, van de wet van 7 mei 1999, dat bij de bestreden bepaling van toepassing is gemaakt
op de vaste kansspelinrichtingen klasse IV, bepaalt de persoonsgegevens die moeten worden ingeschreven in het
register dat de exploitant moet bijhouden. Bij artikel 62, derde lid, van de wet van 7 mei 1999 wordt aan de exploitant
de verplichting opgelegd om een afschrift van het stuk waaruit de identiteit van de speler blijkt, te bewaren gedurende
ten minste vijf jaar na de laatste deelneming aan een kansspel.
B.53.4. De doeleinden van de identiteitscontrole en de doeleinden van de registratie van de desbetreffende
persoonsgegevens en bewaring van een afschrift van het stuk waaruit de identiteit van de speler blijkt, alsook de
personen die gemachtigd zijn om toegang te hebben tot die informatie, worden voldoende bepaald door de
gecombineerde lezing van de artikelen 54, 55 en 62 van de wet van 7 mei 1999, gelezen in het licht van de in B.52
aangehaalde parlementaire voorbereiding. Het betreft, enerzijds, de exploitanten en het personeel van de betrokken
kansspelinrichtingen teneinde de naleving te controleren van de ontzegging van toegang bedoeld in artikel 54 van de
wet van 7 mei 1999 en, anderzijds, de Kansspelcommissie teneinde de opdrachten uit te oefenen die haar worden
toegekend bij de wet van 7 mei 1999. Tot die opdrachten behoort inzonderheid, krachtens de artikelen 15/2, § 1, en 15/3
van de wet van 7 mei 1999, het toezicht op de naleving van diezelfde wet en de uitvoeringsbesluiten ervan. De
registratie van de persoonsgegevens en bewaring van een afschrift van het stuk waaruit de identiteit van de speler
blijkt, laat toe dat de Kansspelcommissie nagaat wie toegang heeft gekregen tot de desbetreffende kansspelinrichtingen
en derhalve controleert of die inrichtingen de overeenkomstig artikel 54 van de wet van 7 mei 1999 geldende
toegangsverboden naleven. In dat verband bepaalt artikel 62, zesde lid, van de wet van 7 mei 1999 eveneens dat de
Kansspelcommissie « de vergunning klasse I, II of klasse IV voor de vaste kansspelinrichtingen [kan] intrekken zo dat
register niet of onjuist wordt bijgehouden, alsook ingeval het register niet aan de overheden wordt medegedeeld,
beschadigd raakt dan wel verdwijnt ».
B.53.5. De bestreden bepaling voorziet evenwel niet in enige maximumtermijn voor het bewaren van de
persoonsgegevens die in het in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 bedoelde register zijn ingeschreven. Bovendien
voorziet zij niet in enige maximumtermijn voor het bewaren van het afschrift van het stuk waaruit de identiteit van de
speler blijkt, aangezien artikel 62, derde lid, van de wet van 7 mei 1999 enkel voorziet in een minimumtermijn van
bewaring van vijf jaar na de laatste deelneming van de speler aan een kansspel.
B.54. Artikel 31 van de wet van 7 mei 2019 schendt artikel 22 van de Grondwet in zoverre het niet voorziet in een
maximumtermijn voor het bewaren van de persoonsgegevens die in het in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999
bedoelde register zijn ingeschreven en in zoverre het niet voorziet in een maximumtermijn voor het bewaren van het
afschrift van het stuk waaruit de identiteit van de speler blijkt.
B.55.1. Het Hof onderzoekt thans de evenredigheid van de inmenging in het recht op eerbiediging van het
privéleven, enkel in zoverre dat onderzoek zou kunnen leiden tot een ruimere vaststelling van schending dan die welke
in B.54 is vermeld.
B.55.2. Het is niet onevenredig om de in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 bedoelde verplichtingen inzake
identiteitscontrole en bewaring van persoonsgegevens uit te breiden tot de vaste kansspelinrichtingen klasse IV,
aangezien de wetgever ook de toegang tot die inrichtingen heeft willen verbieden voor de personen die door de
Kansspelcommissie zijn uitgesloten op grond van artikel 54, § § 3 en 4, van de wet van 7 mei 1999, gelet op de in B.28.1
beschreven toename van de risico’s in verband met die inrichtingen. Bij ontstentenis van identificatie van de spelers en
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19739

de daarmee gepaard gaande mogelijkheid om te verifiëren of de betrokken persoon is opgenomen in het in artikel 55
van de wet van 7 mei 1999 bedoelde en in B.47.3 vermelde EPIS-systeem, zouden het verbod en de ontzegging van
toegang waarin artikel 54 van de wet van 7 mei 1999 voorziet, weinig praktisch effect hebben. Zoals is vermeld in B.53.4,
maakt de registratie van de desbetreffende persoonsgegevens het mogelijk voor de Kansspelcommissie om toezicht uit
te oefenen op de naleving van de wet van 7 mei 1999 en de uitvoeringsbesluiten ervan, in het bijzonder artikel 54 van
diezelfde wet.
Bovendien is het niet onevenredig dat de identificatie en de registratie plaatsvinden bij de toegang tot de vaste
kansspelinrichting klasse IV, aangezien een dergelijke inrichting in beginsel uitsluitend bestemd is voor het aannemen
van weddenschappen en aangezien de wetgever dus redelijkerwijs vermocht te oordelen dat de personen die er
binnengaan, zulks in beginsel doen om te wedden.
Ten slotte zijn de persoonsgegevens die in het in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 bedoelde register moeten
worden ingeschreven, pertinent en noodzakelijk ten aanzien van de nagestreefde doelstellingen. Die persoonsgegevens
laten immers toe om na te gaan of de betrokken persoon was opgenomen in het in B.47.3 vermelde EPIS-systeem en
aldus de toegang tot de kansspelinrichting diende te worden ontzegd.
B.56. Artikel 31 van de wet van 7 mei 2019 dient enkel te worden vernietigd in zoverre het niet voorziet in een
maximumtermijn voor het bewaren van de persoonsgegevens die in het in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999
bedoelde register zijn ingeschreven en in zoverre het niet voorziet in een maximumtermijn voor het bewaren van het
afschrift van het stuk waaruit de identiteit van de speler blijkt.
Het twaalfde middel in de zaak nr. 7277 is voor het overige niet gegrond.
Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, de vrijheid van ondernemen, de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten
van diensten
B.57.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 leiden een elfde middel af uit de schending, door artikel 31 van
de wet van 7 mei 2019, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het beginsel van de
vrijheid van handel en nijverheid dat is vastgelegd in de artikelen II.3 en II.4 van het Wetboek van economisch recht
en met het recht op de vrije keuze van beroepsarbeid dat is vastgelegd in artikel 23 van de Grondwet.
In een eerste onderdeel klagen zij aan dat de bestreden bepaling, enerzijds, de kansspelinrichtingen klasse I en II
en, anderzijds, de vaste kansspelinrichtingen klasse IV op identieke wijze behandelt, in zoverre zij alle worden
onderworpen aan de in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 bedoelde registratieplicht, terwijl zij niet dezelfde risico’s
vertonen.
In een tweede onderdeel doen zij gelden dat de bestreden bepaling een onverantwoord verschil in behandeling
doet ontstaan, in zoverre de in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 bedoelde registratieplicht enkel van toepassing is
voor de toegang tot de speelzaal wat de kansspelinrichtingen klasse I en II betreft, terwijl zij van toepassing is voor de
toegang tot de inrichting zelf wat de vaste kansspelinrichtingen klasse IV betreft.
In een derde onderdeel doen zij gelden dat de bestreden bepaling een onverantwoord verschil in behandeling doet
ontstaan, in zoverre zij de in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 bedoelde registratieplicht oplegt aan de vaste
kansspelinrichtingen klasse IV en niet aan de Nationale Loterij, de dagbladhandelaars, de renbanen en de
kansspelinrichtingen klasse III.
B.57.2. De verzoekende partij in de zaak nr. 7279 leidt een eerste middel af uit de schending van de artikelen 10
en 11 van de Grondwet door de wet van 7 mei 2019, met name in zoverre zij een onverantwoord verschil in behandeling
doet ontstaan door de in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 bedoelde registratieplicht op te leggen aan de vaste
kansspelinrichtingen klasse IV en niet aan de dagbladhandelaars.
B.57.3. De verzoekende partij in de zaak nr. 7280 leidt een tweede middel af uit de schending, door artikel 31, 1o,
van de wet van 7 mei 2019, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van het grondwettelijk beginsel van gelijkheid
en niet-discriminatie en van het grondwettelijk evenredigheidsbeginsel, al dan niet in samenhang gelezen met de
artikelen 8 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 26 van het Internationaal
Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.
Zij doet in essentie gelden dat de bestreden bepaling tot gevolg heeft de spelers ertoe aan te zetten zich te wenden
tot andere aanbiedingen waar de controles waarin zij voorziet, niet van toepassing zijn, zoals de dagbladhandelaars of
de kansspelinrichtingen klasse III, en zelfs tot het illegale aanbod.
B.57.4. De verzoekende partij in de zaak nr. 7289 leidt een tweede middel, vijfde onderdeel, af uit de schending,
door artikel 31, 1o en 2o, van de wet van 7 mei 2019, van de artikelen 49 en 56 van het VWEU, in samenhang gelezen
met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
Zij doet in essentie gelden dat de bestreden bepaling een onverantwoorde beperking van de vrijheid van vestiging
en van het vrij verrichten van diensten met zich meebrengt.
B.58. Uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat de grieven van de verzoekende partij in de zaak nr. 7279 zijn
gericht tegen artikel 31 van de wet van 7 mei 2019. Wat de zaak nr. 7279 betreft, beperkt het Hof zijn onderzoek
bijgevolg tot die bepaling.
B.59. Het Hof onderzoekt de middelen samen, enkel in zoverre zij zouden kunnen leiden tot een ruimere
vaststelling van schending dan die welke in B.54 is vermeld.
B.60.1. Het Hof onderzoekt eerst, enerzijds, de gelijke behandeling van de kansspelinrichtingen klasse I en II en de
vaste kansspelinrichtingen klasse IV met betrekking tot de in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 bedoelde
registratieplicht en, anderzijds, het verschil in behandeling tussen die inrichtingen wat de nadere regels van die plicht
betreft.
B.60.2. Uit hetgeen in B.55.2 is vermeld, blijkt dat het niet zonder redelijke verantwoording is om de in artikel 62
van de wet van 7 mei 1999 bedoelde registratieplicht die reeds van toepassing was op de kansspelinrichtingen klasse I
en II, uit te breiden tot de vaste kansspelinrichtingen klasse IV.
B.60.3. Het is niet zonder redelijke verantwoording dat de in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 bedoelde
registratieplicht van toepassing is bij de toegang tot de speelzalen wat de kansspelinrichtingen klasse I en II betreft en
dat zij van toepassing is bij de toegang tot de inrichting zelf wat de vaste kansspelinrichtingen klasse IV betreft.
De artikelen 32, punt 4, en 37, punt 4, van de wet van 7 mei 1999 verplichten de kansspelinrichtingen klasse I en
II immers om de speelzaal op zodanige wijze volledig en strikt te scheiden van de ruimten in de inrichting die een
andere bestemming hebben, alsook van de voor het publiek toegankelijke ruimten buiten de inrichting, dat de
kansspelen van buiten de speelzaal niet kunnen worden gezien.
Zoals in B.55.2 is vermeld, aangezien een vaste kansspelinrichting klasse IV in beginsel uitsluitend bestemd is voor
het aannemen van weddenschappen, vermocht de wetgever redelijkerwijs te oordelen dat de personen die er
binnengaan, zulks in beginsel doen om te wedden en vermocht hij bijgevolg redelijkerwijs erin te voorzien dat de in
19740 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 bedoelde registratieplicht wordt toegepast bij de toegang tot de inrichting. In
tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 aanvoeren, vloeit daaruit niet voort dat die
controle moet plaatsvinden op het voetpad, aangezien uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat zij kan
plaatsvinden bij de toegang of aan de balie waarnaar de persoon dan moet worden gestuurd zodra hij de inrichting
binnenkomt :
« Er moet worden opgemerkt dat die controle kan gebeuren bij de toegang tot de kansspelinrichting maar ook aan
de balie. Een controle moet gebeuren voordat een speler kan spelen op een toestel of wedden bijvoorbeeld » (Parl. St.,
Kamer, 2018-2019, DOC 54-3327/001, p. 17).
B.61.1. Het Hof onderzoekt thans het verschil in behandeling tussen, enerzijds, de vaste kansspelinrichtingen
klasse IV en, anderzijds, de dagbladhandelaars, de renbanen, de kansspelinrichtingen klasse III en de Nationale Loterij.
B.61.2. Wat de dagbladhandelaars betreft, op wie de in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 bedoelde
registratieplicht niet van toepassing is, heeft de minister van Justitie tijdens de parlementaire voorbereiding van de
bestreden bepaling uiteengezet :
« Het wetsontwerp beoogt ook de invoering van het EPIS-registratiesysteem in de wedkantoren. Het is duidelijk
dat dit geen laatste fase mag zijn; ook tijdens de volgende legislatuur moeten met betrekking tot de veralgemeende
toepassing van EPIS, bijvoorbeeld naar de dagbladhandels toe, maatregelen worden genomen. Er is wel een beperking
door het feit dat ze in nevenactiviteit weddenschappen mogen aanbieden » (Parl. St., Kamer, 2018-2019,
DOC 54-3327/005, p. 27).
En :
« De minister komt ten slotte terug op de mogelijke ongelijke behandeling omdat de EPIS-controles ook zullen
gelden voor de gokkantoren, maar niet voor de zelfstandige krantenwinkels.
Die controle is inderdaad alleen op de gokkantoren van toepassing; het is immers hun hoofdactiviteit, in
tegenstelling tot de krantenwinkels. Dat rechtvaardigt dus het feit dat er meer nood is aan toezicht op de gokkantoren
dan op de krantenwinkels. Niettemin is de minister ervan overtuigd dat de EPIS-controle op termijn ook voor de
krantenwinkels en cafés moet gelden » (ibid., pp. 29-30).
Om de in B.35 tot B.38 uitgedrukte redenen is het onderzochte verschil in behandeling tussen de vaste
kansspelinrichtingen klasse IV en de dagbladhandelaars redelijk verantwoord.
B.61.3. Wat de renbanen betreft, wordt de niet-toepassing van de in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 bedoelde
registratieplicht redelijk verantwoord door het tijdelijke karakter van de activiteit die er wordt uitgeoefend met name
het aannemen van weddenschappen. Bovendien is een registratieplicht er van toepassing voor de weddenschappen
waarvoor een inzet werd gedaan die het bedrag of de tegenwaarde van 1 000 euro, bepaald door de Koning op grond
van artikel 43/4, § 3, van de wet van 7 mei 1999, overschrijdt (koninklijk besluit van 22 december 2010 « tot vaststelling
van het bedrag of de tegenwaarde van de inzet van weddenschappen waarvoor een registratieplicht geldt en tot
vaststelling van de inhoud en de wijze van deze registratie » en artikel 7 van het koninklijk besluit van
22 december 2010 « tot vaststelling van de voorwaarden tot aanneming van weddenschappen buiten kansspelinrich-
tingen klasse IV »).
B.61.4. Wat de kansspelinrichtingen klasse III (drankgelegenheden) betreft, is de niet-toepassing van de in artikel 62
van de wet van 7 mei 1999 bedoelde registratieplicht redelijk verantwoord, niet alleen gelet op de praktische
moeilijkheid om ze ten uitvoer te leggen, maar vooral omdat de omstandigheid dat drankgelegenheden niet
hoofdzakelijk worden bezocht voor de kansspelen.
B.61.5. Wat betreft de vergelijking die de verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 maken tussen de in de vaste
kansspelinrichtingen klasse IV aangenomen weddenschappen en de door de Nationale Loterij georganiseerde
weddenschappen, dient te worden vastgesteld dat de door de Nationale Loterij georganiseerde weddenschappen in
beginsel zijn onderworpen aan de wet van 7 mei 1999 (zie het arrest van het Hof nr. 33/2004 van 10 maart 2004, B.8.2).
Daaruit volgt dat de weddenschappen die de Nationale Loterij organiseert in de reële wereld, enkel kunnen worden
aangenomen bij een vergunninghouder F2. Wanneer die weddenschappen worden aangenomen in een vaste
kansspelinrichting klasse IV, is de in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 bedoelde registratieplicht van toepassing,
zodat het aangevoerde verschil in behandeling in dat verband onbestaande is.
B.62. Uit het voorgaande volgt eveneens dat, gesteld dat de bestreden bepaling een beperking met zich meebrengt
van de vrijheid van ondernemen, van de vrijheid van vestiging en van het vrij verrichten van diensten, in samenhang
gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, die beperking wordt verantwoord door een dwingende reden van
algemeen belang, namelijk de bescherming van de spelers, zij pertinent is ten aanzien van die doelstelling en zij geen
onevenredige gevolgen teweegbrengt.
B.63. Het elfde middel in de zaak nr. 7277, het tweede middel in de zaak nr. 7280 en het tweede middel, vijfde
onderdeel, in de zaak nr. 7289 zijn niet gegrond. Het eerste middel in de zaak nr. 7279 is niet gegrond in zoverre het
tegen artikel 31 van de wet van 7 mei 2019 is gericht.
Wat betreft de bevoegdheid van de Kansspelcommissie om bepaalde weddenschappen te verbieden (zesde middel in de zaak
nr. 7277; tweede middel, eerste onderdeel, in de zaken nrs. 7289 en 7291; derde middel in de zaak nr. 7296)
De bestreden bepaling
B.64.1. Artikel 43/1, derde lid, van de wet van 7 mei 1999, ingevoegd bij artikel 20, 2o, van de wet van 7 mei 2019,
machtigt de Kansspelcommissie om weddenschappen te verbieden indien het eerlijke verloop van het evenement niet
kan worden gegarandeerd of indien zij meent dat specifieke wedmogelijkheden fraudegevoelig zijn. Het bepaalt :
« De commissie kan weddenschappen verbieden indien het eerlijke verloop van het evenement niet kan worden
gegarandeerd of indien zij meent dat specifieke wedmogelijkheden fraudegevoelig zijn. De betrokken vergunning-
houders worden hierover onverwijld ingelicht ».
B.64.2. In de parlementaire voorbereiding wordt uiteengezet :
« Het nieuwe derde lid maakt het mogelijk voor de Kansspelcommissie om weddenschappen stop te zetten op
bepaalde evenementen die het als ’ fraudegevoelig ’ heeft bestempeld. In dat geval moet de betrokken vergunning-
houder daarvan op de hoogte worden gesteld. Het gaat om alle mogelijke weddenschappen, en ongeacht de wijze
waarop deze worden aangeboden.
Bijvoorbeeld, wanneer uit een audit blijkt dat in een bepaalde categorie van evenementen grote onregelmatigheden
zijn gebeurd die een eerlijk verloop van het evenement in het gedrang brengen, en van deze onregelmatigheden wordt
verwacht dat ze zich ook in de toekomst zullen voordoen, kan de commissie dit soort evenementen als fraudegevoelig
aanwijzen. Het gaat dus niet om één bepaald evenement, maar eerder om bepaalde categorieën van evenementen, zoals
bijvoorbeeld tenniswedstrijden in kleine tornooien buiten het zicht van de camera’s. Dergelijke aanwijzingen van
fraudegevoeligheid zullen over het algemeen ook via een informatieve nota worden bekendgemaakt op de website van
de Kansspelcommissie » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3327/004, pp. 18-19).
Derde middel, eerste onderdeel, in de zaak nr. 7296
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19741

B.65. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7296 leiden een derde middel, eerste onderdeel, af uit de schending
van artikel 23 van de Grondwet door artikel 43/1, derde lid, van de wet van 7 mei 1999, ingevoegd bij artikel 20, 2o,
van de wet van 7 mei 2019.
Ze doen gelden dat live weddenschappen voordien verboden waren en dat de bestreden bepaling tot gevolg heeft
dat zij worden toegestaan, hetgeen leidt tot een aanzienlijke achteruitgang van het niveau van bescherming van de
spelers en derhalve van het recht op bescherming van de gezondheid, die niet wordt verantwoord door een reden van
algemeen belang.
B.66. Vóór de wijziging ervan bij de wet van 7 mei 2019 bepaalde artikel 43/1 van de wet van 7 mei 1999, zoals
het was ingevoegd bij artikel 22 van de wet van 10 januari 2010 :
« Het is verboden een weddenschap in te richten omtrent een gebeurtenis of activiteit die strijdig is met de
openbare orde of de goede zeden.
Het is verboden weddenschappen in te richten op evenementen of gebeurtenissen waarvan de uitslag reeds
gekend is of waarbij de onzekere gebeurtenis reeds heeft plaatsgevonden ».
In de parlementaire voorbereiding van de wet van 10 januari 2010 wordt uiteengezet :
« Artikel 43/1 omschrijft de weddenschappen die worden toegelaten. Omwille van het kanalisatiebeleid om de
Belgische reglementering conform de vigerende rechtspraak van het Europees Hof van Justitie te houden, verdient het
de aanbeveling om enkel de weddenschappen toe te laten die actueel reeds op de Belgische markt aanwezig zijn en
andere vormen van weddenschappen te verbieden.
Weddenschappen mogen worden ingericht op sportevenementen, op paardenwedrennen en andere
gebeurtenissen dan sportgebeurtenissen die niet in strijd zijn met de openbare orde of de goede zeden.
Hanengevechten zijn niet verenigbaar met de openbare orde of de goede zeden.
Actueel zijn enkel onderlinge weddenschappen en weddenschappen tegen vaste notering aanwezig op de
Belgische markt (met uitzondering van de paardenwedrennen) » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1992/001, p. 33).
Artikel 43/1, derde lid, van de wet van 7 mei 1999, ingevoegd bij artikel 20, 2o, van de wet van 7 mei 2019 bepaalt :
« De commissie kan weddenschappen verbieden indien het eerlijke verloop van het evenement niet kan worden
gegarandeerd of indien zij meent dat specifieke wedmogelijkheden fraudegevoelig zijn. De betrokken vergunning-
houders worden hierover onverwijld ingelicht ».
B.67. Zonder dat het noodzakelijk is om te onderzoeken of, vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepaling,
live weddenschappen al dan niet waren toegelaten, volstaat het om vast te stellen dat niet wordt aangetoond dat de
bestreden bepaling een aanzienlijke achteruitgang met zich zou brengen van het bestaande beschermingsniveau van
het recht op de bescherming van de gezondheid van de spelers. De bestreden bepaling regelt immers niet het concept
van de live weddenschappen, maar kent op algemene wijze aan de Kansspelcommissie de bevoegdheid toe om
weddenschappen te verbieden indien het eerlijke verloop van het evenement niet kan worden gegarandeerd of indien
zij meent dat specifieke wedmogelijkheden fraudegevoelig zijn.
B.68. Het eerste onderdeel van het derde middel in de zaak nr. 7296 is niet gegrond.
Zesde middel, tweede onderdeel, in de zaak nr. 7277 en derde middel, tweede en derde onderdeel, in de zaak nr. 7296
B.69.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 leiden een zesde middel, tweede onderdeel, af uit de schending
van artikel 12, tweede lid, van de Grondwet door artikel 20, 2o, van de wet van 7 mei 2019.
Zij doen in essentie gelden dat de bestreden bepaling het wettigheidsbeginsel in strafzaken schendt, in zoverre zij
de Kansspelcommissie ertoe machtigt verboden uit te vaardigen die strafrechtelijk worden bestraft, in zoverre die
machtiging geen betrekking heeft op details en in zoverre zij het niet mogelijk maakt vooruit te lopen op wat als een
inbreuk zal worden beschouwd.
B.69.2. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7296 leiden een derde middel, tweede en derde onderdeel, af uit de
schending, door artikel 43/1, derde lid, van de wet van 7 mei 1999, ingevoegd bij artikel 20, 2o, van de wet van
7 mei 2019, van artikel 12 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 7 van het Europees Verdrag
voor de rechten van de mens, en van de artikelen 33, 37, 105 en 108 van de Grondwet.
In essentie klagen de verzoekende partijen in de zaak nr. 7296 aan dat de bestreden bepaling de mogelijkheid om
verboden uit te vaardigen die strafrechtelijk worden bestraft, op onduidelijke wijze delegeert aan de Kansspel-
commissie en haar een reglementaire bevoegdheid toewijst.
B.70. Het Hof onderzoekt de middelen samen.
B.71. Uit de in B.64.2 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat het verbod dat de Kansspelcommissie op
grond van artikel 43/1, derde lid, van de wet van 7 mei 1999 kan opleggen, categorieën van evenementen betreft. Een
dergelijk verbod heeft een reglementaire draagwijdte.
Bij artikel 64 van de wet van 7 mei 1999 wordt de niet-naleving van artikel 43/1 van dezelfde wet en, bijgevolg,
de niet-naleving van een verbod dat op grond van die bepaling door de Kansspelcommissie is opgelegd, strafbaar
gesteld. Artikel 43/1, derde lid, van de wet van 7 mei 1999, ingevoegd bij artikel 20, 2o, van de wet van 7 mei 2019, valt
bijgevolg onder het toepassingsgebied van artikel 12, tweede lid, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 7
van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
B.72. De artikelen 33, 37, 105 en 108 van de Grondwet verzetten zich niet ertegen dat, in een bepaalde technische
materie, de wetgever specifieke uitvoerende bevoegdheden toevertrouwt aan een autonome administratieve overheid
die zowel aan de jurisdictionele controle als aan de parlementaire controle is onderworpen, en verbieden de wetgever
niet delegaties te verlenen aan een uitvoerend orgaan, op voorwaarde dat die betrekking hebben op de uitvoering van
maatregelen waarvan het doel door de bevoegde wetgever is bepaald, in het bijzonder in technische en ingewikkelde
materies.
B.73.1. Door aan de wetgevende macht de bevoegdheid te verlenen om te bepalen in welke gevallen
strafvervolging mogelijk is, waarborgt artikel 12, tweede lid, van de Grondwet aan elke rechtsonderhorige dat geen
enkele gedraging strafbaar zal worden gesteld dan krachtens regels aangenomen door een democratisch verkozen
beraadslagende vergadering.
Het wettigheidsbeginsel in strafzaken dat uit de voormelde grondwetsbepaling en internationale bepaling
voortvloeit, gaat bovendien uit van de idee dat de strafwet moet worden geformuleerd in bewoordingen op grond
waarvan eenieder, op het ogenblik waarop hij een gedrag aanneemt, kan uitmaken of dat gedrag al dan niet strafbaar
is. Het vereist dat de wetgever in voldoende nauwkeurige, duidelijke en rechtszekerheid biedende bewoordingen
bepaalt welke feiten strafbaar worden gesteld, zodat, enerzijds, diegene die een gedrag aanneemt, vooraf op afdoende
wijze kan inschatten wat het strafrechtelijke gevolg van dat gedrag zal zijn en, anderzijds, aan de rechter geen al te grote
beoordelingsbevoegdheid wordt gelaten.
Het wettigheidsbeginsel in strafzaken staat evenwel niet eraan in de weg dat de wet aan de rechter een
beoordelingsbevoegdheid toekent. Er dient immers rekening te worden gehouden met het algemene karakter van de
wetten, de uiteenlopende situaties waarop zij van toepassing zijn en de evolutie van de gedragingen die zij bestraffen.
19742 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

Aan het vereiste dat een misdrijf duidelijk moet worden omschreven in de wet is voldaan wanneer de
rechtzoekende, op basis van de bewoordingen van de relevante bepaling en, indien nodig, met behulp van de
interpretatie daarvan door de rechtscolleges, kan weten voor welke handelingen en welke verzuimen hij strafrechtelijk
aansprakelijk kan worden gesteld.
Enkel bij het onderzoek van een specifieke strafbepaling is het mogelijk om, rekening houdend met de elementen
eigen aan de misdrijven die zij wil bestraffen, te bepalen of de door de wetgever gehanteerde algemene bewoordingen
zo vaag zijn dat ze het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel zouden schenden.
B.73.2. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken gaat niet zover dat het de wetgever ertoe verplicht elk aspect van de
strafbaarstelling zelf te regelen. Een delegatie aan een ander orgaan is niet in strijd met dat beginsel voor zover de
machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen
waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de wetgever zijn vastgesteld.
B.74. De bestreden bepaling werd als volgt besproken in de commissie :
« De spreker vraagt [...] wat wordt verstaan onder ’ wedmogelijkheden die als fraudegevoelig worden
aangemerkt’.
[Een tweede lid] verwijst naar de verantwoording, waarin met name de categorie van de tenniswedstrijden in
kleine toernooien buiten het zicht van de camera’s wordt vermeld. Zulks maakt die wedstrijden fraudegevoeliger.
[Een derde lid] vraagt hoe dit in de praktijk kan worden aangepakt. Wedden (en met name live betting) is
toegestaan, ook bij de voetbalwedstrijden in eerste klasse. Zal de Kansspelcommissie ook die weddenschappen durven
te verbieden indien men vaststelt dat die voetbalwedstrijden fraudegevoelig zijn ? De spreker vraagt zich af of dit
artikel niet zal leiden tot interpretatieproblemen.
[Het tweede lid] wijst erop dat de Kansspelcommissie zich over die kwestie zal moeten buigen. Als er sprake is van
fraude, zal ze dat moeten aanpakken. Dit artikel maakt dat voortaan mogelijk.
[Een vierde lid] bevestigt dit. Het Nationaal Platform Match Fixing heeft alle federaties gevraagd om hieromtrent
een referentiepersoon aan te wijzen. De bedoeling is dat de federaties en het parket het vraagstuk samen aanpakken.
De spreekster merkt ook op dat de meeste federaties in de praktijk al met resultaat hebben gehandeld. Voortaan kan
bij verdenking van fraude dus actie worden ondernomen.
[Het derde lid] vraagt wat dit verbod van de Kansspelcommissie inhoudt : zal het een definitieve dan wel een
tijdelijke beslissing zijn? Zullen voorwaarden aan dit verbod zijn verbonden ? De rechtsgrondslag is niet erg
gedetailleerd wat dit aspect betreft.
[Het tweede lid] voegt toe dat het de bedoeling is een einde te maken aan bepaalde evenementen die ervan
verdacht worden fraudegevoelig te zijn of aan bepaalde categorieën van evenementen. Er is enige armslag mogelijk. De
verantwoording is daarover duidelijk » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3327/005, pp. 57-58).
B.75. Door erin te voorzien dat het verbod dat de Kansspelcommissie kan uitvaardigen, waarvan de niet-naleving
strafrechtelijk wordt bestraft, enkel betrekking kan hebben op specifieke wedmogelijkheden die fraudegevoelig zijn of
enkel op weddenschappen met betrekking tot een evenement waarvan het eerlijke verloop niet kan worden
gegarandeerd, heeft de wetgever de strafbare gedraging op voldoende wijze gepreciseerd.
De wetgever heeft ook het doel van de bestreden machtiging en de grenzen waarbinnen zij is verleend
gepreciseerd. In het licht van de in B.64.2 en B.74 aangehaalde parlementaire voorbereiding zijn de in de bestreden
bepaling gebruikte begrippen voldoende nauwkeurig om de aan de Kansspelcommissie verleende machtiging af te
bakenen.
B.76. Ter uitvoering van de aan haar verleende machtiging dient de Kansspelcommissie de specifieke
wedmogelijkheden die fraudegevoelig zijn of de weddenschappen met betrekking tot een evenement waarvan het
eerlijke verloop niet kan worden gegarandeerd, die zij wenst te verbieden, concreet te bepalen, zodat het de in die
beslissingen van de Kansspelcommissie bedoelde weddenschappen zijn die worden verboden. Artikel 43/1, derde lid,
van de wet van 7 mei 1999 bepaalt bovendien dat de betrokken vergunninghouders onverwijld worden ingelicht over
die beslissingen van de Kansspelcommissie.
Aan het vereiste dat een strafbaar feit duidelijk moet worden omschreven, is slechts voldaan wanneer de
rechtzoekende, op basis van de bewoordingen van de relevante bepaling en, indien nodig, met behulp van de
interpretatie daarvan door de rechtscolleges, kan weten welke handelingen en welke verzuimen zijn strafrechtelijke
aansprakelijkheid meebrengen.
Enkel bij het onderzoek van een specifiek verbod is het mogelijk om te bepalen of de door de Kansspelcommissie
gehanteerde bewoordingen zo vaag zijn dat zij het strafrechtelijk wettigheidsbeginsel zouden schenden. Die controle
ressorteert onder de bevoegdheid van de administratieve en de justitiële rechter.
B.77. Ten slotte vermocht de wetgever, gelet op het technische en het evolutieve karakter dat de aangelegenheid
kan vertonen, die bevoegdheid op geldige wijze toe te vertrouwen aan de Kansspelcommissie.
B.78. Het tweede onderdeel van het zesde middel in de zaak nr. 7277 en het tweede en derde onderdeel van het
derde middel in de zaak nr. 7296 zijn niet gegrond.
Zesde middel, eerste onderdeel, in de zaak nr. 7277 en tweede middel, eerste onderdeel, in de zaken nrs. 7289 en 7291
B.79.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7277 leiden een zesde middel, eerste onderdeel, af uit de schending,
door artikel 20, 2o, van de wet van 7 mei 2019, van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen
met artikel 49 van het VWEU.
Zij doen in essentie gelden dat de bestreden bepaling afbreuk doet aan het recht op arbeid en op de vrije keuze van
beroepsarbeid, op de vrijheid van handel en nijverheid en op de vrijheid van vestiging, in zoverre zij een al te grote
beoordelingsmarge aan de Kansspelcommissie laat.
B.79.2. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 7289 en 7291 leiden een tweede middel, eerste onderdeel, af uit
de schending, door artikel 20, 2o, van de wet van 7 mei 2019, van de artikelen 49 en 56 van het VWEU, in samenhang
gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
Zij klagen in essentie aan dat de bestreden bepaling niet de omstandigheden preciseert waarin de Kansspel-
commissie bepaalde weddenschappen kan verbieden.
B.80. Het Hof onderzoekt de middelen samen.
B.81. Het Hof dient de bestreden bepaling te dezen te toetsen aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in
samenhang gelezen met de vrijheid van ondernemen, de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten.
B.82. Om de in B.75 en B.76 vermelde redenen dient te worden vastgesteld dat de aan de Kansspelcommissie
verleende machtiging om weddenschappen te verbieden indien zij meent dat specifieke wedmogelijkheden
fraudegevoelig zijn of indien het eerlijke verloop van het evenement niet kan worden gewaarborgd, voldoende
afgebakend is om het risico van willekeur te vermijden.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19743

Bovendien kan tegen de beslissingen die de Kansspelcommissie op grond van de bestreden bepaling kan
aannemen, voor de Raad van State, een beroep tot vernietiging worden ingesteld, dat in voorkomend geval gepaard
gaat met een gewone vordering tot schorsing of met een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid,
en die beslissingen kunnen worden getoetst door elk rechtscollege op grond van artikel 159 van de Grondwet.
B.83. Ten slotte is de bestreden bepaling evenredig met de legitieme doelstellingen van bescherming van de spelers
en van fraudebestrijding die ermee worden nagestreefd.
B.84. Het eerste onderdeel van het zesde middel in de zaak nr. 7277 en het eerste onderdeel van het tweede middel
in de zaken nrs. 7289 en 7291 zijn niet gegrond.
Wat betreft de vergunninghouders die de gokker kan aanspreken (vierde middel in de zaak nr. 7296)
B.85. Artikel 43/1, vierde lid, van de wet van 7 mei 1999, ingevoegd bij artikel 20, 2o, van de wet van 7 mei 2019,
bepaalt :
« Voor de weddenschap aangegaan in de reële wereld kiest de speler welke betrokken vergunninghouder hij
aanspreekt ingeval van vragen of opmerkingen inzake de exploitatie hiervan ».
B.86. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7296 leiden een vierde middel af uit de schending van de artikelen 10
en 11 van de Grondwet door die bepaling.
Zij doen in essentie gelden dat het aannemen van weddenschappen niet kan plaatsvinden via instrumenten van
de informatiemaatschappij maar noodzakelijkerwijs dient plaats te vinden in de fysieke inrichting van een
vergunninghouder F2. Volgens hen doet de bestreden bepaling een onverantwoord verschil in behandeling ontstaan
tussen, enerzijds, de spelers die weddenschappen aannemen in de reële wereld, die hun vragen en opmerkingen
kunnen richten aan de vergunninghouder F1 of aan de vergunninghouder F2, en, anderzijds, de spelers die
gebruikmaken van instrumenten van de informatiemaatschappij, die hun vragen enkel kunnen richten aan de
vergunninghouder F1+ en niet aan de vergunninghouder F2.
B.87. Artikel 25, eerste lid, 6 tot 7, van de wet van 7 mei 1999 bepaalt :
« Er bestaan negen klassen van vergunningen en drie aanvullende vergunningen :
[...]
6. de vergunning klasse F1 staat, voor hernieuwbare periodes van negen jaar, onder de door haar bepaalde
voorwaarden, de exploitatie toe van de inrichting van weddenschappen;
6/1. de aanvullende vergunning klasse F1+ staat, onder de door haar bepaalde voorwaarden, de exploitatie toe van
de inrichting van weddenschappen via informatiemaatschappij-instrumenten;
6/2. de vergunning klasse F1P staat, onder de door haar bepaalde voorwaarden en onder de voorwaarden van de
vergunning klasse F1, en desgevallend F1+, de exploitatie toe van de inrichting van weddenschappen op
paardenwedrennen;
7. de vergunning klasse F2 staat, voor hernieuwbare periodes van drie jaar, onder de door haar bepaalde
voorwaarden, de aanneming van weddenschappen voor rekening van de houder van een vergunning klasse F1 toe in
een vaste of mobiele kansspelinrichting klasse IV. Deze vergunning staat eveneens het aannemen van weddenschappen
toe buiten een kansspelinrichting klasse IV voor de in artikel 43/4, § 5, 1o en 2o bedoelde gevallen. Ook voor deze
vergunning worden hernieuwbare periodes van drie jaar ingesteld.
[...] ».
Artikel 43/8 van de wet van 7 mei 1999 bepaalt :
« § 1. De commissie kan, aan een vergunninghouder klasse A, B of F1 maximaal één aanvullende vergunning
toekennen, respectievelijk A+, B+ en F1+, voor het uitbaten van kansspelen via informatiemaatschappij-instrumenten.
De aanvullende vergunning kan enkel betrekking hebben op de uitbating van spelen van dezelfde aard als deze die in
de reële wereld aangeboden worden.
Behalve voor wat betreft de spelen van dezelfde aard als deze die in de reële wereld aangeboden worden, kan de
Koning, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, evenwel afzonderlijke exploitatiecriteria bepalen voor de
aanvullende vergunningen ten aanzien van de vergunningen toegekend voor de exploitatie van de kansspelen in de
reële wereld.
§ 2. De Koning bepaalt, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad :
1o de kwaliteitsvoorwaarden die door de aanvrager dienen te worden vervuld en welke minstens betrekking
hebben op de volgende elementen :
a) de kredietwaardigheid van de aanvrager;
b) de veiligheid van het betalingsverkeer tussen de exploitant en de speler;
c) het beleid van de exploitant ten aanzien van de toegankelijkheid van de kansspelen voor sociaal kwetsbare
groepen;
d) de klachtenregeling;
e) de nadere regels betreffende de reclame;
f) de nakoming van al zijn fiscale verplichtingen;
2o de voorwaarden waaronder de spelen kunnen worden aangeboden en welke minstens betrekking hebben op de
registratie en identificatie van de speler, de controle van de leeftijd, de aangeboden spelen, de spelregels, de wijze van
betaling en de wijze van verdeling van prijzen;
3o de nadere regels van toezicht op en controle van de geëxploiteerde kansspelen en die minstens betrekking
hebben op de voorwaarde dat de servers waarop de gegevens en de website-inrichting worden beheerd, zich bevinden
in een permanente inrichting op het Belgisch grondgebied;
4o welke spelen mogen worden uitgebaat;
5o de nadere regels betreffende de informatie ten behoeve van de spelers over de wettigheid van de kansspelen via
informatiemaatschappij-instrumenten;
§ 3. De geldigheidsduur van de aanvullende vergunningen is gekoppeld aan de respectievelijke geldigheidsduur
van de vergunningen klasse A, B of F1.
§ 4. De commissie houdt een lijst bij van de afgegeven aanvullende vergunningen die kan worden ingezien door
eenieder die daarom verzoekt ».
B.88. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 10 januari 2010 wordt uiteengezet dat het doel van de
wetgever erin bestaat de wildgroei aan online weddenschappen tegen te gaan door middel van een coherent en correct
gecontroleerd vergunningsbeleid :
« De opkomst van de elektronische communicatiemiddelen, zoals de mobiele telefoon, interactieve televisie en
vooral het internet, heeft tot gevolg dat het veel gemakkelijker geworden is om kans- en gokspelen te beoefenen.
19744 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

De wet van 7 mei 1999 bevat geen vergunningsregeling voor kansspelen via informatiemaatschappij-instrumenten
(waaronder het internet). Hierdoor zijn ze in beginsel verboden. In de praktijk is niettemin een wildgroei ontstaan van
kansspelen die aangeboden worden via internet. De nieuwste trend is het online gokken.
Het online aanbod is erg laagdrempelig : het is op elk ogenblik toegankelijk en de speler hoeft zich niet te
verplaatsen. Bovendien gebeurt het spelen volledig anoniem zodat de speler sneller kan toegeven aan een impuls om
te spelen.
Het ontwerp van nieuwe kansspelwet wil de wildgroei van online spelen kanaliseren via een coherent en
gecontroleerd vergunningsbeleid. Hiertoe worden de kansspelen via internet voorbehouden aan hen die ook in de reële
wereld de kansspelen uitbaten. Enkel de entiteiten die in de reële wereld over een vergunning beschikken, kunnen
dezelfde activiteiten aanbieden in de virtuele wereld. Zo zal een casino-uitbater met een aanvullende vergunning enkel
casinospelen via internet mogen aanbieden en bijvoorbeeld geen weddenschappen. Net als in de reële wereld zal de
Kansspelcommissie ook in de virtuele wereld het correcte spelverloop en de organisatie van de kansspelen
controleren » (Parl. St., Kamer, 2008-2009, DOC 52-1992/006, pp. 6-7).
B.89. Gelet op het door de wetgever nagestreefde doel dienen de artikelen 25, eerste lid, 6/1, en 43/8 van de wet
van 7 mei 1999 in die zin te worden geïnterpreteerd dat de vergunning F1+ het organiseren en het aannemen van
weddenschappen via instrumenten van de informatiemaatschappij mogelijk maakt.
Die interpretatie wordt bevestigd in de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling :
« De wetgever heeft ervoor geopteerd om in de reële wereld het inrichten van weddenschappen te onderscheiden
van het aannemen van de weddenschappen, zodat respectievelijk twee verschillende vergunningen in artikel 25 van de
Kansspelwet voorhanden zijn. De F1-vergunning wordt toegekend aan de inrichter van de weddenschappen, de
F2-vergunning aan de persoon die de weddenschappen van de inrichter aanbiedt aan de klant. Dit onderscheid bestaat
niet voor de online weddenschappen waar zowel de inrichting als de aanneming van de weddenschappen gebeurt
door de F1+-vergunninghouder » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3327/004, p. 19).
B.90. Aangezien het op het verkeerde uitgangspunt berust volgens hetwelk de vergunning F1+ het aannemen van
weddenschappen via instrumenten van de informatiemaatschappij niet mogelijk maakt, is het vierde middel in de zaak
nr. 7296 niet gegrond.
Wat betreft de leeftijdsgrens van 21 jaar om deel te nemen aan automatische kansspelen in vaste kansspelinrichtingen
klasse IV (eerste middel in de zaak nr. 7280)
B.91. Artikel 54, § 1, vijfde lid, van de wet van 7 mei 1999, ingevoegd bij artikel 28, 1o, van de wet van 7 mei 2019,
bepaalt :
« De deelneming aan automatische kansspelen bedoeld in artikel 43/4, § 2, derde lid, in de vaste kansspel-
inrichtingen klasse IV is verboden voor personen jonger dan eenentwintig jaar ».
B.92. De verzoekende partij in de zaak nr. 7280 leidt een eerste middel af uit de schending, door die bepaling, van
de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van het grondwettelijk beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie en van het
grondwettelijk evenredigheidsbeginsel, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 14 van het Europees Verdrag voor
de rechten van de mens en met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Zij
doet gelden dat de bestreden bepaling een onverantwoord verschil in behandeling doet ontstaan tussen de
meerderjarigen die ouder zijn dan 21 jaar en de meerderjarigen die jonger zijn dan 21 jaar en dat zij een onverantwoord
verschil in behandeling doorvoert tussen de diverse spelen die in de vaste kansspelinrichtingen klasse IV worden
geëxploiteerd.
B.93. Volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft artikel 14 van het Europees
Verdrag voor de rechten van de mens geen autonome werking omdat het enkel geldt voor het « genot van de rechten
en vrijheden » welke in het Verdrag zijn vermeld (EHRM, grote kamer, 19 februari 2013, X en anderen t. Oostenrijk, § 94).
De verzoekende partij in de zaak nr. 7280 vermeldt geen andere bepalingen van het Europees Verdrag voor de
rechten van de mens, in samenhang gelezen met artikel 14 ervan. Bijgevolg onderzoekt het Hof het middel niet in
zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 14 van het Verdrag, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en
11 van de Grondwet.
B.94. In de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling wordt uiteengezet :
« Het is de bedoeling de praktijk van virtuele kansspelen in wedkantoren te verbieden voor personen jonger dan
21 jaar.
Vergeleken met de weddenschappen die in wedkantoren worden aangeboden, kunnen de virtuele kansspelen
immers verslavender zijn voor jongeren, inzonderheid omdat die niet verbonden zijn aan een reëel sportevenement
(dat beperkt is in de tijd). Het resultaat is onmiddellijk na de inzet bekend, wat impliceert dat de periode tussen de inzet
en de winst zeer kort is » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3327/001, p. 15).
B.95. Aangezien hij vaststelt dat de in artikel 43/4, § 2, derde lid, derde streepje, van de wet van 7 mei 1999
bedoelde automatische kansspelen een groter risico vertonen voor jongeren, neemt de wetgever een pertinente en
evenredige maatregel door de deelname eraan te verbieden voor personen jonger dan 21 jaar.
B.96. Het eerste middel in de zaak nr. 7280 is niet gegrond.
Wat betreft internationale passagiersschepen (eerste middel in de zaak nr. 7296)
B.97. Artikel 3ter van de wet van 7 mei 1999, ingevoegd bij artikel 4 van de wet van 7 mei 2019, bepaalt :
« Deze wet is niet van toepassing op internationale passagiersschepen die aan boord kansspelen of wedden-
schappen aanbieden en die gebruik maken van hun recht op onschuldige doorvaart in de zin van het Zeerechtverdrag,
ondertekend te Montego Bay op 10 december 1982.
De exploitatie van weddenschappen of van kansspelen aan boord van de in het eerste lid bedoelde schepen is
evenwel verboden van het moment dat het schip een schip/haven raakvlak heeft als bedoeld in artikel 5, 5o, van de
wet van 5 februari 2007 betreffende de maritieme beveiliging tot het moment dat het schip het anker licht.
Gedurende het hele verblijf van het schip in de haven is de exploitatie van kansspelen of weddenschappen
verboden ».
B.98. De verzoekende partijen in de zaak nr. 7296 leiden een eerste middel af uit de schending van de artikelen 10,
11 en 23 van de Grondwet door die bepaling.
In een eerste onderdeel doen zij gelden dat de bestreden bepaling een onverantwoord verschil in behandeling doet
ontstaan tussen, enerzijds, de exploitanten van kansspelen die de wet van 7 mei 1999 in acht moeten nemen en,
anderzijds, de internationale passagiersschepen die, onder de in de bestreden bepaling bedoelde voorwaarden,
kansspelen in België mogen exploiteren zonder die wet in acht te nemen.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19745

In een tweede onderdeel doen zij gelden dat de bestreden bepaling een onverantwoord verschil in behandeling
doet ontstaan tussen, enerzijds, de spelers die kansspelen spelen in een kansspelinrichting of via instrumenten van de
informatiemaatschappij die onder het toepassingsgebied van de wet van 7 mei 1999 vallen en, anderzijds, de spelers
die kansspelen spelen aan boord van internationale passagiersschepen die gebruikmaken van hun recht op onschuldige
doorvaart in België, in zoverre enkel de eerste categorie van spelers de bij de wet van 7 mei 1999 geboden bescherming
geniet.
In een derde onderdeel doen zij gelden dat de bestreden bepaling een aanzienlijke achteruitgang van het niveau
van bescherming van de gezondheid van de spelers met zich meebrengt en dat die achteruitgang niet wordt
verantwoord door een reden van algemeen belang.
B.99. Het Hof onderzoekt in de eerste plaats het eerste onderdeel van het middel.
B.100. In de parlementaire voorbereiding wordt uiteengezet :
« Het regeerakkoord van 10 oktober 2014 bepaalt dat ’ de regering een regeling [zal] uitwerken om internationale
cruiseschepen, die uitgerust zijn met een casino en/of kansspelen, toe te laten om in onze territoriale wateren
kansspelen of weddenschappen te exploiteren, tot op het moment waarop zij voor anker gaan (in de haven) ’.
Dit artikel geeft uitvoering aan dat gedeelte van het regeerakkoord.
Dit artikel bepaalt dat de wet op de kansspelen niet van toepassing is op internationale passagiersschepen die de
Belgische territoriale wateren aandoen en die aan boord kansspelen of weddenschappen aanbieden.
Deze uitzondering maakt dat internationale cruiseschepen hun kansspelen of weddenschappen aan boord kunnen
blijven aanbieden wanneer zij de Belgische territoriale wateren aandoen, totdat het schip een schip/haven raakvlak
heeft. Artikel 5, 5o, van de wet van 5 februari 2007 betreffende de maritieme beveiliging definieert het schip/haven
raakvlak als volgt : ’ interacties die plaatsvinden wanneer een schip rechtstreeks en onmiddellijk betrokken is bij acties
die gepaard gaan met de verplaatsing van personen of goederen, dan wel verlening van havendiensten aan of vanuit
het schip ’. De schip/haven interactie impliceert dat het schip onder volledige Belgische jurisdictie valt zodra het
plaatsvindt.
De uitzondering geldt enkel voor cruiseschepen met onschuldige doorvaart in de Belgische territoriale wateren.
Enkel de schepen die de territoriale zee naar de haven van bestemming oversteken zijn immers gemachtigd hun
kansspelen en weddenschappen aan boord te exploiteren gedurende die oversteek. De exploitatie van de kansspelen
of weddenschappen aan boord is verboden indien het schip voor anker gaat in de territoriale wateren.
Artikel 17 van het Zeerechtverdrag, ondertekend te Montego Bay (Jamaica) op 10 december 1982, bepaalt dat
schepen van alle Staten, ongeacht of zij kuststaten zijn of niet, het recht van onschuldige doorvaart door de territoriale
zee [genieten]. Die onschuldige doorvaart beoogt het varen door de territoriale zee [met de bedoeling] de
binnenwateren binnen of uit te varen of zulk een rede of havenvoorziening aan te lopen (artikel 18.1.b), van het
verdrag).
De exploitatie van weddenschappen of kansspelen is verboden gedurende het hele verblijf van het schip in de
haven. Die schepen mogen immers niet gaan fungeren als ’ nieuwe kansspelinrichtingen ’.
Er is voorzien in een geldboete in geval van niet-naleving van de voorwaarden omschreven in artikel 3ter van de
wet op de kansspelen.
Er dient, in antwoord op de opmerkingen van de Raad van State in zijn advies 63.661/4 van 4 juli 2018, te worden
verduidelijkt dat de notie ’ schip/haven raakvlak ’ in de zin van artikel 5, 5o, van de wet van 5 februari 2007 niet
beperkend kan worden geïnterpreteerd tot het louter fysiek aanmeren aan de kade. Van zodra het schip rechtstreeks
en onmiddellijk betrokken is bij acties die gepaard gaan met de verplaatsing van personen of goederen, of bij verlening
van havendiensten aan of vanuit het schip, wordt gesproken van een ’ schip/haven raakvlak ’. Ook begrepen zijn dus
de situaties waarin het schip in een havensluis ligt, navigeert binnen de haven, enzovoort.
Naar aanleiding van de opmerking die de Raad van State met betrekking tot dit artikel maakte, werd in de
bespreking van het artikel een en ander verduidelijkt » (Parl. St., Kamer, 2018-2019, DOC 54-3327/001, pp. 6-7).
B.101. De artikelen 17 tot 19 van het Verdrag van de Verenigde Naties van 10 december 1982 inzake het recht van
de zee bepalen :
« Artikel 17
Recht van onschuldige doorvaart
Onder voorbehoud van dit Verdrag genieten schepen van alle Staten, ongeacht of zij kuststaten zijn of niet, het
recht van onschuldige doorvaart door de territoriale zee.
Artikel 18
Betekenis van doorvaart
1. Doorvaart betekent het varen door de territoriale zee :
a) zonder de bedoeling de binnenwateren binnen te varen of een buiten de binnenwateren gelegen rede of
havenvoorziening aan te lopen; of
b) de binnenwateren binnen of uit te varen of zulk een rede of havenvoorziening aan te lopen.
2. De doorvaart dient snel en ononderbroken te zijn. Doorvaart omvat evenwel het stoppen en voor anker gaan,
doch alleen voor zover zulks een onderdeel vormt van de normale navigatie of noodzakelijk wordt als gevolg van
overmacht of van het feit dat het schip in nood verkeert of voor het verlenen van hulp aan in gevaar of nood verkerende
personen, schepen of luchtvaartuigen.
Artikel 19
Betekenis van onschuldige doorvaart
1. De doorvaart is onschuldig zolang zij geen gevaar oplevert voor de vrede, de orde of de veiligheid van de
kuststaat. Een zodanige doorvaart moet plaats vinden overeenkomstig dit Verdrag en de andere regels van het
internationale recht.
2. De doorvaart van een vreemd schip wordt geacht gevaar op te leveren voor de vrede, de orde of de veiligheid
van de kuststaat indien het zich in de territoriale zee bezighoudt met enigerlei van de onderstaande activiteiten :
a) bedreiging met of gebruik van geweld tegen de soevereiniteit, territoriale integriteit of politieke onafhankelijk-
heid van de kuststaat of enigerlei andere handelwijze die in strijd is met de beginselen van het internationale [recht]
vervat in het Handvest der Verenigde Naties;
b) oefeningen met wapens van enigerlei aard;
c) handelwijzen gericht op het vergaren van informatie ten nadele van de verdediging of de veiligheid van de
kuststaat;
d) propagandistische handelswijzen gericht op aantasting van de verdediging of de veiligheid van de kuststaat;
e) het doen opstijgen, doen landen of het aan boord nemen van luchtvaartuigen;
f) het lanceren, doen landen of het aan boord nemen van militair materieel;
19746 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

g) het in- of ontschepen van goederen, valuta of personen in strijd met de wetten en voorschriften van de kuststaat
inzake douane, belastingen, immigratie of de volksgezondheid;
h) opzettelijke en ernstige verontreiniging in strijd met dit Verdrag;
i) beoefening van de visserij;
j) het verrichten van onderzoek of karteringswerkzaamheden;
k) handelswijzen gericht op de verstoring van communicatiesystemen of van andere voorzieningen of installaties
van de kuststaat;
l) andere activiteiten die niet rechtstreeks samenhangen met de doorvaart ».
B.102. De aan de wet van 7 mei 1999 onderworpen kansspelinrichtingen en de internationale passagiersschepen die
aan boord kansspelen of weddenschappen aanbieden en die gebruikmaken van hun recht op onschuldige doorvaart
door de Belgische territoriale zee, zijn vergelijkbare categorieën ten aanzien van de wet van 7 mei 1999 en de
doelstellingen die ermee worden nagestreefd, aangezien zij allebei kansspelen of weddenschappen exploiteren.
B.103. Er dient te worden vastgesteld dat de wet van 7 mei 2019 niet in voldoende waarborgen voorziet om te
vermijden dat er gedurende korte tijd cruiseschepen opduiken waarop passagiers zouden kunnen inschepen in België,
waarbij de passagiers zouden kunnen deelnemen aan kansspelen of weddenschappen zodra het schip vaart door de
territoriale zee zonder dat de wet van 7 mei 1999 van toepassing is, en die aldus de spelers zouden kunnen weglokken
van de kansspelinrichtingen die zijn onderworpen aan de wet van 7 mei 1999 en aan de bescherming die die wet er
waarborgt. Het verbod om kansspelen of weddenschappen te exploiteren van het moment dat het schip een
schip/haven raakvlak heeft tot het moment dat het schip het anker licht, alsook gedurende het hele verblijf van het
schip in de haven, volstaat in dat verband niet.
B.104. Het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 7296 is gegrond.
Artikel 4 van de wet van 7 mei 2019 dient te worden vernietigd.
Aangezien de twee andere onderdelen geen aanleiding kunnen geven tot een ruimere vernietiging, dienen zij niet
te worden onderzocht.
Om die redenen,
het Hof
- vernietigt de artikelen 4 en 21, 3o en 4o, van de wet van 7 mei 2019 « tot wijziging van de wet van 7 mei 1999 op
de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, en tot invoeging van
artikel 37/1 in de wet van 19 april 2002 tot rationalisering van de werking en het beheer van de Nationale Loterij »;
- vernietigt artikel 31 van de voormelde wet van 7 mei 2019, enkel in zoverre het niet voorziet in een
maximumtermijn voor het bewaren van de persoonsgegevens die in het in artikel 62 van de wet van 7 mei 1999 « op
de kansspelen, de weddenschappen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers » bedoelde register zijn
ingeschreven en in zoverre het niet voorziet in een maximumtermijn voor het bewaren van het afschrift van het stuk
waaruit de identiteit van de speler blijkt;
- verwerpt de beroepen voor het overige.
Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van
6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 9 december 2021.
De griffier, De voorzitter,
F. Meersschaut P. Nihoul

VERFASSUNGSGERICHTSHOF
[2021/205921]
Auszug aus dem Entscheid Nr. 177/2021 vom 9. Dezember 2021
Geschäftsverzeichnisnummern 7277, 7279, 7280, 7289, 7291 und 7296
In Sachen: Klagen auf völlige oder teilweise Nichtigerklärung des Gesetzes vom 7. Mai 2019 «zur Abänderung des
Gesetzes vom 7. Mai 1999 über die Glücksspiele, die Wetten, die Glücksspieleinrichtungen und den Schutz der Spieler,
und zur Einfügung eines Artikels 37/1 in das Gesetz vom 19. April 2002 zur Rationalisierung der Arbeit und
Verwaltung der Nationallotterie», erhoben von der «Derby» AG und der «Tiercé Ladbroke» AG, von der «Betcenter
Group» AG, von E.G., von der «World Football Association» PGmbH, von der «PMU Belge» AG und von der
«Rocoluc» AG und anderen.
Der Verfassungsgerichtshof,
zusammengesetzt aus den Präsidenten P. Nihoul und L. Lavrysen, und den Richtern J.-P. Moerman, T. Giet,
R. Leysen, J. Moerman, M. Pâques, Y. Kherbache, T. Detienne und D. Pieters, unter Assistenz des Kanzlers
F. Meersschaut, unter dem Vorsitz des Präsidenten P. Nihoul,
erlässt nach Beratung folgenden Entscheid:
I. Gegenstand der Klagen und Verfahren
a. Mit einer Klageschrift, die dem Gerichtshof mit am 8. November 2019 bei der Post aufgegebenem
Einschreibebrief zugesandt wurde und am 12. November 2019 in der Kanzlei eingegangen ist, erhoben Klage auf
Nichtigerklärung der Artikel 2, 3 Nr. 2, 18, 20 Nr. 2, 21 Nrn. 3 und 4, 22, 23 Nr. 1, 24 Nrn. 2 und 3 und 31 des Gesetzes
vom 7. Mai 2019 «zur Abänderung des Gesetzes vom 7. Mai 1999 über die Glücksspiele, die Wetten, die
Glücksspieleinrichtungen und den Schutz der Spieler, und zur Einfügung eines Artikels 37/1 in das Gesetz vom
19. April 2002 zur Rationalisierung der Arbeit und Verwaltung der Nationallotterie» (veröffentlicht im Belgischen
Staatsblatt vom 15. Mai 2019): die «Derby» AG und die «Tiercé Ladbroke» AG, unterstützt und vertreten durch RA P.
Joassart, in Brüssel zugelassen.
b. Mit einer Klageschrift, die dem Gerichtshof mit am 8. November 2019 bei der Post aufgegebenem
Einschreibebrief zugesandt wurde und am 13. November 2019 in der Kanzlei eingegangen ist, erhob die «Betcenter
Group» AG, unterstützt und vertreten durch RA L. Wynant und RA A. Loubkine, in Brüssel zugelassen, Klage auf
Nichtigerklärung desselben Gesetzes.
c. Mit einer Klageschrift, die dem Gerichtshof mit am 7. November 2019 bei der Post aufgegebenem
Einschreibebrief zugesandt wurde und am 13. November 2019 in der Kanzlei eingegangen ist, erhob E.G., unterstützt
und vertreten durch RA D. Philippe und RA J.-F. Libert, in Brüssel zugelassen, Klage auf Nichtigerklärung der
Artikel 28 Nr. 1 und 31 Nr. 1 desselben Gesetzes.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19747

d. Mit einer Klageschrift, die dem Gerichtshof mit am 14. November 2019 bei der Post aufgegebenem
Einschreibebrief zugesandt wurde und am 15. November 2019 in der Kanzlei eingegangen ist, erhob die «World
Football Association» PGmbH, unterstützt und vertreten durch RÄin Y. Spiegl und RÄin C. Maczkovics, in Brüssel
zugelassen, Klage auf Nichtigerklärung der Artikel 20 Nr. 2, 21 Nrn. 3 und 4, 23 Nr. 1, 24 Nrn. 2 und 3 und 31 Nrn. 1
und 2 desselben Gesetzes.
e. Mit einer Klageschrift, die dem Gerichtshof mit am 14. November 2019 bei der Post aufgegebenem
Einschreibebrief zugesandt wurde und am 15. November 2019 in der Kanzlei eingegangen ist, erhob die «PMU
Belge» AG, unterstützt und vertreten durch RÄin Y. Spiegl und RÄin C. Maczkovics, Klage auf Nichtigerklärung der
Artikel 20 Nr. 2 und 21 Nrn. 3 und 4 desselben Gesetzes.
f. Mit einer Klageschrift, die dem Gerichtshof mit am 14. November 2019 bei der Post aufgegebenem
Einschreibebrief zugesandt wurde und am 18. November 2019 in der Kanzlei eingegangen ist, erhoben Klage auf
Nichtigerklärung der Artikel 4, 20, 24 und 36 desselben Gesetzes: die «Rocoluc» AG, die «Fremoluc» AG und Frédéric
Van den Berghe, unterstützt und vertreten durch RA F. Tulkens und RA M. Vanderstraeten, in Brüssel zugelassen.
Diese unter den Nummern 7277, 7279, 7280, 7289, 7291 und 7296 ins Geschäftsverzeichnis des Gerichtshofes
eingetragenen Rechtssachen wurden verbunden.
(...)
II. Rechtliche Würdigung
(...)
In Bezug auf den Umfang der Nichtigkeitsklagen
B.1. Die klagenden Parteien in der Rechtssache Nr. 7277 beantragen die Nichtigerklärung der Artikel 2, 3 Nr. 2,
18, 20 Nr. 2, 21 Nrn. 3 und 4, 22, 23 Nr. 1, 24 Nrn. 2 und 3 und 31 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 «zur Abänderung des
Gesetzes vom 7. Mai 1999 über die Glücksspiele, die Wetten, die Glücksspieleinrichtungen und den Schutz der Spieler,
und zur Einfügung eines Artikels 37/1 in das Gesetz vom 19. April 2002 zur Rationalisierung der Arbeit und
Verwaltung der Nationallotterie» (nachstehend: Gesetz vom 7. Mai 2019).
Die klagende Partei in der Rechtssache Nr. 7279 beantragt die Nichtigerklärung desselben Gesetzes.
Die klagende Partei in der Rechtssache Nr. 7280 beantragt die Nichtigerklärung der Artikel 28 Nr. 1 und 31 Nr. 1
desselben Gesetzes.
Die klagende Partei in der Rechtssache Nr. 7289 beantragt die Nichtigerklärung der Artikel 20 Nr. 2, 21 Nrn. 3 und
4, 23 Nr. 1, 24 Nrn. 2 und 3 und 31 Nrn. 1 und 2 desselben Gesetzes.
Die klagende Partei in der Rechtssache Nr. 7291 beantragt die Nichtigerklärung der Artikel 20 Nr. 2 und 21 Nrn. 3
und 4 desselben Gesetzes.
Die klagenden Parteien in der Rechtssache Nr. 7296 beantragen «jedenfalls» die Nichtigerklärung der Artikel 4, 20,
24 und 36 desselben Gesetzes.
In Bezug auf das angefochtene Gesetz
B.2.1. Das Gesetz vom 7. Mai 2019 ändert das Gesetz vom 7. Mai 1999 «über die Glücksspiele, die Wetten, die
Glücksspieleinrichtungen und den Schutz der Spieler» (nachstehend: Gesetz vom 7. Mai 1999). Das ursprüngliche
Gesetz vom 7. Mai 1999 hat zum Ziel:
«à définir une série de principes dans la loi, un cadre qui soumettrait les opérateurs de jeux à des règles
d’exploitation strictes en contrepartie de la sécurité professionnelle et de la certitude d’un gain raisonnable.
Elle repose sur le double principe suivant :
- l’exploitation de jeux de hasard reste - a priori - interdite;
- une autorisation d’exploitation doit être considérée comme un privilège qu’il y a lieu de supprimer
immédiatement en cas d’infraction aux règles imposées ou de violation de ces règles.
[...]
Tout est conçu en fonction d’un quadruple objectif :
- la protection de la société et la sauvegarde de l’ordre public;
- la protection du joueur;
- la protection des exploitants;
- la protection des intérêts fiscaux des régions» (Parl. Dok., Senat, 1995-1996, Nr. 1-419/1, SS. 2-3).
Dem Gesetz vom 7. Mai 1999 liegt also das Prinzip zugrunde, dass das Betreiben von Glücksspielen a priori
verboten ist, jedoch sind Ausnahmen über ein System von Zulassungen im Wege der Erteilung von Lizenzen durch die
Kommission für Glücksspiele vorgesehen (Parl. Dok., Kammer, 2008-2009, DOC 52-1992/001, SS. 3-4). Der Gesetzgeber
verfolgt insbesondere ein Ziel der Kanalisierung, das darin besteht, das illegale Angebot von Glücksspielen durch die
Genehmigung eines begrenzten legalen Angebots an Glücksspielen zu bekämpfen (ebenda, S. 4).
Die vom Gesetz vom 7. Mai 1999 erlaubten Glücksspieleinrichtungen sind in vier Klassen aufgeteilt (Artikel 6
Absatz 1 dieses Gesetzes): Glücksspieleinrichtungen der Klasse I oder Spielbanken (Artikel 28), Glücksspiel-
einrichtungen der Klasse II oder Automatenspielhallen (Artikel 34), Glücksspieleinrichtungen der Klasse III oder
Schankstätten (Artikel 39) und Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV oder «ausschließlich für die Entgegennahme
von Wetten bestimmte Orte» (Artikel 43/4).
Nach Artikel 25 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 unterscheiden sich die vier Klassen von Glücksspieleinrichtungen
zudem durch die Art der Lizenz, die für ihr Betreiben erforderlich ist: Eine Lizenz A ist für das Betreiben einer
Spielbank erforderlich (Artikel 25 Absatz 1 Nr. 1), eine Lizenz B ist für das Betreiben einer Automatenspielhalle
erforderlich (Artikel 25 Absatz 1 Nr. 2), eine Lizenz C ist für das Betreiben einer Schankstätte erforderlich (Artikel 25
Absatz 1 Nr. 3). Die Lizenz F1 (Artikel 25 Absatz 1 Nr. 6) erlaubt das «Organisieren von Wetten». Die Lizenz F2
(Artikel 25 Absatz 1 Nr. 7) erlaubt «die Entgegennahme von Wetten für Rechnung von Inhabern von F1-Lizenzen» in
einer ortsfesten oder mobilen Glücksspieleinrichtung der Klasse IV und außerhalb einer solchen Einrichtung durch
Zeitungshändler oder auf Rennbahnen nach den in Artikel 43/4 § 5 Nrn. 1 und 2 des Gesetzes vom 7. Mai 1999
festgelegten Bedingungen.
Außerdem sieht Artikel 43/8 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 vor, dass A+-, B+- und F1+-Zusatzlizenzen für das
Betreiben von Glücksspielen über Instrumente der Informationsgesellschaft notwendig sind, dass sie nur Personen
gewährt werden können, die bereits im Besitz einer A-, B- oder F1- Lizenz sind, dass diese Personen nur eine einzige
Zusatzlizenz erhalten können und dass diese Zusatzlizenz nur das Betreiben von Spielen der gleichen Art wie
diejenigen, die sie bereits in der realen Welt anbieten, betreffen darf.
B.2.2. Der allgemeine Zweck des Gesetzes vom 7. Mai 2019 kann wie folgt zusammengefasst werden:
«Le projet de loi modifie des dispositions de la loi du 7 mai 1999 sur les jeux de hasard, les paris, les établissements
de jeux de hasard et la protection du joueur pour notamment l’adapter à certaines pratiques constatées auprès des
opérateurs de jeux.
19748 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

Il augmente le nombre maximum de jeux de hasard pouvant être exploités dans les débits de boissons en y
interdisant l’exploitation de machines non autorisées par la loi.
La composition de la Commission des jeux de hasard et les conditions de nomination sont modifiées.
Le pouvoir de sanction de la Commission des jeux de hasard est renforcé.
Les établissements de classe IV sont tenus de conclure une convention avec la commune où ils souhaitent s’établir.
Les jeux de hasard dits ’ virtuels ’ exploités dans les établissements de jeux de hasard fixes de classe IV sont
interdits aux personnes de moins de 21 ans et le système de contrôle EPIS devient applicable aux établissements de jeux
de hasard fixes de classe IV.
Compétence est donnée au Roi pour réglementer la publicité liée aux jeux de hasard» (Parl. Dok., Kammer,
2018-2019, DOC 54-3327/001, S. 3).
Darüber hinaus werden durch das Gesetz vom 7. Mai 2019:
- die Bedingungen, unter denen Pferdewetten organisiert werden können, abgeändert (Artikel 43/2 des Gesetzes
vom 7. Mai 1999, abgeändert durch Artikel 21 des Gesetzes vom 7. Mai 2019) und die neue Lizenzklasse F1P für das
«Organisieren von Wetten auf Pferderennen» eingeführt (Artikel 25 Absatz 1 Nr. 6/2 des Gesetzes vom 7. Mai 1999,
eingefügt durch Artikel 14 des Gesetzes vom 7. Mai 2019);
- wird der Kommission für Glücksspiele die Befugnis übertragen, «Wetten zu verbieten, wenn der ordnungs-
gemäße Ablauf des Ereignisses nicht gewährleistet werden kann oder wenn sie der Auffassung ist, dass spezifische
Wettmöglichkeiten betrugsanfällig sind» (Artikel 43/1 Absatz 3 des Gesetzes vom 7. Mai 1999, eingefügt durch
Artikel 20 Nr. 2 des Gesetzes vom 7. Mai 2019);
- eine neue Bestimmung zu internationalen Passagierschiffen, auf denen Glücksspiele oder Wetten angeboten
werden, eingefügt (Artikel 3ter des Gesetzes vom 7. Mai 1999, eingefügt durch Artikel 4 des Gesetzes vom 7. Mai 2019).
In Bezug auf das Interesse
B.3. Die Verfassung und das Sondergesetz vom 6. Januar 1989 über den Verfassungsgerichtshof erfordern, dass jede
natürliche oder juristische Person, die eine Nichtigkeitsklage erhebt, ein Interesse nachweist. Das erforderliche Interesse
liegt nur bei jenen Personen vor, deren Situation durch die angefochtene Rechtsnorm unmittelbar und ungünstig
beeinflusst werden könnte.
B.4.1. Die klagenden Parteien in der Rechtssache Nr. 7277 weisen ihr Interesse an der Klageerhebung nach, indem
sie geltend machen, dass sie im Bereich von Glücksspielen und Wetten tätig sind, dass sie Inhaber von F1- und
F2-Lizenzen sind und dass sie Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV betreiben. Ihrer Ansicht nach schränken die
angefochtenen Bestimmungen ihre Tätigkeiten ein und erlegen ihnen verbindlichen Pflichten auf.
B.4.2.1. Die VoG «UBA-BNGO», intervenierende Partei in der Rechtssache 7277, macht geltend, dass der erste
Klagegrund, der erste Teil des vierten Klagegrunds und der fünfte Klagegrund in der Rechtssache Nr. 7277, die gegen
Artikel 3 Nr. 2 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 gerichtet sind, wegen des fehlenden Interesses an der Nichtigerklärung
dieser Bestimmung unzulässig seien.
B.4.2.2. Durch Artikel 3 Nr. 2 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 werden zwei neue Absätze in Artikel 3 des Gesetzes
vom 7. Mai 1999 eingefügt, die zum zweiten und dritten Absatz dieser Bestimmung werden.
Infolge dieser Abänderung bestimmt Artikel 3 des Gesetzes vom 7. Mai 1999:
«Ne sont pas des jeux de hasard au sens de la présente loi :
1. l’exercice des sports;
2. les jeux offrant au joueur ou au parieur comme seul enjeu le droit de poursuivre le jeu gratuitement et ce, cinq
fois au maximum;
3. les jeux de cartes ou de société pratiqués en dehors des établissements de jeux de hasard de classe I et II, à
l’exception des jeux de cartes ou de société, pratiqués dans des établissements de jeu de hasard de classe III qui utilisent
un appareil, les jeux exploités dans des parcs d’attractions ou par des industriels forains à l’occasion [...] de kermesses,
de foires commerciales ou autres et en des occasions analogues, ainsi que les jeux organisés occasionnellement et tout
au plus quatre fois par an par une association locale à l’occasion d’un événement particulier ou par une association de
fait à but social ou philanthropique ou par une association sans but lucratif au bénéfice d’une œuvre sociale ou
philanthropique, et ne nécessitant qu’un enjeu très limité et qui ne peuvent procurer, au joueur ou au parieur, qu’un
avantage matériel de faible valeur.
Les jeux de cartes ou de société pratiqués visés à l’alinéa 1er, 3, offerts sur des appareils, sont interdits aux mineurs
d’âge et ne peuvent être joués qu’au moyen d’appareils explicitement autorisés à cet effet par la commission des jeux
de hasard. Le contrôle de l’âge du joueur doit se faire de manière automatique au moyen d’un lecteur de cartes
d’identité électronique.
L’autorité communale peut soumettre les jeux de cartes ou de société visés à l’alinéa 1er, 3, qu’ils soient ou non
offerts sur des appareils, et qui ne nécessitent qu’un enjeu très limité et ne peuvent procurer au joueur ou au parieur
qu’un avantage matériel de faible valeur, à une autorisation préalable et à des conditions d’exploitation non-techniques.
Le Roi détermine, en application de l’alinéa 1er, 2. et 3., les conditions du type d’établissement, du type de jeu, du
montant de la mise, de l’avantage qui peut être attribué et de la perte moyenne par heure».
Artikel 2 Absatz 1 Nrn. 1 und 5 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 definiert das Glücksspiel als «ein Spiel mit Einsatz,
wobei entweder der Einsatz von mindestens einem der Spieler verloren wird oder ein Gewinn von mindestens einem
der Spieler oder Spielveranstalter erzielt wird und wobei der Zufall beim Spielablauf, bei der Bestimmung des
Gewinners oder bei der Festlegung des Gewinns eine - selbst nebensächliche - Rolle spielt und die Wette als ein
«Glücksspiel, wobei jeder Spieler einen Einsatz leistet und dessen Gewinn oder Verlust nicht vom Handeln des Spielers
abhängt, sondern vom Ausgang eines ungewissen Sachverhalts, der ohne Eingreifen der Spieler erfolgt».
Nach Artikel 3 Absatz 1 Nr. 3 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 werden bestimmte Karten- oder Gesellschaftsspiele
jedoch nicht als Glücksspiele angesehen. Artikel 3 Absätze 2 und 3 des Gesetzes vom 7. Mai 1999, eingefügt durch
Artikel 3 Nr. 2 des Gesetzes vom 7. Mai 2019, sieht einen Rahmen für diese Karten- oder Gesellschaftsspiele vor, die
von der Definition der Glücksspiele ausgenommen sind. So sind Karten- oder Gesellschaftsspiele, die nicht in einer
Glücksspieleinrichtung der Klasse I, II oder III stattfinden, keine Glücksspiele, wenn dabei jedoch Geräte zum Einsatz
kommen («3.3-Geräte»), sind sie für Minderjährige verboten und können sie nur auf Geräten gespielt werden, die von
der Kommission für Glücksspiele ausdrücklich zugelassen wurden. Die Gemeindebehörde kann die Karten- oder
Gesellschaftsspiele, die nicht als Glücksspiele angesehen werden, einer vorherigen Erlaubnis und nichttechnischen
Betriebsbedingungen unterwerfen. Dies gilt unabhängig davon, ob die Karten- oder Gesellschaftsspiele auf Geräten
angeboten werden.
B.4.2.3. Nach Artikel 43/4 § 1 Absatz 1 des Gesetzes vom 7. Mai 1999, nicht abgeändert durch das Gesetz vom
7. Mai 2019, sind die Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV «Orte, die ausschließlich dazu bestimmt sind, gemäß
vorliegendem Gesetz zugelassene Wetten für Rechnung von Inhabern von F1-Lizenzen entgegenzunehmen».
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19749

Während der Vorarbeiten wurde Folgendes dargelegt:


«Les établissements de jeux de hasard de classe IV sont des lieux exclusivement destinés à engager des paris
autorisés conformément à la présente loi. Ces établissements de jeux de hasard peuvent être répartis en établissements
de jeux de hasard ayant un caractère fixe ou établissements de jeux de hasard ayant un caractère mobile.
Nonobstant cette destination exclusive pour l’engagement de paris, les établissements de jeux de hasard fixes sont
autorisés à vendre des revues spécialisées, des magazines sportifs, des gadgets et des boissons non alcoolisées. En effet,
ceux-ci sont liés à l’activité économique réalisée par l’agence de paris. En outre, une agence de paris fixe est autorisée
à exploiter au maximum deux jeux de hasard, automatiques qui proposent des paris sur des activités similaires à celles
conclues dans l’agence de paris.
Dans ces établissements, seuls peuvent être proposés les paris pour lesquels l’organisateur a obtenu une licence de
classe F1. L’engagement d’autres paris pour lesquels l’organisateur n’a pas obtenu de licence de classe F1 est interdit»
(Parl. Dok., Kammer, 2008-2009, DOC 52-1992/001, S. 36).
Es geht demnach aus dem Text von Artikel 43/4 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 und den vorerwähnten Vorarbeiten
hervor, dass Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV ausschließlich für die Tätigkeit der Entgegennahme von Wetten
bestimmt sind, unter Ausschluss damit zusammenhängender Tätigkeiten oder von Angeboten anderer Arten von
Spielen. Der nicht durch das Gesetz vom 7. Mai 2019 abgeänderte Artikel 43/4 § 2 Absatz 3 des Gesetzes vom 7. Mai
1999 sieht jedoch eine Ausnahme von dieser Regel vor. So sind neben der Entgegennahme von Wetten drei andere
Arten von Tätigkeiten in einer ortsfesten Glücksspieleinrichtung der Klasse IV zulässig: (1) Verkauf von Fachzeitungen,
Sportmagazinen und Gadgets, (2) Verkauf alkoholfreier Getränke und (3) Betrieb von höchstens zwei Glücksspiel-
automaten, die Wetten in Bereichen anbieten, die denen ähnlich sind, auf die in Wettbüros gewettet wird.
Daraus folgt, dass es Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV nicht erlaubt ist, die in Artikel 3 Absatz 1 Nr. 3 des
Gesetzes vom 7. Mai 1999 erwähnten Karten- oder Gesellschaftsspiele zu betreiben. Da Artikel 3 Nr. 2 des Gesetzes vom
7. Mai 2019 das Betreiben von Karten- oder Gesellschaftsspielen betrifft und das Verbot, diese in den Glücksspiel-
einrichtungen der Klasse IV zu betreiben, bereits vor dem Gesetz vom 7. Mai 2019 bestand, beeinträchtigt Artikel 3 Nr. 2
des Gesetzes vom 7. Mai 2019 nicht unmittelbar und ungünstig die Situation der klagenden Parteien in der Rechtssache
Nr. 7277.
B.4.2.4. Die Klage in der Rechtssache Nr. 7277 ist unzulässig, insofern sie gegen Artikel 3 Nr. 2 des Gesetzes vom
7. Mai 2019 gerichtet ist.
B.4.3.1. Die VoG «UBA-BNGO» macht geltend, dass der zweite Teil des vierten Klagegrunds in der Rechtssache
Nr. 7277, der gegen die Artikel 2 und 18 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 gerichtet ist, wegen des fehlenden Interesses an
der Nichtigerklärung dieser Bestimmungen unzulässig sei.
B.4.3.2. Artikel 18 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 ändert Artikel 39 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 ab, der die
Glücksspieleinrichtungen der Klasse III oder Schankstätten nunmehr definiert als «Einrichtung, in der Getränke gleich
welcher Art zum dortigen Verzehr verkauft werden und in der höchstens zwei automatische Glücksspiele und zwei
automatische Glücksspiele mit begrenztem Einsatz betrieben werden».
Artikel 2 Absatz 1 Nr. 11 des Gesetzes vom 7. Mai 1999, eingefügt durch Artikel 2 des Gesetzes vom 7. Mai 2019
definiert «Glücksspielautomaten mit begrenztem Einsatz» als ein «Gerät, an dem Glücksspiele betrieben werden und
an dem es weniger möglich ist, Glücksspiele zu spielen als an anderen Geräten in den Glücksspieleinrichtungen der
Klasse III, sodass sich aus der Gesamtheit der Einsätze ein Verlust pro Stunde ergibt, der durchschnittlich geringer ist
als der Betrag pro Stunde, der in Artikel 8 Absatz 3 genannt ist, und die Einsätze pro Spiel den Wert der in Umlauf
befindlichen Geldmünze mit dem höchsten Wert nicht übersteigen können». Artikel 2 Absatz 2 des Gesetzes vom
7. Mai 2019, ebenfalls eingefügt durch Artikel 2 des Gesetzes vom 7. Mai 2019, sieht vor, dass der König die in der
vorgenannten Definition erwähnte Tabelle der Einsätze festlegt.
B.4.3.3. Aus der Darlegung in der Klageschrift geht hervor, dass die klagenden Parteien in der Rechtssache Nr. 7277
der Auffassung sind, dass die Artikel 2 und 18 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 zu einem ungerechtfertigten
Behandlungsunterschied zwischen einerseits den Glücksspieleinrichtungen der Klasse III mit einer C-Lizenz und
andererseits den Orten, die nicht im Besitz einer Lizenz sind, führen.
Die klagenden Parteien in der Rechtssache Nr. 7277 gehören zu keiner der zwei Kategorien, die sie miteinander
vergleichen. Sie weisen nicht nach, inwiefern die Artikel 2 und 18 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 ihre Situation
unmittelbar und in ungünstigem Sinne betreffen könnten.
B.4.3.4. Die Klage in der Rechtssache Nr. 7277 ist unzulässig, insofern sie gegen die Artikel 2 und 18 des Gesetzes
vom 7. Mai 2019 gerichtet ist.
B.5.1. Der Ministerrat macht geltend, dass die klagenden Parteien in den Rechtssachen Nrn. 7277, 7289, 7291 und
7296 kein berechtigtes Interesse an der Beantragung der Nichtigerklärung der Artikel 43/1 Absatz 3 des Gesetzes vom
7. Mai 1999, eingefügt durch Artikel 20 Nr. 2 des Gesetzes vom 7. Mai 2019, hätten. Dieser bestimmt:
«La commission peut interdire des paris si le bon déroulement de l’événement ne peut pas être garanti ou si elle
estime que des possibilités spécifiques de paris sont exposées à la fraude. Les titulaires de licence concernés en sont
immédiatement informés».
Der Ministerrat macht geltend, dass die Absicht der klagenden Parteien mit der Beantragung dieser Nichtiger-
klärung darin bestehe, dass sie betrugsanfällige Wetten anbieten könnten, sodass ihr Interesse als unrechtmäßig
angesehen werden müsse.
B.5.2. Die klagenden Parteien in den Rechtssachen Nrn. 7277, 7289, 7291 und 7296 beanstanden nicht an sich den
Umstand, dass Wetten, bei denen ein Betrug begangen werden könnte, verboten werden können, sondern sie führen
unter anderem an, dass mit der angefochtenen Bestimmung der Kommission für Glücksspiele ein zu großer
Ermessensspielraum eingeräumt werde. Ihr Interesse ist daher nicht unrechtmäßig.
B.5.3. Die Einrede wird abgewiesen.
Zur Hauptsache
In Bezug auf die Pferdewetten (zweiter, siebter und achter Klagegrund in der Rechtssache Nr. 7277; erster Klagegrund und
zweiter Teil des zweiten Klagegrunds in den Rechtssachen Nrn. 7289 und 7294)
Die angefochtenen Bestimmungen
B.6.1. Artikel 22 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 fügt in das Gesetz vom 7. Mai 1999 einen neuen Artikel 43/2/1 ein.
Diese Bestimmung sieht vor, dass das Organisieren von Pferdewetten eine F1P-Lizenz erfordert, die die Kommission
für Glücksspiele nur Inhabern einer F1-Lizenz erteilen kann. Außerdem ermächtigt sie den König, die spezifischen
Bedingungen festzulegen, die für die Entgegennahme von Pferdewetten eingehalten werden müssen.
Der neue Artikel 43/2/1 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 bestimmt:
« § 1er. Les organisateurs de paris sur les courses hippiques doivent disposer d’une licence de classe F1P que la
commission ne peut accorder qu’aux titulaires d’une licence de classe F1.
La commission prend une décision sur les demandes d’octroi de la licence de classe F1P dans les trois mois de la
demande.
19750 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

§ 2. Le Roi fixe les conditions spécifiques qui doivent être respectées pour l’engagement de ces paris par le titulaire
d’une licence F1P ».
B.6.2. Artikel 21 Nr. 3 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 ersetzt Paragraph 2 von Artikel 43/2 des Gesetzes vom
7. Mai 1999, und Artikel 21 Nr. 4 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 fügt einen Paragraphen 3 in dieselbe Bestimmung ein.
Infolge dieser Abänderungen bestimmt Artikel 43/2 des Gesetzes vom 7. Mai 1999:
« § 1er. En matière de courses hippiques, seuls les paris suivants sont autorisés :
1o les paris mutuels sur les courses hippiques qui ont lieu en Belgique et qui sont organisées par une association
de courses agréée par la fédération compétente;
2o les paris mutuels sur les courses hippiques qui ont lieu à l’étranger;
3o les paris à cote fixe ou conventionnelle sur des courses hippiques qui ont lieu en Belgique et qui sont organisées
par une association de courses agréée par la fédération compétente;
4o les paris à cote fixe ou conventionnelle sur des courses hippiques qui ont lieu à l’étranger.
§ 2. Concernant les courses hippiques :
1o les paris visés au paragraphe 1er, 1o et 3o, ne peuvent être organisés que moyennant l’autorisation de
l’association de courses qui organise la course en question et aux conditions fixées par le Roi. Cette association peut
adopter la forme d’une association sans but lucratif;
2o les paris visés au paragraphe 1er, 2o, ne peuvent être organisés qu’aux conditions fixées par le Roi par
l’organisateur de paris visé au 1o et moyennant une convention conclue entre l’organisateur étranger agréé dans un Etat
membre de l’Union européenne et le titulaire d’une licence de classe F1;
3o les paris visés au paragraphe 1er, 4o, ne peuvent être organisés qu’aux conditions fixées par le Roi par
l’organisateur des paris visé au 1o.
§ 3. Le titulaire d’une licence F1P, qui souhaite proposer des paris sur des courses hippiques organisées par une
association de courses visée au paragraphe 2, 1o, conclut une convention avec cette association de courses. La
convention par laquelle l’association autorise l’offre de paris fixe au minimum la manière dont l’association de courses
transmet les données relatives aux courses qu’elle organise, le délai de transmission de ces données ainsi que la
compensation convenue entre les parties. Lorsque le titulaire de licence F1P souhaite proposer des paris sur l’ensemble
des courses hippiques organisées par des associations de courses agréées, il conclut une convention avec l’ensemble de
ces associations. Cette convention fixe au minimum la manière dont les associations de courses transmettent les
données relatives aux courses qu’elles organisent, le délai de transmission de ces données ainsi que la compensation
convenue entre les parties.
Lorsqu’un titulaire de licence F1P souhaite proposer des paris sur toutes les courses hippiques organisées par des
associations de courses agréées ou sur des courses hippiques se déroulant à l’étranger, les associations de courses
s’accordent sur la gestion des données et des images de leurs courses hippiques ainsi que sur l’octroi des autorisations
pour l’offre de paris sur ces courses. Le titulaire d’une licence F1P n’est redevable que d’une seule compensation
périodique pour cette autorisation, répartie entre les associations de courses agréées selon une clé de répartition
définies entre elles ».
Daraus ergibt sich insbesondere, dass ein Inhaber einer F1P-Lizenz, der Wetten auf Pferderennen organisieren
möchte, die in Belgien stattfinden, eine Erlaubnis des Rennvereins, der das betreffende Rennen ausrichtet, einholen
muss (Artikel 43/2 § 2 Nr. 1 des Gesetzes vom 7. Mai 1999) und an ihn eine Ausgleichszahlung entrichten muss, deren
Höhe vertraglich festgelegt wird conventionnellement (Artikel 43/2 § 3 Absatz 1 des Gesetzes vom 7. Mai 1999). Nur
Inhaber einer F1P-Lizenz, die die Erlaubnis erhalten haben, Wetten auf Pferderennen zu organisieren, die in Belgien
stattfinden, können auch Wetten auf Pferderennen organisieren, die im Ausland stattfinden (Artikel 43/2 § 2 Nrn. 2 und
3 des Gesetzes vom 7. Mai 1999). Wenn der Inhaber einer F1P-Lizenz Wetten auf sämtliche Pferderennen in Belgien
organisieren möchte oder wenn er Wetten auf Pferderennen im Ausland organisieren möchte, muss er an die
Rennvereine eine periodische Ausgleichszahlung entrichten, die diese untereinander aufteilen (Artikel 43/2 § 3
Absätze 1 und 2 des Gesetzes vom 7. Mai 1999).
B.6.3. Aus den Vorarbeiten geht hervor, dass der Gesetzgeber so den Schutz der Spieler verstärken und durch die
Gewährleistung der Finanzierung der Pferdebranche für die Integrität von Pferdewetten sorgen wollte. In den
Vorarbeiten heißt es:
«Généralités
Les amendements avec les numéros 18 à 24 visent à renforcer le cadre réglementaire, afin de soutenir le secteur des
paris hippiques et des paris sous licence, qui jouissent d’une longue tradition et qui sont liés à diverses activités
culturelles dans notre pays. Proposer au joueur une offre sous licence et contrôlée dans son propre pays lui garantit une
meilleure protection. L’intégrité des paris est liée à une organisation professionnelle du secteur hippique, qui a besoin
d’un soutien structurel pour pouvoir continuer à développer ses activités.
[...]
Le secteur des courses hippiques et le secteur des paris sont fortement liés l’un à l’autre. Depuis longtemps, les
gens font des paris sur des courses hippiques créant une marge sur ces paris qui d’une part assure le financement des
primes des courses, qui sont les revenus des acteurs socioprofessionnels du secteur des courses, et qui d’autre part
permet l’organisation de courses. Il s’agit du modèle d’entreprise général du secteur des courses hippiques. Il est donc
important que le secteur des courses soit financé normalement par les paris et, en ce qui concerne les organisateurs
autorisés de paris, qu’ils disposent de courses (de qualité) pour lesquelles des paris peuvent être proposés et, à cette
fin, ils doivent avoir un cadre clair afin de disposer des données et des images télévisées de ces courses. Si les paris
n’apportent pas de retour, le secteur des courses hippiques ne pourra jamais fonctionner et aucun pari sûr ne pourra
être proposé sur des courses hippiques.
[...]
Il ressort des travaux parlementaires préparatoires de la loi du 10 janvier 2010 qu’au travers de cette modification
législative, le législateur vise un triple objectif :
(i) la préservation de l’équilibre financier du secteur hippique et, plus particulièrement, des associations de courses;
(ii) la lutte contre la criminalité et la fraude; et enfin
(iii) la lutte contre la dépendance au jeu et la protection du consommateur.
[...]
Le législateur avait donc clairement l’intention de soutenir le secteur des courses hippiques. Les frais exposés par
le secteur des courses pour l’organisation de ces dernières sont principalement des frais pour des services communs au
profit du secteur des courses lui-même et des organisateurs de paris sur ces courses, de sorte qu’il est équitable que ces
derniers couvrent donc également ces frais.
Dès lors, la législation existante sur les jeux de hasard prévoit déjà un soutien conventionnel de la filière hippique,
mais uniquement en ce qui concerne les paris mutuels sur des courses hippiques ayant lieu à l’étranger. En outre, en
fonction de la loi, les associations de courses obtiennent des revenus financiers des conventions commerciales qu’ils
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19751

concluent avec les titulaires de licence de classe F1 qui proposent des paris sur des courses hippiques se déroulant en
Belgique. Pendant quelques années, ce système - rendu possible par la loi modifiée à l’époque - a été la planche de salut
des courses hippiques en Belgique. Cependant, la loi modifiée n’est pas suffisante parce que dans la pratique, ce soutien
défini contractuellement n’est pas (n’est plus) fonctionnel, de sorte qu’à présent il ne suffit absolument pas à préserver
la viabilité du secteur des courses hippiques, qui assument tous les frais pour avoir la qualité exigée. En outre, une
adaptation de la loi doit mieux régler certains points.
La modification de la loi ne consiste pas en une nouvelle ligne de politique, mais en une modification technique
afin de confirmer à nouveau la politique existante.
Élaboration de l’objectif de soutien du secteur
Lignes directrices
Afin de réajuster ce soutien financier du sport hippique, il est nécessaire de modifier le système existant. Pour ce
faire, il convient de prévoir un retour conventionnel généralisé dans la loi sur les jeux de hasard. Le retour
conventionnel régi par la loi ne s’applique plus uniquement aux paris mutuels, mais est généralisé à tous les types de
paris hippiques (mutuels et à cote), tant pour les courses organisées en Belgique que pour celles organisées à l’étranger.
[...]
Droits aux images
Une deuxième question que les organisateurs de paris hippiques autorisés doivent résoudre concerne les images
télévisées des courses. La diffusion des images des courses hippiques belges est très complexe. Les associations de
courses sont les détenteurs respectifs des droits sur les images des courses organisées chez elles.
Dans un contexte où les opérateurs doivent verser une contribution au secteur hippique pour tous les paris
hippiques, il est indiqué d’instaurer un système simplifié pour l’exploitation des images et des données des courses
hippiques par les opérateurs de paris en question. La contribution des opérateurs de paris - déterminée
conventionnellement, mais régie par la loi - est destinée aux associations de courses. Ces associations de courses sont
les propriétaires des données (programmation des courses des différentes associations de courses, listes des
participants, résultats, etc.) et des images de courses se déroulant dans leur hippodrome. Une réglementation relative
aux images et aux données de courses hippiques doit faire partie de la convention devant être conclue entre
l’association (les associations) de courses et le titulaire de licence F1P. Les exploitants légitimes de paris pour les courses
hippiques doivent pouvoir obtenir ces droits de manière uniforme.
Importance de la protection du joueur et de l’intégrité
Une troisième question concerne la protection adéquate des joueurs et l’intégrité du sport hippique au sein d’un
cadre régulateur stable. À cet égard, l’organe de gestion qui chapeaute le sport hippique (Fédération belge des courses
hippiques ASBL) a un rôle important à jouer. Il assure la coordination entre les associations de courses, est responsable
de la gestion générale des courses hippiques et peut collaborer à la lutte contre le trucage de compétitions. Cela
implique, entre autres, une participation de la Fédération à la plate-forme nationale, qui doit faire office d’organe de
concertation entre les autorités, les partenaires d’enquête, la Commission des jeux de hasard et le secteur sportif, afin
d’améliorer les flux d’information entre les différentes parties prenantes. La Fédération a donc la responsabilité de
veiller d’une part à une organisation et une gestion optimales des courses hippiques et d’autre part au maintien de
l’intégrité du sport hippique» (Parl. Dok., Kammer, 2018-2019, DOC 54-3327/002, SS. 37-41).
Und:
«Les modifications apportées à l’article 43/2 de la loi relative aux jeux de hasard visent à assurer au secteur des
courses hippiques un retour généralisé. Actuellement, il est peu logique que la source principale de la couverture des
frais du secteur des courses hippiques belge soit basée sur les paris mutuels sur des courses hippiques ayant lieu à
l’étranger. Un retour conventionnel régi par la loi est donc généralisé à tous les types de paris hippiques (mutuels et
à cote), tant pour les courses belges que pour les courses étrangères.
Ce retour généralisé peut être assuré en subordonnant tous les types de paris hippiques à un accord avec le secteur
(comme c’est le cas actuellement pour les paris mutuels, à propos desquels la loi sur les jeux de hasard précise qu’ils
’ ne peuvent être organisés que par ou moyennant l’autorisation de l’association de courses ’).
Cela peut se faire en réservant toute forme de pari sur des courses hippiques à des organisateurs de paris qui
offrent des paris mutuels sur des courses hippiques se déroulant en Belgique, pour lesquelles une convention doit être
conclue avec les associations de courses reconnues. Dans cette convention, les associations de courses peuvent intégrer
un retour financier au profit du secteur des courses hippiques.
Dans ce cadre, il est important de reconnaître que, pour le secteur hippique comme pour le secteur des
organisateurs de paris, un ’ one-stop-shop ’ pour les opérateurs de paris sera bénéfique pour le bon fonctionnement du
système, afin d’obtenir l’autorisation totale pour l’ensemble des paris sur les courses hippiques. Pour ces raisons, les
associations de courses doivent se rassembler afin que les opérateurs de paris puissent conclure une convention sur
l’ensemble de toutes les formes de paris sur les courses hippiques (mutuels et à cote, se déroulant en Belgique ainsi qu’à
l’étranger). Pour les paris proposés dans l’enceinte de l’hippodrome, il faut encore toujours uniquement conclure une
convention avec l’association de courses en question. Si l’opérateur de paris veut uniquement proposer des paris sur
des courses hippiques organisées par une association de courses spécifiques, il ne pourra encore conclure cette
convention qu’avec cette association de courses» (ebenda, SS. 44-45).
Die Zuständigkeitsverteilung
B.7. Die klagenden Parteien in der Rechtssache Nr. 7277 leiten einen zweiten Klagegrund ab aus einem Verstoß
durch Artikel 21 Nr. 4 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 gegen die Artikel 39 und 127 der Verfassung und die Artikel 4 Nr. 9
und 6 § 1 V Absatz 1 Nr. 1 des Sondergesetzes vom 8. August 1980 zur Reform der Institutionen (nachstehend:
Sondergesetz vom 8. August 1980).
Sie machen geltend, dass das einzige Ziel der angefochtenen Bestimmung die Finanzierung der Pferdebranche sei
und dass sie daher nicht in die föderale Zuständigkeit in Angelegenheiten von Spielen und Wetten, sondern in die
Zuständigkeit der Gemeinschaften in Angelegenheiten des Sports oder in die regionale Zuständigkeit in Angelegen-
heiten der Agrarpolitik falle.
B.8.1. Artikel 39 der Verfassung bestimmt:
«Das Gesetz überträgt den regionalen Organen, die es schafft und die sich aus gewählten Vertretern
zusammensetzen, die Zuständigkeit, innerhalb des von ihm bestimmten Bereichs und gemäß der von ihm bestimmten
Weise die von ihm bezeichneten Angelegenheiten zu regeln unter Ausschluss derjenigen, die in den Artikeln 30 und
127 bis 129 erwähnt sind. Dieses Gesetz muss mit der in Artikel 4 letzter Absatz bestimmten Mehrheit angenommen
werden».
Artikel 127 der Verfassung bestimmt:
« § 1. Die Parlamente der Französischen und der Flämischen Gemeinschaft regeln durch Dekret, jedes für seinen
Bereich:
1. die kulturellen Angelegenheiten;
19752 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

2. das Unterrichtswesen mit Ausnahme


a) der Festlegung von Beginn und Ende der Schulpflicht;
b) der Mindestbedingungen für die Ausstellung der Diplome;
c) der Pensionsregelungen;
3. die Zusammenarbeit zwischen den Gemeinschaften sowie die internationale Zusammenarbeit, einschließlich
des Abschlusses von Verträgen, in den unter den Nummern 1 und 2 erwähnten Angelegenheiten.
Ein Gesetz, das mit der in Artikel 4 letzter Absatz bestimmten Mehrheit angenommen wird, legt die unter
Nummer 1 erwähnten kulturellen Angelegenheiten, die unter Nummer 3 erwähnten Formen der Zusammenarbeit
sowie die näheren Regeln für den unter Nummer 3 erwähnten Abschluss von Verträgen fest.
§ 2. Diese Dekrete haben jeweils Gesetzeskraft im französischen Sprachgebiet beziehungsweise im nieder-
ländischen Sprachgebiet sowie in Bezug auf die im zweisprachigen Gebiet Brüssel-Hauptstadt errichteten Einrichtun-
gen, die aufgrund ihrer Tätigkeiten als ausschließlich zu der einen oder der anderen Gemeinschaft gehörend zu
betrachten sind».
Artikel 4 Nr. 9 des Sondergesetzes vom 8. August 1980 bestimmt:
«Die kulturellen Angelegenheiten, auf die sich Artikel 127 § 1 Nr. 1 der Verfassung bezieht, sind:
[...]
9. Leibeserziehung, Sport und Leben im Freien ».
Artikel 6 § 1 V Absatz 1 Nr. 1 des Sondergesetzes vom 8. August 1980 bestimmt:
«Die Angelegenheiten, auf die sich Artikel 39 der Verfassung bezieht, sind:
[...]
V. was die Landwirtschaft betrifft:
1. die Agrarpolitik und die Seefischerei».
B.8.2. Die Föderalbehörde ist befugt, Spiele und Wetten zu regeln, die Bedingungen festzulegen, unter denen die
von ihr erlaubten Tätigkeiten ausgeübt werden können, und die diesbezügliche Kontrolle zu organisieren.
B.8.3. Ohne dass es notwendig wäre, über die Frage zu befinden, ob Maßnahmen in Bezug auf Pferderennen zu
den jeweiligen Zuständigkeiten der Gemeinschaften und der Regionen in Angelegenheiten des Sports und der
Landwirtschaft gehören, stellt der Gerichtshof fest, dass sich im vorliegenden Fall Artikel 21 Nrn. 3 und 4 des Gesetzes
vom 7. Mai 2019 nicht auf die Erlaubnis für Pferderennen selbst bezieht, sondern auf die Erlaubnis für Wetten auf
Pferderennen, auf das Vertragsverhältnis zwischen den Veranstaltern von Pferdewetten und den Rennvereinen und auf
die Ausgleichszahlung, die Erstere an Letztere entrichten müssen.
B.8.4. Solche Maßnahmen gehören weder zum Berufssport noch zum Amateursport, den Artikel 4 Nr. 9 des
Sondergesetzes vom 8. August 1980 den Gemeinschaften anvertraut, indem Leibeserziehung, Sport und Leben im
Freien den kulturellen Angelegenheiten zugeordnet werden. In den Vorarbeiten zum Gesetz vom 21. Juli 1971 «über die
Zuständigkeit und die Arbeitsweise der Kulturräte für die Niederländische Kulturgemeinschaft und für die
Französische Kulturgemeinschaft» (dessen Artikel 2 Absatz 1 Nr. 9 diese Angelegenheiten ebenso vorsah wie Artikel 4
Nr. 9 des Sondergesetzes vom 8. August 1980) heißt es im Übrigen, dass der Gesetzgeber die Regelung der Wetten
davon ausschließen wollte (Parl. Dok., Senat, 1970-1971, Nr. 400, S. 6).
B.8.5. Solche Maßnahmen haben ebenfalls nichts zu tun mit der Agrarpolitik, für die aufgrund von Artikel 6 § 1
V Absatz 1 Nr. 1 des Sondergesetzes vom 8. August 1980 die Regionen zuständig sind und die vorbehaltlich der in
Absatz 2 dieser Bestimmung vorgesehenen Ausnahmen die Aushandlung und Ausführung der gemeinsamen
Agrarpolitik, die Normen bezüglich der Qualität der Rohstoffe sowie der pflanzlichen und tierischen Erzeugnisse,
wenn es nicht um die Gewährleistung der Sicherheit der Nahrungsmittelkette geht, die Ausgleichsmaßnahmen für die
Verringerung der Tätigkeiten der Landwirte und die strukturellen Beihilfen umfasst (Parl. Dok., Senat, 2000-2001,
Nr. 2-709/7, SS. 4 ff.).
B.8.6. Solche Maßnahmen gehören zur föderalen Zuständigkeit in Angelegenheiten von Spielen und Wetten.
B.9. Der zweite Klagegrund in der Rechtssache Nr. 7277 ist unbegründet.
Die Niederlassungsfreiheit und die Dienstleistungsfreiheit
B.10.1. Die klagenden Parteien in der Rechtssache Nr. 7277 leiten einen ersten Teil des achten Klagegrunds ab aus
einem Verstoß durch die Artikel 21 Nrn. 3 und 4 und 22 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 gegen die Artikel 10 und 11 der
Verfassung, an sich oder in Verbindung mit Artikel 23 Absatz 3 Nr. 1 der Verfassung und den Artikeln 49, 52, 54, 56,
57 und 62 des Vertrags über die Arbeitsweise der Europäischen Union (nachstehend: AEUV).
B.10.2. Die klagenden Parteien in den Rechtssachen Nrn. 7289 und 7291 leiten einen zweiten Teil des zweiten
Klagegrunds ab aus einem Verstoß durch Artikel 21 Nrn. 3 und 4 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 gegen die Artikel 49
und 56 des AEUV in Verbindung mit den Artikeln 10 und 11 der Verfassung.
B.10.3. Im Wesentlichen machen die klagenden Parteien in den Rechtssachen Nrn. 7277, 7289 und 7291 geltend,
dass die angefochtenen Bestimmungen, indem sie das Organisieren von Pferdewetten an die Erlaubnis der Rennvereine
und an die Entrichtung einer Ausgleichszahlung an diese knüpfen, eine Einschränkung der Niederlassungsfreiheit und
der Dienstleistungsfreiheit darstellten, die nicht vernünftig gerechtfertigt sei.
B.11. Wenn eine klagende Partei im Rahmen einer Nichtigkeitsklage einen Verstoß gegen die Artikel 10 und 11 der
Verfassung in Verbindung mit anderen Verfassungsartikeln oder internationalen Bestimmungen oder mit allgemeinen
Rechtsgrundsätzen, die eine grundlegende Garantie enthalten, anführt, besteht der Klagegrund darin, dass diese Partei
der Auffassung ist, dass ein Behandlungsunterschied eingeführt werde, indem diese grundlegende Garantie ihr
entzogen werde durch die Bestimmung, die sie mit der Klage anficht, während diese Garantie für andere Bürger
uneingeschränkt gelte.
Die Kategorie von Personen, der diese grundlegende Garantie womöglich entzogen wird, muss folglich mit der
Kategorie von Personen verglichen werden, für die diese Garantie gilt.
Der Gerichtshof prüft die Klagegründe in diesem Sinne.
B.12.1. Um den Erfordernissen nach Artikel 6 des Sondergesetzes vom 6. Januar 1989 über den Verfassungs-
gerichtshof zu entsprechen, müssen die in der Klageschrift vorgebrachten Klagegründe angeben, welche Vorschriften,
deren Einhaltung der Gerichtshof gewährleistet, verletzt wären und welche Bestimmungen gegen diese Vorschriften
verstoßen würden, und darlegen, in welcher Hinsicht diese Vorschriften durch die fraglichen Bestimmungen verletzt
würden.
B.12.2. Die klagenden Parteien in der Rechtssache Nr. 7277 legen nicht dar, inwiefern Artikel 22 des Gesetzes vom
7. Mai 2019, der es den Veranstaltern von Pferdewetten auferlegt, eine F1P-Lizenz einzuholen und die vom König
festgelegten spezifischen Bedingungen einzuhalten, gegen die im Klagegrund erwähnten Bestimmungen verstoßen
würde.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19753

Der erste Teil des achten Klagegrunds in der Rechtssache Nr. 7277 ist unzulässig, insofern er gegen Artikel 22 des
Gesetzes vom 7. Mai 2019 gerichtet ist.
B.13.1. Wetten über Sportwettkämpfe, einschließlich Pferderennen, bieten als Gegenleistung für einen Einsatz eine
Chance auf einen Geldgewinn (EuGH, Große Kammer, 8. September 2010, C-46/08, Carmen Media Group Ltd,
Randnr. 40; EuGH, Große Kammer, 21. Oktober 1999, C-67/98, Zenatti, Randnr. 18). Sie stellen also eine wirtschaftliche
Tätigkeit dar, die sich im Rahmen der im AEUV niedergelegten wirtschaftlichen Freiheiten, zu denen die
Niederlassungsfreiheit und die Dienstleistungsfreiheit gehören, bewegt (EuGH, Große Kammer, 8. September 2010,
C-46/08, Carmen Media Group Ltd, Randnr. 41; EuGH, 11. September 2003, C-6/01, Anomar, Randnrn. 44 und 47).
B.13.2.1. Aus der Rechtsprechung des Gerichtshofes der Europäischen Union geht hervor, dass eine Maßnahme
eine Beschränkung der von den Artikeln 49 und 56 des AEUV garantierten Niederlassungsfreiheit und
Dienstleistungsfreiheit darstellt, wenn diese Maßnahme die Ausübung dieser Freiheiten untersagt, behindert oder
weniger attraktiv macht (EuGH, 22. Januar 2015, C-463/13, Stanley International Betting Ltd, Randnr. 45).
B.13.2.2. Da er das Organisieren von Pferdewetten an die Erlaubnis der Rennvereine und an die Entrichtung einer
Ausgleichszahlung an diese knüpft, hat Artikel 21 Nrn. 3 und 4 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 eine Beschränkung der
Niederlassungsfreiheit und der Dienstleistungsfreiheit zur Folge.
B.13.3. Um mit den Artikeln 49 und 56 des AEUV vereinbar zu sein, muss eine unterschiedslos anwendbare
Maßnahme, die die Niederlassungsfreiheit und die Dienstleistungsfreiheit beschränkt, durch zwingende Gründe des
Allgemeininteresses gerechtfertigt sein, sie muss geeignet sein, die Verwirklichung des verfolgten Ziels zu
gewährleisten, was bedeutet, dass sie wirklich dem Bestreben entsprechen muss, es kohärent und systematisch zu
erreichen, und sie darf nicht über das hinausgehen, was zur Erreichung dieses Ziels erforderlich ist (EuGH, 22. Juni
2017, C-49/16, Unibet Inernational Ltd., Randnr. 40; Große Kammer, 8. September 2010, C-46/08, Carmen Media Group Ltd,
Randnr. 55; EuGH, 6. November 2003, C-243/1, Gambelli, Randnr. 65).
B.13.4.1. Auf dem Gebiet von Spielen und Wetten hat der Gerichtshof entschieden, dass die Ziele der
Betrugsvorbeugung, des Verbraucherschutzes und des Schutzes der Sozialordnung zwingende Gründe des Allgemein-
interesses darstellen, die Beschränkungen der Niederlassungsfreiheit und der Dienstleistungsfreiheit rechtfertigen
können (EuGH, 22. Juni 2017, C-49/16, Unibet International Ltd, Randnr. 36; 30. Juni 2011, C-212/08, Zeturf Ltd,
Randnr. 38; EuGH, 8. September 2009, C-42/07, Liga Portuguesa de Futebol Profissional und Bwin International Ltd,
Randnr. 56). Außerdem können gemäß dem Gerichtshof der Europäischen Union die sittlichen, religiösen oder
kulturellen Besonderheiten und die sittlich und finanziell schädlichen Folgen für den Einzelnen wie für die
Gesellschaft, die mit Spielen und Wetten einhergehen, ein ausreichendes Ermessen der staatlichen Stellen rechtfertigen,
festzulegen, welche Erfordernisse sich aus dem Schutz der Verbraucher und der Sozialordnung ergeben
(EuGH, 3. Juni 2010, C-258/08, Ladbrokes Betting & Gaming Ltd und Ladbrokes International Ltd, Randnr. 19).
Hingegen ist der Gerichtshof der Europäischen Union der Auffassung, dass es zwar nicht gleichgültig ist, dass
Abgaben auf Einnahmen aus Glücksspielen in erheblichem Maße zur Finanzierung uneigennütziger oder im
Allgemeininteresse liegender Tätigkeiten beitragen können, dies jedoch nur eine erfreuliche Nebenfolge, nicht aber der
eigentliche Grund der betriebenen restriktiven Politik sein kann, da rein wirtschaftliche Gründe keinen zwingenden
Grund des Allgemeininteresses darstellen, der eine Beschränkung der Niederlassungsfreiheit oder der Dienstleistungs-
freiheit rechtfertigen kann (EuGH, 30. Juni 2011, C-212/08, Zeturf Ltd, Randnr. 52; EuGH, 21. Oktober 1999, C-67/98,
Zenatti, Randnr. 36).
B.13.4.2. Wie in B.6.3 erwähnt, bezweckt es die angefochtene Bestimmung, den Schutz der Spieler zu verstärken
und durch die Gewährleistung der Finanzierung der Pferdebranche die Integrität von Pferdewetten sicherzustellen.
Der Schutz der Spieler und die Betrugsbekämpfung durch die Sicherstellung der Integrität von Pferdewetten
stellen zwingende Gründe des Allgemeininteresses dar.
B.13.5. Insofern sie das Organisieren von Pferdewetten der Erlaubnis der Rennvereine und der Entrichtung einer
Ausgleichszahlung an diese unterwirft, ist die angefochtene Bestimmung im Hinblick auf die verfolgte Zielsetzung
sachdienlich. In den Vorarbeiten wird nämlich unterstrichen, dass «die Integrität von Wetten mit einer professionellen
Organisation der Pferdebranche zusammenhängt, die eine strukturelle Unterstützung benötigt, um ihre Aktivitäten
weiter ausbauen zu können» und dass, «wenn die Wetten keinen Ertrag bringen, der Pferderennsektor nie wird
funktionieren können und keine sichere Wette auf Pferderennen wird angeboten werden können» (Parl. Dok., Kammer,
2018-2019, DOC 54-3327/002, SS. 37-38).
Außerdem entspricht die angefochtene Bestimmung dem Bestreben, die verfolgten Ziele in kohärenter und
systematischer Weise zu erreichen. Da sie in das Ziel der Kanalisierung, das ganz allgemein vom Gesetz vom 7. Mai
1999 verfolgt wird, eingebettet ist, ist sie geeignet, die Spieler zu einem legalen Angebot von auf Rennen veranstalteten
Pferdewetten, deren Qualität und Fortbestand durch die Finanzierung aus der Wettbranche gewährleistet ist, zu
lenken. Diesbezüglich ist zu betonen, dass der Gerichtshof der Europäischen Union geurteilt hat, dass eine Politik der
kontrollierten Expansion von Glücksspieltätigkeiten sowohl mit dem Ziel, die Ausnutzung von Glücksspieltätigkeiten
zu kriminellen oder betrügerischen Zwecken zu verhindern, als auch mit dem Ziel der Vermeidung von Anreizen zu
übermäßigen Ausgaben für das Spielen und der Bekämpfung der Spielsucht in Einklang stehen kann, indem die
Verbraucher zu dem Angebot zugelassenen Anbieter gelenkt werden (EuGH, 28. Februar 2018, C-3/17, Sporting Odds
Ltd, Randnr. 29).
B.13.6.1. Der Gerichtshof muss ferner prüfen, ob die angefochtene Bestimmung im Verhältnis zu den verfolgten
Zielen steht.
B.13.6.2. Für die Verwirklichung der verfolgten Ziele ist es nicht erforderlich, dass den Rennvereinen das Recht
zuerkannt wird, das Organisieren von Pferdewetten durch Personen, denen die Kommission für Glücksspiele eine
F1P-Lizenz erteilt hat, abzulehnen.
Dadurch kann die angefochtene Bestimmung zu einem Interessenkonflikt bei den Rennvereine führen. Da es nicht
ausgeschlossen ist, dass Rennvereine Inhaber einer F1P-Lizenz sein können, können sie nämlich ein finanzielles
Interesse daran haben, ihren Wettbewerbern keine Erlaubnis zu gewähren, wenn sie selbst Inhaber eine F1P-Lizenz
sind. Allgemein kann die angefochtene Bestimmung die Rennvereine und ebenfalls die Rennvereine, die nicht im Besitz
einer F1P-Lizenz sind, dazu verleiten, ihre Zustimmung ausschließlich zu Wettangeboten von Lizenzinhabern zu
geben, die bereit sind, die für den Rennverein günstigsten Vertragsbedingungen anzubieten, und so unter den Inhabern
einer Lizenz eine Versteigerung zu organisieren.
B.13.6.3. Laut den Vorarbeiten bezweckt die Ausgleichszahlung, die die Inhaber einer F1P-Lizenz an die
Rennvereine entrichten müssen, einerseits, Erstere an den von Letzteren für die Ausrichtung der Rennen aufgewandten
Kosten zu beteiligen, da diese Kosten «hauptsächlich Kosten für gemeinsam genutzte Dienste für den Rennsektor selbst
und die Veranstalter von Wetten auf diese Rennen sind» (Parl. Dok., Kammer, 2018-2019, DOC 54-3327/002, S. 39), und
stellt andererseits die Gegenleistung für die Verwertung der Bilder und Daten der Pferderennen durch die Inhaber einer
F1P-Lizenz dar (ebenda, S. 40).
19754 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

Was die Pferderennen in Belgien betrifft, die von Rennvereinen ausgerichtet werden, an die die Ausgleichszahlung
zu entrichten ist, sieht die angefochtene Bestimmung keinerlei Mechanismus vor, mit dem sichergestellt werden kann,
dass die Ausgleichszahlung, insoweit sie bezweckt, die Inhaber einer F1P-Lizenz an den von den Rennvereinen
getragenen Kosten im gemeinsamen Interesse zu beteiligen, diese Kosten nicht übersteigt.
Was die Pferderennen im Ausland betrifft, die nicht von Rennvereinen ausgerichtet werden, an die die
Ausgleichszahlung zu entrichten ist, ist festzustellen - ohne dass es notwendig wäre zu bestimmen, ob die Teilnahme
von «belgischen Pferden» an ausländischen Pferderennen es rechtfertigen kann, dass an diese Rennvereine eine
Ausgleichszahlung zu entrichten ist -, dass die angefochtene Bestimmung die Ausgleichszahlung nicht von der
Teilnahme von «belgischen Pferden» an ausländischen Pferderennen abhängig macht.
B.13.6.4. Aus dem Vorstehenden ergibt sich, dass die Beschränkung der Niederlassungsfreiheit und der
Dienstleistungsfreiheit, die die angefochtene Bestimmung zur Folge hat, nicht im Verhältnis zu den verfolgten Zielen
steht.
B.14. Artikel 21 Nrn. 3 und 4 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 verstößt gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung
in Verbindung mit den Artikeln 49 und 56 des AEUV. Die Verbindung dieser Bestimmungen mit den anderen im
Klagegrund genannten Bestimmungen könnte nicht zu einer weiter reichenden Feststellung eines Verstoßes führen.
Artikel 21 Nrn. 3 und 4 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 ist für nichtig zu erklären.
Der Grundsatz der Gleichheit und Nichtdiskriminierung und das europäische Wettbewerbsrecht
B.15.1. Die klagenden Parteien in der Rechtssache Nr. 7277 leiten einen siebten Klagegrund aus einem Verstoß
durch die Artikel 21 Nrn. 3 und 4 und 22 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung ab.
In einem ersten Teil machen sie geltend, dass die angefochtenen Bestimmungen zu einem ungerechtfertigten
Behandlungsunterschied zwischen den Veranstaltern von Pferdewetten, die eine Vereinbarung mit den Rennvereinen
abschließen und eine Ausgleichszahlung an sie entrichten müssten, und den Veranstaltern von Wetten in allen anderen
Bereichen, die keiner finanziellen Verpflichtung unterlägen, führten.
In einem zweiten Teil machen sie geltend, dass die angefochtenen Bestimmungen zu einem ungerechtfertigten
Behandlungsunterschied zwischen einerseits den Inhabern einer F1P Lizenz und den ortsfesten Glücksspiel-
einrichtungen der Klasse IV, die ihre Wetten entgegennehmen, und anderseits den Zeitungshändlern, der National-
lotterie und den Veranstaltern, die Wetten auf Rennbahnen entgegennehmen, führten, insofern die zweite Kategorie
weder eine Vereinbarung mit den Rennvereinen abschließen noch eine Ausgleichszahlung an sie entrichten müsse.
B.15.2. Die klagenden Parteien in der Rechtssache Nr. 7277 leiten einen zweiten Teil des achten Klagegrund ab aus
einem Verstoß durch die Artikel 21 Nrn. 3 und 4 und 22 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 gegen die Artikel 10 und 11 der
Verfassung, an sich oder in Verbindung mit den Artikeln 101, 102 und 106 des AEUV.
Sie machen geltend, dass die angefochtenen Bestimmungen, was Pferderennen in Belgien betreffe, alle Rennvereine
dazu brächten, gemeinsam mit den Veranstaltern von Wetten zu verhandeln, und dass sie daher jeden Wettbewerb
unter den Rennvereinen ausschalteten. Außerdem machen sie geltend, dass die Rennvereine, was Pferderennen im
Ausland betreffe, unweigerlich dazu gebracht würden, die beherrschende Stellung, die ihnen die angefochtenen
Bestimmungen verliehen, zu missbrauchen.
B.15.3. Die klagenden Parteien in den Rechtssachen Nrn. 7289 und 7291 leiten einen ersten Klagegrund ab aus
einem Verstoß durch Artikel 21 Nrn. 3 und 4 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung
in Verbindung mit den Artikeln 102 und 106 des AEUV.
Sie machen geltend, dass die angefochtenen Bestimmungen, indem sie den von dem zuständigen Rennverband
zugelassenen Rennvereinen die Befugnis übertrügen, das Organisieren von Pferdewetten auf Rennen in Belgien oder
im Ausland zu erlauben, diesen Vereinen besondere Rechte verliehen, die es ihnen ermöglichten, ihre Wettbewerber auf
dem Markt der Pferdewetten auszuschalten.
B.16.1. Um den Erfordernissen nach Artikel 6 des Sondergesetzes vom 6. Januar 1989 über den Verfassungs-
gerichtshof zu entsprechen, müssen die in der Klageschrift vorgebrachten Klagegründe angeben, welche Vorschriften,
deren Einhaltung der Gerichtshof gewährleistet, verletzt wären und welche Bestimmungen gegen diese Vorschriften
verstoßen würden, und darlegen, in welcher Hinsicht diese Vorschriften durch die fraglichen Bestimmungen verletzt
würden.
B.16.2. Die klagenden Parteien in der Rechtssache Nr. 7277 legen nicht dar, inwiefern Artikel 22 des Gesetzes vom
7. Mai 2019, der es den Veranstaltern von Pferdewetten auferlegt, eine F1P-Lizenz einzuholen und die vom König
festgelegten spezifischen Bedingungen einzuhalten, gegen einerseits die Artikel 10 und 11 der Verfassung an sich und
andererseits die Artikel 10 und 11 der Verfassung in Verbindung mit den Artikeln 101, 102 und 106 des AEUV verstoßen
würde.
Der siebte Klagegrund und der zweite Teil des achten Klagegrunds in der Rechtssache Nr. 7277 sind unzulässig,
insofern sie gegen Artikel 22 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 gerichtet sind.
B.17. Insofern sie gegen Artikel 21 Nrn. 3 und 4 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 gerichtet sind, können der siebte
Klagegrund und der zweite Teil des achten Klagegrunds in der Rechtssache Nr. 7277 und der erste Klagegrund in den
Rechtssachen Nrn. 7289 und 7291 nicht zu einer weitergehenden Nichtigerklärung als der in B.14 Erwähnten führen.
Folglich sind sie nicht zu prüfen.
In Bezug auf die Verpflichtung der ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV, eine Vereinbarung mit der Gemeinde
abzuschließen, und in Bezug auf die für sie geltenden Standortbeschränkungen (dritter, neunter und zehnter Klagegrund in der
Rechtssache Nr. 7277; erster, zweiter und dritter Klagegrund in der Rechtssache Nr. 7279; dritter und vierter Teil des zweiten
Klagegrunds in der Rechtssache Nr. 7289; zweiter Klagegrund in der Rechtssache Nr. 7296)
Die angefochtenen Bestimmungen
B.18.1. Artikel 23 Nr. 1 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 bestimmt:
«À l’article 43/4 de la [loi du 7 mai 1999], inséré par la loi du 10 janvier 2010, les modifications suivantes sont
apportées :
1o le paragraphe 1er est complété par un alinéa rédigé comme suit :
’ L’exploitation d’un établissement de jeux de hasard fixe de classe IV doit s’effectuer en vertu d’une convention
à conclure entre la commune du lieu de l’établissement et l’exploitant. La convention détermine où l’établissement de
jeux de hasard est établi ainsi que les modalités, jours et heures d’ouverture et de fermeture des établissements de jeux
de hasard de classe IV et qui exerce le contrôle de la commune. ’».
Artikel 24 Nrn. 2 und 3 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 bestimmt:
«Dans l’article 43/5 de la [loi du 7 mai 1999], inséré par la loi du 10 janvier 2010, les modifications suivantes sont
apportées :
[...]
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19755

2o l’alinéa 1er est complété par les 5. et 6. rédigés comme suit :


’ 5. veiller à ne pas établir l’emplacement de l’établissement de jeux de hasard de classe IV à proximité
d’établissements d’enseignement, d’hôpitaux et d’endroits fréquentés par des jeunes, sauf dérogation motivée par la
commune;
6. présenter la convention conclue entre l’établissement de jeux de hasard de classe IV et la commune du lieu de
l’établissement sous la condition d’obtenir la licence de classe F2 requise ’;
3o l’article est complété par l’alinéa suivant :
’ Les 5. et 6. de l’alinéa 1er ne s’appliquent pas aux demandeurs de licences de classe F2 pour l’engagement de paris
en dehors d’un établissement de jeux de hasard de classe IV visé à l’article 43/4, § 5, ou pour l’engagement de paris
dans un établissement de jeux de hasard mobile visé à l’article 43/4, § 2, alinéa 5. ’».
Artikel 36 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 bestimmt:
«Par dérogation aux articles 23, alinéa 1er, 1o, et 24, les titulaires de licence F1 et F2, qui, au moment de l’entrée en
vigueur de la présente loi, disposent d’une licence octroyée par la commission des jeux de hasard, peuvent poursuivre
leurs activités aux mêmes conditions.
Les conditions visées aux articles 23, alinéa 1er, 1o, et 24 s’appliquent aux demandes de licence et aux demandes
de renouvellement de licence introduites au plus tôt deux ans à compter de l’entrée en vigueur de la présente loi».
B.18.2. Die Artikel 23 Nr. 1 und 24 Nrn. 2 und 3 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 erlegen den ortsfesten
Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV zwei neue Pflichten auf.
Zum einen erfordert das Betreiben dieser Einrichtungen nunmehr den Abschluss einer Vereinbarung mit der
Gemeinde, in der die Einrichtung angesiedelt ist. Diese Vereinbarung bestimmt den Ort, wo die Glücksspieleinrichtung
angesiedelt ist sowie die Modalitäten und die Öffnungs- und Schließungstage und -zeiten und die Person, die die
Gemeindekontrolle ausübt (Artikel 43/4 § 1 Absatz 4 und 43/5 Absatz 1 Nr. 6 des Gesetzes vom 7. Mai 1999, eingefügt
durch die Artikel 23 Nr. 1 und 24 Nr. 2 des Gesetzes vom 7. Mai 2019).
Zum anderen dürfen die ortsfesten Glücksspieleinrichtung der Klasse IV nicht in der Nähe von Unterrichts-
anstalten, Krankenhäusern und Orten, die von Jugendlichen besucht werden, angesiedelt werden, außer im Fall einer
begründeten Ausnahmeregelung durch die Gemeinde (Artikel 43/5 Absatz 1 Nr. 5 des Gesetzes vom 7. Mai 1999,
eingefügt durch Artikel 24 Nr. 2 des Gesetzes vom 7. Mai 2019).
Artikel 36 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 sieht eine Übergangsregelung vor, nach der diese zwei Pflichten für
Lizenzanträge und für Anträge auf Verlängerung einer Lizenz, die frühestens zwei Jahre nach dem Inkrafttreten des
Gesetzes vom 7. Mai 2019 gestellt werden, gelten.
Die zwei vorerwähnten Pflichten gelten weder für mobile Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV noch für
Zeitungshändler oder Rennbahnen (Artikel 43/5 Absatz 3 des Gesetzes vom 7. Mai 1999, eingefügt durch Artikel 24
Nr. 3 des Gesetzes vom 7. Mai 2019).
B.18.3. Aus den Vorarbeiten geht hervor, dass diese zwei neuen für ortsfeste Glücksspieleinrichtungen der
Klasse IV geltenden Pflichten bezwecken, die Rolle der Gemeinden bei der Kontrolle dieser Einrichtungen zu stärken
und die Risiken sozialer Art, die mit deren Standort zusammenhängen, zu begrenzen, und dass sie zum allgemeinen
Ziel des Schutzes von Spielern gehören. Zudem wird in den Vorarbeiten betont, dass die Artikel 34 Absatz 3 und 36
Nrn. 4 und 5 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 den Glücksspieleinrichtungen der Klasse II bereits ähnliche Pflichten
auferlegen. So heißt es in den Vorarbeiten:
«L’exploitation d’un établissement de jeux de hasard fixe de classe IV doit s’effectuer en vertu d’une convention
à conclure entre la commune du lieu de l’établissement et l’exploitant. Cette convention détermine où l’établissement
de jeux de hasard est établi, notamment en tenant compte de la proximité de l’établissement de jeux de hasard de
classe IV avec par exemple des établissements d’enseignement, des hôpitaux, des endroits fréquentés par des jeunes,
des lieux de culte ou encore des prisons. Cette convention détermine également les modalités, jours et heures
d’ouverture et de fermeture des établissements de jeux de hasard de classe IV et qui exerce le contrôle de la commune.
Prévoir une convention donne aux communes un contrôle effectif dans ces licences et leur donne une partie du
contrôle des établissements de jeux de hasard. C’est logique en raison de leur mission du maintien de l’ordre, de la paix
et de la sécurité sur leur territoire.
Une telle disposition n’est pas neuve dans la loi sur les jeux de hasard. En effet, cette condition existe déjà pour
les salles de jeux automatiques (art. 34, al. 3, de la loi).
[...]
L’article 14 ajoute deux conditions supplémentaires auxquelles doivent répondre les demandeurs d’une licence de
classe F1 et F2.
La première condition a pour but de limiter les risques d’ordre social liés à l’emplacement des agences de paris.
Celles-ci ne peuvent pas être établies à proximité des lieux fréquentés par les jeunes ou des établissements
d’enseignement. Il s’agit ici d’écoles, de maisons de jeunes, etc. De même, une agence de paris ne peut pas être établie
à proximité des hôpitaux notamment où des personnes sont traitées pour des troubles liés aux jeux.
Cette condition est similaire à celle existante pour les demandeurs d’une licence de classe B (art. 36.4, de la loi).
Une dérogation à cette condition est toutefois possible sur base d’une motivation de la commune. Si dans la
convention qu’elle a pris avec l’établissement, la commune a pris suffisamment de mesures de protection vis-à-vis du
joueur potentiel, il peut être dérogé à cette condition, par exemple, si un établissement veut s’établir à proximité d’une
école et que la commune a prévu des heures d’ouverture qui ne permettent pas à des jeunes de s’y rendre pendant ou
juste avant et après les cours. La commune doit motiver expressément sa décision de ne pas interdire d’établissement
à proximité des d’établissements d’enseignement, d’hôpitaux et, d’endroits fréquentés par des jeunes.
La deuxième condition ajoutée est liée à l’article 13 en projet et plus précisément au fait que l’exploitation d’un
établissement de jeux de hasard de classe IV doit s’effectuer en vertu d’une convention à conclure entre la commune
du lieu de l’établissement et l’exploitant.
Pour obtenir une licence F2, le demandeur doit présenter ladite convention à la commission des jeux de hasard.
Encore une fois une telle condition existe déjà pour les demandeurs d’une licence de classe B (Art. 36.5, de la loi).
À noter que ces deux nouvelles conditions ne s’appliquent ni aux librairies et hippodromes, ni aux établissements
mobiles de classe IV, et ce, en raison du montant limité de la mise autorisée dans les librairies et du caractère temporaire
des hippodromes et des établissements mobiles» (Parl. Dok., Kammer, 2018-2019, DOC 54-3327/001, SS. 12-14).
Die Zuständigkeitsverteilung
B.19. Die klagenden Parteien in der Rechtssache Nr. 7277 leiten einen dritten Klagegrund aus einem Verstoß durch
die Artikel 23 Nr. 1 und 24 Nrn. 2 und 3 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 gegen Artikel 39 der Verfassung und Artikel 6
§ 1 VIII Absatz 1 Nr. 1 des Sondergesetzes vom 8. August 1980 ab.
Im Wesentlichen machen sie geltend, dass mit den angefochtenen Bestimmungen in die Zuständigkeit der
Regionen eingegriffen werde, den Zuständigkeitsbereich der Gemeinden zu bestimmen.
19756 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

B.20.1. Die Zusammensetzung, Organisation, Befugnis und Arbeitsweise der kommunalen Einrichtungen fällt
nach Artikel 6 § 1 VIII Absatz 1 Nr. 1 des Sondergesetzes vom 8. August 1980 grundsätzlich in die Zuständigkeit der
Regionen.
B.20.2. Artikel 6 § 1 VIII Absatz 1 Nr. 1 Absatz 3 des Sondergesetzes vom 8. August 1980 und Artikel 6 § 1 VIII
Absatz 2 desselben Sondergesetzes bestimmen jeweils:
«Die Gemeinderäte und, sofern sie bestehen, die Provinzialräte oder die Räte der suprakommunalen Körper-
schaften regeln alles, was von kommunalem, provinzialem beziehungsweise suprakommunalem Interesse ist; sie
beraten und entscheiden über jeden Gegenstand, der ihnen von der Föderalbehörde oder von den Gemeinschaften
unterbreitet wird»;
«Die Handlungen, Regelungen und Verordnungen der Behörden der Provinzen, suprakommunalen Körper-
schaften, Gemeinden, Agglomerationen und Gemeindeföderationen und der anderen Verwaltungsbehörden dürfen
nicht gegen die Gesetze und Erlasse der Föderalbehörde oder gegen die Dekrete und Erlasse der Gemeinschaften
verstoßen, die diese Behörden auf jeden Fall mit der Ausführung davon und mit anderen Aufgaben einschließlich der
Abgabe von Stellungnahmen beauftragen können sowie damit, alle Ausgaben, die sie diesen Behörden auferlegen, in
den Haushaltsplan einzutragen».
Aus diesen Bestimmungen geht hervor, dass die Föderalbehörde den Gemeinden Aufgaben übertragen kann,
wenn sie im Rahmen ihrer eigenen Zuständigkeiten handelt.
B.20.3. Da es die Zuständigkeit der Föderalbehörde in Angelegenheiten von Spielen und Wetten ihr ermöglicht, die
ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV zu regeln, ist sie befugt, den Gemeinden Aufgaben bezüglich der
Erlaubnis für diese Einrichtungen und deren Kontrolle zu übertragen.
B.21. Der dritte Klagegrund in der Rechtssache Nr. 7277 ist unbegründet.
Der Vergleich zwischen den ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV und den Glücksspieleinrichtungen der
Klasse II und die Übergangsregelung
B.22.1. Die klagenden Parteien in der Rechtssache Nr. 7277 leiten einen ersten Teil des neunten Klagegrunds aus
einem Verstoß durch die Artikel 23 Nr. 1 und 24 Nrn. 2 und 3 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 gegen die Artikel 10, 11
und 23 Absatz 3 Nr. 1 der Verfassung ab.
Sie machen geltend, dass die angefochtenen Bestimmungen die ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV
und die Glücksspieleinrichtungen der Klasse II gleich behandelten, obwohl sich diese beiden Kategorien von
Einrichtungen in unterschiedlichen Situationen befänden.
B.22.2. Die klagenden Parteien in der Rechtssache Nr. 7296 leiten einen zweiten Klagegrund aus einem Verstoß
durch die Artikel 24 und 36 Absatz 2 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung ab.
Im ersten und zweiten Teil machen sie geltend, dass die angefochtenen Bestimmungen zu zwei ungerechtfertigten
Behandlungsunterschieden zwischen den Antragstellern einer F2-Lizenz für das Betreiben einer ortsfesten
Glücksspieleinrichtung der Klasse IV und den Antragstellern einer B-Lizenz für das Betreiben einer Glücksspiel-
einrichtung der Klasse II führten: einerseits könnten nur Letztere sich nicht in der Nähe von Kultstätten und
Gefängnissen ansiedeln und andererseits könnten nur Erstere in den Genuss einer begründeten Ausnahmeregelung
durch die Gemeinde kommen, die es ihnen ermögliche, sich in der Nähe von Unterrichtsanstalten, Krankenhäusern
und Orten, die von Jugendlichen besucht werden, anzusiedeln.
In einem dritten Teil machen sie geltend, dass Artikel 36 Absatz 2 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 den bestehenden,
aber ungerechtfertigten Behandlungsunterschied zwischen ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV und
Glücksspieleinrichtungen der Klasse II für immer festschreibe.
In einem vierten Teil machen sie geltend, dass die vorstehenden Teile dementsprechend einerseits einen
ungerechtfertigten Behandlungsunterschied zwischen den Spielern, insofern sie in den ortsfesten Glücksspiel-
einrichtungen der Klasse IV einen geringeren Schutz genössen als in den Glücksspieleinrichtungen der Klasse II, und
andererseits einen ungerechtfertigten Behandlungsunterschied zwischen den Nachbarn der Glücksspieleinrichtungen
zeigten, die je nach deren Klasse mehr oder weniger gegen die von ihnen ausgehenden Belästigungen geschützt
würden.
B.22.3. Die klagende Partei in der Rechtssache Nr. 7279 leitet einen zweiten Klagegrund ab aus einem Verstoß
gegen den Grundsatz der Rechtssicherheit als allgemeinen Rechtsgrundsatz mit Verfassungsrang.
Ihrer Auffassung nach verschiebt Artikel 36 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 das Inkrafttreten der darin genannten
Bestimmungen auf unbestimmte Zeit.
B.23. Die klagenden Parteien in der Rechtssache Nr. 7277 legen nicht dar, inwiefern die angefochtenen
Bestimmungen gegen Artikel 23 Absatz 3 Nr. 1 der Verfassung verstoßen würden.
Der erste Teil des neunten Klagegrunds in der Rechtssache Nr. 7277 ist unzulässig, insofern er gegen Artikel 23
Absatz 3 Nr. 1 der Verfassung gerichtet ist.
B.24. Aus der Darlegung des Klagegrunds geht hervor, dass die Beschwerdegründe der klagenden Parteien in der
Rechtssache Nr. 7296 gegen Artikel 24 Nr. 2 des Gesetzes vom 7. Mai 2019, insofern er Artikel 43/5 Absatz 1 Nr. 5 in
das Gesetz vom 7. Mai 1999 einfügt, und gegen Artikel 36 Absatz 2 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 gerichtet sind. Was
die Rechtssache Nr. 7296 betrifft, beschränkt der Gerichtshof daher seine Prüfung auf diese Bestimmungen.
B.25.1. Aufgrund von Artikel 142 Absatz 2 der Verfassung und Artikel 1 des Sondergesetzes vom 6. Januar 1989
über den Verfassungsgerichtshof ist der Gerichtshof dazu befugt, über Klagen auf Nichtigerklärung eines Gesetzes,
eines Dekrets oder einer in Artikel 134 der Verfassung erwähnten Regel wegen Verletzung der Regeln, die durch die
Verfassung oder aufgrund der Verfassung für die Bestimmung der jeweiligen Zuständigkeiten der Föderalbehörde, der
Gemeinschaften und der Regionen festgelegt sind, und wegen Verletzung der Artikel von Titel II («Die Belgier und ihre
Rechte») und der Artikel 143 § 1, 170, 172 und 191 der Verfassung zu befinden.
B.25.2. Der Gerichtshof ist nicht befugt, ein Gesetz unmittelbar auf seine Vereinbarkeit mit dem Grundsatz der
Rechtssicherheit hin zu prüfen.
B.25.3. Da der zweite Klagegrund in der Rechtssache Nr. 7279 nur aus einem Verstoß gegen die Rechtssicherheit
abgeleitet ist, ist er unzulässig.
B.26. Der Grundsatz der Gleichheit und Nichtdiskriminierung schließt nicht aus, dass ein Behandlungsunterschied
zwischen Kategorien von Personen eingeführt wird, soweit dieser Unterschied auf einem objektiven Kriterium beruht
und in angemessener Weise gerechtfertigt ist. Dieser Grundsatz steht übrigens dem entgegen, dass Kategorien von
Personen, die sich angesichts der beanstandeten Maßnahme in wesentlich verschiedenen Situationen befinden, in
gleicher Weise behandelt werden, ohne dass hierfür eine angemessene Rechtfertigung vorliegt.
Das Vorliegen einer solchen Rechtfertigung ist im Hinblick auf Zweck und Folgen der beanstandeten Maßnahme
sowie auf die Art der einschlägigen Grundsätze zu beurteilen; es wird gegen den Grundsatz der Gleichheit und
Nichtdiskriminierung verstoßen, wenn feststeht, dass die eingesetzten Mittel in keinem angemessenen Verhältnis zum
verfolgten Zweck stehen.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19757

B.27. In der Begründung eines Gesetzesvorschlages, mit dem unter anderem die Altersgrenze für die Teilnahme an
sämtlichen Wetten und Glücksspielen auf 21 Jahre angehoben werden sollte und dessen Prüfung dem Entwurf
hinzugefügt wurde, der zum Gesetz vom 7. Mai 2019 geführt hat, heißt es:
«Les développements du projet de loi 1992/001 [soulignent] que les paris sont déjà autorisés à partir de la majorité
parce que ces jeux de hasard créent moins d’accoutumance que ceux qui peuvent être exploités par les titulaires d’une
licence A et B ou par les titulaires d’une licence supplémentaire et en renvoyant plus particulièrement à la théorie
’short-odd & long-odd ’(c.-à-d. la thèse selon laquelle les jeux dont le résultat est immédiatement connu créent davantage
d’accoutumance que les paris dont le résultat n’est connu qu’ultérieurement, par exemple le résultat final d’une
compétition sportive). [...]
[...]
[...] Reste ensuite à savoir s’il existe encore réellement une distinction entre les ’ long odds ’ et les ’ short odds ’. En
effet, les paris actuels peuvent porter sur une telle diversité d’éléments pendant les matchs, les paris en cours de jeu
permettant de parier sur un événement toujours en cours (par exemple, sur l’équipe qui recevra la première carte jaune
au cours d’un match de football). En cas de paris en cours de jeu, les parieurs peuvent adapter leurs paris pendant la
partie en fonction de l’évolution du match. Le degré de risque de ce type de jeu est dès lors passé de ’ peu addictif ’
à ’ jeu à haut risque ’ pour les joueurs problématiques » (Parl. Dok., Kammer, 2016-2017, DOC 54-2214/001, SS. 7-8).
Zu der neuen Altersgrenze von 21 Jahren für das Spielen an Glücksspielautomaten, die in Artikel 43/4 § 2 Absatz 3
dritter Gedankenstrich des Gesetzes vom 7. Mai 1999 erwähnt sind, in den ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der
Klasse IV heißt es in der Begründung des Gesetzentwurfes, der zum Gesetz vom 7. Mai 2019 geführt hat:
«Par rapport aux paris offerts dans les agences de paris, les jeux de hasard virtuels peuvent être plus addictifs pour
les jeunes notamment car ils ne sont pas liés à un évènement sportif réel (qui est limité dans le temps). Le résultat est
connu immédiatement après la mise, ce qui implique que la période entre la mise et le gain est très courte » (Parl. Dok.,
Kammer, 2018-2019, DOC 54-3327/001, S. 15).
Bei den Vorarbeiten zum Gesetz vom 7. Mai 2019 hat ein Mitglied außerdem betont:
«Les études scientifiques sont claires et les facteurs de risque qui entraînent des comportements excessifs voire des
assuétudes sont connus: faible temps entre la mise et le résultat, accessibilité du jeu, dématérialisation de l’argent,
absence de contrôle social, la consommation d’alcool, la croyance que l’on peut avoir une maîtrise sur l’issue d’un
match ou d’un jeu, le haut taux de redistribution (plus un joueur a l’impression qu’il gagne, plus il rejouera). Plus ces
facteurs sont cumulés, plus le jeu présente un risque » (Parl. Dok., Kammer, 2018-2019, DOC 54-3327/008, S. 7).
B.28.1. Wie der Ministerrat und die Nationallotterie unterstreichen, konnte der Gesetzgeber vernünftigerweise der
Auffassung sein, dass die üblicherweise in den ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV abgegebenen Wetten
weniger Risiken aufweisen als die Glücksspiele, die in den Glücksspieleinrichtungen der Klasse II (Automaten-
spielhallen) betrieben werden, dass sich aber die Risiken im Zusammenhang mit den ortsfesten Glücksspieleinrich-
tungen der Klasse IV dennoch aufgrund von zwei Faktoren erhöht haben. Zum einen führt die zunehmende
Verbreitung von Live-Wetten, das heißt Wetten, die sich auf Ereignisse oder Sachverhalte beziehen, die bereits laufen,
deren Ergebnis nicht bereits bekannt ist und deren ungewisser Ausgang nicht bereits eingetreten ist, zu höheren
Risiken, da diese Wetten durch eine kurze Zeitspanne zwischen Einsatz und Ergebnis gekennzeichnet sein können.
Zum anderen weisen die in Artikel 43/4 § 2 Absatz 3 dritter Gedankenstrich des Gesetzes vom 7. Mai 1999 erwähnten
Glücksspielautomaten ebenfalls ein höheres Risiko auf.
B.28.2. Angesichts des erhöhten Risikos im Zusammenhang mit den ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der
Klasse IV entbehrt es nicht einer vernünftigen Rechtfertigung, es ihnen aufzuerlegen, eine Vereinbarung mit der
Gemeinde abzuschließen, und es ihnen ebenso wie den ähnlichen Pflichten, die bereits für Glücksspieleinrichtungen
der Klasse II gelten, grundsätzlich zu verbieten, sich in der Nähe von Unterrichtsanstalten, Krankenhäusern und Orten,
die von Jugendlichen besucht werden, anzusiedeln.
Der Umstand, dass die ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV und die Glücksspieleinrichtungen der
Klasse II in mehrerer Hinsicht unterschiedlichen Regeln unterliegen, insbesondere in Bezug auf die Gültigkeitsdauer
ihrer jeweiligen Lizenz, bedeutet nicht, dass die den ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV durch die
angefochtenen Bestimmungen auferlegten Pflichten unverhältnismäßig wären.
B.28.3. Der Gesetzgeber konnte vernünftigerweise der Auffassung sein, dass die Risiken im Zusammenhang mit
den ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV jedoch nicht zu den gleichen Risiken geworden sind, die mit den
Glücksspieleinrichtungen der Klasse II verbunden sind.
Es entbehrt nicht einer vernünftigen Rechtfertigung, das Verbot, sich in der Nähe von Kultstätten und
Gefängnissen anzusiedeln, das Artikel 36 Nr. 4 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 für die Glücksspieleinrichtungen der
Klasse II vorsieht, nicht auf alle ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV auszudehnen. Dies gilt umso mehr,
als eine Gemeinde es ablehnen kann, wenn es konkrete lokale Gegebenheiten rechtfertigen, eine Vereinbarung mit dem
Betreiber einer ortsfesten Glücksspieleinrichtung der Klasse IV, der sich in der Nähe einer Kultstätte oder eines
Gefängnisses ansiedeln möchte, abzuschließen. In den Vorarbeiten heißt es nämlich:
«L’exploitation d’un établissement de jeux de hasard fixe de classe IV doit s’effectuer en vertu d’une convention
à conclure entre la commune du lieu de l’établissement et l’exploitant. Cette convention détermine où l’établissement
de jeux de hasard est établi, notamment en tenant compte de la proximité de l’établissement de jeux de hasard de
classe IV avec par exemple des établissements d’enseignement, des hôpitaux, des endroits fréquentés par des jeunes,
des lieux de culte ou encore des prisons» (Parl. Dok., Kammer, 2018-2019, DOC 54-3327/001, S. 12).
Ebenso entbehrt es nicht einer vernünftigen Rechtfertigung, es den Gemeinden zu erlauben, von dem
grundsätzlichen Verbot, sich in der Nähe von Unterrichtsanstalten, Krankenhäusern und Orten, die von Jugendlichen
besucht werden, anzusiedeln, das für ortsfeste Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV gilt, abzuweichen, obwohl eine
solche Möglichkeit, davon abzuweichen, nicht für die Glücksspieleinrichtungen der Klasse II besteht.
B.29.1. Es obliegt grundsätzlich dem Gesetzgeber, wenn er beschließt, eine neue Regelung einzuführen, zu
beurteilen, ob es notwendig oder sachdienlich ist, diese mit Übergangsmaßnahmen zu versehen. Der Grundsatz der
Gleichheit und Nichtdiskriminierung wird nur verletzt, wenn die Übergangsregelung oder ihr Fehlen zu einem nicht
vernünftig zu rechtfertigenden Behandlungsunterschied führt oder wenn der Grundsatz des berechtigten Vertrauens
übermäßig beeinträchtigt wird.
B.29.2. Die in Artikel 36 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 vorgesehene Übergangsregelung hat zur Folge, dass die
Pflicht der ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV, eine Vereinbarung mit der Gemeinde abzuschließen, und
das grundsätzliche Verbot für diese Einrichtungen, sich in der Nähe von Unterrichtsanstalten, Krankenhäusern und
Orten, die von Jugendlichen besucht werden, anzusiedeln, für Lizenzanträge und für Anträge auf Verlängerung einer
Lizenz, die ab dem 25. Mai 2021, das heißt zwei Jahre nach dem Inkrafttreten des Gesetzes vom 7. Mai 2019, gestellt
werden, gelten.
Wie in den Vorarbeiten betont wird, ist diese Übergangsregelung durch den Wunsch vernünftig gerechtfertigt, den
Gemeinden eine ausreichende Zeit der Anpassung zu lassen und die Rechtssicherheit für die ortsfesten Glücksspiel-
einrichtungen der Klasse IV zu gewährleisten, die beim Inkrafttreten des Gesetzes vom 7. Mai 2019 bereits bestanden
(Parl. Dok., Kammer, 2018-2019, DOC 54-3327/005, S. 28).
19758 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

B.30. Der erste Teil des neunten Klagegrunds in der Rechtssache Nr. 7277 und der zweite Klagegrund in der
Rechtssache Nr. 7296 sind unbegründet.
Der Behandlungsunterschied zwischen den ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV und den Zeitungshändlern
B.31.1. Die klagenden Parteien in der Rechtssache Nr. 7277 leiten einen zweiten Teil des neunten Klagegrunds aus
einem Verstoß durch die Artikel 23 Nr. 1 und 24 Nrn. 2 und 3 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 gegen die Artikel 10, 11
und 23 Absatz 3 Nr. 1 der Verfassung ab.
Im Wesentlichen machen sie geltend, dass die angefochtenen Bestimmungen zu einem ungerechtfertigten
Behandlungsunterschied zwischen den ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV und den Zeitungshändlern
führten, insofern nur Erstere der Pflicht zum Abschluss einer Vereinbarung mit der Gemeinde und dem
grundsätzlichen Verbot, sich in der Nähe von Unterrichtsanstalten, Krankenhäusern und Orten, die von Jugendlichen
besucht werden, anzusiedeln, unterlägen.
B.31.2. Die klagende Partei in der Rechtssache Nr. 7279 leitet einen ersten Klagegrund ab aus einem Verstoß durch
das Gesetz vom 7. Mai 2019 gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung, insbesondere insofern es zu dem vorerwähnten
Behandlungsunterschied führe.
Im Wesentlichen macht sie geltend, dass die ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV und die
Zeitungshändler vergleichbare Kategorien seien, dass der beanstandete Behandlungsunterschied kein legitimes Ziel
verfolge, dass das Unterscheidungskriterium weder objektiv noch sachdienlich sei und dass die Folgen für die
ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV unverhältnismäßig seien.
B.32. Die klagenden Parteien in der Rechtssache Nr. 7277 legen nicht dar, inwiefern die angefochtenen
Bestimmungen gegen Artikel 23 Absatz 3 Nr. 1 der Verfassung verstoßen würden.
Der zweite Teil des neunte Klagegrunds in der Rechtssache Nr. 7277 ist unzulässig, insofern er gegen Artikel 23
Absatz 3 Nr. 1 der Verfassung gerichtet ist.
B.33. Aus der Begründung des Klagegrunds geht hervor, dass die Beschwerdegründe der klagenden Partei in der
Rechtssache Nr. 7279 gegen die Artikel 23 Nr. 1 und 24 Nrn. 2 und 3 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 gerichtet sind. Was
die Rechtssache Nr. 7279 betrifft, beschränkt der Gerichtshof daher seine Prüfung auf diese Bestimmungen.
B.34. Der Grundsatz der Gleichheit und Nichtdiskriminierung schließt nicht aus, dass ein Behandlungsunterschied
zwischen Kategorien von Personen eingeführt wird, soweit dieser Unterschied auf einem objektiven Kriterium beruht
und in angemessener Weise gerechtfertigt ist.
Das Vorliegen einer solchen Rechtfertigung ist im Hinblick auf Zweck und Folgen der beanstandeten Maßnahme
sowie auf die Art der einschlägigen Grundsätze zu beurteilen; es wird gegen den Grundsatz der Gleichheit und
Nichtdiskriminierung verstoßen, wenn feststeht, dass die eingesetzten Mittel in keinem angemessenen Verhältnis zum
verfolgten Zweck stehen.
B.35. Die ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV und die Zeitungshändler, die im Besitz einer F2-Lizenz
sind, sind im Hinblick auf die fraglichen Maßnahmen vergleichbar, da sie alle beide Wetten entgegennehmen können.
B.36. Im Gegensatz zu dem, was die klagende Partei in der Rechtssache Nr. 7279 anführt, beruht die
Unterscheidung zwischen den ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV und den in Artikel 43/4 § 5 Nr. 1 des
Gesetzes vom 7. Mai 1999 erwähnten Zeitungshändlern auf einem objektiven Kriterium.
Artikel 43/1 § 5 Nr. 1 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 bestimmt:
« § 5. Außerhalb vorerwähnter Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV können ebenfalls entgegengenommen
werden:
1. Totalisatorwetten auf Pferderennen und Wetten auf Sportereignisse, die keine Pferderennen und Windhunde-
rennen sind, als Nebentätigkeit von Zeitungshändlern, ob natürliche oder juristische Personen, die als Handels-
unternehmen in der Zentralen Datenbank der Unternehmen eingetragen sind, insofern die Wetten nicht an Orten
entgegengenommen werden, an denen alkoholische Getränke für den Verzehr vor Ort verkauft werden.
Der König bestimmt die Bedingungen, denen die Zeitungshändler genügen müssen. Sie müssen über eine
F2-Lizenz verfügen».
Der Begriff «Zeitungshändler» ist in dem üblichen Sinne zu verstehen, der in Artikel 16 § 2 Absatz 1 Buchstabe a)
des Gesetzes vom 10. November 2006 «über die Öffnungszeiten in Handel, Handwerk und im Dienstleistungsbereich»
wiedergegeben ist. Das sind Niederlassungseinheiten, deren Haupttätigkeit im Verkauf von Zeitungen, Zeitschriften,
Tabak und Rauchartikel, Telefonkarten und Produkten der Nationallotterie besteht. Folglich gibt es keine Diskrepanz
in dem Gesetz zwischen dem französischen Begriff «libraires» und dem niederländischen Begriff «dagbladhandelaars».
Der Begriff der «nebenberuflich» ausgeübten Tätigkeit ist ebenfalls in seinem üblichen Sinne zu verstehen, nämlich
einer Tätigkeit, die nicht hauptberuflich ausgeübt wird. Im Gegensatz zu dem, was die klagende Partei in der
Rechtssache Nr. 7279 anführt, gibt es keine Diskrepanz zwischen dem französischen Begriff der «à titre
complémentaire» ausgeübten Tätigkeit und dem niederländischen Begriff «nevenactiviteit». Der Gesetzgeber durfte
den König ermächtigen, die spezifischen Bedingungen festzulegen, damit es sich um eine «nebenberuflich» ausgeübte
Tätigkeit handelt. In den Vorarbeiten zum Gesetz vom 10. Januar 2010 «zur Abänderung der Rechtsvorschriften über
die Glücksspiele» (nachstehend: Gesetz vom 10. Januar 2010) wurde diesbezüglich dargelegt:
«Les libraires ne peuvent engager de paris qu’à titre accessoire. Le Roi doit préciser les conditions plus spécifiques
pour qu’il puisse être question d’une activité accessoire. Ces critères doivent au moins concerner la part des paris
autorisés conformément à la présente loi par rapport au chiffre d’affaires total de la librairie» (Parl. Dok., Kammer,
2008-2009, DOC 52-1992/001, S. 38).
Und:
« [Une membre] cite l’exposé des motifs (DOC 52-1992/001, p. 38) selon lequel les critères qui devront être fixés
par le Roi devront au moins concerner la part des paris autorisés par rapport au chiffre d’affaires total de la librairie.
L’intervenante estime que le chiffre d’affaires est un critère extrêmement volatile que l’on peut difficilement considérer
comme un critère principal pour la détermination du caractère accessoire ou non d’une activité.
Le secrétaire d’État [à la Coordination de la lutte contre la fraude, adjoint au premier ministre, et secrétaire d’État,
adjoint au ministre de la Justice] remarque à cet égard que les critères qui seront déterminés par le Roi seront avant tout
bel et bien des critères objectifs. Le chiffre d’affaires ne sera pris en compte qu’en cas de contestation» (Parl. Dok.,
Kammer, 2008-2009, DOC 52-1992/006, S. 84).
Es obliegt nicht dem Gerichtshof die Verfassungsmäßigkeit des königlichen Erlasses vom 22. Dezember 2010 «zur
Festlegung der Bedingungen für die Entgegennahme von Wetten außerhalb von Glücksspieleinrichtungen der
Klasse IV», den der König auf der Grundlage dieser Ermächtigung hat ergehen lassen, zu prüfen.
B.37.1. Das Unterscheidungskriterium zwischen den ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV und den in
Artikel 43/4 § 5 Nr. 1 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 erwähnten Zeitungshändlern ist im Hinblick auf die Ziele, die
Risiken sozialer Art zu begrenzen und Spieler zu schützen, die von den angefochtenen Maßnahmen verfolgt werden,
sachdienlich.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19759

B.37.2. In den Vorarbeiten des Gesetzes vom 10. Januar 2010 heißt es:
«- Le type de joueur qui se rend chez un libraire pour engager un pari sur des courses hippiques diffère du type
de joueur fréquentant une agence de paris. Une agence de paris accueille les joueurs qui y passent un certain temps
pour engager leurs paris, alors que le joueur qui se rend dans une librairie n’y reste que le temps nécessaire pour
déposer son pari.
- L’infrastructure d’une librairie diffère de celle d’une agence de paris. Les agences de paris disposent de tables sur
lesquelles sont déposés des journaux sportifs permettant aux joueurs d’effectuer un choix avant d’engager leur pari.
Elles possèdent par ailleurs des écrans qui permettent aux joueurs de suivre les courses. Ces agences sont équipées de
manière à attirer les joueurs, qui viennent y passer leur temps et nouent des contacts avec d’autres joueurs.
- Pour le libraire, l’acceptation de paris peut ne constituer qu’une activité exercée à titre complémentaire,
contrairement aux agences de paris, dont c’est l’activité principale. Pour cette raison, le Roi devra préciser les critères
et conditions auxquels les libraires devront satisfaire pour qu’il s’agisse d’une activité exercée à titre complémentaire.
Ces conditions porteront en tout cas sur des éléments qui ne soient pas de nature à inciter le joueur à rester dans la
librairie pour engager un pari. Le Roi pourra par exemple interdire aux libraires d’installer des écrans permettant aux
joueurs de suivre les événements sportifs sur lesquels ils parient, ou leur interdire de réserver certaines parties de leur
surface commerciale à l’engagement de paris, etc.» (Parl. Dok., Senat, 2009-2010, Nr. 4-1411/4, S. 15).
In den Vorarbeiten zum Gesetz vom 7. Mai 2019 heißt es zu den angefochtenen Maßnahmen:
«À noter que ces deux nouvelles conditions ne s’appliquent ni aux librairies et hippodromes, ni aux établissements
mobiles de classe IV, et ce, en raison du montant limité de la mise autorisée dans les librairies et du caractère temporaire
des hippodromes et des établissements mobiles» (Parl. Dok., Kammer, 2018-2019, DOC 54-3327/001, S. 14).
B.37.3. Die ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV weisen mehrere Merkmale auf, die sie von
Zeitungshändlern unterscheiden.
Erstens stellt die Entgegennahme von Wetten im Prinzip die ausschließliche Tätigkeit der ortsfesten Glücksspiel-
einrichtungen der Klasse IV dar, während sie bei den Zeitungshändlern nur eine Nebentätigkeit ist.
Zweitens hat der König auf der Grundlage von Artikel 43/4 § 5 Nr. 1 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 den königlichen
Erlass vom 22. Dezember 2010 «zur Festlegung der Bedingungen für die Entgegennahme von Wetten außerhalb von
Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV», der insbesondere die für die Entgegennahme von Wetten durch Zeitungs-
händler geltenden Bedingungen bestimmt, ergehen lassen. Dieser königliche Erlass beschränkt den Raum der
Zeitungsläden, der der Entgegennahme von Wetten dienen darf, und beschränkt die auf diese Tätigkeit ausgerichtete
Werbung (Artikel 4) und verbietet in den Zeitungsläden das Vorhandensein von Fernsehbildschirmen und anderen
Tonbildträgern, die Wetten bewerben oder die Ereignisse ausstrahlen, auf die sie sich beziehen (Artikel 3). Wie der
Ministerrat unterstreicht, erschwert das letztgenannte Verbot das Angebot von Live-Wetten in den Zeitungsläden sehr,
die - wie in B.28.1 erwähnt - nach Ansicht des Gesetzgebers höhere Risiken aufweisen.
Drittens dürfen die ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV, nicht aber die Zeitungshändler «höchstens
zwei Glücksspielautomaten, die Wetten in Bereichen anbieten, die denen ähnlich sind, auf die in Wettbüros gewettet
wird» betreiben (Artikel 43/4 § 2 Absatz 3 dritter Gedankenstrich des Gesetzes vom 7. Mai 1999). Wie in B.28.1 erwähnt,
weisen diese Glücksspielautomaten nach Ansicht des Gesetzgebers höhere Risiken auf.
Viertens ist der Höchsteinsatz bei einem Zeitungshändler auf 200 EUR pro Tag begrenzt (Artikel 1 des königlichen
Erlasses vom 22. Dezember 2010 «zur Festlegung der Bedingungen für die Entgegennahme von Wetten außerhalb von
Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV»). Diese Begrenzung zwingt den Spieler, der einen höheren Betrag als 200 EUR
einsetzen möchte, sich zu einem anderen Inhaber einer F2-Lizenz zu begeben und kann daher als Hemmnis für den
Spieler wirken.
B.37.4. Aus dem Vorstehenden geht hervor, dass der Gesetzgeber vernünftigerweise der Auffassung sein konnte,
dass ortsfeste Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV höhere Risiken aufweisen als Zeitungshändler und dass sie daher
zusätzlichen Bedingungen unterworfen werden müssen.
B.38. Schließlich haben die angefochtenen Bestimmungen keine unverhältnismäßigen Folgen für die ortsfesten
Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV.
B.39. Der zweite Teil des neunten Klagegrunds in der Rechtssache Nr. 7277 ist unbegründet. Der erste Klagegrund
in der Rechtssache Nr. 7279 ist unbegründet, insofern er gegen die Artikel 23 Nr. 1 und 24 Nrn. 2 und 3 des Gesetzes
vom 7. Mai 2019 gerichtet ist.
Die Niederlassungsfreiheit, die Dienstleistungsfreiheit und die Unternehmensfreiheit
B.40.1. Die klagenden Parteien in der Rechtssache Nr. 7277 leiten einen zehnten Klagegrund ab aus einem Verstoß
durch die Artikel 23 Nr. 1 und 24 Nrn. 2 und 3 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 gegen die Artikel 10, 11 und 23 der
Verfassung in Verbindung mit Artikel 49 des AEUV.
Im Wesentlichen machen sie geltend, dass die angefochtenen Bestimmungen das Recht auf Arbeit, auf freie Wahl
der Berufstätigkeit, auf Handels- und Gewerbefreiheit und auf Niederlassungsfreiheit beeinträchtigten und dass diese
Beeinträchtigung nicht vernünftig gerechtfertigt sei.
B.40.2. Die klagende Partei in der Rechtssache Nr. 7279 leitet einen dritten Klagegrund ab aus einem Verstoß durch
das Gesetz vom 7. Mai 2019 gegen die Artikel 49 und 56 des AEUV, die durch die Artikel II.3 und II.4 des
Wirtschaftsgesetzbuches gewährleistete Unternehmensfreiheit und Artikel 16 der Charta der Grundrechte der
Europäischen Union in Verbindung mit den Artikeln 10 und 11 der Verfassung.
Im Wesentlichen macht sie geltend, dass in den angefochtenen Bestimmungen keine objektiven, nicht
diskriminierenden und im Voraus bekannten Kriterien festgelegt würden, um einen Rahmen für die Entscheidung
einer Gemeinde, eine Vereinbarung mit einer ortsfesten Glücksspieleinrichtung der Klasse IV abzuschließen oder nicht,
und die Entscheidung einer Gemeinde zu setzen, eine Ausnahmeregelung vom grundsätzlichen Verbot, sich in der
Nähe von Unterrichtsanstalten, Krankenhäusern und Orten, die von Jugendlichen besucht werden, anzusiedeln, zu
gewähren oder nicht.
B.40.3. Die klagende Partei in der Rechtssache Nr. 7289 leitet einen dritten Teil des ersten Klagegrunds ab aus
einem Verstoß durch die Artikel 23 Nr. 1 und 24 Nr. 2 Absatz 2 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 gegen die Artikel 49 und
56 des AEUV in Verbindung mit den Artikeln 10 und 11 der Verfassung.
Im Wesentlichen macht sie geltend, dass die Pflicht der ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV zum
Abschluss einer Vereinbarung mit der Gemeinde nicht zu dem verfolgten Ziel des Schutzes der Spieler im Verhältnis
stehe. Zudem ist sie der Auffassung, dass mit dieser Pflicht das verfolgte Ziel nicht kohärent und systematisch erreicht
werden kann, da sie nicht für Zeitungshändler, Rennbahnen und mobile Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV gelte.
B.40.4. Die klagende Partei in der Rechtssache Nr. 7289 leitet einen vierten Teil des zweiten Klagegrunds ab aus
einem Verstoß durch Artikel 24 Nr. 2 Absatz 1 des Gesetzes vom 7. Mai 2019, an sich oder in Verbindung mit Artikel 24
Nr. 3 desselben Gesetzes, gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung.
19760 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

Im Wesentlichen macht sie geltend, dass die Kriterien, mit denen die Nähe zu Unterrichtsanstalten, Kranken-
häusern und Orten, die von Jugendlichen besucht werden, beurteilt werden könne, in den angefochtenen
Bestimmungen nicht präzisiert seien und darin keine Grenzen für die Möglichkeit, davon abzuweichen, über die die
Gemeinden verfügten, vorgesehen seien.
B.41. Aus der Begründung des Klagegrunds geht hervor, dass die Beschwerdegründe der klagenden Partei in der
Rechtssache Nr. 7279 gegen die Artikel 23 Nr. 1 und 24 Nrn. 2 und 3 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 gerichtet sind. Was
die Rechtssache Nr. 7279 betrifft, beschränkt der Gerichtshof daher seine Prüfung auf diese Bestimmungen.
B.42.1. Artikel 23 Absatz 3 Nr. 1 der Verfassung bestimmt:
«Diese Rechte umfassen insbesondere:
1. das Recht auf Arbeit und auf freie Wahl der Berufstätigkeit im Rahmen einer allgemeinen Beschäftigungspolitik,
die unter anderem darauf ausgerichtet ist, einen Beschäftigungsstand zu gewährleisten, der so stabil und hoch wie
möglich ist, das Recht auf gerechte Arbeitsbedingungen und gerechte Entlohnung sowie das Recht auf Information,
Konsultation und kollektive Verhandlungen ».
Diese Bestimmung erwähnt das Recht auf Arbeit und das Recht auf freie Wahl der Berufstätigkeit unter den
wirtschaftlichen, sozialen und kulturellen Rechten.
B.42.2. Aus den Vorarbeiten zu Artikel 23 der Verfassung geht hervor, dass der Verfassungsgeber nicht
beabsichtigte, die Handels- und Gewerbefreiheit oder die Unternehmensfreiheit unter die Begriffe «Recht auf Arbeit»
und «freie Wahl der Berufstätigkeit» zu fassen (Parl. Dok., Senat, Sondersitzungsperiode 1991-1992, Nr. 100-2/3o, S. 15;
Nr. 100-2/4o, SS. 93 bis 99; Nr. 100-2/9o, SS. 3 bis 10). Eine solche Sicht ergibt sich ebenfalls aus der Einreichung von
verschiedenen Vorschlägen zur «Revision von Artikel 23 Absatz 3 der Verfassung, um ihn durch eine Nr. 6 zur
Gewährleitung der Handels- und Gewerbefreiheit zu ergänzen» (Parl. Dok., Senat, 2006-2007, Nr. 3-1930/1; Senat,
Sondersitzungsperiode 2010, Nr. 5-19/1; Kammer, 2014-2015, DOC 54-0581/001).
B.42.3. Das Gesetz vom 28. Februar 2013, das Artikel II.3 des Wirtschaftsgesetzbuches eingeführt hat, hat das so
genannte d’Allarde-Dekret vom 2.-17. März 1791 aufgehoben. Dieses Dekret, das die Handels- und Gewerbefreiheit
gewährleistete, hat der Gerichtshof mehrmals in seine Prüfung anhand der Artikel 10 und 11 der Verfassung
einbezogen.
B.42.4. Die Unternehmensfreiheit im Sinne von Artikel II.3 des Wirtschaftsgesetzbuches ist «unter Achtung der in
Belgien geltenden internationalen Verträge, des allgemeinen rechtlichen Rahmens der Wirtschaftsunion und der
Währungseinheit, so wie er durch oder aufgrund der internationalen Verträge und des Gesetzes festgelegt ist»
(Artikel II.4 desselben Gesetzbuches) auszuüben.
Die Unternehmensfreiheit ist also in Verbindung mit den anwendbaren Bestimmungen des Rechts der
Europäischen Union zu betrachten, sowie mit Artikel 6 § 1 VI Absatz 3 des Sondergesetzes vom 8. August 1980, anhand
dessen der Gerichtshof - als Regel der Zuständigkeitsverteilung - eine direkte Prüfung vornehmen darf.
Schließlich wird die Unternehmensfreiheit ebenfalls durch Artikel 16 der Charta der Grundrechte der
Europäischen Union gewährleistet.
B.42.5. Die Unternehmensfreiheit kann nicht als eine absolute Freiheit angesehen werden. Sie verhindert nicht, dass
der zuständige Gesetzgeber die Wirtschaftstätigkeit von Personen und Unternehmen regelt. Der Gesetzgeber würde
nur unvernünftig auftreten, wenn er die Unternehmensfreiheit einschränken würde, ohne dass dies in irgendeiner
Weise notwendig wäre oder wenn diese Einschränkung dem angestrebten Ziel gegenüber unverhältnismäßig wäre.
B.42.6. Die Unternehmensfreiheit ist eng mit der Dienstleistungsfreiheit (Artikel 56 des AEUV) und der
Niederlassungsfreiheit (Artikel 49 des AEUV) verbunden.
B.42.7. Im vorliegenden Fall muss der Gerichtshof die angefochtenen Bestimmungen anhand der Artikel 10 und 11
der Verfassung in Verbindung mit der Unternehmensfreiheit, der Niederlassungsfreiheit und der Dienstleistungs-
freiheit prüfen.
B.43.1. Da sie das Betreiben von ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV der Pflicht, eine Vereinbarung
mit der Gemeinde abzuschließen, und dem grundsätzlichen Verbot, sich in der Nähe von Unterrichtsanstalten,
Krankenhäusern und Orten, die von Jugendlichen besucht werden, anzusiedeln, unterwerfen, haben die angefochtenen
Bestimmungen eine Einschränkung der Niederlassungsfreiheit zur Folge.
B.43.2. Wie in B.13.3 erwähnt, muss eine Maßnahme, die die Niederlassungsfreiheit beschränkt und die
unterschiedslos anwendbar ist, durch zwingende Gründe des Allgemeininteresses gerechtfertigt sein, sie muss geeignet
sein, die Verwirklichung des verfolgten Ziels zu gewährleisten, was bedeutet, dass sie wirklich dem Bestreben
entsprechen muss, es kohärent und systematisch zu erreichen, und sie darf nicht über das zur Erreichung dieses Ziels
Notwendige hinausgehen.
B.43.3. Wie in B.18.3 erwähnt, zielen die angefochtenen Bestimmungen insbesondere darauf ab, Risiken sozialer
Art, die mit dem Standort der ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV verbunden sind, zu begrenzen und die
Spieler zu schützen. Aus der in B.13.4.1 zitierten Rechtsprechung des Gerichtshofs der Europäischen Union geht hervor,
dass dies zwingende Gründe des Allgemeininteresses sind.
B.43.4. Die Pflicht, eine Vereinbarung mit der Gemeinde abzuschließen, und das grundsätzliche Verbot, sich in der
Nähe von Unterrichtsanstalten, Krankenhäusern und Orten, die von Jugendlichen besucht werden, anzusiedeln, sind
im Hinblick auf die verfolgten Ziele sachdienliche Maßnahmen.
Außerdem bedeutet der Umstand, dass diese Maßnahmen auf ortsfeste Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV,
aber nicht auf mobile Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV, Zeitungshändler und Rennbahnen anwendbar sind,
nicht, dass diese Ziele nicht kohärent und systematisch verfolgt würden. Zum einen geht aus dem in B.35 bis B.38
Erwähnten hervor, dass die Nichtanwendung dieser Maßnahmen auf Zeitungshändler vernünftig gerechtfertigt ist.
Zum anderen ist die Nichtanwendung dieser Maßnahmen auf mobile Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV und auf
Rennbahnen vernünftig gerechtfertigt durch deren vorübergehende Beschaffenheit (Parl. Dok., Kammer, 2018-2019,
DOC 54-3327/001, S. 14) und durch den Umstand, dass ihr Standort bereits durch das Gesetz vom 7. Mai 1999 geregelt
ist, da Erstere an dem Ort des Ereignisses, der Sportveranstaltung oder des Sportwettkampfes, auf die sie Wetten
entgegennehmen, betrieben werden (Artikel 43/4 § 2 Absätze 5 und 6 des Gesetzes vom 7. Mai 1999) und bei Letzteren
die Wetten auf dem Gelände einer Rennbahn entgegengenommen werden (Artikel 43/4 § 5 Nr. 2 des Gesetzes vom
7. Mai 1999).
B.43.5. Der Gerichtshof muss noch prüfen, ob die fraglichen Maßnahmen zur verfolgten Zielsetzung im Verhältnis
stehen.
B.43.6. Angesichts des in B.28.1 beschriebenen erhöhten Risikos im Zusammenhang mit den ortsfesten
Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV ist es nicht unverhältnismäßig, das Betreiben einer ortsfesten Glücksspiel-
einrichtung der Klasse IV dem Abschluss einer Vereinbarung mit der Gemeinde und dem grundsätzlichen Verbot, sich
in der Nähe von Unterrichtsanstalten, Krankenhäusern und Orten, die von Jugendlichen besucht werden, anzusiedeln,
zu unterwerfen.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19761

B.43.7. Da diese Maßnahmen zwei der Bedingungen für die Gewährung einer F2-Lizenz darstellen F2 (Artikel 43/5
Absatz 1 Nrn. 5 und 6 des Gesetzes vom 7. Mai 1999), ist ebenfalls die Rechtsprechung des Gerichtshofes der
Europäischen Union zu berücksichtigen, nach der sich aus dem Grundsatz der Verhältnismäßigkeit ergibt, dass ein
System der vorherigen behördlichen Genehmigung für das Angebot bestimmter Arten von Glücksspielen auf
objektiven und nichtdiskriminierenden Kriterien beruhen muss, die im Voraus bekannt sind, damit dem Ermessen der
nationalen Behörden Grenzen gesetzt werden, die seine missbräuchliche Ausübung verhindern (EuGH, 24. Januar 2013,
C-186/11 und C-209/11, Stanleybet International Ltd u.a., Randnr. 47).
Wenn sie entscheidet, eine Vereinbarung mit einer ortsfesten Glücksspieleinrichtung der Klasse IV abzuschließen,
übt die Gemeinde eine Ermessensbefugnis aus (Parl. Dok., Kammer, 2018-2019, DOC 54-3327/005, S. 7). Dieser Befugnis
werden ausreichende Grenzen gesetzt, um die Gefahr des Missbrauchs zu vermeiden.
Zunächst ist der Ermessensspielraum der Gemeinde durch die vom Gesetz vom 7. Mai 1999 verfolgten Ziele
begrenzt.
Außerdem ist der Begriff der «Nähe» zwischen den ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV und den
Unterrichtsanstalten, Krankenhäusern und Orten, die von Jugendlichen besucht werden, nicht dermaßen vage, dass er
zu einer Gefahr des Missbrauchs führen würde. Dieser Begriff, der in seinem üblichen Sinne zu verstehen ist und auf
eine geringe Entfernung verweist, muss anhand der konkreten lokalen Gegebenheiten beurteilt werden. Ebenso
ermöglicht es die der Gemeinde zuerkannte Möglichkeit, davon abzuweichen, ebenfalls, die konkreten lokalen
Gegebenheiten sowie Bedingungen, die in der mit der Einrichtung abgeschlossenen Vereinbarung vorgesehen sind, zu
berücksichtigen:
«Une dérogation à cette condition est toutefois possible sur base d’une motivation de la commune. Si dans la
convention qu’elle a pris avec l’établissement, la commune a pris suffisamment de mesures de protection vis-à-vis du
joueur potentiel, il peut être dérogé à cette condition, par exemple, si un établissement veut s’établir à proximité d’une
école et que la commune a prévu des heures d’ouverture qui ne permettent pas à des jeunes de s’y rendre pendant ou
juste avant et après les cours. La commune doit motiver expressément sa décision de ne pas interdire d’établissement
à proximité des d’établissements d’enseignement, d’hôpitaux et, d’endroits fréquentés par des jeunes» (Parl. Dok.,
Kammer, 2018-2019, DOC 54-3327/001, S. 14).
Schließlich muss die Gemeinde insbesondere die allgemeinen Grundsätze der guten Verwaltung wie die
Begründungspflicht einhalten. Die Begründungspflicht setzt eine ausreichende Darlegung der Gründe, die der
Entscheidung der Gemeinde zugrunde liegen voraus, sodass die Interessehabenden beurteilen können, ob sie
gegebenenfalls die Rechtsmittel einlegen, die ihnen zustehen.
B.44. Die angefochtenen Bestimmungen verstoßen nicht gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung in Verbindung
mit Artikel 49 des AEUV.
B.45. Aus dem Vorstehenden geht ebenfalls hervor, dass die angefochtenen Bestimmungen nicht gegen die
Artikel 10 und 11 der Verfassung in Verbindung mit der Unternehmensfreiheit verstoßen und dass die angefochtenen
Bestimmungen, wenn man annehmen würde, dass sie eine Beschränkung der Dienstleistungsfreiheit zur Folge hätten,
nicht gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung in Verbindung mit Artikel 56 des AEUV verstoßen.
B.46. Der zehnte Klagegrund in der Rechtssache Nr. 7277, der dritte Klagegrund in der Rechtssache Nr. 7279 und
der dritte und vierte Teil des zweiten Klagegrunds in der Rechtssache Nr. 7289 sind unbegründet.
In Bezug auf die in den ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV geltende Registrierungspflicht (elfter und zwölfter
Klagegrund in der Rechtssache Nr. 7277; erster Klagegrund in der Rechtssache Nr. 7279; zweiter Klagegrund in der Rechtssache
Nr. 7280; fünfter Teil des zweiten Klagegrunds in der Rechtssache Nr. 7289)
Die angefochtene Bestimmung und deren Kontext
B.47.1. Artikel 31 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 ändert Artikel 62 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 ab und bestimmt.
«À l’article 62, de la [loi du 7 mai 1999], modifié par la loi du 10 janvier 2010, les modifications suivantes sont
apportées :
1o dans l’alinéa 1er, les mots ’ des classes I et II ’ sont remplacés par les mots ’ des classes I, II et aux établissements
de jeux de hasard fixes de classe IV ’;
2o dans l’alinéa 6, les mots ’ de classe I ou II ’ sont remplacés par les mots ’ de classe I, II ou de classe IV pour les
établissements de jeux de hasard fixes ’».
Diese Bestimmung erklärt Artikel 62 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 für auf die ortsfesten Glücksspieleinrichtungen
der Klasse IV anwendbar. Artikel 62 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 erlegt es den Glücksspieleinrichtungen der Klassen I
und II und nunmehr auch den ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV auf, eine Kopie des Identitäts-
dokuments, das der Spieler vorlegen muss, aufzubewahren und ein Register mit bestimmten Informationen über die
Spieler zu führen. In der durch Artikel 31 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 abgeänderten Fassung bestimmt Artikel 62 des
Gesetzes vom 7. Mai 1999:
«Complémentairement à ce qui est prévu à l’article 54, l’accès aux salles de jeux des établissements de jeux de
hasard des classes I, II et aux établissements de jeux de hasard fixes de classe IV est autorisé que sur présentation, par
la personne concernée, d’un document d’identité et moyennant l’inscription, par l’exploitant, des nom complet,
prénoms, date de naissance, lieu de naissance, profession et de l’adresse de cette personne dans un registre.
L’exploitant fait signer ce registre par la personne concernée.
Une copie de la pièce ayant servi à l’identification du joueur doit être conservée pendant au moins cinq ans à dater
de la dernière activité de jeu de celui-ci.
Le Roi détermine les modalités pratiques d’admission et d’enregistrement des joueurs.
Il arrête les conditions d’accès aux registres.
L’absence de tenue ou la tenue incorrecte de ce registre de même que sa non-communication aux autorités, son
altération ou sa disparition peut entraîner le retrait de la licence de classe I, II ou de classe IV pour les établissements
de jeux de hasard fixes par la commission.
Le Roi détermine les modalités d’admission et d’enregistrement des joueurs pour la pratique de jeux de hasard via
un réseau de communication électronique ainsi que les conditions que le registre doit remplir».
B.47.2. Wie in seinem ersten Absatz angegeben, ist Artikel 62 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 in Verbindung mit
Artikel 54 desselben Gesetzes zu betrachten. Diese Bestimmung betrifft die Verbote des Zugangs zu bestimmten
Glücksspieleinrichtungen und der Teilnahme an bestimmten Glücksspielen, die für Minderjährige oder Personen unter
21 Jahren (Artikel 54 § 1), für Magistrate, Notare, Gerichtsvollzieher und Mitglieder der Polizeidienste außerhalb der
Ausübung ihres Amtes (Artikel 54 § 2 Absatz 1) und für Personen gelten, denen von der Kommission für Glücksspiele
der Zugang verweigert wird (Artikel 54 § § 3 und 4).
Einige dieser Verbote, insbesondere diejenigen, die für Personen gelten, denen von der Kommission für
Glücksspiele der Zugang verweigert wird, beziehen sich nur auf die Glücksspiele, «für die eine Registrierungspflicht
besteht», das heißt: (1) Glücksspiele in den in Artikel 62 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 erwähnten Glücksspiel-
einrichtungen, (2) Wetten mit einem Einsatz, der höher ist als der vom König festgelegte Betrag (Artikel 43/4 § 3 des
19762 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

Gesetzes vom 7. Mai 1999), wobei dieser Betrag durch den königlichen Erlass vom 22. Dezember 2010 «zur Festlegung
der Höhe oder der Gegenleistung für den Wetteinsatz, für den eine Registrierungspflicht besteht, sowie des Inhalts und
der Modalitäten dieser Registrierung» auf 1 000 EUR festgelegt wurde, und (3) Glücksspiele, die über Instrumente der
Informationsgesellschaft betrieben werden (Artikel 43/8 § 2 Nr. 2 des Gesetzes vom 7. Mai 1999). Indem er die
ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV der Registrierungspflicht unterwirft, die in Artikel 62 des Gesetzes
vom 7. Mai 1999 vorgesehen ist, erklärt Artikel 31 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 die Verbote, die sich auf Glückspiele
beziehen, «für die eine Registrierungspflicht besteht», für auf diese Einrichtungen anwendbar.
B.47.3. Außerdem sieht Artikel 55 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 die Einrichtung eines Verarbeitungssystems für
Daten in Bezug auf die in Artikel 54 desselben Gesetzes erwähnten Personen vor. Nach Artikel 55 Absatz 2 des Gesetzes
vom 7. Mai 1999 wird mit diesem System bezweckt, es einerseits «der Kommission für Glücksspiele zu ermöglichen,
die ihr durch vorliegendes Gesetz anvertrauten Aufträge zu erfüllen» und es andererseits «den Betreibern und dem
Personal der Glücksspieleinrichtungen zu ermöglichen, die Einhaltung der in Artikel 54 erwähnten Zugangs-
verweigerungen zu kontrollieren». Dieses Verarbeitungssystem ist das System EPIS («Excluded Persons Information
System»), das durch den königlichen Erlass vom 15. Dezember 2004 «über die Einrichtung eines Verarbeitungssystems
für Daten in Bezug auf die Spieler, denen der Zugang zu Spielsälen von Glücksspieleinrichtungen der Klassen I und
II verweigert wird» eingerichtet wurde.
B.47.4. Im Kommentar zu Artikel 19 des Gesetzentwurfes, der zu Artikel 31 des Gesetzes vom 7. Mai 2019
geworden ist, heißt es:
«L’article 19 étend l’application de l’Excluded Persons Information System (EPIS), à tous les établissements de jeux de
hasard fixes de classe IV. EPIS qui regroupe tous les joueurs exclus, est utilisé actuellement à l’entrée d’un casino
(classe I) ou d’une salle de jeux automatiques (classe II) réel ou virtuel, ou bien d’une agence de paris virtuelle. Les nom,
prénom et date de naissance du joueur doivent obligatoirement être enregistrés dans EPIS afin de vérifier s’il peut être
admis.
À noter que cette vérification peut se faire à l’entrée de l’établissement de jeu de hasard mais également au
comptoir. Un contrôle doit être effectué avant qu’un joueur ne puisse jouer à une machine ou parier par exemple.
EPIS a prouvé qu’il constitue un outil très efficace dans la lutte contre la dépendance au jeu et il est indispensable
pour renforcer la protection du joueur.
Dans son avis 36/2018 du 2 mai 2018, la Commission de la protection de la vie privée considère que l’élargissement
du spectre d’EPIS est proportionnel au regard de la finalité d’EPIS qui est la protection des joueurs» (Parl. Dok.,
Kammer, 2018-2019, DOC 54-3327/001, SS. 16-17).
Das Recht auf Achtung des Privatlebens
B.48. Die klagenden Parteien in der Rechtssache Nr. 7277 leiten einen zwölften Klagegrund ab aus einem Verstoß
durch Artikel 31 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 gegen Artikel 22 der Verfassung in Verbindung mit Artikel 8 der
Europäischen Menschenrechtskonvention, mit Artikel 5 Absatz 1 Buchstabe c der Verordnung (EU) 2016/679 des
Europäischen Parlaments und des Rates vom 27. April 2016 «zum Schutz natürlicher Personen bei der Verarbeitung
personenbezogener Daten, zum freien Datenverkehr und zur Aufhebung der Richtlinie 95/46/EG (Datenschutz-
Grundverordnung)» (nachstehend: DSGVO) und mit Artikel 28 Nr. 3 des Gesetzes vom 30. Juli 2018 «über den Schutz
natürlicher Personen hinsichtlich der Verarbeitung personenbezogener Daten» (nachstehend: Gesetz vom 30. Juli 2018).
In einem ersten Teil machen sie im Wesentlichen geltend, dass Artikel 62 des Gesetzes vom 7. Mai 1999, der durch
Artikel 31 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 für anwendbar auf die ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV
erklärt wurde, den König ermächtige, die wesentlichen Elemente im Zusammenhang mit der Führung des Registers
und seiner Abfragung zu bestimmen.
In einem zweiten Teil machen sie im Wesentlichen geltend, dass die angefochtene Bestimmung weder sachdienlich
noch verhältnismäßig im Hinblick auf das verfolgte Ziel, die Spieler zu schützen, sei.
B.49.1. Artikel 22 der Verfassung bestimmt:
«Jeder hat ein Recht auf Achtung vor seinem Privat- und Familienleben, außer in den Fällen und unter den
Bedingungen, die durch Gesetz festgelegt sind.
Das Gesetz, das Dekret oder die in Artikel 134 erwähnte Regel gewährleistet den Schutz dieses Rechtes».
B.49.2. Artikel 8 der Europäischen Menschenrechtskonvention bestimmt:
«(1) Jede Person hat das Recht auf Achtung ihres Privat- und Familienlebens, ihrer Wohnung und ihrer
Korrespondenz.
(2) Eine Behörde darf in die Ausübung dieses Rechts nur eingreifen, soweit der Eingriff gesetzlich vorgesehen und
in einer demokratischen Gesellschaft notwendig ist für die nationale oder öffentliche Sicherheit, für das wirtschaftliche
Wohl des Landes, zur Aufrechterhaltung der Ordnung, zur Verhütung von Straftaten, zum Schutz der Gesundheit oder
der Moral oder zum Schutz der Rechte und Freiheiten anderer».
B.49.3. Der Verfassungsgeber hat eine möglichst weitgehende Übereinstimmung zwischen Artikel 22 der
Verfassung und Artikel 8 der Europäischen Menschenrechtskonvention angestrebt (Parl. Dok., Kammer, 1992-1993,
Nr. 997/5, S. 2).
Die Tragweite dieses Artikels 8 entspricht derjenigen der vorerwähnten Verfassungsbestimmung, sodass die durch
die beiden Bestimmungen gebotenen Garantien ein untrennbares Ganzes bilden.
B.49.4. Das Recht auf Achtung des Privatlebens, so wie es durch die vorerwähnten Verfassungs- und
Vertragsbestimmungen gewährleistet wird, bezweckt im Wesentlichen, die Personen gegen Einmischungen in ihr
Privatleben zu schützen.
Dieses Recht hat eine weitreichende Tragweite und umfasst unter anderem den Schutz der personenbezogenen
Daten und der persönlichen Information. Die Rechtsprechung des Europäischen Gerichtshofs für Menschenrechte
zeigt, dass, u. a. folgende personenbezogene Daten und Informationen unter den Schutzbereich dieses Rechts fallen:
der Name, die Adresse, die professionellen Aktivitäten, die persönlichen Beziehungen, digitale Fingerabdrücke,
Kamerabilder, Fotos, Kommunikationsdaten, DNA-Daten, gerichtliche Daten (Verurteilung oder Verdacht), finanzielle
Daten und Informationen über Eigentum (siehe insbesondere EuGHMR, 26. März 1987, Leander gegen Schweden,
§ § 47-48; Große Kammer, 4. Dezember 2008, S. und Marper gegen Vereinigtes Königreich, § § 66-68; 17. Dezember 2009,
B.B. gegen Frankreich, § 57; 10. Februar 2011, Dimitrov-Kazakov gegen Bulgarien, § § 29-31; 18. Oktober 2011, Khelili
gegen Schweiz, § § 55-57; 9. Oktober 2012, Alkaya gegen Türkei, § 29; 18. April 2013, M.K. gegen Frankreich, § 26; 18.
September 2014, Brunet gegen Frankreich, § 31).
B.49.5. Das Recht auf Achtung des Privatlebens ist jedoch kein absolutes Recht. Artikel 22 der Verfassung und
Artikel 8 der Europäischen Menschenrechtskonvention schließen eine Einmischung der Behörden in die Ausübung
dieses Rechts nicht aus, sofern eine solche durch eine ausreichend präzise gesetzliche Bestimmung vorgesehen ist, sie
einem zwingenden gesellschaftlichen Bedürfnis in einer demokratischen Gesellschaft entspricht und sie im Verhältnis
zu dem damit angestrebten rechtmäßigen Ziel steht.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19763

Der Gesetzgeber besitzt diesbezüglich einen Ermessensspielraum. Dieser Ermessensspielraum ist jedoch nicht
unbegrenzt; damit eine Norm mit dem Recht auf Achtung des Privatlebens vereinbar ist, ist es erforderlich, dass der
Gesetzgeber ein faires Gleichgewicht zwischen allen betroffenen Rechten und Interessen hergestellt hat.
B.49.6. Artikel 5 Absatz 1 Buchstabe c der DSGVO bestimmt:
«Personenbezogene Daten müssen
[...]
c) dem Zweck angemessen und erheblich sowie auf das für die Zwecke der Verarbeitung notwendige Maß
beschränkt sein (’ Datenminimierung ’)».
B.49.7. Artikel 28 Nr. 3 des Gesetzes vom 30. Juli 2018 bestimmt:
«Personenbezogene Daten:
[...]
3. entsprechen dem Verarbeitungszweck, sind maßgeblich und in Bezug auf die Zwecke, für die sie verarbeitet
werden, nicht übermäßig».
B.50. Ohne dass es notwendig ist, sich zu der Frage zu äußern, ob der Gerichtshof befugt ist, über einen Verstoß
gegen das Gesetz vom 30. Juli 2018 in Verbindung mit Artikel 22 der Verfassung zu befinden, ist festzustellen, dass die
klagenden Parteien in der Rechtssache Nr. 7277 nicht angeben, inwiefern Artikel 28 Nr. 3 dieses Gesetzes andere
Garantien enthalten würde als die Garantien, die durch die anderen im Klagegrund erwähnten Bestimmungen
vorgesehen sind, und die im Hinblick auf die strittige Problematik relevant wären.
B.51. Insofern die angefochtene Bestimmung es Personen, die sich in eine ortsfeste Glücksspieleinrichtung der
Klasse IV begeben, auferlegt, ein Identitätsdokument vorzulegen, von dem der Betreiber eine Kopie mindestens fünf
Jahre nach der letzten Teilnahme an einem Glücksspiel aufbewahren muss, und bestimmte personenbezogene Daten
anzugeben, die der Betreiber in ein Register eintragen muss, hat die angefochtene Bestimmung eine Einmischung in das
Recht auf Achtung des Privatlebens zur Folge.
Der Gerichtshof muss daher prüfen, ob diese Einmischung einem zwingenden gesellschaftlichen Bedürfnis in einer
demokratischen Gesellschaft entspricht, ob sie durch eine ausreichend präzise gesetzliche Bestimmung vorgesehen ist
und ob sie im Verhältnis zu dem damit angestrebten rechtmäßigen Ziel steht.
B.52. Aus den in B.47.4 erwähnten Vorarbeiten geht hervor, dass die angefochtene Bestimmung den Schutz von
Spielern bezweckt. Diese Bestimmung hat zur Folge, dass die in Artikel 54 § § 3 und 4 des Gesetzes vom 7. Mai 1999
erwähnten Zugangsverbote nunmehr auch auf ortsfeste Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV Anwendung finden.
Die nach der angefochtenen Bestimmung vorgeschriebene Überprüfung der Identität ermöglicht es, dank des in
Artikel 55 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 und in B.47.3 erwähnten EPIS-Systems, zu überprüfen, ob die fragliche Person
sich in einer der Situationen befindet, die zu einem Zugangsverbot führen. In den Vorarbeiten wird diesbezüglich
betont, dass «EPIS bewiesen hat, dass es ein sehr wirksames Instrument bei der Bekämpfung der Spielsucht darstellt
und es unerlässlich ist, um den Schutz des Spielers zu verstärken» (Parl. Dok., Kammer, 2018-2019, DOC 54-3327/001,
S. 17).
Daraus folgt, dass die angefochtene Bestimmung einem zwingenden gesellschaftlichen Bedürfnis in einer
demokratischen Gesellschaft entspricht.
B.53.1. Artikel 22 der Verfassung behält dem zuständigen Gesetzgeber die Befugnis vor, festzulegen, in welchen
Fällen und unter welchen Bedingungen das Recht auf Achtung des Privatlebens beeinträchtigt werden kann. Somit
garantiert er jedem Bürger, dass eine Einmischung in die Ausübung dieses Rechts nur aufgrund von Regeln erfolgen
darf, die durch eine demokratisch gewählte beratende Versammlung angenommen wurden.
Eine Ermächtigung einer anderen Gewalt steht jedoch nicht im Widerspruch zum Legalitätsprinzip, sofern die
Ermächtigung ausreichend präzise beschrieben ist und sich auf die Ausführung von Maßnahmen bezieht, deren
wesentliche Elemente vorher durch den Gesetzgeber festgelegt wurden.
B.53.2. Neben dem formalen Erfordernis der Legalität wird durch Artikel 22 der Verfassung in Verbindung mit
Artikel 8 der Europäischen Menschenrechtskonvention ebenfalls die Verpflichtung auferlegt, dass die Einmischung in
die Ausübung des Rechts auf Achtung des Privatlebens deutlich und ausreichend präzise formuliert wird, damit es
möglich ist, die Fälle vorherzusehen, in denen der Gesetzgeber eine solche Einmischung erlaubt.
Auf dem Gebiet des Datenschutzes bedeutet dieses Erfordernis der Vorhersehbarkeit, dass ausreichend präzise
vorgesehen werden muss, unter welchen Umständen Verarbeitungen von personenbezogenen Daten erlaubt sind
(EuGHMR, Große Kammer, 4. Mai 2000, Rotaru gegen Rumänien, § 57; Große Kammer, 4. Dezember 2008, S. und Marper
gegen Vereinigtes Königreich, § 99).
Jeder muss somit eine ausreichend klare Vorstellung von den verarbeiteten Daten, den von einer bestimmten
Datenverarbeitung betroffenen Personen und den Bedingungen und Zwecken dieser Verarbeitung haben.
B.53.3. Der durch die angefochtene Bestimmung auf ortsfeste Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV für
anwendbar erklärte Artikel 62 Absatz 1 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 bestimmt die personenbezogenen Daten, die in
das Register eingetragen werden müssen, das der Betreiber führen muss. Artikel 62 Absatz 3 des Gesetzes vom 7. Mai
1999 erlegt es dem Betreiber auf, eine Kopie des Dokuments, das zur Identifizierung des Spielers gedient hat,
mindestens fünf Jahre nach der letzten Teilnahme an einem Glücksspiel aufzubewahren.
B.53.4. Die Zwecke der Identitätsüberprüfung und der Registrierung der betreffenden personenbezogenen Daten
und der Aufbewahrung einer Kopie des Dokuments, das zur Identifizierung des Spielers gedient hat, die mit dieser
Überprüfung zusammenhängen, sowie die Personen, die befugt sind, Zugang zu diesen Daten zu haben, werden durch
die Verbindung der Artikel 54, 55 und 62 des Gesetzes vom 7. Mai 1999, die im Lichte der in B.52 zitierten Vorarbeiten
zu lesen sind, ausreichend bestimmt. Es handelt sich einerseits um die Betreiber und das Personal der betreffenden
Glücksspieleinrichtungen, um die Einhaltung der in Artikel 54 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 erwähnten
Zugangsverweigerungen zu kontrollieren, und andererseits um die Kommission für Glücksspiele, um die ihr durch das
Gesetz vom 7. Mai 1999 anvertrauten Aufträge zu erfüllen. Zu dieser Aufgabe gehört aufgrund der Artikel 15/2 § 1 und
15/3 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 insbesondere die Kontrolle der Einhaltung dieses Gesetzes und seiner
Ausführungserlasse. Die Registrierung der personenbezogenen Daten und die Aufbewahrung einer Kopie des
Dokuments über die Identität des Spielers ermöglichen es der Kommission für Glücksspiele zu wissen, wer Zugang zu
den betreffenden Glücksspieleinrichtungen hatte, und somit zu kontrollieren, dass diese Einrichtungen die nach
Artikel 54 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 geltenden Zugangsverbote einhalten. Diesbezüglich bestimmt Artikel 62
Absatz 6 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 ebenfalls, dass « [d]ie Kommission [für Glücksspiele] [...] die Lizenz der Klasse I,
II oder der Klasse IV für die ortsfesten Glücksspieleinrichtungen entziehen [kann], wenn dieses Register nicht oder
unrichtig geführt wird oder wenn es den Behörden nicht übermittelt wird, beschädigt wird oder verschwindet».
B.53.5. In der angefochtenen Bestimmung ist jedoch keine Höchstdauer für die Aufbewahrung der personen-
bezogenen Daten vorgesehen, die in dem in Artikel 62 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 erwähnten Register eingetragen
sind. Außerdem sieht sie keine Höchstdauer für die Aufbewahrung der Kopie des Dokuments vor, das zur
Identifizierung des Spielers gedient hat, da in Artikel 62 Absatz 3 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 nur eine Mindestdauer
für die Aufbewahrung von fünf Jahren nach der letzten Teilnahme an einem Glücksspiel vorgesehen ist.
19764 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

B.54. Artikel 31 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 verstößt gegen Artikel 22 der Verfassung, insofern er keine
Höchstdauer für die Aufbewahrung der personenbezogenen Daten vorsieht, die in dem in Artikel 62 des Gesetzes vom
7. Mai 1999 erwähnten Register eingetragen sind, und insofern er keine Höchstdauer für die Aufbewahrung der Kopie
des Dokuments vorsieht, das zur Identifizierung des Spielers gedient hat.
B.55.1. Der Gerichtshof prüft jetzt die Verhältnismäßigkeit der Einmischung in das Recht auf Achtung des
Privatlebens nur insofern, als diese Prüfung zu einer weiter reichenden Feststellung eines Verstoßes als der in B.54
erwähnten Feststellung führen kann.
B.55.2. Es ist nicht unverhältnismäßig, die Pflichten im Bereich der Überprüfung der Identität und der
Aufbewahrung von personenbezogenen Daten, die in Artikel 62 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 vorgesehen sind, auf die
ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV auszudehnen, da der Gesetzgeber angesichts der in B.28.1
beschriebenen Zunahme der mit diesen Einrichtungen verbundenen Risiken den Zugang zu diesen Einrichtungen
ebenfalls Personen verbieten wollte, denen die Kommission für Glücksspiele auf der Grundlage von Artikel 54 § § 3
und 4 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 den Zugang verweigert. Ohne eine Identifizierung der Spieler und folglich ohne
eine Möglichkeit zu überprüfen, ob der Betreffende in das in Artikel 55 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 und in B.47.3
erwähnte System EPIS aufgenommen wurde, wären das Verbot und die in Artikel 54 des Gesetzes vom 7. Mai 1999
vorgesehenen Zugangsverweigerungen in der Praxis weitgehend wirkungslos. Wie in B.53.4 erwähnt, ermöglicht es die
Registrierung der betreffenden personenbezogenen Daten der Kommission für Glücksspiele, die Einhaltung des
Gesetzes vom 7. Mai 1999 und seiner Ausführungserlasse, insbesondere Artikel 54 dieses Gesetzes, zu kontrollieren.
Außerdem ist es nicht unverhältnismäßig, dass die Identifizierung und die Registrierung beim Zugang zu der
ortsfesten Glücksspieleinrichtung der Klasse IV vorgenommen wird, da eine solche Einrichtung grundsätzlich als
ausschließliche Zweckbestimmung die Entgegennahme von Wetten hat und der Gesetzgeber deshalb
vernünftigerweise die Auffassung vertreten konnte, dass die Personen, die sie betreten, dies grundsätzlich tun, um zu
wetten.
Schließlich sind die personenbezogenen Daten, die in das in Artikel 62 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 erwähnte
Register eingetragen werden müssen, im Hinblick auf die verfolgten Ziele sachdienlich und notwendig. Diese
personenbezogenen Daten ermöglichen es nämlich zu überprüfen, ob die betreffende Person in das in B.47.3 erwähnte
System EPIS aufgenommen wurde und ihr folglich der Zugang zu der Glücksspieleinrichtung verweigert werden
muss.
B.56. Artikel 31 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 ist für nichtig zu erklären, aber nur insofern er keine Höchstdauer
für die Aufbewahrung der personenbezogenen Daten vorsieht, die in dem in Artikel 62 des Gesetzes vom 7. Mai 1999
erwähnten Register eingetragen sind, und insofern er keine Höchstdauer für die Aufbewahrung der Kopie des
Dokuments vorsieht, das zur Identifizierung des Spielers gedient hat.
Der zwölfte Klagegrund in der Rechtssache Nr. 7277 ist im Übrigen unbegründet.
Der Grundsatz der Gleichheit und Nichtdiskriminierung, die Unternehmensfreiheit, die Niederlassungsfreiheit und die
Dienstleistungsfreiheit
B.57.1. Die klagenden Parteien in der Rechtssache Nr. 7277 leiten einen elften Klagegrund ab aus einem Verstoß
durch Artikel 31 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung in Verbindung mit dem in
den Artikeln II.3 und II.4 des Wirtschaftsgesetzbuches verankerten Grundsatz der Handels- und Gewerbefreiheit und
mit dem in Artikel 23 der Verfassung verankerten Recht auf freie Wahl der Berufstätigkeit.
In einem ersten Teil beanstanden sie, dass in der angefochtenen Bestimmung einerseits die Glücksspiel-
einrichtungen der Klassen I und II und andererseits die ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV gleich
behandelt würden, insofern sie alle der in Artikel 62 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 vorgesehenen Registrierungspflicht
unterlägen, obgleich sie nicht dieselben Risiken aufwiesen.
In einem zweiten Teil machen sie geltend, dass die angefochtene Bestimmung zu einem ungerechtfertigten
Behandlungsunterschied führe, insofern die Registrierungspflicht nach Artikel 62 des Gesetzes vom 7. Mai 1999
bezüglich der Glücksspieleinrichtungen der Klassen I und II nur für das Betreten des Spielsaals gelte, während sie
bezüglich der ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV für das Betreten der Einrichtung selbst gelte.
In einem dritten Teil machen sie geltend, dass die angefochtene Bestimmung zu einem ungerechtfertigten
Behandlungsunterschied führe, insofern sie die in Artikel 62 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 vorgesehene
Registrierungspflicht den ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV und nicht der Nationallotterie, den
Zeitungshändlern, den Rennbahnen und den Glücksspieleinrichtungen der Klasse III auferlege.
B.57.2. Die klagende Partei in der Rechtssache Nr. 7279 leitet einen ersten Klagegrund ab aus einem Verstoß durch
das Gesetz vom 7. Mai 2019 gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung, insbesondere insofern es zu einem
ungerechtfertigten Behandlungsunterschied führe, indem die in Artikel 62 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 vorgesehene
Registrierungspflicht den ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV und nicht den Zeitungshändlern auferlegt
werde.
B.57.3. Die klagende Partei in der Rechtssache Nr. 7280 leitet einen zweiten Klagegrund ab aus einem Verstoß
durch Artikel 31 Nr. 1 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung, den
verfassungsmäßigen Grundsatz der Gleichheit und Nichtdiskriminierung und den verfassungsmäßigen Grundsatz der
Verhältnismäßigkeit, an sich oder in Verbindung mit den Artikeln 8 und 14 der Europäischen Menschenrechts-
konvention und mit Artikel 26 des Internationalen Paktes über bürgerliche und politische Rechte.
Im Wesentlichen macht sie geltend, dass die angefochtene Bestimmung zur Folge habe, dass die Spieler ermuntert
würden, sich anderen Angeboten zuzuwenden, wo die von ihr vorgesehenen Kontrollen nicht gelten, wie den
Zeitungshändlern oder den Glücksspieleinrichtungen der Klasse III oder sogar illegalen Angeboten.
B.57.4. Die klagende Partei in der Rechtssache Nr. 7289 leitet einen fünften Teil des zweiten Klagegrunds ab aus
einem Verstoß durch Artikel 31 Nrn. 1 und 2 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 gegen die Artikel 49 und 56 des AEUV in
Verbindung mit den Artikeln 10 und 11 der Verfassung.
Im Wesentlichen macht sie geltend, dass die angefochtene Bestimmung eine ungerechtfertigte Beschränkung der
Niederlassungsfreiheit und der Dienstleistungsfreiheit nach sich ziehe.
B.58. Aus der Begründung des Klagegrunds geht hervor, dass die Beschwerdegründe der klagenden Partei in der
Rechtssache Nr. 7279 gegen Artikel 31 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 gerichtet sind. Was die Rechtssache Nr. 7279
betrifft, beschränkt der Gerichtshof daher seine Prüfung auf diese Bestimmung.
B.59. Der Gerichtshof prüft die Klagegründe zusammen, aber nur insofern als sie zu einer weiter reichenden
Feststellung eines Verstoßes als der in B.54 erwähnten Feststellung führen können.
B.60.1. Der Gerichtshof prüft zunächst einerseits die Gleichbehandlung der Glücksspieleinrichtungen der Klassen I
und II und der ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV in Bezug auf die in Artikel 62 des Gesetzes vom
7. Mai 1999 vorgesehene Registrierungspflicht und andererseits den Behandlungsunterschied zwischen diesen
Einrichtungen in Bezug auf die Modalitäten dieser Pflicht.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19765

B.60.2. Aus dem in B.55.2 Erwähnten geht hervor, dass es nicht einer vernünftigen Rechtfertigung entbehrt, die in
Artikel 62 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 vorgesehene Registrierungspflicht, die bereits auf die Glücksspiel-
einrichtungen der Klassen I und II anwendbar war, auf die ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV
auszudehnen.
B.60.3. Es entbehrt nicht einer vernünftigen Rechtfertigung, dass die in Artikel 62 des Gesetzes vom 7. Mai 1999
vorgesehene Registrierungspflicht für Glücksspieleinrichtungen der Klassen I und II beim Betreten der Spielsäle
angewandt wird und dass sie für ortsfeste Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV beim Betreten der Einrichtung selbst
angewandt wird.
Die Artikel 32 Nr. 4 und 37 Nr. 4 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 verpflichten die Glücksspieleinrichtungen der
Klassen I und II nämlich, den Spielsaal vollständig und streng abzutrennen von den Räumlichkeiten, die innerhalb der
Einrichtung einen anderen Verwendungszweck haben, und von den Räumlichkeiten außerhalb der Einrichtung, die der
Öffentlichkeit zugänglich sind, sodass kein Einblick von außerhalb des Spielsaals auf die Glücksspiele möglich ist.
Da eine ortsfeste Glücksspieleinrichtung der Klasse IV grundsätzlich als ausschließliche Zweckbestimmung die
Entgegennahme von Wetten hat, konnte der Gesetzgeber - wie in B.55.2 erwähnt - vernünftigerweise die Auffassung
vertreten, dass die Personen, die sie betreten, dies grundsätzlich tun, um zu wetten, und er konnte deshalb
vernünftigerweise vorsehen, dass die in Artikel 62 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 vorgesehene Registrierungspflicht
beim Betreten der Einrichtung umgesetzt wird. Im Gegensatz zu den Ausführungen der klagenden Parteien in der
Rechtssache Nr. 7277 beinhaltet dies nicht, dass diese Kontrolle auf dem Bürgersteig erfolgen muss, da aus den
Vorarbeiten hervorgeht, dass sie am Eingang oder an einem Ladentisch, zu dem die Person dann geleitet werden muss,
sobald sie die Einrichtung betritt, erfolgen kann:
«À noter que cette vérification peut se faire à l’entrée de l’établissement de jeu de hasard mais également au
comptoir. Un contrôle doit être effectué avant qu’un joueur ne puisse jouer à une machine ou parier par exemple»
(Parl. Dok., Kammer, 2018-2019, DOC 54-3327/001, S. 17).
B.61.1. Der Gerichtshof prüft jetzt den Behandlungsunterschied zwischen einerseits den ortsfesten Glücksspiel-
einrichtungen der Klasse IV und andererseits den Zeitungshändlern, den Rennbahnen, den Glücksspieleinrichtungen
der Klasse III und der Nationallotterie.
B.61.2. Was die Zeitungshändler betrifft, auf die die in Artikel 62 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 vorgesehene
Registrierungspflicht keine Anwendung findet, hat der Minister der Justiz bei den Vorarbeiten zu der angefochtenen
Bestimmung dargelegt:
«Le projet de loi vise également à instaurer le système d’enregistrement EPIS dans les agences de paris. Il est
évident que cela ne s’arrêtera pas là; sous la prochaine législature, il faudra également prendre des mesures quant à
l’application généralisée de l’EPIS, pour les marchands de journaux, par exemple. Notons toutefois qu’il existe une
restriction dans la mesure où ceux-ci peuvent proposer des paris à titre d’activité complémentaire» (Parl. Dok., Kammer,
2018-2019, DOC 54-3327/005, S. 27).
Und:
«Le ministre revient enfin sur le risque de discrimination lié aux contrôles EPIS qui sera étendu aux agences de
paris mais pas aux marchands de journaux indépendants.
Ce contrôle est en effet réservé aux agences de paris. C’est en effet leur activité principale, contrairement aux
marchands de journaux. Cela justifie donc qu’un contrôle s’impose davantage pour les agences de paris que pour les
marchands de journaux. Cependant, le ministre est convaincu qu’à terme, le contrôle EPIS devra être élargi aux
marchands de journaux et aux cafés» (ebenda, SS. 29-30).
Aus den in B.35 bis B.38 genannten Gründen ist der geprüfte Behandlungsunterschied zwischen den ortsfesten
Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV und den Zeitungshändlern vernünftig gerechtfertigt.
B.61.3. Was die Rennbahnen betrifft, ist die Nichtanwendung der in Artikel 62 des Gesetzes vom 7. Mai 1999
vorgesehenen Registrierungspflicht durch die vorübergehende Beschaffenheit der dort ausgeübten Tätigkeit der
Entgegennahme von Wetten vernünftig gerechtfertigt. Zudem kommt dort eine Registrierungspflicht für Wetten zur
Anwendung, bei denen Beträge gesetzt werden, die den Betrag oder die Gegenleistung von 1 000 EUR übersteigen, die
vom König auf der Grundlage von Artikel 43/4 § 3 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 festgelegt werden (königlicher Erlass
vom 22. Dezember 2010 «zur Festlegung der Höhe oder der Gegenleistung für den Wetteinsatz, für den eine
Registrierungspflicht besteht, sowie des Inhalts und die Modalitäten dieser Registrierung» und Artikel 7 des
königlichen Erlasses vom 22. Dezember 2010 «zur Festlegung der Bedingungen für die Entgegennahme von Wetten
außerhalb von Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV»).
B.61.4. Was die Glücksspieleinrichtungen der Klasse III (Schankstätten) betrifft, ist die Nichtanwendung der in
Artikel 62 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 vorgesehenen Registrierungspflicht unter Berücksichtigung nicht nur des
praktischen Umsetzungsproblems, sondern vor allem des Umstands vernünftig gerechtfertigt, dass der Grund für den
Besuch von Schankstätten nicht in erster Linie die Glücksspiele sind.
B.61.5. Was den Vergleich betrifft, den die klagenden Parteien in der Rechtssache Nr. 7277 zwischen Wetten, die in
den ortsfesten Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV entgegengenommen werden, und Wetten, die von der
Nationallotterie veranstaltet werden, vornehmen, ist festzustellen, dass die von der Nationallotterie veranstalteten
Wetten grundsätzlich dem Gesetz vom 7. Mai 1999 unterliegen (s. Entscheid des Gerichtshofes Nr. 33/2004 vom
10. März 2004, B.8.2). Daraus folgt, dass die Wetten, die die Nationallotterie in der realen Welt veranstaltet, nur bei
einem Inhaber einer F2-Lizenz entgegengenommen werden können. Wenn diese Wetten in einer ortsfesten
Glücksspieleinrichtung der Klasse IV entgegengenommen werden, kommt die in Artikel 62 des Gesetzes vom
7. Mai 1999 vorgesehene Registrierungspflicht zur Anwendung, sodass der angeführte Behandlungsunterschied in
dieser Hinsicht nicht existiert.
B.62. Es geht ebenfalls aus dem Vorstehenden hervor, dass in dem Fall, dass die angefochtene Bestimmung eine
Beschränkung der Unternehmensfreiheit, der Niederlassungsfreiheit und der Dienstleistungsfreiheit in Verbindung mit
den Artikeln 10 und 11 der Verfassung zur Folge haben sollte, diese aus zwingenden Gründen des Allgemeininteresses,
nämlich dem Schutz der Spieler, gerechtfertigt ist, dass sie im Hinblick auf dieses Ziel sachdienlich ist und dass sie
keine unverhältnismäßigen Folgen hat.
B.63. Der elfte Klagegrund in der Rechtssache Nr. 7277, der zweite Klagegrund in der Rechtssache Nr. 7280 und
der fünfte Teil des zweiten Klagegrunds in der Rechtssache Nr. 7289 sind unbegründet. Der erste Klagegrund in der
Rechtssache Nr. 7279 ist unbegründet, insofern er gegen Artikel 31 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 gerichtet ist.
In Bezug auf die Befugnis der Kommission für Glücksspiele, bestimmte Wetten zu verbieten (sechster Klagegrund in der
Rechtssache Nr. 7277, erster Teil des zweiten Klagegrunds in den Rechtssachen Nrn. 7289 und 7291; dritter Klagegrund in der
Rechtssache Nr. 7296)
Die angefochtene Bestimmung
19766 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

B.64.1. Artikel 43/1 Absatz 3 des Gesetzes vom 7. Mai 1999, eingefügt durch Artikel 20 Nr. 2 des Gesetzes vom
7. Mai 2019 ermächtigt die Kommission für Glücksspiele, Wetten zu verbieten, wenn der ordnungsgemäße Ablauf des
Ereignisses nicht gewährleistet werden kann oder wenn sie der Auffassung ist, dass spezifische Wettmöglichkeiten
betrugsanfällig sind. Er bestimmt:
«La commission peut interdire des paris si le bon déroulement de l’événement ne peut pas être garanti ou si elle
estime que des possibilités spécifiques de paris sont exposées à la fraude. Les titulaires de licence concernés en sont
immédiatement informés».
B.64.2. In den Vorarbeiten heißt es:
«Le nouvel alinéa 3 permet à la Commission des jeux de hasard de mettre un terme à certains événements
soupçonnés d’être ’ exposés à la fraude ’. Dans ce cas, le titulaire de licence concerné doit en être informé. Il s’agit de
tous les paris possibles, quelle que soit la manière employée pour les proposer.
À titre d’exemple, si un audit montre que d’importantes irrégularités ont eu lieu dans une certaine catégorie
d’événements qui peuvent compromettre le bon déroulement de l’événement, et que l’on s’attend à ce que ces
irrégularités se produisent également dans l’avenir, la commission peut estimer que ce type d’événements est exposé
à la fraude. Il ne s’agit donc pas d’un seul événement spécifique mais plutôt de certaines catégories d’événement,
comme des matchs de tennis dans de petits tournois hors de la vue des caméras. Une telle exposition à la fraude ainsi
estimée sera en général également publiée via une note informative sur le site internet de la Commission des jeux de
hasard» (Parl. Dok., Kammer, 2018-2019, DOC 54-3327/004, SS. 18-19).
Der erste Teil des dritten Klagegrunds in der Rechtssache Nr. 7296
B.65. Die klagenden Parteien in der Rechtssache Nr. 7296 leiten einen ersten Teil des dritten Klagegrunds ab aus
einem Verstoß durch Artikel 43/1 Absatz 3 des Gesetzes vom 7. Mai 1999, eingefügt durch Artikel 20 Nr. 2 des Gesetzes
vom 7. Mai 2019, gegen Artikel 23 der Verfassung.
Sie machen geltend, dass Live-Wetten vorher verboten gewesen seien und dass die angefochtene Bestimmung die
Folge habe, sie zu erlauben, was einen erheblichen Rückschritt des Schutzmaßes für die Spieler und daher beim Recht
auf Gesundheitsschutz, der nicht durch einen Grund des Allgemeininteresses gerechtfertigt sei, nach sich ziehe.
B.66. Vor seiner Abänderung durch das Gesetz vom 7. Mai 2019 bestimmte Artikel 43/1 des Gesetzes vom
7. Mai 1999, eingefügt durch Artikel 22 des Gesetzes vom 10. Januar 2010:
«Es ist verboten, Wetten in Bezug auf Ereignisse oder Handlungen zu organisieren, die gegen die öffentliche
Ordnung oder die guten Sitten verstoßen.
Es ist verboten, Wetten auf Ereignisse oder Sachverhalte zu organisieren, deren Ausgang bereits bekannt ist oder
bei denen der ungewisse Umstand bereits erfolgt ist».
In den Vorarbeiten vom 10. Januar 2010 heißt es:
«L’article 43/1 définit les paris qui sont autorisés. En vue de la politique de canalisation visant à rendre la
réglementation belge conforme à la jurisprudence en vigueur de la Cour Européenne de Justice, il est préconisé de
n’autoriser que les paris déjà présents actuellement sur le marché belge et d’interdire toutes les autres formes de paris.
Des paris peuvent être organisés sur des événements sportifs, sur des courses hippiques et des événements autres
que sportifs qui ne sont pas contraires à l’ordre public ou aux bonnes mœurs. Les combats de coqs ne sont pas
conciliables avec l’ordre public ou les bonnes mœurs.
Actuellement, seuls les paris mutuels et les paris à cote fixe sont présents sur le marché belge (à l’exception des
paris sur les courses hippiques)» (Parl. Dok., Kammer, 2008-2009, DOC 52-1992/001, SS. 33).
Artikel 43/1 Absatz 3 des Gesetzes vom 7. Mai 1999, eingefügt durch Artikel 20 Nr. 2 des Gesetzes vom 7. Mai 2019,
bestimmt:
«La commission peut interdire des paris si le bon déroulement de l’événement ne peut pas être garanti ou si elle
estime que des possibilités spécifiques de paris sont exposées à la fraude. Les titulaires de licence concernés en sont
immédiatement informés».
B.67. Ohne dass es notwendig ist zu prüfen, ob vor dem Inkrafttreten der angefochtenen Bestimmung Live-Wetten
erlaubt waren oder nicht, genügt die Feststellung, dass nicht erwiesen ist, dass die angefochtene Bestimmung einen
erheblichen Rückschritt des bestehenden Schutzmaßes beim Recht auf Gesundheitsschutz der Spieler bedeuten würde.
Die angefochtene Bestimmung regelt nämlich nicht den Begriff der Live-Wetten, sondern ermächtigt die Kommission
für Glücksspiele allgemein, sie zu verbieten, wenn der ordnungsgemäße Ablauf des Ereignisses nicht gewährleistet
werden kann oder wenn sie der Auffassung ist, dass spezifische Wettmöglichkeiten betrugsanfällig sind.
B.68. Der erste Teil des dritten Klagegrunds in der Rechtssache Nr. 7296 ist unbegründet.
Der zweite Teil des sechste Klagegrunds in der Rechtssache Nr. 7277 und der zweite und dritte Teil des dritten Klagegrunds
in der Rechtssache Nr. 7296
B.69.1. Die klagenden Parteien in der Rechtssache Nr. 7277 leiten einen zweiten Teil des sechsten Klagegrunds aus
einem Verstoß durch Artikel 20 Nr. 2 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 gegen Artikel 12 Nr. 2 der Verfassung ab.
Im Wesentlichen machen sie geltend, dass die angefochtene Bestimmung gegen das Legalitätsprinzip in
Strafsachen verstoße, insofern sie die Kommission für Glücksspiele ermächtige, Verbote zu erlassen, die strafrechtlich
geahndet würden, dass sich diese Ermächtigung nicht auf einzelne Punkte beziehe und dass sie es nicht ermögliche
vorherzusehen, was als eine Straftat angesehen werde.
B.69.2. Die klagenden Parteien in der Rechtssache Nr. 7296 leiten einen zweiten und dritten Teil des dritten
Klagegrunds ab aus einem Verstoß durch Artikel 43/1 Absatz 3 des Gesetzes vom 7. Mai 1999, eingefügt durch
Artikel 20 Nr. 2 des Gesetzes vom 7. Mai 2019, gegen Artikel 12 der Verfassung, an sich oder in Verbindung mit Artikel 7
der Europäischen Menschenrechtskonvention, und die Artikel 33, 37, 105 und 108 der Verfassung.
Im Wesentlichen bemängeln die klagenden Parteien in der Rechtssache Nr. 7296, dass die angefochtene
Bestimmung in ungenauer Weise der Kommission für Glücksspiele die Befugnis übertrage, Verbote zu erlassen, die
strafrechtlich geahndet würden, und ihr eine Verordnungsbefugnis übertrage.
B.70. Der Gerichtshof prüft die Klagegründe zusammen.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19767

B.71. Aus den in B.64.2 zitierten Vorarbeiten geht hervor, dass das Verbot, dass die Kommission für Glücksspiele
auf der Grundlage von Artikel 43/1 Absatz 3 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 erlassen kann, Kategorien von Ereignissen
betrifft. Ein solches Verbot hat die Tragweite einer Verordnung.
Artikel 64 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 stellt einen Verstoß gegen Artikel 43/1 desselben Gesetzes und somit
einen Verstoß gegen ein von der Kommission für Glücksspiele auf der Grundlage dieser Bestimmung erlassenes Verbot
unter Strafe. Artikel 43/1 Absatz 3 des Gesetzes vom 7. Mai 1999, eingefügt durch Artikel 20 Nr. 2 des Gesetzes vom
7. Mai 2019, gehört daher zum Anwendungsbereich von Artikel 12 Absatz 2 der Verfassung in Verbindung mit Artikel 7
der Europäischen Menschenrechtskonvention.
B.72. Die Artikel 33, 105 und 108 der Verfassung stehen dem nicht entgegen, dass der Gesetzgeber in einem
bestimmen technischen Bereich spezifische ausführende Befugnisse einer autonomen Verwaltungsbehörde anvertraut,
die sowohl der gerichtlichen Kontrolle als auch der parlamentarischen Kontrolle untersteht, und sie verbieten es dem
Gesetzgeber nicht, einem ausführenden Organ Ermächtigungen zu erteilen, sofern sie die Ausführung von
Maßnahmen betreffen, deren Gegenstand der zuständige Gesetzgeber bestimmt hat, insbesondere in technischen und
komplexen Angelegenheiten.
B.73.1. Indem er der gesetzgebenden Gewalt die Befugnis verleiht, die Fälle zu bestimmen, in denen eine
Strafverfolgung möglich ist, gewährleistet Artikel 12 Absatz 2 der Verfassung jedem Rechtsunterworfenen, dass kein
Verhalten strafbar ist, außer aufgrund von Regeln, die durch eine demokratisch gewählte beratende Versammlung
angenommen wurden.
Außerdem beruht das Legalitätsprinzip in Strafsachen, das sich aus den vorerwähnten Verfassungs- und
Vertragsbestimmungen ergibt, auf der Überlegung, dass das Strafgesetz so formuliert sein muss, dass jeder zu dem
Augenblick, wo er ein Verhalten annimmt, wissen kann, ob dieses Verhalten strafbar ist oder nicht. Es erfordert es, dass
der Gesetzgeber in einer ausreichend präzisen, klaren und Rechtssicherheit bietenden Formulierung angibt, welche
Handlungen unter Strafe gestellt werden, sodass einerseits derjenige, der ein Verhalten annimmt, vorher auf
hinlängliche Weise beurteilen kann, welche strafrechtlichen Folgen dieses Verhalten haben wird, und andererseits dem
Richter keine allzu große Ermessensbefugnis überlassen wird.
Das Legalitätsprinzip in Strafsachen verhindert jedoch nicht, dass das Gesetz dem Richter eine Ermessensbefugnis
gewährt. Man muss nämlich der allgemeinen Beschaffenheit der Gesetze, der Verschiedenartigkeit der Situationen, auf
die sie Anwendung finden, und der Entwicklung der durch sie geahndeten Verhaltensweisen Rechnung tragen.
Die Bedingung, dass eine Straftat durch das Gesetz klar definiert sein muss, ist erfüllt, wenn der
Rechtsunterworfene anhand der Formulierung der relevanten Bestimmung und gegebenenfalls mit Hilfe ihrer
Auslegung durch die Rechtsprechungsorgane wissen kann, durch welche Handlungen und Unterlassungen er
strafrechtlich haftbar wird.
Erst durch die Prüfung einer spezifischen Strafbestimmung ist es möglich, unter Berücksichtigung der jeweiligen
Elemente der dadurch zu ahndenden Straftaten festzustellen, ob die vom Gesetzgeber verwendete allgemeine
Formulierung derart ungenau ist, dass sie das Legalitätsprinzip in Strafsachen missachten würde.
B.73.2. Das Legalitätsprinzip in Strafsachen geht nicht soweit, dass es den Gesetzgeber verpflichtet, jeden Aspekt
der Unterstrafestellung selbst zu regeln. Eine Ermächtigung eines anderen Organs steht nicht im Widerspruch zu
diesem Prinzip, sofern die Ermächtigung ausreichend präzise umschrieben ist und sich auf die Ausführung von
Maßnahmen bezieht, deren wesentliche Elemente vorher durch den Gesetzgeber festgelegt worden sind.
B.74. Die angefochtene Bestimmung wurde im Ausschuss folgendermaßen diskutiert:
«L’orateur demande ce qu’on entend par exemple comme étant des paris exposés à la fraude.
[Un deuxième membre] fait référence à la justification qui mentionne notamment la catégorie des matches de
tennis dans de petits tournois hors de la vue des caméras. Cela les rend plus exposés à la fraude.
[Un troisième membre] demande comment on va gérer ceci de manière concrète. Le pari (et notamment le live
betting) est autorisé, y compris lors des matches de première division de football. La Commission des jeux de hasard
va-t-elle aussi oser interdire ces paris si on se rend compte que ces matches de football sont exposés à la fraude ?
L’orateur se demande si cet article ne va pas être sujet à des problèmes d’interprétation.
[Le deuxième membre] indique que ce sera à la Commission des jeux de hasard à se pencher sur cette question.
En cas de fraude, elle devra donc s’y attaquer. Cet article le permet désormais.
[Un quatrième membre] confirme cela. La plateforme fédérale ’ Match fixing ’ a demandé à toutes les fédérations
de désigner une personne de référence sur cet aspect. Le but est que les fédérations et le parquet s’attaquent ensemble
à la problématique. L’oratrice constate aussi qu’en pratique, la plupart des fédérations ont déjà agi avec des résultats.
On peut donc agir désormais en cas de suspicions de fraude.
[Le troisième membre] demande ce que signifie cette interdiction de la Commission: sera-ce une décision définitive
ou temporaire ? Y aura-t-il des conditions attachées à cette interdiction ? La base légale n’est pas très détaillée sur ce
point.
[Le deuxième membre] ajoute qu’il s’agit de mettre en terme à certains évènements soupçonnés d’être exposés à
la fraude ou à certaines catégories d’évènements. Il y a donc une marge de manœuvre. La justification est claire la
dessus» (Parl. Dok., Kammer, 2018-2019, DOC 54-3327/005, SS. 57-58).
B.75. Indem er vorgesehen hat, dass sich das Verbot, das die Kommission für Glücksspiele erlassen kann und
dessen Nichteinhaltung strafrechtlich geahndet wird, nur auf spezifische Wettmöglichkeiten, die betrugsanfällig sind,
oder auf Wetten zu einem Ereignis, dessen ordnungsgemäßer Ablauf nicht gewährleistet werden kann, beziehen darf,
hat der Gesetzgeber das strafbare Verhalten ausreichend präzisiert.
Der Gesetzgeber hat ebenfalls das Ziel der angefochtenen Ermächtigung sowie die Grenzen, innerhalb deren diese
gewährt wurde, präzisiert. Im Lichte der in B.64.2 und in B.74 zitierten Vorarbeiten sind die in der angefochtenen
Bestimmung verwendeten Begriffe ausreichend präzise, um die der Kommission für Glücksspiele erteilte
Ermächtigung einzugrenzen.
B.76. In Ausführung der ihr erteilten Ermächtigung muss die Kommission für Glücksspiele die spezifischen
Wettmöglichkeiten, die betrugsanfällig sind, oder die Wetten zu einem Ereignis, dessen ordnungsgemäßer Ablauf nicht
gewährleistet werden kann, die sie beabsichtigt zu verbieten, konkret bestimmen, sodass es die Wetten, auf die sich
diese Entscheidungen der Kommission für Glücksspiele beziehen, sind, die verboten werden. Artikel 43/1 Absatz 3 des
Gesetzes vom 7. Mai 1999 sieht außerdem vor, dass die betroffenen Lizenzinhaber unverzüglich über diese
Entscheidungen der Kommission für Glücksspiele informiert werden.
19768 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

Das Erfordernis, dass eine strafbare Handlung deutlich definiert werden muss, wird nur erfüllt, wenn der
Rechtsuchende anhand des Wortlauts der relevanten Bestimmung und notwendigenfalls mit Hilfe ihrer Auslegung
durch die Gerichte wissen kann, welche Handlungen und welche Versäumnisse seine strafrechtliche Haftung zur Folge
haben.
Nur die Prüfung eines spezifischen Verbots ermöglicht es festzustellen, ob der durch Kommission für Glücksspiele
verwendete Wortlaut so vage ist, dass er gegen das Legalitätsprinzip in Strafsachen verstößt. Diese Prüfung gehört zum
Zuständigkeitsbereich der administrativen und ordentlichen Rechtsprechungsorgane.
B.77. Schließlich durfte der Gesetzgeber in Anbetracht der technischen sowie evolutiven Beschaffenheit, die die
Angelegenheit aufweisen kann, diese Zuständigkeit der Kommission für Glücksspiele anvertrauen.
B.78. Der zweite Teil des sechsten Klagegrunds in der Rechtssache Nr. 7277 und der zweite und dritte Teil des
dritten Klagegrunds in der Rechtssache Nr. 7296 sind unbegründet.
Der erste Teil des sechste Klagegrunds in der Rechtssache Nr. 7277 und der erste Teil des zweiten Klagegrunds in den
Rechtssachen Nrn. 7289 und 7291
B.79.1. Die klagenden Parteien in der Rechtssache Nr. 7277 leiten einen ersten Teil des sechsten Klagegrunds ab aus
einem Verstoß durch Artikel 20 Nr. 2 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 gegen die Artikel 10, 11 und 23 der Verfassung in
Verbindung mit Artikel 49 des AEUV.
Im Wesentlichen machen sie geltend, dass die angefochtene Bestimmung gegen das Recht auf Arbeit und auf freie
Wahl einer Berufstätigkeit, gegen die Handels- und Gewerbefreiheit und die Niederlassungsfreiheit verstoße, insofern
sie der Kommission für Glücksspiele einen zu großen Ermessensspielraum lasse.
B.79.2. Die klagenden Parteien in den Rechtssachen Nrn. 7289 und 7291 leiten einen ersten Teil des zweiten
Klagegrunds ab aus einem Verstoß durch Artikel 20 Nr. 2 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 gegen die Artikel 49 und 56
des AEUV in Verbindung mit die Artikel 10 und 11 der Verfassung.
Im Wesentlichen beanstanden sie, dass in der angefochtenen Bestimmung die Umstände nicht präzisiert seien,
unter denen die Kommission für Glücksspiele bestimmte Wetten verbieten kann.
B.80. Der Gerichtshof prüft die Klagegründe zusammen.
B.81. Der Gerichtshof muss im vorliegenden Fall die angefochtene Bestimmung anhand der Artikel 10 und 11 der
Verfassung in Verbindung mit der Unternehmensfreiheit, der Niederlassungsfreiheit und der Dienstleistungsfreiheit
prüfen.
B.82. Aus den in B.75 und B.76 erwähnten Gründen ist festzustellen, dass der der Kommission für Glücksspiele
erteilten Ermächtigung, Wetten zu verbieten, wenn sie der Auffassung ist, dass spezifische Wettmöglichkeiten
betrugsanfällig sind oder wenn der ordnungsgemäße Ablauf des Ereignisses nicht gewährleistet werden kann,
ausreichende Grenzen gesetzt wurden, um die Gefahr des Missbrauchs zu vermeiden.
Außerdem kann gegen die Beschlüsse, die die Kommission für Glücksspiele auf der Grundlage der angefochtenen
Bestimmung fassen kann, eine Nichtigkeitsklage, gegebenenfalls verbunden mit einer Klage auf einstweilige
Aussetzung im ordentlichen Verfahren oder im Verfahren der äußersten Dringlichkeit, beim Staatsrat erhoben werden
und sie können von jedem Gericht auf der Grundlage von Artikel 159 der Verfassung überprüft werden.
B.83. Schließlich steht die angefochtene Bestimmung im Verhältnis zu den angestrebten legitimen Zielen des
Schutzes der Spieler und der Betrugsbekämpfung.
B.84. Der erste Teil des sechsten Klagegrunds in der Rechtssache Nr. 7277 und der erste Teil des zweiten
Klagegrunds in den Rechtssachen Nrn. 7289 und 7291 sind unbegründet.
In Bezug auf die Lizenzinhaber, an die der Wetter sich wenden kann (vierter Klagegrund in der Rechtssache Nr. 7296)
B.85. Artikel 43/1 Absatz 4 des Gesetzes vom 7. Mai 1999, eingefügt durch Artikel 20 Nr. 2 des Gesetzes vom
7. Mai 2019, bestimmt:
«En ce qui concerne le pari pris dans le monde réel, le joueur choisit le titulaire de la licence concerné auquel il
s’adresse s’il a des questions ou des remarques sur son exploitation».
B.86. Die klagenden Parteien in der Rechtssache Nr. 7296 leiten einen vierten Klagegrund aus einem Verstoß durch
diese Bestimmung gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung ab.
Im Wesentlichen machen sie geltend, dass die Entgegennahme von Wetten nicht über Instrumente der
Informationsgesellschaft erfolgen dürfe, sondern zwingend in der physischen Einrichtung eines Inhabers einer
F2-Lizenz erfolgen müsse. Ihrer Auffassung nach führt die angefochtene Bestimmung zu einem ungerechtfertigten
Behandlungsunterschied zwischen einerseits den Spielern, die in der realen Welt wetten und die ihre Fragen oder
Anmerkungen an den Inhaber der F1-Lizenz oder den Inhaber der F2-Lizenz richten können, und andererseits den
Spielern, die Instrumente der Informationsgesellschaft nutzen, die ihre Fragen nur an den Inhaber der F1+-Lizenz und
nicht an den Inhaber der F2-Lizenz richten könnten.
B.87. Artikel 25 Absatz 1 Nrn. 6 bis 7 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 bestimmt:
«Il existe neuf classes de licences et trois licences supplémentaires :
[...]
6. la licence de classe F1 permet, pour des périodes de neuf ans renouvelables, aux conditions qu’elle détermine,
l’exploitation de l’organisation des paris;
6/1. la licence supplémentaire de classe F1+ permet, aux conditions qu’elle détermine, l’exploitation de
l’organisation des paris par le biais des instruments de la société de l’information;
6/2. la licence de classe F1P permet, aux conditions qu’elle détermine et aux conditions fixées pour les licences de
classe F1, et le cas échéant F1+, l’exploitation de l’organisation de paris sur les courses hippiques;
7. la licence de classe F2 permet, pour des périodes renouvelables de trois ans, aux conditions qu’elle détermine,
l’engagement de paris pour le compte de titulaires de licence de classe F1 dans un établissement de jeux de hasard de
classe IV fixe ou mobile. Cette licence permet également l’engagement de paris en dehors des établissements de jeux
de hasard de classe IV dans les cas visés à l’article 43/4, § 5, 1o et 2o. Pour cette licence, des périodes renouvelables de
trois ans sont également prévues.
[...] ».
Artikel 43/8 des Gesetzes vom 7. Mai 1999 bestimmt:
« § 1. Die Kommission kann Inhabern von A-, B- oder F1-Lizenzen höchstens eine A+-, B+- beziehungsweise
F1+-Zusatzlizenz für das Betreiben von Glücksspielen über Instrumente der Informationsgesellschaft erteilen. Diese
Zusatzlizenz kann nur hinsichtlich des Betriebs von Glücksspielen erteilt werden, die in ihrer Art den in der realen Welt
angebotenen Spielen entsprechen.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19769

§ 2. Der König bestimmt durch einen im Ministerrat beratenen Erlass:


1. die Qualitätsbedingungen, denen der Antragsteller genügen muss und die mindestens Folgendes betreffen:
a) Kreditwürdigkeit des Antragstellers,
b) Sicherheit der Zahlungsverrichtungen zwischen Betreiber und Spieler,
c) Vorgehensweise des Betreibers in Bezug auf die Zugänglichkeit von Glücksspielen für soziale Risikogruppen,
d) Beschwerdenbearbeitung,
e) Modalitäten in Bezug auf Werbung,
f) Erfüllung seiner sämtlichen Steuerpflichten,
2. die Bedingungen, unter denen Spiele angeboten werden können und die mindestens Registrierung und
Identifizierung des Spielers, Alterskontrolle, Spieleangebot, Spielregeln, Zahlungsweise und Weise der Preisverteilung
betreffen,
3. die Modalitäten für Überwachung und Kontrolle der betriebenen Glücksspiele, die mindestens die Bedingung
betreffen, dass sich die Server, auf denen Daten und Struktur der Website verwaltet werden, in einer dauerhaften
Einrichtung auf belgischem Staatsgebiet befinden,
4. welche Spiele betrieben werden dürfen,
5. die Modalitäten für Unterrichtung der Spieler in Bezug auf die Rechtmäßigkeit der über die Instrumente der
Informationsgesellschaft angebotenen Spiele.
§ 3. Die Gültigkeitsdauer der Zusatzlizenzen ist an die Gültigkeitsdauer der entsprechenden A-, B- oder F1-Lizenz
gekoppelt.
§ 4. Die Kommission schreibt eine Liste der erteilten Zusatzlizenzen fort, die jede Person einsehen kann, die einen
entsprechenden Antrag stellt ».
B.88. In den Vorarbeiten zum Gesetz vom 10. Januar 2010 heißt es, dass es das Ziel des Gesetzgebers ist, die
Weiterverbreitung von Online-Wetten mit einer kohärenten und richtig kontrollierten Lizenzpolitik zu bekämpfen:
«Le développement des moyens de communication électronique, comme le téléphone mobile, la télévision
interactive et surtout l’Internet, a permis de faciliter sensiblement l’organisation de jeux de hasard et de paris.
La loi du 7 mai 1999 ne réglemente pas l’autorisation des jeux de hasard par le biais des instruments de la société
de l’information (dont l’internet). De ce fait, ils sont en principe interdits. En pratique, on assiste néanmoins à une
multiplication débridée des jeux de hasard proposés par le biais de l’Internet. Les paris en ligne constituent à cet égard
la tendance la plus récente.
Le seuil de l’offre en ligne est très bas: elle est accessible à tout moment et le joueur ne doit pas se déplacer. En outre,
le jeu se déroule de manière totalement anonyme, de sorte que le joueur peut plus rapidement succomber à la tentation
du jeu.
Le projet de nouvelle loi sur les jeux de hasard vise à canaliser la prolifération des jeux en ligne par le biais d’une
politique cohérente et correctement contrôlée de licences. À cette fin, les jeux de hasard via Internet seront réservés à
ceux qui exploitent les jeux de hasard dans le monde réel également. Seules les entités qui disposent d’une licence dans
le monde réel peuvent offrir ce type d’activité dans le monde virtuel. Ainsi, un exploitant de casino qui dispose d’une
licence supplémentaire ne pourra offrir que des jeux de casino via Internet et non des paris, par exemple. Comme dans
le monde réel, la Commission des jeux de hasard contrôlera également le bon déroulement et l’organisation des jeux
de hasard dans le monde virtuel» (Parl. Dok., Kammer, 2008-2009, DOC 52-1992/006, SS. 6-7).
B.89. In Anbetracht der Zielsetzung des Gesetzgebers müssen die Artikel 25 Absatz 1, 6/1 und 43/8 des Gesetzes
vom 7. Mai 1999 dahin ausgelegt werden, dass die F1+-Lizenz das Organisieren und die Entgegennahme von Wetten
über Instrumente der Informationsgesellschaft erlaubt.
Diese Auslegung wird in den Vorarbeiten zu der angefochtenen Bestimmung bestätigt:
«Le législateur a choisi de distinguer dans le monde réel l’organisation de paris de l’engagement de paris, de sorte
que deux licences différentes sont respectivement disponibles à l’article 25 de la loi sur les jeux de hasard. La licence
de classe F1 doit être octroyée à l’organisateur de paris, la licence de classe F2 à la personne qui propose au client les
paris de l’organisateur. Cette distinction n’existe pas pour les paris en ligne, le titulaire de licence de classe F1+ se
chargeant tant de l’organisation que de l’engagement des paris» (Parl. Dok., Kammer, 2018-2019, DOC 54-3327/004,
S. 19).
B.90. Da er auf der falschen Annahme beruht, dass die F1+-Lizenz die Entgegennahme von Wetten über
Instrumente der Informationsgesellschaft nicht erlaubt, ist der vierte Klagegrund in der Rechtssache Nr. 7296
unbegründet.
In Bezug auf die Altersgrenze von 21 Jahren für das Spielen an Glücksspielautomaten in den ortsfesten Glücksspiel-
einrichtungen der Klasse IV (erster Klagegrund in der Rechtssache Nr. 7280)
B.91. Artikel 54 § 1 Absatz 5 des Gesetzes vom 7. Mai 1999, eingefügt durch Artikel 28 Nr. 1 des Gesetzes vom
7. Mai 2019, bestimmt:
«La pratique des jeux de hasard automatiques visés à l’article 43/4, § 2, alinéa 3, dans les établissements de jeux
de hasard fixes de classe IV est interdite aux personnes de moins de vingt-et-un ans».
B.92. Die klagende Partei in der Rechtssache Nr. 7280 leitet einen ersten Klagegrund ab aus einem Verstoß durch
diese Bestimmung gegen die Artikel 10 und 11 der Verfassung, den verfassungsmäßigen Grundsatz der Gleichheit und
Nichtdiskriminierung und den verfassungsmäßigen Grundsatz der Verhältnismäßigkeit, an sich oder in Verbindung
mit Artikel 14 der Europäischen Menschenrechtskonvention und mit Artikel 26 des Internationalen Paktes über
bürgerliche und politische Rechte. Sie macht geltend, dass die angefochtene Bestimmung zu einem ungerechtfertigten
Behandlungsunterschied zwischen Volljährigen über 21 Jahren und Volljährigen unter 21 Jahren führe und dass sie
einen ungerechtfertigten Behandlungsunterschied zwischen den verschiedenen Spielen, die in den ortsfesten
Glücksspieleinrichtungen der Klasse IV betrieben würden, vornehme.
B.93. Nach der Rechtsprechung des Europäischen Gerichtshofs für Menschenrechte hat Artikel 14 der
Europäischen Menschenrechtskonvention keine autonome Wirkung, da er ausschließlich in Bezug auf die
«Wahrnehmung der Rechte und Freiheiten» gilt, die in der Konvention anerkannt sind (EuGHMR, Große Kammer, 19.
Februar 2013, X und andere gegen Österreich, § 94).
Die klagende Partei in der Rechtssache Nr. 7280 erwähnt keine anderen Bestimmungen der Europäischen
Menschenrechtskonvention in Verbindung mit deren Artikel 14. Folglich prüft der Gerichtshof den Klagegrund nicht,
sofern er auf einem Verstoß gegen Artikel 14 der Konvention in Verbindung mit den Artikeln 10 und 11 der Verfassung
beruht.
B.94. In den Vorarbeiten zu der angefochtenen Bestimmung heißt es:
«L’objectif est d’interdire la pratique des jeux de hasard virtuels dans les agences de paris aux personnes de moins
de 21 ans.
19770 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

En effet, par rapport aux paris offerts dans les agences de paris, les jeux de hasard virtuels peuvent être plus
addictifs pour les jeunes notamment car ils ne sont pas liés à un évènement sportif réel (qui est limité dans le temps).
Le résultat est connu immédiatement après la mise, ce qui implique que la période entre la mise et le gain est très
courte» (Parl. Dok., Kammer, 2018-2019, DOC 54-3327/001, S. 15).
B.95. Da der Gesetzgeber feststellt, dass die in Artikel 43/4 § 2 Absatz 3 dritter Gedankenstrich des Gesetzes vom
7. Mai 1999 erwähnten Glücksspielautomaten ein höheres Risiko für Jugendliche darstellen, trifft er eine sachdienliche
und verhältnismäßige Maßnahme, wenn er Personen unter 21 Jahren das Spielen daran verbietet.
B.96. Der erste Klagegrund in der Rechtssache Nr. 7280 ist unbegründet.
In Bezug auf die internationalen Passagierschiffe (erster Klagegrund in der Rechtssache Nr. 7296)
B.97. Artikel 3ter des Gesetzes vom 7. Mai 1999, eingefügt durch Artikel 4 des Gesetzes vom 7. Mai 2019, bestimmt:
«La présente loi ne s’applique pas aux navires à passagers internationaux à bord desquels des jeux de hasard ou
des paris sont offerts et qui usent de leur droit de passage inoffensif au sens de la Convention des Nations Unies sur
le droit de la Mer, signée à Montego Bay le 10 décembre 1982.
L’exploitation de jeux de hasard ou de paris à bord des navires visés à l’alinéa 1er, est cependant interdite entre le
moment où le navire a une interface navire/port telle que visée à l’article 5, 5o, de la loi du 5 février 2007 relative à la
sûreté maritime et le moment où le navire lève l’ancre.
Durant toute la durée du séjour du navire dans le port, l’exploitation des jeux de hasard ou des paris est interdite ».
B.98. Die klagenden Parteien in der Rechtssache Nr. 7296 leiten einen ersten Klagegrund aus einem Verstoß durch
diese Bestimmung gegen die Artikel 10, 11 und 23 der Verfassung ab.
In einem ersten Teil machen sie geltend, dass die angefochtene Bestimmung zu einem ungerechtfertigten
Behandlungsunterschied führe zwischen einerseits den Betreibern von Glücksspielen, die das Gesetz vom 7. Mai 1999
einhalten müssten, und andererseits den internationalen Passagierschiffen, die nach den in der angefochtenen
Bestimmung erwähnten Bedingungen in Belgien Glücksspiele betreiben könnten, ohne dieses Gesetz einzuhalten.
In einem zweiten Teil machen sie geltend, dass die angefochtene Bestimmung zu einem ungerechtfertigten
Behandlungsunterschied führe zwischen einerseits Spielern, die Glücksspiele in einer Glücksspieleinrichtung oder über
Instrumente der Informationsgesellschaft spielten, die in den Anwendungsbereich des Gesetzes vom 7. Mai 1999 fielen,
und andererseits Spielern, die Glücksspiele an Bord von internationalen Passagierschiffen unter Wahrnehmung ihres
Rechts der friedlichen Durchfahrt in Belgien spielten, insofern nur die erste Kategorie von Spielern den vom Gesetz
vom 7. Mai 1999 gebotenen Schutz genössen.
In einem dritten Teil machen sie geltend, dass die angefochtene Bestimmung einen erheblichen Rückschritt des
Schutzmaßes der Gesundheit der Spieler zur Folge habe und dass dieser Rückschritt nicht durch einen Grund des
Allgemeininteresses gerechtfertigt sei.
B.99. Der Gerichtshof prüft zunächst den ersten Teil des Klagegrunds.
B.100. In den Vorarbeiten heißt es:
«L’accord de gouvernement du 10 octobre 2014 prévoit que ’ Le gouvernement autorisera les navires de croisière
internationaux qui sont équipés d’un casino et/ou de jeux de hasard, à exploiter ceux-ci dans nos eaux territoriales
jusqu’à ce qu’ils mouillent l’ancre dans le port ’.
Le présent article exécute cette partie de l’accord de gouvernement.
Cet article prévoit que la loi sur les jeux de hasard ne s’applique pas aux navires à passagers internationaux qui
entrent dans les eaux territoriales belges et à bord desquels des jeux de hasard ou des paris sont offerts.
Cette exception permet aux navires de croisière internationaux de continuer à offrir leurs jeux de hasard ou paris
à bord lorsqu’ils entrent dans les eaux territoriales belges et ce, jusqu’au moment où le navire a une interface
navire/port. L’article 5, 5o, de la loi du 5 février 2007 relative à la sûreté maritime définit l’interface navire/port comme
suit : ’ les interactions qui se produisent lorsqu’un navire est directement et immédiatement affecté par des activités
entraînant le mouvement de personnes ou de marchandises ou la fourniture de services portuaires vers le navire ou à
partir du navire ’. L’interaction navire/port implique que le navire est sous la juridiction complète de la Belgique dès
qu’elle a lieu.
Cette exception ne s’applique que pour les navires de croisière en passage inoffensif dans les eaux territoriales
belges. En effet, seuls les navires qui traversent la mer territoriale vers le port de destination sont autorisés à exploiter
leurs jeux de hasard et paris à bord durant la durée de cette traversée. L’exploitation des jeux de hasard ou paris à bord
est interdite si le navire jette l’ancre dans les eaux territoriales.
L’article 17 de la Convention sur le droit de la mer, signée à Montego Bay (Jamaïque) le 10 décembre 1982 prévoit
que les navires de tous les États, côtiers ou sans littoral, jouissent du droit de passage inoffensif dans la mer territoriale.
Ce passage inoffensif vise le fait de naviguer dans la mer territoriale aux fins notamment de se rendre dans les eaux
intérieures ou les quitter, ou faire escale dans une telle rade ou installation portuaire ou la quitter (art. 18.1, b), de la
convention).
Durant toute la durée du séjour du navire dans le port, l’exploitation des jeux de hasard ou paris est interdite. Ces
navires ne doivent en effet pas devenir des ’ nouveaux établissements de jeux de hasard ’.
Une amende est prévue en cas de non-respect des conditions prescrites par l’article 3ter de la loi sur les jeux de
hasard.
En réponse aux observations formulées par le Conseil d’État dans son avis 63.661/4 du 4 juillet 2018, il convient
de préciser que la notion ’ interface navire/port ’ au sens de l’article 5, 5o, de la loi du 5 février 2007 ne peut pas être
interprété de manière restrictive comme un amarrage purement physique au quai. Dès que le navire est directement et
immédiatement affecté par des activités entraînant le mouvement de personnes ou de marchandises ou la fourniture
de services portuaires vers le navire ou à partir du navire, référence est faite à une interface navire / port ’. On
comprend également les situations dans lesquelles le navire se trouve dans une écluse, navigue dans le port, etc.
Suite à la remarque du Conseil d’État concernant cet article, certaines précisions ont été reprises dans les
commentaires de cet article» (Parl. Dok., Kammer, 2018-2019, DOC 54-3327/001, SS. 6-7).
B.101. Die Artikel 17 bis 19 des Seerechtsübereinkommens der Vereinten Nationen vom 10. Dezember 1982
bestimmen:
«Artikel 17
Recht der friedlichen Durchfahrt
Vorbehaltlich dieses Übereinkommens genießen die Schiffe aller Staaten, ob Küsten- oder Binnenstaaten, das Recht
der friedlichen Durchfahrt durch das Küstenmeer.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19771

Artikel 18
Bedeutung der Durchfahrt
(1) ’ Durchfahrt ’ bedeutet die Fahrt durch das Küstenmeer zu dem Zweck,
a) es ohne Einlaufen in die inneren Gewässer oder Anlaufen einer Reede oder Hafenanlage außerhalb der inneren
Gewässer zu durchqueren oder
b) in die inneren Gewässer einzulaufen oder sie zu verlassen oder eine solche Reede oder Hafenanlage anzulaufen
oder zu verlassen.
(2) Die Durchfahrt muß ohne Unterbrechung und zügig erfolgen. Die Durchfahrt schließt jedoch das Anhalten und
Ankern ein, aber nur insoweit, als dies zur normalen Schiffahrt gehört oder infolge höherer Gewalt oder eines Notfalls
oder zur Hilfeleistung für Personen, Schiffe oder Luftfahrzeuge in Gefahr oder Not erforderlich wird.
Artikel 19
Bedeutung der friedlichen Durchfahrt
(1) Die Durchfahrt ist friedlich, solange sie nicht den Frieden, die Ordnung oder die Sicherheit des Küstenstaats
beeinträchtigt. Die Durchfahrt hat in Übereinstimmung mit diesem Übereinkommen und den sonstigen Regeln des
Völkerrechts zu erfolgen.
(2) Die Durchfahrt eines fremden Schiffes gilt als Beeinträchtigung des Friedens, der Ordnung oder der Sicherheit
des Küstenstaats, wenn das Schiff im Küstenmeer eine der folgenden Tätigkeiten vornimmt:
a) eine Androhung oder Anwendung von Gewalt, die gegen die Souveränität, die territoriale Unversehrtheit oder
die politische Unabhängigkeit des Küstenstaats gerichtet ist oder sonst die in der Charta der Vereinten Nationen
niedergelegten Grundsätze des Völkerrechts verletzt;
b) eine Übung oder ein Manöver mit Waffen jeder Art;
c) eine Handlung, die auf das Sammeln von Informationen zum Schaden der Verteidigung oder Sicherheit des
Küstenstaats gerichtet ist;
d) eine Propagandahandlung, die auf die Beeinträchtigung der Verteidigung oder Sicherheit des Küstenstaats
gerichtet ist;
e) das Starten, Landen oder Anbordnehmen von Luftfahrzeugen;
f) das Aussetzen, Landen oder Anbordnehmen von militärischem Gerät;
g) das Laden oder Entladen von Waren, Zahlungsmitteln oder Personen entgegen den Zoll- und sonstigen
Finanzgesetzen, Einreise- oder Gesundheitsgesetzen und diesbezüglichen sonstigen Vorschriften des Küstenstaats;
h) eine vorsätzliche schwere Verschmutzung entgegen diesem Übereinkommen;
i) Fischereitätigkeiten;
j) Forschungs- oder Vermessungsarbeiten;
k) eine Handlung, die auf die Störung eines Nachrichtenübermittlungssystems oder anderer Einrichtungen oder
Anlagen des Küstenstaats gerichtet ist;
l) eine andere Tätigkeit, die nicht unmittelbar mit der Durchfahrt zusammenhängt».
B.102. Dem Gesetz vom 7. Mai 1999 unterliegende Glücksspieleinrichtungen und internationale Passagierschiffe,
bei denen an Bord Glücksspiele oder Wetten angeboten werden und die ihr Recht auf friedliche Durchfahrt durch
belgische Hoheitsgewässer wahrnehmen, sind Kategorien, die anhand des Gesetzes vom 7. Mai 1999 und dessen
Zielsetzung verglichen werden können, da beide Glücksspiele oder Wetten betreiben.
B.103. Es ist festzustellen, dass das Gesetz vom 7. Mai 2019 keine ausreichenden Garantien vorsieht, um zu
verhindern, dass es zu einem Angebot von Kreuzfahrten von kurzer Dauer kommt, bei denen Passagiere in Belgien an
Bord gehen und an Glücksspielen oder Wetten teilnehmen könnten, sobald das Schiff nationale Hoheitsgewässer
befährt, ohne dass das Gesetz vom 7. Mai 1999 zur Anwendung kommt, und durch die so Spieler den
Glücksspieleinrichtungen, die dem Gesetz vom 7. Mai 1999 unterliegen, und dem von diesem Gesetz gebotenen Schutz
den Rücken kehren könnten. Das Verbot, Glücksspiele oder Wetten zwischen dem Zeitpunkt, zu dem das Schiff eine
Schnittstelle Schiff/Hafen hat, und dem Zeitpunkt, an dem das Schiff ablegt, sowie während der gesamten
Aufenthaltsdauer des Schiffes im Hafen zu betreiben, ist diesbezüglich nicht ausreichend.
B.104. Der erste Teil des ersten Klagegrunds in der Rechtssache Nr. 7296 ist begründet.
Artikel 4 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 ist für nichtig zu erklären.
Da die beiden anderen Teile nicht zu einer weitergehenden Nichtigerklärung führen können, sind sie nicht zu
prüfen.
Aus diesen Gründen:
Der Gerichtshof
- erklärt die Artikel 4 und 21 Nrn. 3 und 4 des Gesetzes vom 7. Mai 2019 «zur Abänderung des Gesetzes vom
7. Mai 1999 über die Glücksspiele, die Wetten, die Glücksspieleinrichtungen und den Schutz der Spieler, und zur
Einfügung eines Artikels 37/1 in das Gesetz vom 19. April 2002 zur Rationalisierung der Arbeit und Verwaltung der
Nationallotterie» für nichtig;
- erklärt Artikel 31 des vorerwähnten Gesetzes vom 7. Mai 2019 für nichtig, aber nur insoweit es keine Höchstdauer
für die Aufbewahrung der personenbezogenen Daten vorsieht, die in dem in Artikel 62 des Gesetzes vom 7. Mai 1999
«über die Glücksspiele, die Wetten, die Glücksspieleinrichtungen und den Schutz der Spieler» erwähnten Register
eingetragen sind, und insoweit es keine Höchstdauer für die Aufbewahrung der Kopie des Dokuments, das zur
Identifizierung des Spielers gedient hat, vorsieht;
- weist die Klagen im Übrigen zurück.
Erlassen in französischer, niederländischer und deutscher Sprache, gemäß Artikel 65 des Sondergesetzes vom
6. Januar 1989 über den Verfassungsgerichtshof, am 9. Dezember 2021.
Der Kanzler, Der Präsident,
F. Meersschaut P. Nihoul
19772 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

FEDERALE OVERHEIDSDIENST JUSTITIE SERVICE PUBLIC FEDERAL JUSTICE


[C − 2022/30600] [C − 2022/30600]
19 JANUARI 2022. — Wet houdende boek 2, titel 3, “Relatievermo- 19 JANVIER 2022. — Loi portant le livre 2, titre 3, “Les relations
gensrecht” en boek 4 “Nalatenschappen, schenkingen en testamen- patrimoniales des couples” et le livre 4 “Les successions, donations
ten” van het Burgerlijk Wetboek (1) et testaments” du Code civil (1)
FILIP, Koning der Belgen, PHILIPPE, Roi des Belges,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. A tous, présents et à venir, Salut.
De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft aangenomen en Wij La Chambre des représentants a adopté et Nous sanctionnons ce qui
bekrachtigen hetgeen volgt : suit :
HOOFDSTUK 1. — Inleidende bepaling CHAPITRE 1er. — Disposition introductive
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l’article 74 de la
artikel 74 van de Grondwet. Constitution.
HOOFDSTUK 2. — Inhoud van boek 2, titel 3, CHAPITRE 2. — Contenu du livre 2, titre 3,
“Relatievermogensrecht” van het Burgerlijk Wetboek “Les relations patrimoniales des couples” du Code civil
Art. 2. Boek 2, titel 3, van het Burgerlijk Wetboek ingevoerd bij Art. 2. Le livre 2, titre 3, du Code civil créé par l’article 2 de la loi du
artikel 2 van de wet van 13 april 2019 tot invoering van een Burgerlijk 13 avril 2019 portant création d’un Code civil et y insérant un livre 8
Wetboek en tot invoeging van boek 8 “Bewijs” in dat Wetboek, bevat de “La preuve”, comprend les dispositions suivantes:
volgende bepalingen:
“Boek 2. Personen, familie en relatievermogensrecht “Livre 2. Les personnes, la famille et les relations patrimoniales des
couples
Titel 3. Relatievermogensrecht Titre 3. Les relations patrimoniales des couples
Ondertitel 1. Huwelijksvermogensrecht Sous-titre 1er. Régimes matrimoniaux
Hoofdstuk 1. Huwelijksovereenkomsten Chapitre 1er. Conventions matrimoniales
Art. 2.3.1. Contractsvrijheid Art. 2.3.1. Liberté contractuelle
De echtgenoten kiezen of wijzigen vrij hun huwelijksstelsel in een Les époux choisissent ou modifient librement leur régime matrimo-
contract dat “huwelijksovereenkomst” wordt benoemd, voor zover zij nial dans un contrat dénommé “convention matrimoniale”, pourvu
niets bedingen dat strijdig is met een dwingende regel of met de qu’ils ne stipulent rien qui soit contraire à une règle impérative ou
openbare orde, of met het vereiste van coherentie van hun huwelijks- d’ordre public, ou à l’exigence de cohérence de leur régime matrimo-
stelsel. nial.
Art. 2.3.2. Toegelaten erfovereenkomst Art. 2.3.2. Pacte successoral autorisé
Indien een van de echtgenoten een of meer afstammelingen heeft die Si l’un des époux a un ou plusieurs descendants issus d’une relation
voortkomen uit een andere relatie van voor hun huwelijk of die antérieure à leur mariage ou adoptés avant leur mariage ou des
geadopteerd werden voor hun huwelijk, of afstammelingen van de descendants de ceux-ci, ils peuvent conclure, dans leur convention
geadopteerden, kunnen de echtgenoten, in hun huwelijksovereen- matrimoniale, même sans réciprocité, un accord complet ou partiel
komst, geheel of ten dele, zelfs zonder wederkerigheid, een regeling relatif aux droits que l’un peut exercer dans la succession de l’autre.
treffen over de rechten die de ene in de nalatenschap van de andere kan
uitoefenen.
Deze regeling doet geen afbreuk aan het recht van de ene, om bij Cet accord ne porte pas préjudice au droit de l’un de disposer, par
testament of bij akte onder de levenden te beschikken ten gunste van de testament ou par acte entre vifs, au profit de l’autre.
andere.
Ze kan in geen geval aan de langstlevende het recht van bewoning Il ne peut en aucun cas priver le conjoint survivant du droit
ontnemen van het onroerend goed dat bij het openvallen van de d’habitation portant sur l’immeuble affecté au jour de l’ouverture de la
nalatenschap van de eerststervende het gezin tot voornaamste woning succession du prémourant au logement principal de la famille et du
diende en het onoverdraagbare recht van vruchtgebruik van het daarin droit d’usufruit incessible des meubles meublants qui le garnissent,
aanwezige huisraad voor een periode van zes maanden vanaf de dag pour une période de six mois à compter du jour de l’ouverture de la
van het openvallen van de nalatenschap van de eerststervende. succession du prémourant.
De artikelen 4.244 tot 4.253 zijn van toepassing op deze regeling. Les articles 4.244 à 4.253 s’appliquent à cet accord.
Art. 2.3.3. Algemeen verwoorde keuze Art. 2.3.3. Choix par référence
De echtgenoten mogen geen huwelijksstelsel kiezen door eenvoudige Les époux ne peuvent adopter de régime matrimonial par simple
verwijzing naar een opgeheven wetgeving. référence à une législation abrogée.
Zij kunnen verklaren een van de stelsels aan te nemen, waarin deze Ils peuvent déclarer qu’ils adoptent un des régimes organisés par le
ondertitel voorziet. présent sous-titre.
Art. 2.3.4. Minderjarigen Art. 2.3.4. Mineurs
Indien de familierechtbank het leeftijdsvereiste voor het aangaan van Si le tribunal de la famille a accordé la dispense d’âge pour la
het huwelijk heeft opgeheven, mag de minderjarige ook een huwelijks- conclusion du mariage, le mineur peut également faire le choix d’un
stelsel kiezen of die keuze nog voor het sluiten van zijn huwelijk régime matrimonial ou modifier ce choix avant la conclusion de son
wijzigen, voor zover hij wordt bijgestaan door zijn ouders, door een mariage, s’il est assisté de son père et de sa mère ou de l’un d’eux, ou,
van hen, of, bij ontstentenis daarvan, met de toestemming van de à défaut, avec l’autorisation du tribunal de la famille.
familierechtbank.
Met deze bijstand of die toestemming mag een minderjarige ook Le mineur peut également, moyennant cette assistance ou cette
tijdens het huwelijk zijn huwelijksstelsel wijzigen. autorisation, modifier son régime matrimonial pendant le mariage.
Art. 2.3.5. Beschermde meerderjarigen Art. 2.3.5. Majeurs protégés
De beschermde persoon die krachtens artikel 492/1 van het oud La personne protégée qui, en vertu de l’article 492/1 de l’ancien Code
Burgerlijk Wetboek onbekwaam werd verklaard om zijn huwelijksstel- civil, a été déclarée incapable de choisir ou de modifier son régime
sel te kiezen of te wijzigen, kan dit alsnog doen na hiertoe, op zijn matrimonial peut néanmoins le faire après avoir, à sa demande, obtenu
verzoek, te zijn gemachtigd door de vrederechter, op basis van het door l’autorisation du juge de paix, sur la base du projet rédigé par le notaire.
de notaris opgestelde ontwerp.
In bijzondere gevallen kan de vrederechter de bewindvoerder Dans des cas particuliers, le juge de paix peut autoriser l’administra-
machtigen alleen op te treden of hem toestaan de beschermde persoon teur à agir seul, ou l’autoriser à assister la personne protégée. Une copie
bij te staan. Bij het verzoekschrift wordt een kopie gevoegd van de du projet d’acte notarié est jointe à la requête.
notariële ontwerpakte.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19773

Art. 2.3.6. Vormvereiste Art. 2.3.6. Exigence de forme


Alle huwelijksovereenkomsten, ongeacht of ze voor of tijdens het Toutes conventions matrimoniales, qu’elles soient conclues avant ou
huwelijk worden gesloten, worden, op straffe van nietigheid, bij pendant le mariage, sont, à peine de nullité, constatées par acte notarié.
notariële akte vastgesteld.
Art. 2.3.7. Wijziging vóór het huwelijk Art. 2.3.7. Modification avant le mariage
Indien de toekomstige echtgenoten hun huwelijksstelsel willen Si les futurs époux veulent modifier leur régime matrimonial avant la
wijzigen vooraleer hun huwelijk voltrokken is, zijn de aanwezigheid en célébration du mariage, la présence et le consentement simultané de
de gelijktijdige toestemming vereist van alle personen die bij hun toutes les personnes qui ont été parties à la convention matrimoniale
eerdere huwelijksovereenkomst partij zijn geweest. antérieure, sont requis.
Art. 2.3.8. Wijziging tijdens het huwelijk Art. 2.3.8. Modification pendant le mariage
§ 1. De echtgenoten kunnen tijdens het huwelijk hun huwelijksver- § 1er. Les époux peuvent, au cours du mariage, apporter à leur régime
mogensstelsel wijzigen naar goeddunken en zelfs een ander stelsel matrimonial toutes modifications qu’ils jugent à propos et même en
aannemen. changer entièrement.
§ 2. Een voorafgaande boedelbeschrijving van alle roerende en § 2. Un inventaire préalable de tous les biens meubles et immeubles
onroerende goederen en van de schulden van de echtgenoten is vereist et des dettes des époux est requis lorsque la modification du régime
indien de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel de vereffening matrimonial entraîne la liquidation du régime préexistant.
van het vorige stelsel tot gevolg heeft.
Deze boedelbeschrijving wordt vastgesteld bij notariële akte. Cet inventaire est constaté par acte notarié.
§ 3. Indien de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel de § 3. Si la modification du régime matrimonial n’entraîne pas la
vereffening van het vorige stelsel niet tot gevolg heeft, wordt de akte liquidation du régime préexistant, l’acte modificatif du régime matri-
houdende wijziging van het huwelijksvermogensstelsel door een monial est précédé d’un inventaire si l’un des époux le demande.
boedelbeschrijving voorafgegaan indien één van de echtgenoten erom
verzoekt.
In dat geval kan de boedelbeschrijving worden opgemaakt op grond Dans ce cas, l’inventaire peut être fait sur déclarations, pour autant
van verklaringen, voor zover beide echtgenoten hiermee akkoord gaan. que les deux époux y consentent.
Art. 2.3.9. Bekendmaking Art. 2.3.9. Publicité
De notaris voor wie een huwelijksovereenkomst is verleden, schrijft Le notaire qui a reçu une convention matrimoniale procède à son
deze akte in het centraal register voor huwelijksovereenkomsten in. inscription au registre central des conventions matrimoniales.
Een buitenlandse akte houdende wijziging van het huwelijksvermo- Un acte étranger portant modification du régime matrimonial peut,
gensstelsel kan, indien zij voldoet aan de voorwaarden voor de s’il remplit les conditions requises pour sa reconnaissance en Belgique,
erkenning ervan in België, worden vermeld op de kant van een akte die être mentionné en marge d’un acte établi par un notaire belge et être
door een Belgische notaris is opgesteld en bij die akte worden gevoegd. joint à cet acte. Cette formalité est effectuée à titre de publicité de la
Deze formaliteit wordt verricht met het oog op de bekendmaking van modification et n’a pas pour effet de rendre celle-ci opposable aux tiers.
de wijziging en heeft niet tot gevolg dat deze aan derden kan worden
tegengeworpen.
Art. 2.3.10. Gevolgen voor de echtgenoten Art. 2.3.10. Effets entre les époux
De huwelijksovereenkomst die voor de voltrekking van het huwelijk Une convention matrimoniale conclue avant la célébration du
is gesloten, heeft tussen de echtgenoten uitwerking vanaf de voltrek- mariage, sortit ses effets entre époux à la célébration du mariage,
king van het huwelijk, niettegenstaande enige andersluidende overeen- nonobstant toute convention contraire.
komst.
De huwelijksovereenkomst die tijdens het huwelijk is gesloten, heeft Une convention matrimoniale conclue pendant le mariage, sortit ses
tussen de echtgenoten uitwerking vanaf de datum van de akte. effets entre époux à dater de l’acte.
Art. 2.3.11. Gevolgen voor derden Art. 2.3.11. Effets à l’égard des tiers
De huwelijksovereenkomst die voor de voltrekking van het huwelijk Une convention matrimoniale conclue avant la célébration du
is gesloten, heeft tegenover derden uitwerking vanaf de voltrekking mariage sortit ses effets à l’égard des tiers à la célébration du mariage,
van het huwelijk, voor zover ze is ingeschreven in het centraal register pour autant qu’elle soit inscrite au registre central des conventions
voor huwelijksovereenkomsten. Bij gebrek aan deze inschrijving kun- matrimoniales. Faute d’une telle inscription, les clauses dérogatoires au
nen de van het wettelijk stelsel afwijkende bepalingen niet worden régime légal ne peuvent être opposées aux tiers qui ont contracté avec
tegengeworpen aan derden die, onbekend met de huwelijksovereen- ces époux dans l’ignorance de leurs conventions matrimoniales.
komst, overeenkomsten met de echtgenoten hebben aangegaan.
De huwelijksovereenkomst die tijdens het huwelijk is gesloten, heeft Une convention matrimoniale conclue pendant le mariage, sortit ses
tegenover derden uitwerking vanaf de inschrijving ervan in het effets à l’égard des tiers au jour de son inscription au registre central des
centraal register voor huwelijksovereenkomsten, behoudens indien de conventions matrimoniales, sauf si, dans leurs conventions conclues
echtgenoten hen van de wijzigingen op de hoogte hebben gebracht, in avec des tiers, les époux ont informé ceux-ci de la modification.
de overeenkomsten die ze met hen sloten.
Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen Chapitre 2. Dispositions générales
Art. 2.3.12. Wettelijk stelsel als gemeen recht Art. 2.3.12. Régime légal de droit commun
Behoudens bijzondere overeenkomsten vormen de regels van het À défaut de conventions particulières, les règles relatives au régime
wettelijk stelsel, bepaald in hoofdstuk 3 van deze ondertitel, het légal, établies au chapitre 3 du présent sous-titre, forment le droit
gemeen recht. commun.
Indien de echtgenoten vooraf geen huwelijksstelsel hebben gekozen, Si les époux n’ont pas choisi de régime matrimonial avant le mariage,
heeft het wettelijk stelsel uitwerking vanaf de voltrekking van het le régime légal prend effet, nonobstant toute convention contraire, à la
huwelijk, niettegenstaande enige andersluidende overeenkomst. célébration du mariage.
Art. 2.3.13. Preferentiële toewijzing bij overlijden Art. 2.3.13. Attribution préférentielle en cas de décès
Wanneer het huwelijksvermogensstelsel eindigt door het overlijden Lorsque le régime matrimonial prend fin par le décès d’un des époux,
van een van de echtgenoten, kan de langstlevende, tegen opleg indien le conjoint survivant peut, moyennant soulte s’il y a lieu, se faire
daartoe grond bestaat, zich bij voorrang doen toewijzen, voor zover attribuer par préférence, pour autant qu’ils appartiennent au patri-
deze behoren tot het gemeenschappelijk vermogen of tot het vermogen moine commun ou au patrimoine qui est en indivision exclusivement
dat exclusief tussen de echtgenoten in onverdeeldheid is: entre les époux:
1° een van de onroerende goederen die tot gezinswoning dient; 1° un des immeubles servant au logement de la famille;
2° het aldaar aanwezige huisraad; 2° les meubles meublants qui le garnissent;
19774 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

3° de goederen die hij aanwendt voor de uitoefening van zijn beroep 3° les biens qu’il utilise pour l’exercice de sa profession ou
of de uitbating van zijn bedrijf. l’exploitation de son entreprise.
Art. 2.3.14. Preferentiële toewijzing bij echtscheiding Art. 2.3.14. Attribution préférentielle en cas de divorce
§ 1. Wanneer het huwelijksvermogensstelsel eindigt door echtschei- § 1er. Lorsque le régime matrimonial prend fin par le divorce sur la
ding op grond van artikel 229 van het oud Burgerlijk Wetboek, door de base de l’article 229 de l’ancien Code civil, par la séparation de corps ou
scheiding van tafel en bed of door de gerechtelijke scheiding van par la séparation de biens judiciaire, chacun des époux peut au cours
goederen, kan elk van de echtgenoten binnen de vereffeningsprocedure des opérations de liquidation, demander au tribunal de la famille de
aan de familierechtbank te zijnen voordele toepassing van artikel 2.3.13 faire application à son profit des dispositions visées à l’article 2.3.13.
vragen.
§ 2. De rechtbank beslist met inachtneming van de belangen die ieder § 2. Le tribunal statue en considération des intérêts que chacun des
van de echtgenoten kan laten gelden en rekening houdend met de époux peut faire valoir et en tenant compte des capacités financières de
financiële mogelijkheden van degene die de opleg desgevallend zal celui qui, le cas échéant, devra payer la soulte.
moeten betalen.
Behoudens uitzonderlijke omstandigheden, wordt het verzoek inge- Il est fait droit, sauf circonstances exceptionnelles, à la demande
willigd dat uitgaat van de echtgenoot die slachtoffer is van een feit formulée par l’époux qui a été victime d’un fait visé aux articles 375,
bedoeld in de artikelen 375, 398 tot 400, 402, 403, 405, 409, §§ 1 tot 3 en 398 à 400, 402, 403, 405, 409, §§ 1er à 3 et 5, et 422bis du Code pénal ou
5 en 422bis van het Strafwetboek of van een poging tot het plegen van d’une tentative de commission d’un fait visé aux articles 375, 393 à 397,
een feit bedoeld in de artikelen 375, 393 tot 397, 401, 404 en 409, § 4, van 401, 404 et 409, § 4, du même Code, si l’autre époux a été reconnu
hetzelfde Wetboek, indien de andere echtgenoot door in kracht van coupable de ce chef comme auteur, coauteur ou complice par décision
gewijsde gegane beslissing uit dien hoofde als dader, mededader of coulée en force de chose jugée.
medeplichtige schuldig werd bevonden.
Art. 2.3.15. Heling Art. 2.3.15. Recel
De echtgenoot die te kwader trouw informatie verzwijgt of valse L’époux qui, de mauvaise foi, dissimule des informations ou fait de
verklaringen aflegt met betrekking tot de samenstelling of de omvang fausses déclarations en ce qui concerne la composition ou l’étendue de
van de gemeenschap, van de tussen echtgenoten bestaande onverdeeld- la communauté, des indivisions existant entre les époux ou, dans le cas
heden, of, in geval van een stelsel van scheiding van goederen met d’un régime de séparation de biens avec clause de participation, de la
beding van verrekening, van de verrekenmassa, om hieruit voor masse de participation, pour en retirer un avantage pour lui-même au
zichzelf, ten nadele van de andere echtgenoot, een voordeel te préjudice de l’autre époux, est coupable de recel.
verkrijgen, is schuldig aan heling.
De echtgenoot die schuldig is aan heling verliest zijn aandeel in de L’époux qui est coupable de recel est privé de sa part dans les biens
geheelde goederen of waarden of wordt, desgevallend, gesanctioneerd ou valeurs recelés ou est, le cas échéant, sanctionné à concurrence des
ten belope van de geheelde goederen of waarden bij de berekening van biens ou valeurs recelés dans le calcul de la créance de participation.
de verrekenvordering.
Deze sanctie kan niet worden opgelegd aan de echtgenoot die Cette sanction ne peut être invoquée à l’encontre de l’époux qui
spontaan en tijdig de juiste en volledige informatie verstrekt of zijn fournit, spontanément et en temps utile, l’information exacte et
valse verklaringen rechtzet. complète ou rectifie ses fausses déclarations.
Hoofdstuk 3. Wettelijk stelsel Chapitre 3. Régime légal
Afdeling 1. Eigen vermogens en gemeenschappelijk vermogen Section 1re. Patrimoines propres et patrimoine commun
Onderafdeling 1. Algemene bepaling Sous-section 1re. Disposition générale
Art. 2.3.16. Drie vermogens Art. 2.3.16. Trois patrimoines
Het wettelijk stelsel berust op het bestaan van drie vermogens: het Le régime légal est fondé sur l’existence de trois patrimoines: le
eigen vermogen van elk van beide echtgenoten en het gemeenschap- patrimoine propre de chacun des deux époux et le patrimoine commun
pelijk vermogen van beide echtgenoten, zoals die worden omschreven aux deux époux, tels qu’ils sont définis dans le présent chapitre.
in dit hoofdstuk.
Onderafdeling 2. Baten van de eigen vermogens Sous-section 2. Actif des patrimoines propres
Art. 2.3.17. Voorhuwelijkse goederen, nalatenschappen en giften Art. 2.3.17. Biens antérieurs au mariage, successions et libéralités
Eigen zijn de goederen en schuldvorderingen die aan elk van beide Sont propres, les biens et créances appartenant à chacun des époux
echtgenoten toebehoren op de dag van het huwelijk en die welke ieder au jour du mariage et ceux que chacun acquiert au cours du régime, par
van hen tijdens het stelsel verkrijgt door een nalatenschap of een gift. succession ou libéralité.
Art. 2.3.18. Eigen met vergoedingsplicht Art. 2.3.18. Propres moyennant récompense
Eigen zijn, ongeacht het tijdstip van verkrijging en behoudens Sont propres, quel que soit le moment de l’acquisition et sauf
vergoeding indien daartoe aanleiding bestaat: récompense s’il y a lieu:
1° het toebehoren van eigen goederen of rechten; 1° les accessoires de biens ou de droits propres;
2° de goederen aan een van de echtgenoten overgedragen door een 2° les biens cédés à l’un des époux par un de ses ascendants soit pour
van zijn verwanten in de opgaande lijn, hetzij om te voldoen wat hij le remplir de ce qui lui est dû, soit à charge de payer une dette de
hem verschuldigd is, hetzij onder verplichting een schuld van die l’ascendant envers un tiers;
verwant aan een derde te betalen;
3° het aandeel door een van de echtgenoten verkregen in een goed 3° la part acquise par l’un des époux dans un bien dont il est déjà
waarvan hij reeds mede-eigenaar is; copropriétaire;
4° de goederen en rechten die ten gevolge van zaakvervanging in de 4° les biens et droits qui, par l’effet d’une subrogation réelle,
plaats treden van eigen goederen, alsook de goederen verkregen uit remplacent des propres, ainsi que les biens acquis en emploi ou en
belegging of wederbelegging; remploi;
5° de vorderbare netto-afkoopwaarde, op het moment van de 5° la valeur de rachat nette exigible, au moment de la dissolution du
ontbinding van het stelsel, verbonden aan een individuele levensver- régime, liée à un contrat individuel d’assurance sur la vie qui a été
zekeringsovereenkomst die door één van de echtgenoten tijdens het conclu par un des époux pendant le régime, lorsque la prestation
stelsel is gesloten, indien de verzekeringsprestatie niet verschuldigd is d’assurance n’est pas due à la dissolution du régime;
bij de ontbinding van het stelsel;
6° de verzekerde prestatie verbonden aan een individuele levensver- 6° la prestation d’assurance liée à un contrat individuel d’assurance
zekeringsovereenkomst die door één van de echtgenoten tijdens het sur la vie qui a été conclu par un des époux pendant le régime, et qui
stelsel is gesloten, en die bij de ontbinding van het stelsel ten voordele est due au profit de cet époux à la dissolution du régime.
van die echtgenoot verschuldigd is.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19775

Art. 2.3.19. Eigen ten persoonlijke titel Art. 2.3.19. Propres à titre personnel
§ 1. Eigen zijn, ongeacht het tijdstip van verkrijging: § 1er. Sont propres, quel que soit le moment de l’acquisition:
1° de klederen en voorwerpen voor persoonlijk gebruik; 1° les vêtements et objets à usage personnel;
2° het literaire, artistieke of industriële eigendomsrecht; 2° le droit de propriété littéraire, artistique ou industrielle;
3° het recht op een pensioen, lijfrente of soortgelijke uitkering, dat 3° le droit aux pensions, rentes viagères ou allocations de même
een van de echtgenoten alleen bezit; nature, dont un seul des époux est titulaire;
4° het recht op herstel van persoonlijke lichamelijke of morele schade; 4° le droit à réparation d’un préjudice corporel ou moral personnel;
5° de lidmaatschapsrechten verbonden aan vennootschapsaandelen 5° les droits résultant de la qualité d’associé liés à des parts ou actions
die met gemeenschappelijke gelden zijn verkregen en op naam van één de société acquises avec des fonds communs et qui ont été inscrites au
echtgenoot zijn ingeschreven, met inbegrip van het recht om als nom d’un des époux, en ce compris le droit d’agir en tant que
eigenaar van deze aandelen te handelen, voor zover het gaat, hetzij om propriétaire de ces parts ou actions, pour autant qu’il s’agisse soit d’une
een vennootschap die onderworpen is aan wettelijke of statutaire société qui est soumise à des règles légales ou statutaires, ou à des
regels, of overeenkomsten tussen vennoten, die de overdracht van conventions entre actionnaires, qui restreignent la cession des parts ou
aandelen beperken, hetzij om een vennootschap waarin enkel die actions, soit d’une société au sein de laquelle seul cet époux exerce son
echtgenoot zijn professionele activiteit als zaakvoerder of beheerder activité professionnelle en tant que gérant ou administrateur;
uitoefent;
6° het recht op goederen die een echtgenoot exclusief voor de 6° le droit aux biens qu’un époux utilise exclusivement pour
uitoefening van zijn beroep of de uitbating van zijn bedrijf aanwendt, l’exercice de sa profession ou l’exploitation de son entreprise, en ce
met inbegrip van het recht om als eigenaar van deze beroepsgoederen compris le droit d’agir en tant que propriétaire de ces biens profession-
te handelen, tenzij de echtgenoten samen dat beroep uitoefenen of dat nels, à moins que les époux n’exercent ensemble cette profession ou
bedrijf uitbaten; n’exploitent ensemble cette entreprise;
7° het recht op cliënteel, met inbegrip van het recht om als eigenaar 7° le droit à la clientèle, en ce compris le droit d’agir en tant que
van het cliënteel te handelen, tenzij het cliënteel is opgebouwd of propriétaire de la clientèle, à moins que la clientèle n’ait été constituée
verworven binnen een beroep dat de echtgenoten samen uitoefenen of ou acquise dans le cadre d’une profession que les époux exercent
een bedrijf dat ze samen uitbaten. ensemble ou d’une entreprise qu’ils exploitent ensemble.
§ 2. Eveneens eigen zijn: § 2. Sont également propres:
1° de schadevergoeding uitgekeerd aan een echtgenoot, voor zover 1° l’indemnité payée à un époux en réparation d’un dommage, dans
deze vergoeding strekt tot herstel van zijn persoonlijke ongeschiktheid, la mesure où cette indemnité vise à réparer son incapacité personnelle,
die betrekking heeft op de niet economisch waardeerbare gevolgen van qui concerne les conséquences non économiquement quantifiables de
de aantasting van de fysieke en psychische integriteit in zijn dagelijks l’atteinte à son intégrité physique et psychique dans sa vie quotidienne;
leven;
2° de verzekerde prestatie verbonden aan een individuele levensver- 2° la prestation d’assurance liée à un contrat individuel d’assurance
zekeringsovereenkomst die door een van de echtgenoten tijdens het sur la vie qui a été conclu par un des époux pendant le régime, et qui
stelsel gesloten is, indien ze bij de ontbinding van het stelsel ten est due au profit de l’autre époux à la dissolution du régime.
voordele van de andere echtgenoot verschuldigd is.
Onderafdeling 3. Bewijs en wederbelegging Sous-section 3. Preuve et remploi
Art. 2.3.20. Bewijs Art. 2.3.20. Preuve
Ten aanzien van derden wordt het eigendomsrecht van elk van de À l’égard des tiers, la propriété dans le chef de chacun des époux
echtgenoten op een goed dat niet van persoonlijke aard is, bij gebreke d’un bien qui n’a pas de caractère personnel doit être établie, à défaut
van boedelbeschrijving of tegen een bezit volgens de bepalingen van d’inventaire ou à l’encontre d’une possession réunissant les conditions
artikel 3.21, bewezen aan de hand van titels met vaste dagtekening, van de l’article 3.21, par des titres ayant date certaine, des documents
bescheiden van een openbare dienst of vermeldingen in regelmatig émanant d’un service public ou des mentions figurant dans des
gehouden of opgemaakte registers, bescheiden of borderellen door de registres, documents ou bordereaux imposés par la loi ou consacrés par
wet opgelegd of door het gebruik bekrachtigd. l’usage et régulièrement tenus ou établis.
Tussen de echtgenoten onderling mag het bewijs van eigendom van Entre époux, la preuve de la propriété des mêmes biens ou des
dezelfde goederen of van schuldvorderingen geleverd worden door créances peut se faire par tous modes de preuve.
alle bewijsmiddelen.
Art. 2.3.21. Wederbelegging Art. 2.3.21. Remploi
Wederbelegging wordt geacht te zijn gedaan ten aanzien van een van Le remploi est censé fait à l’égard d’un des époux toutes les fois que,
de echtgenoten, wanneer deze bij de aankoop van een onroerend goed lors d’une acquisition immobilière, il a déclaré qu’elle était faite pour
verklaard heeft dat de aankoop geschiedt om hem tot wederbelegging lui tenir lieu de remploi et payée à concurrence de plus de la moitié, au
te dienen en voor meer dan de helft betaald is uit de opbrengst van de moyen du produit de l’aliénation d’un immeuble propre ou de fonds
vervreemding van een eigen onroerend goed of uit gelden waarvan het dont le caractère propre est dûment établi.
eigen karakter behoorlijk is aangetoond.
De echtgenoot die een onroerend goed verkrijgt door middel van L’époux, qui acquiert un bien immobilier au moyen de fonds
gemeenschappelijke gelden, kan in de akte een verklaring van ver- communs, peut faire dans l’acte une déclaration de remploi anticipé.
vroegde wederbelegging doen. Voor zover de echtgenoot binnen twee Pour autant que l’époux rembourse, dans les deux ans de la date de
jaar na de datum van de akte meer dan de helft terugbetaalt van het l’acte, plus de la moitié des sommes prélevées sur le patrimoine
bedrag dat uit het gemeenschappelijk vermogen is opgenomen, wordt commun, le bien acquis aura le caractère de propre à dater du
het verkregen goed een eigen goed te rekenen van de terugbetaling. remboursement.
Wederbelegging wordt geacht te zijn gedaan ten aanzien van een Le remploi est censé fait à l’égard d’un époux lorsqu’il est établi que
echtgenoot wanneer komt vast te staan dat de verkrijging van roerende l’acquisition de biens meubles a été payée à concurrence de plus de la
goederen voor meer dan de helft betaald is uit gelden of uit de moitié, au moyen de fonds ou du produit de l’aliénation d’autres biens
opbrengst van de vervreemding van andere goederen waarvan het dont le caractère de propre est établi conformément aux dispositions
karakter van eigen goed is aangetoond overeenkomstig de bepalingen des articles 2.3.17 à 2.3.20.
van de artikelen 2.3.17 tot 2.3.20.
Onderafdeling 4. Baten van het gemeenschappelijk vermogen Sous-section 4. Actif du patrimoine commun
Art. 2.3.22. Gemeenschappelijke goederen Art. 2.3.22. Biens communs
§ 1. Gemeenschappelijk zijn: § 1er. Sont communs:
1° de inkomsten uit de beroepsbezigheden van elk van de echtgeno- 1° les revenus de l’activité professionnelle de chacun des époux, tous
ten, alle inkomsten of vergoedingen die ze vervangen of aanvullen, revenus ou indemnités en tenant lieu ou les complétant, ainsi que les
evenals de inkomsten uit openbare of particuliere mandaten; de revenus provenant de l’exercice de mandats publics ou privés; l’indem-
opzeggingsvergoeding en andere uitkeringen waarop een echtgenoot nité de préavis et autres prestations auxquelles a droit un époux en
19776 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

wegens beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst gerechtigd is, voor raison de la rupture de son contrat de travail, pour la part de celle-ci
het deel daarvan dat overeenstemt met de opzeggingstermijn die correspondant au délai de préavis qui court pendant le régime;
tijdens het stelsel loopt;
2° de vruchten, inkomsten, interesten van hun eigen goederen; 2° les fruits, revenus, intérêts de leurs biens propres;
3° de goederen geschonken of vermaakt aan de twee echtgenoten 3° les biens donnés ou légués aux deux époux conjointement ou à
samen of aan een van hen onder beding dat die goederen gemeenschap- l’un d’eux avec stipulation que ces biens seront communs;
pelijk zullen zijn;
4° de schadevergoeding uitgekeerd aan een echtgenoot, voor zover 4° l’indemnité payée à un époux en réparation d’un dommage, dans
deze vergoeding strekt tot herstel van zijn huishoudelijke of economi- la mesure où cette indemnité vise à réparer son incapacité ménagère ou
sche ongeschiktheid tijdens het stelsel; économique durant le régime;
5° de vermogenswaarde van de vennootschapsaandelen bedoeld 5° la valeur patrimoniale des parts ou actions de société visées à
in artikel 2.3.19, § 1, 5°; l’article 2.3.19, § 1er, 5°;
6° de vermogenswaarde van de beroepsgoederen die door een van de 6° la valeur patrimoniale des biens professionnels qui ont été acquis
echtgenoten met gemeenschappelijke gelden zijn verkregen, als het par un des époux avec des fonds communs, si le droit à ces biens
recht op die beroepsgoederen eigen is krachtens artikel 2.3.19, § 1, 6°; professionnels est propre en vertu de l’article 2.3.19, § 1er, 6°;
7° de economische waarde van het cliënteel dat tijdens het stelsel 7° la valeur économique de la clientèle qui a été constituée ou acquise
door een van de echtgenoten in de uitoefening van zijn beroep of de pendant le régime par un des époux dans le cadre de l’exercice de sa
uitbating van zijn bedrijf is opgebouwd of verworven, als het recht op profession ou de l’exploitation de son entreprise, si le droit à cette
dat cliënteel eigen is krachtens artikel 2.3.19, § 1, 7°. clientèle est propre en vertu de l’article 2.3.19, § 1er, 7°.
§ 2. Eveneens gemeenschappelijk is de verzekerde prestatie verbon- § 2. Est également commune la prestation d’assurance liée à un
den aan een individuele levensverzekeringsovereenkomst die door een contrat individuel d’assurance sur la vie qui a été conclu par un des
van de echtgenoten tijdens het stelsel is gesloten en tijdens het stelsel époux pendant le régime, lorsqu’elle est due à un des époux pendant le
aan een van hen verschuldigd is. Indien de prestatie als kapitaal wordt régime. Si la prestation est versée sous forme de capital, la totalité de
uitbetaald, is het volledige bedrag ervan gemeenschappelijk. Indien de son montant est commune. Si la prestation est payée sous la forme
prestatie als rente wordt uitbetaald, zijn zowel de rentebedragen die d’une rente, sont communs les montants de la rente payés pendant le
tijdens het stelsel zijn uitbetaald als de reserve die overeenstemt met de régime ainsi que la réserve qui correspond aux rentes encore dues après
na de ontbinding van het stelsel nog verschuldigde rentes, gemeen- la dissolution du régime.
schappelijk.
§ 3. Zijn ten slotte ook gemeenschappelijk, alle goederen waarvan § 3. Sont enfin également communs, tous les biens dont il n’est pas
niet bewezen is dat zij aan een van de echtgenoten eigen zijn ingevolge prouvé qu’ils sont propres à l’un des époux en application d’une
enige wetsbepaling. disposition de la loi.
Onderafdeling 5. Lasten van de eigen vermogens en van het Sous-section 5. Passif des patrimoines propres et du patrimoine
gemeenschappelijk vermogen commun
Art. 2.3.23. Eerder aangegane schulden en schulden ten laste van Art. 2.3.23. Dettes antérieures et dettes grevant des successions ou
nalatenschappen en giften des libéralités
De schulden van de echtgenoten die dateren van vóór het stelsel en Les dettes des époux antérieures au régime et celles qui grèvent les
de schulden ten laste van nalatenschappen en giften die hun toevallen successions et libéralités qui leur échoient durant le régime, leur restent
tijdens het stelsel, blijven eigen schulden. propres.
Art. 2.3.24. Overige eigen schulden Art. 2.3.24. Autres dettes propres
Eigen zijn: Sont propres:
1° de schulden door een van de echtgenoten aangegaan in het 1° les dettes contractées par l’un des époux dans l’intérêt exclusif de
uitsluitend belang van zijn eigen vermogen; son patrimoine propre;
2° de schulden ontstaan uit een persoonlijke of zakelijke zekerheid 2° les dettes résultant d’une sûreté personnelle ou réelle donnée par
door een van de echtgenoten gesteld in een ander belang dan dat van un des époux dans un intérêt autre que celui du patrimoine commun;
het gemeenschappelijk vermogen;
3° de schulden behorende tot een door een van de echtgenoten 3° les dettes provenant de l’exercice par l’un des époux d’une
uitgeoefend beroep dat hem verboden is krachtens artikel 216 van het profession qui lui a été interdite en vertu de l’article 216 de l’ancien
oud Burgerlijk Wetboek, of ontstaan uit handelingen die een van de Code civil ou d’actes que l’un des époux ne pouvait accomplir sans le
echtgenoten niet mocht verrichten zonder de medewerking van de concours de son conjoint ou l’autorisation de justice;
andere echtgenoot of zonder rechterlijke machtiging;
4° de schulden ontstaan uit een strafrechtelijke veroordeling of uit 4° les dettes résultant d’une condamnation pénale ou d’un délit ou
een onrechtmatige daad begaan door een van de echtgenoten. quasi-délit commis par un des époux.
Art. 2.3.25. Gemeenschappelijke schulden Art. 2.3.25. Dettes communes
§ 1. Gemeenschappelijk zijn: § 1er. Sont communes:
1° de schulden aangegaan door beide echtgenoten, gezamenlijk of 1° les dettes contractées conjointement ou solidairement par les deux
hoofdelijk; époux;
2° de schulden aangegaan door een van de echtgenoten ten behoeve 2° les dettes contractées par un des époux pour les besoins du
van de huishouding en de opvoeding van de kinderen; ménage et l’éducation des enfants;
3° de schulden door een van de echtgenoten aangegaan in het belang 3° les dettes contractées par un des époux dans l’intérêt du
van het gemeenschappelijk vermogen; patrimoine commun;
4° de schulden ten laste van giften, aan de twee echtgenoten 4° les dettes grevant les libéralités faites aux deux époux conjointe-
gezamenlijk of aan een van hen gedaan onder beding dat de gegeven of ment ou à l’un d’eux avec stipulation que les biens donnés ou légués
vermaakte goederen gemeenschappelijk zullen zijn; seront communs;
5° de interest van de eigen schulden van een van de echtgenoten; 5° la charge des intérêts de dettes propres à l’un des époux;
6° de onderhoudsschulden jegens afstammelingen van een van de 6° les dettes alimentaires au profit des descendants d’un seul des
echtgenoten. époux.
§ 2. Zijn eveneens gemeenschappelijk, de schulden waarvan niet § 2. Sont également communes, les dettes dont il n’est pas prouvé
bewezen is dat zij aan een van de echtgenoten eigen zijn ingevolge qu’elles sont propres à l’un des époux en application d’une disposition
enige wetsbepaling. de la loi.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19777

Afdeling 2. Rechten van de schuldeisers Section 2. Droits des créanciers


Art. 2.3.26. Eigen schulden Art. 2.3.26. Dettes propres
§ 1. Met behoud van de toepassing van de paragrafen 2 tot 4, kan een § 1er. Le payement d’une dette propre à l’un des époux ne peut être
eigen schuld van een van de echtgenoten slechts verhaald worden op poursuivi que sur son patrimoine propre et ses revenus, sans préjudice
diens eigen vermogen en inkomsten. des paragraphes 2 à 4.
§ 2. De schulden die krachtens artikel 2.3.23 eigen zijn aan een van de § 2. Le payement des dettes propres à l’un des époux en vertu de l’
echtgenoten, kunnen worden verhaald op het gemeenschappelijk article 2.3.23 peut être poursuivi sur le patrimoine commun dans la
vermogen, in zoverre het verrijkt is door opneming van eigen goederen mesure où il s’est enrichi par l’absorption de biens propres au débiteur.
van de schuldenaar.
Het bewijs van de verrijking, dat rust op de schuldeiser, kan worden La preuve de l’enrichissement, qui incombe au créancier, peut être
geleverd door alle bewijsmiddelen. faite par tous modes de preuve.
§ 3. Schulden behorende tot een door een van de echtgenoten § 3. Le payement des dettes provenant de l’exercice par un des époux
uitgeoefend beroep dat hem verboden is met toepassing van artikel 216 d’une profession qui lui a été interdite par application de l’article 216 de
van het oud Burgerlijk Wetboek, of ontstaan uit handelingen die een l’ancien Code civil ou d’actes que l’un des époux ne pouvait accomplir
van de echtgenoten niet mocht verrichten zonder de medewerking van sans le concours de son conjoint ou l’autorisation de justice, ne peut être
de andere echtgenoot of zonder rechterlijke machtiging, kunnen op het poursuivi sur le patrimoine commun que dans la mesure du profit qu’il
gemeenschappelijk vermogen niet worden verhaald dan in zoverre het a tiré de cette activité ou de ces actes.
uit dat beroep of die handelingen voordeel heeft getrokken.
Het bewijs van het voordeel, dat rust op de schuldeiser, kan worden La preuve du profit, qui incombe au créancier, peut être faite par tous
geleverd door alle bewijsmiddelen. modes de preuve.
§ 4. Dezelfde regels gelden voor de schulden ontstaan uit een § 4. Les mêmes règles valent pour les dettes résultant d’une
strafrechtelijke veroordeling van een van de echtgenoten of uit een condamnation pénale prononcée contre un seul des époux ou d’un délit
onrechtmatige daad door hem begaan. ou quasi-délit commis par lui.
Indien het eigen vermogen van de echtgenoot-schuldenaar ontoerei- En outre, en cas d’insuffisance du patrimoine propre de l’époux
kend is, kunnen deze schulden bovendien op het gemeenschappelijk débiteur, le payement de ces dettes pourra être poursuivi sur le
vermogen worden verhaald ten belope van de helft van zijn netto- patrimoine commun à concurrence de la moitié de son actif net.
baten.
Art. 2.3.27. Gezamenlijk aangegane schulden Art. 2.3.27. Dettes contractées par les deux époux
Een schuld aangegaan door de twee echtgenoten, zelfs in verschil- Le payement d’une dette contractée par les deux époux, même à des
lende hoedanigheid, kan zowel verhaald worden op het eigen vermo- titres différents, peut être poursuivi tant sur le patrimoine propre de
gen van ieder van hen als op het gemeenschappelijk vermogen. chacun d’eux que sur le patrimoine commun.
Art. 2.3.28. Gemeenschappelijke schulden Art. 2.3.28. Dettes communes
Gemeenschappelijke schulden kunnen zowel verhaald worden op Le payement des dettes communes peut être poursuivi tant sur le
het eigen vermogen van elk van de echtgenoten als op het gemeen- patrimoine propre de chacun des époux que sur le patrimoine commun.
schappelijk vermogen.
Op het eigen vermogen van de niet-contracterende echtgenoot Toutefois ne peut être poursuivi sur le patrimoine propre de l’époux
mogen echter niet worden verhaald: non contractant le payement:
1° de schulden door een van de echtgenoten aangegaan ten behoeve 1° des dettes contractées par un des époux pour les besoins du
van de huishouding en de opvoeding van de kinderen, wanneer zij ménage et l’éducation des enfants lorsqu’elles entraînent des charges
lasten meebrengen die, gelet op de bestaansmiddelen van het gezin, excessives, eu égard aux ressources du ménage;
buitensporig zijn;
2° de interest van de eigen schulden van een van de echtgenoten; 2° des intérêts des dettes propres à l’un des époux;
3° de schulden door een van de echtgenoten aangegaan bij de 3° des dettes contractées par un des époux dans l’exercice de sa
uitoefening van zijn beroep; profession;
4° de onderhoudsschulden jegens afstammelingen van een van de 4° des dettes alimentaires au profit des descendants d’un seul des
echtgenoten. époux.
Afdeling 3. Bestuur van het gemeenschappelijk vermogen Section 3. Gestion du patrimoine commun
Art. 2.3.29. Algemene bepaling Art. 2.3.29. Disposition générale
Het bestuur omvat alle bevoegdheden van beheer, genot en beschik- La gestion comprend tous pouvoirs d’administration, de jouissance
king. et de disposition.
De echtgenoten besturen het gemeenschappelijk vermogen in het Les époux gèrent le patrimoine commun dans l’intérêt de la famille,
belang van het gezin, naar de regels vervat in deze afdeling. conformément aux règles établies par la présente section.
Art. 2.3.30. Afzonderlijk uit te oefenen bevoegdheden Art. 2.3.30. Gestion concurrente
Het gemeenschappelijk vermogen wordt bestuurd door de ene of Le patrimoine commun est géré par l’un ou l’autre époux qui peut
door de andere echtgenoot die de bestuursbevoegdheden alleen kan exercer seul les pouvoirs de gestion, à charge pour chacun de respecter
uitoefenen, onder verplichting voor ieder van hen om de bestuurshan- les actes de gestion accomplis par son conjoint.
delingen van de andere te eerbiedigen.
Art. 2.3.31. Beroepsuitoefening Art. 2.3.31. Exercice d’une profession
De echtgenoot die een beroep uitoefent, verricht alle bestuurshande- L’époux qui exerce une activité professionnelle accomplit seul tous
lingen die voor deze uitoefening verantwoord zijn alleen. actes de gestion qui sont justifiés pour cet exercice.
Wanneer beide echtgenoten samen een zelfde beroep uitoefenen, is Lorsque les deux époux exercent ensemble une même activité
beider medewerking vereist voor alle handelingen behalve die van professionnelle, le concours des deux est requis pour les actes autres
beheer. que d’administration.
Art. 2.3.32. Gezamenlijk uit te oefenen bevoegdheden Art. 2.3.32. Gestion conjointe
Met behoud van de toepassing van het bepaalde in artikel 2.3.31, is Sans préjudice des dispositions de l’article 2.3.31, le consentement
de toestemming van beide echtgenoten vereist om: des deux époux est requis pour:
1° voor hypotheek vatbare goederen te verkrijgen, te vervreemden of 1° acquérir, aliéner ou grever de droits réels les biens susceptibles
met zakelijke rechten te bezwaren; d’hypothèque;
2° een handelszaak of enig bedrijf te verkrijgen, over te dragen of in 2° acquérir, céder ou donner en gage des fonds de commerce ou
pand te geven; exploitations de toute nature;
19778 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

3° een huurovereenkomst voor langer dan negen jaar te sluiten, te 3° conclure, renouveler ou résilier des baux de plus de neuf ans,
vernieuwen of op te zeggen en een handelshuur of pachtovereenkomst consentir des baux commerciaux et des baux à ferme;
toe te staan;
4° een hypothecaire schuldvordering over te dragen of in pand te 4° céder ou donner en gage des créances hypothécaires;
geven;
5° de prijs van een vervreemd onroerend goed of de terugbetaling 5° percevoir le prix de l’aliénation d’immeubles ou le remboursement
van een hypothecaire schuldvordering in ontvangst te nemen en de créances hypothécaires, donner mainlevée des inscriptions;
opheffing te verlenen van hypothecaire inschrijvingen;
6° een legaat of een schenking te aanvaarden of te verwerpen, 6° accepter ou refuser un legs ou une donation lorsqu’il est stipulé
wanneer bedongen is dat de vermaakte of geschonken goederen que les biens légués ou donnés seront communs;
gemeenschappelijk zullen zijn;
7° een lening aan te gaan; 7° contracter un emprunt;
8° een consumentenkrediet aan te gaan, behalve wanneer dit krediet 8° contracter un crédit à la consommation, sauf si ce crédit est
noodzakelijk is voor de huishouding of de opvoeding van de kinderen. nécessaire aux besoins du ménage ou à l’éducation des enfants.
Art. 2.3.33. Schenking Art. 2.3.33. Donation
De ene echtgenoot kan zonder de toestemming van de andere niet Un époux ne peut sans le consentement de l’autre disposer entre vifs
onder de levenden beschikken om niet over goederen die deel à titre gratuit de biens faisant partie du patrimoine commun.
uitmaken van het gemeenschappelijk vermogen.
Art. 2.3.34. Weigering of onmogelijkheid tot wilsuiting Art. 2.3.34. Refus ou impossibilité de manifester sa volonté
Indien een echtgenoot zonder wettige reden weigert toestemming te Si un époux refuse sans motif légitime de donner son consentement
geven of indien hij in de onmogelijkheid verkeert zijn wil te kennen te ou s’il se trouve dans l’impossibilité de manifester sa volonté, son
geven, kan de andere echtgenoot zich door de familierechtbank laten conjoint peut se faire autoriser par le tribunal de la famille à accomplir
machtigen om een van de handelingen genoemd in de artikelen 2.3.31, seul l’un des actes énumérés aux articles 2.3.31, alinéa 2, 2.3.32 et 2.3.33.
tweede lid, 2.3.32 en 2.3.33, alleen te verrichten.
Art. 2.3.35. Verbod of machtiging als beschermingsmaatregel Art. 2.3.35. Interdiction ou autorisation comme mesure de protection
Iedere echtgenoot kan aan de familierechtbank vragen dat aan de Chaque époux peut demander au tribunal de la famille d’interdire à
andere echtgenoot verbod wordt opgelegd om enige bestuurshandeling son conjoint d’accomplir tout acte de gestion pouvant lui causer
te verrichten die hem nadeel kan berokkenen of de belangen van het préjudice ou nuire aux intérêts de la famille.
gezin kan schaden.
De rechtbank kan machtiging verlenen tot het verrichten van die Le tribunal peut autoriser l’accomplissement de cet acte ou soumettre
daad of aan haar machtiging bepaalde voorwaarden verbinden. son autorisation à des conditions déterminées.
Art. 2.3.36. Nietigheid als handhavingsmaatregel Art. 2.3.36. Nullité comme mesure de sanction
Op verzoek van een van de echtgenoten die bewijst dat hij een wettig Le tribunal de la famille peut, à la demande de l’un des époux
belang heeft en zonder afbreuk te doen aan de rechten van de te goeder justifiant d’un intérêt légitime et sans préjudice des droits des tiers de
trouw zijnde derden, kan de familierechtbank elke handeling nietig bonne foi, annuler l’acte accompli par l’autre époux:
verklaren, die de andere echtgenoot heeft verricht:
1° in strijd met de bepalingen van de artikelen 2.3.31, tweede lid, 1° en violation des dispositions des articles 2.3.31, alinéa 2, 2.3.32 et
2.3.32 en 2.3.33; de nietigverklaring van de handelingen genoemd in 2.3.33; l’annulation des actes repris à l’article 2.3.32, 4° à 8°, requiert en
artikel 2.3.32, 4° tot 8°, vereist bovendien een benadeling; outre l’existence d’une lésion;
2° in strijd met een verbod of met de voorwaarden die de rechter 2° en violation d’une interdiction prononcée ou des conditions
heeft gesteld; imposées par justice;
3° met bedrieglijke benadeling van de rechten van de eiser. 3° en fraude des droits du demandeur.
Het bewijs van goede trouw moet worden geleverd door de La preuve de sa bonne foi incombe au tiers contractant.
contracterende derde.
Art. 2.3.37. Vordering tot nietigverklaring Art. 2.3.37. Action en nullité
De vordering tot nietigverklaring moet op straffe van verval worden L’action en nullité doit être introduite à peine de forclusion dans
ingesteld binnen een jaar na de dag waarop de handeling van de andere l’année du jour où l’époux demandeur a eu connaissance de l’acte
echtgenoot ter kennis is gekomen van de eiser, en uiterlijk voor de accompli par son conjoint et au plus tard avant la liquidation définitive
definitieve vereffening van het stelsel. du régime.
Indien de echtgenoot overlijdt voordat het verval is ingetreden, Si l’époux décède avant que la forclusion soit atteinte, ses héritiers
beschikken zijn erfgenamen vanaf het overlijden over een nieuwe disposent à dater du décès d’un nouveau délai d’un an.
termijn van een jaar.
Art. 2.3.38. Legaten Art. 2.3.38. Legs
De legaten die een van de echtgenoten maakt van het geheel of een Les legs faits par un des époux de la totalité ou d’une quotité du
deel van het gemeenschappelijk vermogen, mogen zijn aandeel in dat patrimoine commun ne peuvent excéder sa part dans ce patrimoine.
vermogen niet te boven gaan.
Heeft het legaat betrekking op bepaalde goederen, dan kan de Si le legs porte sur des biens déterminés, le légataire ne peut les
legataris ze alleen dan in natura opeisen wanneer die goederen, ten réclamer en nature que si ces biens, par l’effet du partage, sont attribués
gevolge van de verdeling, toevallen aan de erfgenamen van de erflater; aux héritiers du testateur; dans le cas contraire, le légataire a droit à
in het tegenovergestelde geval heeft de legataris ten laste van de charge de la succession du testateur, à la valeur des biens légués, sauf
nalatenschap van de erflater recht op de waarde van de vermaakte réduction dans les deux cas s’il y a lieu.
goederen, behoudens inkorting in beide gevallen indien daartoe grond
bestaat.
Afdeling 4. Bestuur van het eigen vermogen Section 4. Gestion du patrimoine propre
Art. 2.3.39. Alleenbestuur Art. 2.3.39. Gestion exclusive
Iedere echtgenoot bestuurt zijn eigen vermogen alleen, met behoud Chaque époux a la gestion exclusive de son patrimoine propre, sans
van de toepassing van het bepaalde in artikel 215, § 1, van het oud préjudice de l’article 215, § 1er, de l’ancien Code civil.
Burgerlijk Wetboek.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19779

Afdeling 5. Gemeenschappelijke bepaling met betrekking tot het Section 5. Disposition commune à la gestion des patrimoines propres
bestuur van de eigen vermogens en het gemeenschappelijk vermogen et commun
Art. 2.3.40. Ontnemen van bestuursbevoegdheid Art. 2.3.40. Retrait du pouvoir de gestion
§ 1. Indien een van de echtgenoten blijk geeft van ongeschiktheid in § 1er. Si l’un des époux fait preuve d’inaptitude dans la gestion tant
het bestuur van het gemeenschappelijk vermogen zowel als van zijn du patrimoine commun que de son patrimoine propre ou met en péril
eigen vermogen of de belangen van het gezin in gevaar brengt, kan de les intérêts de la famille, son conjoint peut demander que tout ou partie
andere echtgenoot vorderen dat de bestuursbevoegdheden hem geheel des pouvoirs de gestion lui soit retiré.
of gedeeltelijk worden ontnomen.
De familierechtbank kan dat bestuur opdragen, hetzij aan de eiser, Le tribunal de la famille peut confier cette gestion, soit au deman-
hetzij aan een derde, die zij aanwijst. deur, soit à un tiers qu’il désigne.
Die beslissing kan worden herroepen, indien de redenen waarop zij Cette décision peut être révoquée si les motifs qui l’ont justifiée
gegrond was, komen te vervallen. cessent d’exister.
§ 2. De griffier van het rechtscollege dat een rechterlijke beslissing § 2. Toute décision judiciaire retirant à l’un des époux ses pouvoirs de
heeft uitgesproken waarbij aan een van de echtgenoten zijn bestuurs- gestion ou lui rendant ses pouvoirs est communiquée, lorsque cette
bevoegdheden worden ontnomen of teruggegeven, stelt, wanneer deze décision est coulée en force de chose jugée, par le greffier de la
beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, het centraal register voor juridiction qui a rendu la décision au registre central des conventions
huwelijksovereenkomsten hiervan in kennis. matrimoniales.
§ 3. Indien de echtgenoot aan wie het bestuur onttrokken of § 3. Si l’époux à qui la gestion est retirée ou rendue exerce une activité
teruggegeven wordt, zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent waar- professionnelle indépendante pour laquelle il doit être inscrit à la
voor hij in de Kruispuntbank van Ondernemingen moet ingeschreven Banque-Carrefour des Entreprises, le greffier en informe la Banque-
zijn, geeft de griffier daarvan kennis aan die Kruispuntbank. Carrefour des Entreprises.
§ 4. Artikel 1250 van het Gerechtelijk Wetboek is mede van toepas- § 4. L’article 1250 du Code judiciaire s’applique.
sing.
Afdeling 6. Ontbinding van het wettelijk stelsel Section 6. Dissolution du régime légal
Onderafdeling 1. Algemene bepalingen Sous-section 1re. Dispositions générales
Art. 2.3.41. Oorzaken van ontbinding Art. 2.3.41. Causes de dissolution
Het wettelijk stelsel wordt ontbonden door: Le régime légal se dissout:
1° het overlijden van een van de echtgenoten; 1° par le décès d’un des époux;
2° de echtscheiding of de scheiding van tafel en bed; 2° par le divorce et la séparation de corps;
3° de gerechtelijke scheiding van goederen; 3° par la séparation de biens judiciaire;
4° de overgang naar een ander huwelijksvermogensstelsel. 4° par l’adoption d’un autre régime matrimonial.
Art. 2.3.42. Boedelbeschrijving Art. 2.3.42. Inventaire
In geval van ontbinding van het wettelijk stelsel door het overlijden En cas de dissolution du régime légal par le décès d’un des époux, la
van een van de echtgenoten, door gerechtelijke scheiding van goederen, séparation de biens judiciaire, le divorce ou la séparation de corps pour
door echtscheiding of scheiding van tafel en bed op een van de les causes reprises à l’article 229 de l’ancien Code civil, les époux ou le
gronden vermeld in artikel 229 van het oud Burgerlijk Wetboek, zijn de conjoint survivant seront tenus de faire inventaire des biens meubles et
echtgenoten of is de langstlevende echtgenoot gehouden een boedel- des dettes communes.
beschrijving op te maken van de gemeenschappelijke roerende goede-
ren en schulden.
Deze boedelbeschrijving, waarvan de inhoud geregeld wordt bij de Cet inventaire, dont le contenu est réglé par les articles 1175 et
artikelen 1175 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek, mag onder- suivants du Code judiciaire, peut se faire sous signature privée lorsque
hands geschieden, wanneer alle belanghebbende meerderjarige partijen toutes les parties intéressées majeures y consentent et, en cas d’exis-
daarmee instemmen en ingeval er minderjarigen of beschermde tence de mineurs ou de personnes protégées qui ont été déclarées
personen die krachtens artikel 492/1 van het oud Burgerlijk Wetboek incapables d’aliéner des biens en vertu de l’article 492/1 de l’ancien
onbekwaam werden verklaard om goederen te vervreemden, wanneer Code civil, moyennant l’accord du juge de paix saisi par requête.
de vrederechter aangezocht bij verzoekschrift daarmee instemt.
Zij moet opgemaakt worden binnen drie maanden na het overlijden, Il doit être établi dans les trois mois du décès, de la mention du
na de melding van de echtscheiding of van de scheiding van tafel en divorce ou de la séparation de corps à l’acte de mariage ou de la
bed op de huwelijksakte, of de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad publication au Moniteur belge de l’extrait de la décision prononçant la
van het uittreksel uit de beslissing die de scheiding van goederen séparation de biens.
uitspreekt.
Bij gebreke van een boedelbeschrijving binnen die termijn kan elke À défaut d’inventaire dans ce délai, toute partie intéressée peut
belanghebbende partij de omvang van het gemeenschappelijk vermo- établir la consistance du patrimoine commun par tous modes de
gen bewijzen door alle bewijsmiddelen. preuve.
Art. 2.3.43. Gevolgen van de ontbinding Art. 2.3.43. Effets de la dissolution
§ 1. De ontbinding van het stelsel heeft vereffening en verdeling ten § 1er. La dissolution du régime donne lieu à liquidation et à partage.
gevolge.
Vooraf wordt voor elke echtgenoot een rekening opgemaakt van de Au préalable, il est établi pour chaque époux un compte des
vergoedingen tussen het gemeenschappelijk vermogen en zijn eigen récompenses entre le patrimoine commun et son patrimoine propre.
vermogen.
Vervolgens wordt overgegaan tot de verrekening van de lasten, de Il est procédé ensuite au règlement du passif, au règlement du
verrekening van de vergoedingen en de verdeling van de netto-baten. compte des récompenses, et au partage de l’actif net.
§ 2. De bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de § 2. Les dispositions du Code judiciaire concernant les partages et
verdeling en veiling en die van het Burgerlijk Wetboek betreffende de licitations et celles du Code civil concernant le partage des successions
verdeling van nalatenschappen zijn van overeenkomstige toepassing. sont applicables.
§ 3. Voor de volgende goederen wordt in de te verdelen boedel de § 3. Pour les biens suivants, la valeur au moment de la dissolution du
waarde op het tijdstip van ontbinding van het stelsel, en niet op het régime, et non au moment du partage, est reprise dans la masse à
tijdstip van verdeling opgenomen: partager:
1° de vermogenswaarde van de vennootschapsaandelen bedoeld in 1° la valeur patrimoniale des parts ou actions de société visées à
artikel 2.3.19, § 1, 5°; l’article 2.3.19, § 1er, 5°;
19780 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

2° de vermogenswaarde van de beroepsgoederen die door een van de 2° la valeur patrimoniale des biens professionnels qui ont été acquis
echtgenoten met gemeenschappelijke gelden zijn verkregen, als het par un des époux avec des fonds communs, si le droit sur ces biens
recht op die beroepsgoederen eigen is krachtens artikel 2.3.19, § 1, 6°; professionnels est propre en vertu de l’article 2.3.19, § 1er, 6°;
3° de economische waarde van het cliënteel dat tijdens het stelsel 3° la valeur économique de la clientèle qui a été constituée ou acquise
door een van de echtgenoten in de uitoefening van zijn beroep of de pendant le régime par un des époux dans le cadre de l’exercice de sa
uitbating van zijn bedrijf is opgebouwd of verworven, als het recht op profession ou de l’exploitation de son entreprise, si le droit à cette
dat cliënteel eigen is krachtens artikel 2.3.19, § 1, 7°. clientèle est propre en vertu de l’article 2.3.19, § 1er, 7°.
§ 4. De erfgenamen van de echtgenoten hebben dezelfde rechten en § 4. Les héritiers des époux ont les mêmes droits et sont tenus des
dezelfde verplichtingen als de echtgenoot die zij vertegenwoordigen. mêmes obligations que l’époux qu’ils représentent.
Onderafdeling 2. Vergoedingsrekeningen Sous-section 2. Comptes de récompense
Art. 2.3.44. Vergoedingen aan het gemeenschappelijk vermogen Art. 2.3.44. Récompenses dues au patrimoine commun
Elk van de echtgenoten is vergoeding verschuldigd ten belope van de Il est dû récompense par chaque époux à concurrence des sommes
bedragen die hij uit het gemeenschappelijk vermogen heeft opgenomen qu’il a prises sur le patrimoine commun pour acquitter une dette
om een eigen schuld te voldoen en, in het algemeen, telkens als hij propre et généralement toutes les fois qu’il a tiré un profit personnel du
persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermo- patrimoine commun.
gen.
De echtgenoot die zijn beroep uitoefent binnen een vennootschap L’époux qui exerce sa profession au sein d’une société dont les
waarvan de aandelen hem eigen zijn, is aan het gemeenschappelijk actions lui sont propres doit une récompense au patrimoine commun
vermogen een vergoeding verschuldigd voor de netto beroepsinkom- pour les revenus professionnels nets que le patrimoine commun n’a pas
sten die het gemeenschappelijk vermogen niet heeft ontvangen en reçus et qu’il aurait raisonnablement pu recevoir si la profession n’avait
redelijkerwijze had kunnen ontvangen indien het beroep niet binnen pas été exercée au sein de cette société.
die vennootschap was uitgeoefend.
Aan het gemeenschappelijk vermogen is eveneens vergoeding Il est de même dû récompense au patrimoine commun à concurrence
verschuldigd ten belope van de schade die het heeft geleden wegens du préjudice qu’il a subi en conséquence d’un des actes énumérés à
een van de handelingen bedoeld in artikel 2.3.36, indien die schade niet l’article 2.3.36, lorsque ce préjudice n’a pas été entièrement réparé par
geheel is hersteld door de nietigverklaring van de handeling of indien l’annulation de l’acte ou lorsque l’annulation n’a pas été demandée ou
de nietigverklaring niet is gevraagd of verkregen. obtenue.
Art. 2.3.45. Vergoedingen aan het eigen vermogen Art. 2.3.45. Récompenses dues au patrimoine propre
Het gemeenschappelijk vermogen is vergoeding verschuldigd ten Il est dû récompense par le patrimoine commun à concurrence des
belope van de eigen of uit vervreemding van een eigen goed fonds propres ou provenant de l’aliénation d’un bien propre qui sont
voortkomende gelden die in dat vermogen zijn gevallen en niet zijn entrés dans ce patrimoine, sans qu’il y ait eu emploi ou remploi et
belegd of wederbelegd, alsook, in het algemeen, telkens als het généralement toutes les fois qu’il a tiré profit des biens propres d’un
voordeel heeft getrokken uit de eigen goederen van een van de époux.
echtgenoten.
Art. 2.3.46. Omvang en bewijs van de vergoedingen Art. 2.3.46. Montant et preuve des récompenses
De vergoeding mag niet kleiner zijn dan de verarming van het La récompense ne peut être inférieure à l’appauvrissement du
vergoedingsgerechtigde vermogen. Hebben de in het vergoedingsplich- patrimoine créancier. Toutefois, si les sommes et fonds entrés dans le
tige vermogen gevallen bedragen en gelden echter gediend tot het patrimoine débiteur ont servi à acquérir, conserver ou améliorer un
verkrijgen, instandhouden of verbeteren van een goed, dan zal de bien, la récompense sera égale à la valeur ou à la plus-value acquise par
vergoeding gelijk zijn aan de waarde of de waardevermeerdering van ce bien, soit à la dissolution du régime, s’il se trouve à ce moment dans
dat goed, hetzij bij de ontbinding van het stelsel indien het zich op dat le patrimoine débiteur, soit au jour de son aliénation s’il a été aliéné
tijdstip bevindt in het vergoedingsplichtige vermogen, hetzij op de dag auparavant; si un nouveau bien a remplacé le bien aliéné, la récom-
van de vervreemding indien het voordien vervreemd is; is het pense est évaluée sur la base de ce nouveau bien.
vervreemde goed vervangen door een ander goed, dan wordt de
vergoeding geschat op de grondslag van dat nieuwe goed.
Het recht op vergoeding kan door alle bewijsmiddelen worden Le droit aux récompenses s’établit par tous modes de preuve.
bewezen.
De vergoedingen brengen van rechtswege interest op vanaf de dag Les récompenses portent intérêt de plein droit du jour de la
van de ontbinding van het stelsel. dissolution du régime.
Art. 2.3.47. Saldering van de vergoedingsrekeningen Art. 2.3.47. Clôture des comptes de récompenses
De vergoedingen door een van de echtgenoten verschuldigd aan het Les récompenses dues par l’époux au patrimoine commun et celles
gemeenschappelijk vermogen en de vergoedingen die het gemeenschap- que le patrimoine commun lui doit s’annulent à concurrence du
pelijk vermogen hem verschuldigd is, doen elkaar teniet ten belope van montant le plus faible.
het kleinste bedrag.
Indien beide echtgenoten vergoedingen te vorderen hebben of Si les époux sont tous deux créanciers ou débiteurs de récompenses,
verschuldigd zijn, doen hun wederzijdse vorderingen en schulden leurs créances et dettes respectives s’annulent à concurrence du
elkaar teniet ten belope van het kleinste bedrag. montant le plus faible.
Alleen de echtgenoot die de grootste vordering of schuld heeft, zal Seul l’époux dont la créance ou la dette est la plus forte reste
nog een vergoeding te vorderen of te voldoen hebben ten belope van créancier ou débiteur d’une récompense égale à la différence entre les
het verschil tussen de wederzijdse vorderingen of schulden. créances ou dettes respectives.
Onderafdeling 3. Verrekening van de lasten Sous-section 3. Règlement du passif
Art. 2.3.48. Betaling van gemeenschappelijke schulden Art. 2.3.48. Payement des dettes communes
Zonder afbreuk te doen aan de rechten van de hypothecaire en Sans préjudice des droits des créanciers hypothécaires et privilégiés,
bevoorrechte schuldeisers, moeten de gemeenschappelijke schulden die les dettes communes dont, aux termes de l’article 2.3.28, le payement
overeenkomstig artikel 2.3.28 verhaalbaar zijn op de drie vermogens, peut être poursuivi sur les trois patrimoines, sont payées avant celles
worden voldaan vóór de schulden die alleen verhaalbaar zijn op het dont le payement ne peut être poursuivi que sur le patrimoine commun
gemeenschappelijk vermogen en op het vermogen van een van de et celui d’un des époux.
echtgenoten.
Onderafdeling 4. Verrekening van de vergoedingen Sous-section 4. Règlement des récompenses
Art. 2.3.49. Voldoening van de vergoedingsschuld Art. 2.3.49. Acquittement de la dette de récompense
§ 1. De echtgenoot die nog vergoeding verschuldigd is, voldoet die, § 1er. L’époux qui est encore redevable d’une récompense, s’en
hetzij door mindere ontvangst, hetzij door betaling, aan de te verdelen acquitte, soit en moins prenant, soit par payement à la masse à partager,
boedel, van de waarde van de vergoedingsschuld. pour un montant égal à celui de sa dette.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19781

De voldoening door mindere ontvangst gebeurt, hetzij door verreke- L’acquittement en moins prenant se fait soit par imputation sur la
ning op het aandeel van de echtgenoot-schuldenaar, hetzij door part de l’époux débiteur, soit par prélèvement par son conjoint.
vooruitneming door de andere echtgenoot.
§ 2. De echtgenoot die nog vergoeding te vorderen heeft, neemt ter § 2. L’époux qui a encore droit à une récompense prélève sur la masse
voldoening hiervan goederen van een gelijke waarde uit de te verdelen à partager des biens pour une valeur égale à celle de sa créance.
boedel vooraf.
§ 3. Indien de echtgenoten het niet eens worden over de toepassing § 3. À défaut d’accord des époux quant à l’application du paragra-
van paragraaf 1 of paragraaf 2, en met name over de aanwijzing van de phe 1er ou du paragraphe 2, et notamment quant à la désignation des
vooruit te nemen goederen, wordt het geschil binnen de procedure van biens qui peuvent être prélevés, le litige sera tranché dans le cadre de
gerechtelijke verdeling opgelost. la procédure de partage judiciaire.
Behoudens het akkoord van de echtgenoten mag de vooruitneming Sauf accord des époux, le prélèvement ne peut porter atteinte aux
geen afbreuk doen aan de rechten van toewijzing die de andere droits d’attribution reconnus à l’autre époux par les articles 2.3.13 et
echtgenoot bezit op grond van de artikelen 2.3.13 en 2.3.14. 2.3.14.
§ 4. De echtgenoot die zijn vergoeding niet geheel heeft kunnen § 4. L’époux qui n’a pu obtenir à charge de la masse la totalité de sa
verhalen op de boedel, wordt schuldeiser van de andere echtgenoot ten récompense devient créancier de l’autre époux à concurrence de la
belope van de helft van hetgeen hij niet ontvangen heeft. moitié de ce qu’il n’a pas reçu.
Onderafdeling 5. Verdeling Sous-section 5. Partage
Art. 2.3.50. Netto-verdeling Art. 2.3.50. Partage net
§ 1. Indien er een batig saldo is, wordt dit bij helften verdeeld. § 1er. S’il reste un actif, il se partage par moitié.
§ 2. Elk van de echtgenoten staat met al zijn goederen in voor de § 2. Chacun des époux répond sur l’ensemble de ses biens des dettes
gemeenschappelijke schulden die overblijven na de verdeling. communes qui subsistent après le partage.
Evenwel zal iedere echtgenoot, voor de gemeenschappelijke schul- Toutefois, chaque époux ne répond des dettes communes pour le
den die tijdens het stelsel niet verhaalbaar waren op zijn eigen payement desquelles son patrimoine propre ne pouvait être poursuivi
vermogen, slechts instaan ten belope van hetgeen hij ontvangen heeft durant le régime qu’à concurrence de ce qu’il a reçu lors du partage.
bij de verdeling.
§ 3. Voor zover in de akte van verdeling niet anders is bepaald, kan § 3. À défaut d’autre disposition dans l’acte de partage, l’époux qui
de echtgenoot die na de verdeling een gemeenschappelijke schuld après le partage paie une dette commune, a un recours contre l’autre
betaalt, de helft van hetgeen hij betaald heeft, op de andere echtgenoot époux à concurrence de la moitié de ce qu’il a payé.
verhalen.
§ 4. Tenzij anders is bedongen, draagt iedere echtgenoot voor de helft § 4. Sauf convention contraire, chacun des époux contribue pour
bij in de kosten van vereffening en verdeling. moitié aux frais de liquidation et de partage.
Onderafdeling 6. Schulden tussen echtgenoten Sous-section 6. Créances entre époux
Art. 2.3.51. Betaling en interest Art. 2.3.51. Payement et intérêts
Schuldvorderingen van de ene echtgenoot op de andere kunnen Les créances que l’un des époux possède contre l’autre ne s’exercent,
tijdens het wettelijk stelsel alleen verhaald worden op de eigen pendant la durée du régime légal, que sur les biens propres du débiteur.
goederen van de schuldenaar.
Deze schuldvorderingen brengen van rechtswege interest op, te Ces créances portent intérêt de plein droit du jour de la dissolution
rekenen van de dag van de ontbinding van het stelsel. du régime.
Hoofdstuk 4. Overeenkomsten die het wettelijk stelsel kunnen wijzi- Chapitre 4. Conventions qui peuvent modifier le régime légal
gen
Afdeling 1. Algemene bepaling Section 1re. Disposition générale
Art. 2.3.52. Toegelaten afwijkingen Art. 2.3.52. Dérogations autorisées
Echtgenoten die een stelsel van gemeenschap van goederen hebben Les époux qui ont adopté un régime en communauté ne peuvent
aangenomen, mogen niet afwijken van de regels van het wettelijk déroger aux règles du régime légal qui concernent la gestion des
stelsel die betrekking hebben op het bestuur over het eigen en het patrimoines propres et commun. Sous réserve des dispositions des
gemeenschappelijk vermogen. Onder voorbehoud van het bepaalde in articles 2.3.1 à 2.3.3, ils peuvent, par convention matrimoniale, apporter
de artikelen 2.3.1 tot 2.3.3, kunnen zij bij huwelijksovereenkomst elke toute autre modification au régime légal.
andere wijziging aanbrengen in het wettelijk stelsel.
Zij kunnen met name overeenkomen: Ils peuvent notamment convenir:
1° dat het gemeenschappelijk vermogen al hun tegenwoordige en 1° que le patrimoine commun comprendra tout ou partie de leurs
toekomstige goederen of een deel ervan zal omvatten; biens présents et futurs;
2° dat er tussen hen algehele gemeenschap zal zijn; 2° qu’il y aura entre eux communauté universelle;
3° dat een van de echtgenoten recht zal hebben op een vooruitma- 3° que l’un des époux aura droit à un préciput;
king;
4° dat in geval van ontbinding van het huwelijk door het overlijden 4° qu’en cas de dissolution du mariage par le décès d’un des époux,
van een van de echtgenoten, het gemeenschappelijk vermogen in le partage du patrimoine commun se fera par parts inégales ou que tout
ongelijke delen zal worden verdeeld of geheel aan een van de ce patrimoine sera attribué à l’un des époux.
echtgenoten zal verblijven.
Zij blijven onderworpen aan de regels van het wettelijk stelsel Ils restent soumis aux règles du régime légal auxquelles leur
waarvan hun huwelijksovereenkomst niet afwijkt. convention matrimoniale ne déroge pas.
Afdeling 2. Uitbreiding van het gemeenschappelijk vermogen Section 2. Clauses extensives du patrimoine commun
Art. 2.3.53. Inbreng Art. 2.3.53. Apport
§ 1. Echtgenoten kunnen overeenkomen dat de tegenwoordige en § 1er. Les époux peuvent convenir que tout ou partie des biens
toekomstige roerende of onroerende goederen, bedoeld in artikel 2.3.17, présents et futurs, meubles ou immeubles, visés à l’article 2.3.17, feront
geheel of ten dele tot het gemeenschappelijk vermogen zullen behoren. partie du patrimoine commun.
19782 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

§ 2. Toekomstige echtgenoten die, voor het aangaan van het huwelijk, § 2. Les futurs époux qui, avant de contracter mariage, acquièrent la
de volle eigendom van een onroerend goed verkrijgen, kunnen, voor pleine propriété d’un bien immeuble, peuvent, pour autant qu’ils
zover zij ten gevolge van die verkrijging exclusief en ten belope van soient, suite à cette acquisition, propriétaires indivis exclusifs et par
gelijke delen onverdeelde eigenaren zijn van dit goed, in de akte van parts égales de ce bien, faire figurer une déclaration d’apport anticipé
eigendomsverkrijging een verklaring van anticipatieve inbreng opne- dans l’acte d’acquisition de propriété. Du simple fait de leur mariage, ce
men. Door het louter feit van hun huwelijk, zal dit onroerend goed dan bien immeuble fera alors partie du patrimoine commun, comme s’ils
tot het gemeenschappelijk vermogen behoren, alsof ze de inbreng in avaient stipulé l’apport dans leur convention matrimoniale.
hun huwelijksovereenkomst hadden bedongen.
De echtgenoten kunnen in hun huwelijksovereenkomst afwijken van Les époux peuvent déroger à l’alinéa 1er dans leur convention
het eerste lid. matrimoniale.
De notaris schrijft de verklaring van anticipatieve inbreng, bedoeld in Le notaire inscrit la déclaration d’apport anticipé, visée à l’alinéa 1er,
het eerste lid, in het centraal register voor huwelijksovereenkomsten in. au registre central des conventions matrimoniales.
§ 3. De schulden die open staan op het ogenblik van de inbreng en § 3. Les dettes en cours au moment de l’apport et qui ont été
die door de echtgenoot inbrenger werden aangegaan om de inge- contractées par l’époux apporteur afin d’acquérir, d’améliorer ou de
brachte goederen te verkrijgen, te verbeteren of in stand te houden, conserver les biens apportés sont à charge du patrimoine commun,
komen ten laste van het gemeenschappelijk vermogen, behoudens sous réserve de convention contraire dans la convention matrimoniale
andersluidende overeenkomst in de huwelijksovereenkomst of in de ou dans la déclaration visée au paragraphe 2.
verklaring bedoeld in paragraaf 2.
§ 4. De echtgenoot die bepaalde goederen in het gemeenschappelijk § 4. L’époux qui a fait au patrimoine commun l’apport de biens
vermogen heeft gebracht, kan bij de verdeling de nog in natura déterminés a, lors du partage, la faculté de reprendre les biens existants
aanwezige goederen terugnemen, mits hij ze op zijn aandeel toerekent encore en nature en les imputant sur sa part à leur valeur au moment
naar hun waarde ten tijde van de verdeling. Deze bepaling is niet van du partage. La présente disposition ne s’applique pas aux biens
toepassing op goederen die door beide echtgenoten gezamenlijk zijn apportés conjointement par les deux époux.
ingebracht.
§ 5. Een echtgenoot die een bepaald goed in het gemeenschappelijk § 5. Un époux qui apporte au patrimoine commun un bien déterminé,
vermogen brengt, waarvan de waarde in de huwelijksovereenkomst dont la valeur est indiquée dans la convention matrimoniale, peut
wordt vermeld, kan zijn inbreng beperken tot een vastgesteld bedrag. limiter son apport à concurrence d’une certaine somme.
Tenzij in de huwelijksovereenkomst anders is bedongen, is het Sauf stipulation contraire dans la convention matrimoniale, à la
gemeenschappelijk vermogen bij ontbinding van het stelsel, hem een dissolution du régime, il lui est dû par le patrimoine commun une
vergoeding verschuldigd gelijk aan het verschil tussen de waarde van récompense égale à la différence entre la valeur du bien et la somme à
het ingebrachte goed en het bedrag ten belope waarvan het is concurrence de laquelle ce bien a été apporté.
ingebracht.
Deze vergoeding zal worden geherwaardeerd volgens de waarde van Cette récompense sera réévaluée en fonction de la valeur du bien
het ingebrachte goed, hetzij bij de ontbinding van het stelsel, indien het apporté, soit à la dissolution du régime s’il se trouve encore à ce
zich op dat tijdstip nog in het gemeenschappelijk vermogen bevindt, moment dans le patrimoine commun, soit au jour de son aliénation s’il
hetzij op de dag van de vervreemding indien het voordien vervreemd a été aliéné auparavant; si un autre bien a remplacé le bien aliéné, la
is; is het vervreemde goed vervangen door een ander goed, dan wordt récompense est évaluée en fonction de la valeur de ce nouveau bien.
de vergoeding geschat op de grondslag van dat nieuwe goed.
Art. 2.3.54. Algehele gemeenschap Art. 2.3.54. Communauté universelle
Komen de echtgenoten overeen dat er tussen hen algehele gemeen- Lorsque les époux conviennent qu’il y aura entre eux communauté
schap zal zijn, dan brengen zij al hun tegenwoordige en toekomstige universelle, ils font entrer dans le patrimoine commun tous leurs biens
goederen in het gemeenschappelijk vermogen, met uitzondering van présents et futurs à l’exception de ceux qui ont un caractère personnel
die welke van persoonlijke aard zijn en van de rechten die uitsluitend et des droits exclusivement attachés à la personne.
aan de persoon verbonden zijn.
De algehele gemeenschap is in dat geval ook gehouden tot de La communauté universelle supporte également toutes les dettes des
schulden van de echtgenoten die dateren van voor het stelsel en de époux antérieures au régime et celles qui grèvent les successions et
schulden ten laste van nalatenschappen en giften die hun tijdens het libéralités qui leur échoient durant le régime.
stelsel toevallen.
Afdeling 3. Bedingen tot afwijking van de wijze van vereffening of Section 3. Clauses dérogeant au mode de liquidation ou de partage
van verdeling
Art. 2.3.55. Vooruitmaking Art. 2.3.55. Préciput
§ 1. Echtgenoten kunnen overeenkomen dat de langstlevende of een § 1er. Les époux peuvent convenir que celui qui survivra ou l’un
van hen indien die het langst leeft, het recht zal hebben om vóór de d’eux s’il survit, aura le droit de prélever sur le patrimoine commun
verdeling, hetzij een bepaalde geldsom, hetzij bepaalde goederen in avant tout partage, soit une certaine somme, soit certains biens en
natura, hetzij een hoeveelheid of een percentage van een bepaalde nature, soit une certaine quantité ou quotité d’une espèce déterminée
categorie van goederen vooraf te nemen uit het gemeenschappelijk de biens.
vermogen.
De toegekende voordelen worden echter als een schenking beschouwd Les avantages octroyés sont cependant considérés comme une
ten belope van de helft, indien zij tegenwoordige of toekomstige donation, à concurrence de moitié, s’ils ont pour objet des biens
goederen tot voorwerp hebben die de vooroverleden echtgenoot in het présents ou futurs que l’époux prédécédé a fait entrer dans le
gemeenschappelijk vermogen heeft gebracht door een uitdrukkelijk patrimoine commun par une stipulation expresse de la convention
beding in de huwelijksovereenkomst. matrimoniale.
§ 2. Vooruitgemaakte goederen kunnen in beslag worden genomen § 2. Les biens faisant l’objet du préciput peuvent être saisis pour le
voor de betaling van gemeenschappelijke schulden, behoudens verhaal payement des dettes communes, sauf, lorsque le préciput porte sur des
van de begunstigde echtgenoot, wanneer het goederen in natura biens en nature, le recours de l’époux bénéficiaire sur le reste du
betreft, op de rest van het gemeenschappelijk vermogen. patrimoine commun.
Zodanig verhaal is eveneens mogelijk in geval van vervreemding Pareil recours peut également être exercé en cas d’aliénation par un
door een van de echtgenoten van een goed dat in natura vooruitge- des époux d’un bien en nature, objet du préciput.
maakt is.
Art. 2.3.56. Niet gelijke verdeling en verblijvingsbeding Art. 2.3.56. Partage inégal et clause d’attribution
Echtgenoten kunnen overeenkomen dat de langstlevende of een van Les époux peuvent convenir que celui qui survivra ou l’un d’eux s’il
hen indien hij het langst leeft, bij de verdeling een ander deel dan de survit, recevra lors du partage une part autre que la moitié, voire tout
helft, of zelfs het gehele vermogen, zal ontvangen. le patrimoine.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19783

Indien de echtgenoten bij de verdeling van het gemeenschappelijk Lorsque les époux obtiennent des parts inégales dans le partage du
vermogen ongelijke aandelen verkrijgen, zijn zij tot de betaling van de patrimoine commun, ils sont tenus de contribuer au payement des
gemeenschappelijke schulden gehouden naar evenredigheid van hun dettes communes dans la proportion de leur part dans l’actif, sans
aandeel in de baten, met behoud van de toepassing van artikel 2.3.50, préjudice de l’application de l’article 2.3.50, § 2.
§ 2.
Indien de akte van verdeling niet anders bepaalt, kan de echtgenoot À défaut d’autre disposition dans l’acte de partage, l’époux qui après
die na de verdeling een gemeenschappelijke schuld betaalt boven het le partage paie une dette commune au-delà de la part qui lui incombe
aandeel dat hij krachtens het tweede lid moet dragen, het meerdere op en vertu de l’alinéa 2 a un recours contre l’autre époux pour ce qu’il a
de andere echtgenoot verhalen. payé au-delà de sa part.
Art. 2.3.57. Regel ten aanzien van gemeenschappelijke kinderen Art. 2.3.57. Règle à l’égard des enfants communs
Indien er gemeenschappelijke kinderen zijn, wordt een huwelijks- Dans le cas où il y a des enfants communs, une convention
overeenkomst die een voordeel toekent dat uit de samenstelling, de matrimoniale accordant un avantage qui résulterait du mode de
werking, de vereffening of de verdeling van het gemeenschappelijk composition, de fonctionnement, de liquidation ou de partage du
vermogen kan worden verkregen, ten aanzien van hen als een patrimoine commun est considérée, à leur égard, comme une donation
schenking beschouwd voor het aandeel boven de helft dat aan de pour la part dépassant la moitié attribuée au conjoint survivant dans la
langstlevende echtgenoot wordt toegewezen in de waarde, op de dag valeur, au jour de leur attribution, des biens présents ou futurs que
van de toekenning ervan, van de tegenwoordige of toekomstige l’époux prédécédé a fait entrer dans le patrimoine commun par une
goederen die de vooroverleden echtgenoot in het gemeenschappelijk stipulation expresse de la convention matrimoniale.
vermogen heeft gebracht door een uitdrukkelijk beding in de huwe-
lijksovereenkomst.
Een kind van een van de echtgenoten dat gewoon of ten volle is Un enfant d’un des époux qui a fait l’objet d’une adoption simple ou
geadopteerd door de andere echtgenoot, wordt beschouwd als een plénière par l’autre époux est considéré comme un enfant commun.
gemeenschappelijk kind.
Art. 2.3.58. Regel ten aanzien van niet-gemeenschappelijke kinderen Art. 2.3.58. Règle à l’égard des enfants non communs
Ingeval er kinderen zijn die niet gemeenschappelijk zijn, wordt enkel Dans le cas où il y a des enfants qui ne leur sont pas communs, seul
de gelijke verdeling van hetgeen is gespaard op de wederzijdse le partage égal des économies faites sur les revenus respectifs des
inkomsten van de echtgenoten, al zijn die ongelijk, aan de toepassing époux, quoique inégaux, échappe à l’application des règles des
van de regels van de schenkingen onttrokken. donations.
Elke huwelijksovereenkomst die een ruimer voordeel toekent dat een Toute convention matrimoniale accordant un avantage supérieur qui
echtgenoot uit de samenstelling, de werking, de vereffening of de résulterait pour un époux du mode de composition, de fonctionnement,
verdeling van het gemeenschappelijk vermogen kon verkrijgen, wordt, de liquidation ou de partage du patrimoine commun supérieur est
ten aanzien van hen, als een schenking beschouwd. considérée, à leur égard, comme une donation.
Art. 2.3.59. Verval bij onwaardigheid Art. 2.3.59. Caducité en cas d’indignité
Elk beding van de huwelijksovereenkomst die een voordeel toekent Toute clause de la convention matrimoniale accordant un avantage
dat de langstlevende echtgenoot uit de samenstelling, de werking, de qui résulterait pour le conjoint survivant du mode de composition, de
vereffening of de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen kon fonctionnement, de liquidation ou de partage du patrimoine commun,
verkrijgen, vervalt indien deze echtgenoot onwaardig is om van de est caduque si ce conjoint est indigne d’hériter du conjoint défunt.
overleden echtgenoot te erven.
De bepalingen inzake onwaardigheid om te erven zijn van overeen- Les dispositions relatives à l’indignité successorale s’appliquent par
komstige toepassing op de onwaardigheid om voordelen te verkrijgen analogie à l’indignité de recueillir ou de conserver des avantages qui
of te behouden die de langstlevende echtgenoot uit de samenstelling, résulteraient pour le conjoint survivant du mode de composition, de
de werking, de vereffening of de verdeling van het gemeenschappelijk fonctionnement, de liquidation ou de partage du patrimoine commun.
vermogen kon verkrijgen. Dit is eveneens het geval indien de Il en est ainsi même si le conjoint survivant est exclu de la succession du
langstlevende echtgenoot uit de nalatenschap van de overleden conjoint décédé, soit par l’effet d’une clause d’exhérédation, soit par
echtgenoot gesloten is, hetzij door een ontervend beding, hetzij door l’effet d’une décision d’exclusion ou de déchéance de ses droits
een beslissing tot uitsluiting of tot verval van zijn erfrecht. successoraux.
Art. 2.3.60. Verval bij ontbinding anders dan door overlijden of Art. 2.3.60. Caducité en cas de dissolution pour une autre cause que
echtscheiding le décès ou le divorce
Met behoud van de toepassing van artikel 4.237, § 4, leidt de Sans préjudice de l’article 4.237, § 4, la dissolution du régime
ontbinding van het huwelijksstelsel door de overgang naar een matrimonial opérée par la séparation de biens judiciaire ou par
gerechtelijke scheiding van goederen of door de conventionele over- l’adoption conventionnelle d’un autre régime matrimonial entraîne la
gang naar een ander huwelijksvermogensstelsel, tot verval van de caducité des avantages qui résulteraient pour un époux du mode de
voordelen die een echtgenoot uit de samenstelling, de werking, de composition, de fonctionnement, de liquidation ou de partage du
vereffening of de verdeling van het gemeenschappelijk vermogen kon patrimoine commun et qui sont concédés en tant que droits de survie.
verkrijgen en die als overlevingsrechten zijn toegekend.
Hoofdstuk 5. Scheiding van goederen Chapitre 5. Séparation de biens
Afdeling 1. Conventionele scheiding van goederen Section 1re. Séparation de biens conventionnelle
Art. 2.3.61. Scheiding van vermogens Art. 2.3.61. Séparation des patrimoines
Wanneer de echtgenoten bij huwelijksovereenkomst bedingen dat zij Lorsque les époux ont stipulé par convention matrimoniale qu’ils
gescheiden van goederen zullen zijn, bezit ieder van hen de bevoegd- seront séparés de biens, chacun d’eux a seul tous pouvoirs d’adminis-
heid van beheer, genot en beschikking alleen, met behoud van de tration, de jouissance et de disposition, sans préjudice de l’application
toepassing van de bepalingen betreffende hun wederzijdse rechten en des dispositions relatives à leurs droits et devoirs respectifs.
verplichtingen.
De inkomsten en besparingen van ieder van de echtgenoten blijven Les revenus et les économies de chacun des époux restent des biens
eigen goed. propres.
Art. 2.3.62. Bewijs van eigendom Art. 2.3.62. Preuve de la propriété
Het bewijs van de eigendom van een goed of een schuldvordering La preuve de la propriété d’un bien ou d’une créance se fait tant entre
wordt tussen echtgenoten zowel als ten aanzien van derden geleverd époux que vis-à-vis des tiers selon les règles de l’article 2.3.20.
volgens de regels van artikel 2.3.20.
Roerende goederen waarvan niet kan worden bewezen dat ze Les biens meubles dont la propriété dans le chef d’un seul des époux
eigendom zijn van een van de echtgenoten, worden beschouwd als n’est pas établie sont considérés comme indivis entre eux.
onverdeeld tussen de echtgenoten.
19784 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

Art. 2.3.63. Onverdeeldheid Art. 2.3.63. Indivision


Met behoud van de toepassing van artikel 215, § 1, van het oud Sans préjudice de l’application de l’article 215, § 1er, de l’ancien Code
Burgerlijk Wetboek, en onder voorbehoud van andersluidende over- civil, et sous réserve de conventions contraires, chacun des époux peut
eenkomsten, kan elk van de echtgenoten te allen tijde verdeling à tout moment demander le partage de tout ou partie des biens indivis
vorderen van al hun onverdeelde goederen of een deel ervan. entre eux.
Art. 2.3.64. Toegelaten toevoegingen Art. 2.3.64. Ajouts autorisés
§ 1. Echtgenoten die kiezen voor het stelsel van scheiding van § 1er. Les époux qui optent pour le régime de la séparation de biens
goederen kunnen aan dit stelsel alle bedingen toevoegen die met dat peuvent ajouter à ce régime toutes les clauses compatibles avec ce
stelsel verenigbaar zijn. régime.
Zij kunnen onder meer bedingen toevoegen met betrekking tot de Ils peuvent notamment ajouter des clauses concernant l’administra-
bewijsvoering, tussen hen, van exclusief eigendomsrecht, met betrek- tion de la preuve, entre eux, du droit de propriété exclusif, concernant
king tot het bewijs van vorderingen die de ene tegen de andere kan la preuve de créances que l’un peut invoquer contre l’autre, ainsi que
inroepen, en bedingen ter nadere regeling van enige onverdeeldheid of des clauses précisant toute indivision ou patrimoine d’affectation
doelvermogen die tussen hen zou bestaan. pouvant exister entre eux.
Zij kunnen ook bedingen opnemen die ertoe strekken een verreke- Ils peuvent aussi adopter des clauses visant à réaliser un décompte
ning tussen hun vermogens te verwezenlijken, met name door entre leurs patrimoines, notamment par l’ajout d’une clause de
toevoeging van een beding van verrekening van aanwinsten. participation aux acquêts.
De artikelen 2.3.57 tot 2.3.60 zijn van overeenkomstige toepassing. Les articles 2.3.57 à 2.3.60 s’appliquent par analogie.
§ 2. Echtgenoten die een beding van verrekening van aanwinsten § 2. Les époux qui ont adopté une clause de participation aux acquêts
hebben opgenomen, zijn onderworpen aan de artikelen 2.3.65 tot 2.3.77 sont soumis aux articles 2.3.65 à 2.3.77. Le patrimoine originaire, le
Het aanvangsvermogen, het eindvermogen, de verrekenvordering en patrimoine final, la créance de participation et le paiement de celle-ci
de betaling daarvan worden overeenkomstig die artikelen bepaald. sont définis conformément à ces articles.
Echtgenoten kunnen bij huwelijksovereenkomst afwijken van het Les époux peuvent dans leur convention matrimoniale déroger au
bepaalde in het eerste lid en zelf de verrekenmassa, verrekensleutel, het prescrit de l’alinéa 1er et convenir eux-mêmes de la masse de partici-
verrekentijdstip en de verrekenmodaliteiten overeenkomen. pation, de la clé de participation, du moment de participation et des
modalités de participation.
§ 3. De notaris vermeldt uitdrukkelijk in de huwelijksovereenkomst § 3. Le notaire mentionne explicitement dans la convention matrimo-
dat hij ieder van de echtgenoten heeft gewezen op de juridische niale qu’il a attiré l’attention de chacun des époux sur les conséquences
gevolgen van het opnemen of niet opnemen van een beding van juridiques de l’adoption ou non d’une clause de participation aux
verrekening van aanwinsten. acquêts.
Art. 2.3.65. Verrekening van aanwinsten Art. 2.3.65. Participation aux acquêts
In een stelsel van scheiding van goederen met verrekening van Dans un régime de séparation de biens avec participation aux
aanwinsten worden de aanwinsten gevormd door het verschil tussen acquêts, les acquêts sont constitués par la différence entre le patrimoine
het eindvermogen van een echtgenoot en zijn aanvangsvermogen. final d’un époux et son patrimoine originaire.
Bij de ontbinding van het huwelijksstelsel blijkt de verrekenvorde- À la dissolution du régime matrimonial, la créance de participation
ring uit de vergelijking tussen de aanwinsten van beide echtgenoten. résulte de la comparaison des acquêts de chacun des époux.
Art. 2.3.66. Samenstelling van het aanvangsvermogen Art. 2.3.66. Composition du patrimoine originaire
§ 1. Het aanvangsvermogen is het vermogen van ieder van de § 1er. Le patrimoine originaire est le patrimoine de chacun des époux
echtgenoten op de datum waarop het huwelijksstelsel uitwerking à la date à laquelle le régime matrimonial prend effet. Les dettes sont
krijgt. De schulden worden in het aanvangsvermogen in aanmerking prises en compte dans le patrimoine originaire, même lorsqu’elles
genomen, zelfs al overschrijden zij het bedrag van het actief. excèdent le montant de l’actif.
§ 2. De goederen en rechten die ieder van de echtgenoten later § 2. Les biens et droits acquis ultérieurement par chacun des époux
verkrijgt door gift of nalatenschap en deze bedoeld in artikel 2.3.19, § 1, par libéralité ou succession ainsi que ceux visés à l’article 2.3.19, § 1er,
1°, en § 2, worden in het aanvangsvermogen opgenomen. De schulden 1°, et § 2, sont ajoutés au patrimoine originaire. Les dettes visées aux
bedoeld in de artikelen 2.3.23 en 2.3.24 worden in het aanvangsvermo- articles 2.3.23 et 2.3.24 sont prises en compte dans le patrimoine
gen in aanmerking genomen, zelfs al overschrijden zij het bedrag van originaire, même lorsqu’elles excèdent le montant de l’actif.
het actief.
§ 3. Tot het aanvangsvermogen worden niet gerekend: § 3. Le patrimoine originaire ne comprend pas:
1° de vruchten van de goederen die tot dat vermogen behoren; 1° les fruits des biens qui le composent;
2° de goederen van het aanvangsvermogen die een echtgenoot 2° les biens du patrimoine originaire donnés par un époux à des
tijdens het huwelijksstelsel aan één van zijn verwanten in rechte lijn parents en ligne directe au cours du régime matrimonial.
heeft gegeven.
§ 4. Bij het sluiten van de huwelijksovereenkomst maken de echtge- § 4. Lors de la conclusion de la convention matrimoniale, les époux
noten een beschrijving op van hun respectieve aanvangsvermogen. établissent un inventaire de leur patrimoine originaire respectif. Cet
Indien die beschrijving door beide echtgenoten is ondertekend, wordt inventaire est présumé exact lorsque les deux époux l’ont signé.
zij geacht juist te zijn.
§ 5. Indien geen beschrijving werd opgemaakt, wordt het aanvangs- § 5. Si aucun inventaire n’a été établi, le patrimoine originaire est
vermogen geacht nul te zijn. présumé nul.
Art. 2.3.67. Waardering van het aanvangsvermogen Art. 2.3.67. Evaluation du patrimoine originaire
§ 1. Het aanvangsvermogen wordt als volgt geschat: § 1er. Le patrimoine originaire est évalué comme suit:
1° de op datum waarop het huwelijksstelsel in werking treedt 1° les biens existants à la date de prise d’effet du régime matrimonial
bestaande goederen worden op die datum geschat; sont évalués à cette date;
2° de goederen die na de datum waarop het huwelijksstelsel in 2° les biens acquis après la date de prise d’effet du régime
werking treedt, worden verkregen en die, krachtens artikel 2.3.66, § 2, matrimonial et qui, en vertu de l’article 2.3.66, § 2, font partie du
tot het aanvangsvermogen behoren, worden op de datum van hun patrimoine originaire, sont évalués à la date de leur acquisition.
verkrijging geschat.
§ 2. De onroerende goederen en de onroerende zakelijke rechten van § 2. Toutefois, les immeubles et droits réels immobiliers du patri-
het aanvangsvermogen, andere dan vruchtgebruik, worden op de moine originaire, autres que l’usufruit, sont évalués à la date de la
datum van de ontbinding van het stelsel geschat. Indien die goederen dissolution du régime. Si ces biens ont été cédés ou remplacés au cours
tijdens het huwelijk zijn overgedragen of vervangen, wordt de waarde du mariage, est retenue leur valeur à la date de la cession ou du
in aanmerking genomen op de datum van overdracht of vervanging. remplacement. Les modifications de leur état entreprises au cours du
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19785

De tijdens het huwelijk ondernomen wijzigingen aan de toestand van mariage ne sont pas prises en compte dans l’évaluation du patrimoine
die goederen, worden niet in aanmerking genomen voor de raming van originaire.
het aanvangsvermogen.
§ 3. Indien de goederen worden geraamd op een datum die de § 3. Lorsque les biens sont évalués à une date antérieure à la
ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel voorafgaat, dan wordt dissolution du régime matrimonial, leur valeur déterminée en applica-
hun overeenkomstig paragrafen 1 en 2 bepaalde waarde, aangepast tion des paragraphes 1er et 2 est indexée sur la variation de l’indice
volgens de wijziging van het algemeen indexcijfer van de consumptie- général des prix à la consommation.
prijzen.
§ 4. De paragrafen 1 en 3 zijn ook van toepassing op de schatting van § 4. Les paragraphes 1er et 3 s’appliquent aussi à l’évaluation des
schulden. dettes.
Art. 2.3.68. Samenstelling van het eindvermogen Art. 2.3.68. Composition du patrimoine final
§ 1. Het eindvermogen is samengesteld uit de goederen die de § 1er. Le patrimoine final est constitué des biens appartenant à
echtgenoot op de datum van ontbinding van het stelsel toebehoren. De l’époux à la date de la dissolution du régime. Les dettes sont prises en
schulden worden in aanmerking genomen, zelfs als zij het bedrag van compte, même lorsqu’elles excèdent le montant de l’actif.
het actief overschrijden.
§ 2. Aan dat eindvermogen wordt de waarde toegevoegd van de § 2. Est ajoutée au patrimoine final la valeur des biens qu’un époux:
goederen die een echtgenoot:
1° heeft geschonken, behalve indien: 1° a donnés, sauf:
a) de schenking niet overdreven was, gelet op de levenswijze van de a) si la donation n’est pas excessive eu égard au train de vie des
echtgenoten of; époux ou;
b) de schenking betrekking heeft op een goed van het aanvangsver- b) si la donation porte sur un bien du patrimoine originaire donné à
mogen dat aan verwanten in rechte lijn werd geschonken. De des parents en ligne directe. Toutefois, la plus-value apportée par les
meerwaarde ten gevolge van de verbeteringen die tijdens de duur van améliorations réalisées sur ce bien, pendant la durée du régime
het huwelijksstelsel werd aangebracht, met gelden die niet van het matrimonial, avec une somme d’argent ne dépendant pas du patri-
aanvangsvermogen afhangen, wordt echter aan het eindvermogen moine originaire, est ajoutée au patrimoine final;
toegevoegd;
2° heeft overgedragen met oogmerk om de andere echtgenoot te 2° a cédés dans le but de léser l’autre époux ou;
benadelen of;
3° heeft verkwist. 3° a dissipés.
Die bepalingen zijn niet van toepassing indien de schenking, de Ces dispositions ne s’appliquent pas si la donation, l’aliénation
bedrieglijke vervreemding of de verkwisting meer dan tien jaar voor de frauduleuse ou la dissipation est intervenue plus de dix ans avant la
ontbinding van het huwelijksstelsel plaatsvond, of indien de andere dissolution du régime matrimonial ou si l’autre époux y a consenti.
echtgenoot ermee heeft ingestemd.
Art. 2.3.69. Waardering van het eindvermogen Art. 2.3.69. Évaluation du patrimoine final
Het eindvermogen wordt zowel voor het actief als voor het passief Le patrimoine final est évalué, tant en ce qui concerne l’actif que le
geschat op de datum van ontbinding van het huwelijksstelsel. passif, à la date de la dissolution du régime matrimonial.
De waarde van de goederen bedoeld in artikel 2.3.68, § 2, wordt La valeur des biens visés à l’article 2.3.68, § 2, est fixée à la date de la
bepaald op de datum van de schenking, van de bedrieglijke vervreem- donation, de l’aliénation frauduleuse ou de la dissipation. La plus-
ding of van de verkwisting. De meerwaarde bedoeld in artikel 2.3.68, value visée à l’article 2.3.68, § 2, alinéa 1er, 1°, b), est évaluée à la date de
§ 2, eerste lid, 1°, b), wordt geschat op de datum van de schenking van la donation du bien.
het goed.
De in het tweede lid vermelde waarden worden aangepast volgens Les valeurs indiquées à l’alinéa 2 sont indexées sur la variation de
de wijziging van het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen. l’indice général des prix à la consommation.
Art. 2.3.70. Vaststelling van de verrekenvordering Art. 2.3.70. Détermination de la créance de participation
Indien bij ontbinding van het huwelijksstelsel de aanwinsten van een Si à la dissolution du régime matrimonial, les acquêts d’un époux
van de echtgenoten die van de andere overschrijden, dan kan deze excèdent les acquêts de l’autre époux, ce dernier peut faire valoir à
laatste tegen zijn echtgenoot een verrekenvordering gelijk aan de helft l’encontre de son conjoint une créance de participation égale à la moitié
van dat verschil doen gelden. de la différence.
De verrekenvordering wordt in geld betaald. De rechtbank kan La créance de participation donne lieu à un paiement en argent.
echter op verzoek van de ene of van de andere echtgenoot beslissen dat, Toutefois, le tribunal peut, à la demande de l’un ou l’autre des époux,
met het oog op die betaling, goederen van de schuldenaar aan de ordonner, à l’effet de ce paiement, le transfert de biens du débiteur au
schuldeiser worden overgedragen, indien dit met het billijkheidsbegin- créancier, si cela répond au principe de l’équité.
sel overeenstemt.
Na de ontbinding van het huwelijksstelsel is de verrekenvordering Après la dissolution du régime matrimonial, la créance de participa-
wegens overlijden vererfbaar en onder levenden overdraagbaar. tion est transmissible à cause de mort et cessible entre vifs.
Art. 2.3.71. Waardering van de verrekenvordering Art. 2.3.71. Évaluation de la créance de participation
Indien het huwelijk door echtscheiding is ontbonden, of indien het Si le mariage est dissous par divorce ou si le régime matrimonial est
huwelijksstelsel door een andere gerechtelijke beslissing is ontbonden, dissous par une autre décision judiciaire, la créance de participation est
wordt de verrekenvordering bepaald volgens de samenstelling en de déterminée en fonction de la composition et de la valeur du patrimoine
waarde van het vermogen van de echtgenoten op het tijdstip waarop de des époux à la date d’introduction de la demande en justice.
vordering in rechte is ingediend.
Art. 2.3.72. Maximumbedrag van de verrekenvordering Art. 2.3.72. Montant maximal de la créance de participation
De verrekenvordering is beperkt tot de helft van de waarde van de La créance de participation est limitée à la moitié de la valeur des
aanwinsten van de schuldplichtige echtgenoot, zoals ze na aftrek van acquêts de l’époux débiteur tels qu’ils existent, après déduction des
de schulden bestaan, op de datum die voor de bepaling van het bedrag dettes, à la date retenue pour la détermination du montant de cette
ervan in aanmerking komt. créance.
De beperking van de verrekenvordering wordt verhoogd met de La limite de la créance de participation est relevée de la moitié du
helft van het bedrag dat aan het eindvermogen wordt toegevoegd montant ajouté au patrimoine final en application de l’article 2.3.68, § 2,
overeenkomstig artikel 2.3.68, § 2, met uitzondering van het geval à l’exception du cas visé à l’alinéa 1er, 1°, b), du même paragraphe.
bedoeld in het eerste lid, 1°, b), van diezelfde paragraaf.
19786 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

Art. 2.3.73. Verjaring Art. 2.3.73. Prescription


Het recht op de verrekenvordering verjaart na drie jaar te rekenen Le droit à la créance de participation se prescrit par trois ans à
vanaf de datum waarop de echtgenoot kennis heeft van de ontbinding compter de la date à laquelle l’époux a connaissance de la dissolution
van het huwelijksstelsel, en uiterlijk tien jaar na de ontbinding van het du régime matrimonial, et au plus tard dix ans après la dissolution du
stelsel. régime.
Art. 2.3.74. Informatieplicht Art. 2.3.74. Devoir d’information
Na de ontbinding van het huwelijksstelsel moet iedere echtgenoot Après la dissolution du régime matrimonial, chacun des époux a
aan de andere alle informatie verschaffen over de samenstelling van l’obligation de fournir à l’autre époux toutes informations sur la
zijn aanvangs- en eindvermogen. Hij moet op verzoek bewijsstukken composition de ses patrimoines originaire et final. Sur demande, il doit
overleggen. Ieder van de echtgenoten kan eisen dat een volledige en présenter des justificatifs. Chacun des époux peut exiger la présentation
waarheidsgetrouwe beschrijving wordt opgemaakt. Op zijn verzoek d’un inventaire sincère et véritable. À sa demande, il doit être appelé à
moet hij voor die beschrijving worden opgeroepen. Hij mag bovendien cet inventaire. Il peut en outre exiger que l’inventaire soit établi par un
eisen dat die beschrijving op zijn kosten door een notaris wordt notaire à ses frais.
opgemaakt.
Het eerste lid is eveneens van toepassing wanneer een van de L’alinéa 1er s’applique également dès lors que l’un des époux a
echtgenoten de ontbinding van het huwelijk of de vervroegde uitbeta- demandé la dissolution du mariage ou la liquidation anticipée de la
ling van de verrekenvordering heeft geëist. créance de participation.
Art. 2.3.75. Uitstel van betaling Art. 2.3.75. Délai de payement
Indien de onmiddellijke betaling van de verrekenvordering voor de Si le règlement immédiat de la créance de participation pénalise de
schuldenaar onredelijk bezwarend is, met name als hij verplicht zou manière inéquitable le débiteur, notamment en l’obligeant à céder un
worden een goed af te staan dat hij nodig heeft om in zijn levenson- bien constituant son moyen de subsistance, le tribunal peut, à sa
derhoud te voorzien, kan de rechtbank hem, op zijn verzoek, uitstel demande, lui accorder des délais pour le règlement de la créance.
voor die betaling verlenen.
De vordering waarvan de betaling wordt uitgesteld, brengt intrest La créance dont le paiement est différé, porte intérêts.
op.
De rechtbank kan, op verzoek van de schuldeiser, de schuldenaar Le tribunal peut, à la demande du créancier, imposer au débiteur la
verplichten zekerheden te stellen, waarvan hij de aard en het bedrag fourniture de sûretés dont il détermine la nature et le montant en
naar billijkheid bepaalt. équité.
Art. 2.3.76. Vervroegde uitkering Art. 2.3.76. Liquidation anticipée
Indien een echtgenoot door het bestuur van zijn vermogen de rechten Si la gestion de son patrimoine par l’un des époux est de nature à
van de andere met betrekking tot de berekening van de verrekenvor- compromettre les droits de l’autre au titre du calcul de la créance de
dering in gevaar brengt, kan deze laatste de vervroegde uitkering van participation, ce dernier peut demander la liquidation anticipée de la
de verrekenvordering eisen. Dat is met name zo in de gevallen die créance de participation. Il en est notamment ainsi dans les cas qui
leiden tot de fictieve toevoeging bedoeld in artikel 2.3.68, § 2. conduisent à la réunion fictive visée à l’article 2.3.68, § 2.
Vanaf de definitieve beslissing die de vraag inwilligt, zijn de A compter de la décision définitive faisant droit à la demande, les
echtgenoten aan het stelsel van scheiding van goederen onderworpen. époux sont placés sous le régime de la séparation de biens.
Art. 2.3.77. Beschrijving Art. 2.3.77. Inventaire
De beschrijving bedoeld in de artikelen 2.3.66 en 2.3.74 kan voor de L’inventaire visé aux articles 2.3.66 et 2.3.74 peut être établi soit
notaris of onderhands worden opgemaakt. De notariële beschrijving devant notaire soit sous signature privée. En cas d’inventaire notarié,
kan worden opgemaakt op grond van verklaringen, voor zover beide celui-ci peut être fait sur déclarations, pour autant que les deux époux
echtgenoten hiermee akkoord gaan. y consentent.
Afdeling 2. Gerechtelijke scheiding van goederen Section 2. Séparation de biens judiciaire
Art. 2.3.78. Vordering Art. 2.3.78. Demande
§ 1. Een van de echtgenoten of zijn wettelijke vertegenwoordiger kan § 1er. Un des époux ou son représentant légal peut poursuivre en
scheiding van goederen in rechte vorderen, wanneer uit de wanorde in justice la séparation de biens lorsqu’il apparaît que par le désordre des
de zaken van de andere echtgenoot, zijn slecht beheer of de verkwisting affaires de son conjoint, sa mauvaise gestion ou la dissipation de ses
van zijn inkomsten blijkt dat de instandhouding van het stelsel de revenus, le maintien du régime existant met en péril les intérêts de
belangen van de eisende echtgenoot in gevaar brengt. l’époux demandeur.
§ 2. De schuldeisers van een van beide echtgenoten kunnen geen § 2. Les créanciers de l’un ou de l’autre époux ne peuvent pas
scheiding van goederen vorderen. demander la séparation de biens.
Zij kunnen tussenkomen in het geding. Ils peuvent intervenir à l’instance.
Art. 2.3.79. Gevolgen Art. 2.3.79. Effets
§ 1. De gerechtelijke scheiding van goederen werkt terug, wat haar § 1er. La séparation de biens judiciaire remonte quant à ses effets au
gevolgen betreft, tot op de dag van de eis, zowel tussen echtgenoten als jour de la demande, tant entre époux qu’à l’égard des tiers.
ten aanzien van derden.
§ 2. De beslissing waarbij de scheiding van goederen wordt uitge- § 2. La décision prononçant la séparation de biens est de nul effet si
sproken, blijft zonder gevolg indien de staat van vereffening van het l’état liquidatif du régime antérieur n’a pas été dressé par acte
vorige stelsel niet bij authentieke akte is opgemaakt binnen een jaar na authentique dans l’année de l’inscription de cette décision au registre
de inschrijving van die beslissing in het centraal register voor central des conventions matrimoniales.
huwelijksovereenkomsten.
De termijn kan op verzoekschrift worden verlengd door de rechter Le délai peut être prorogé sur requête par la juridiction qui a
die de scheiding van goederen heeft uitgesproken. prononcé la séparation de biens.
Art. 2.3.80. Verzet schuldeisers Art. 2.3.80. Opposition des créanciers
De schuldeisers van de echtgenoten kunnen verzet doen tegen Les créanciers d’un des époux peuvent s’opposer à ce que la
vereffening buiten hun aanwezigheid en daarin op hun kosten liquidation s’opère hors de leur présence et y intervenir à leurs frais.
tussenkomen.
Bovendien kunnen zij, binnen een termijn van zes maanden te Ils peuvent en outre, dans un délai de six mois prenant cours à
rekenen van het verstrijken van de termijn gesteld in het artikel 2.3.79, l’expiration de celui prévu à l’article 2.3.79, § 2, se pourvoir contre une
§ 2, opkomen tegen de vereffening, wanneer deze met bedrieglijke liquidation opérée en fraude de leurs droits.
benadeling van hun rechten is geschied.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19787

Afdeling 3. Rechterlijke billijkheidscorrectie Section 3. Correction judiciaire en équité


Art. 2.3.81. Facultatieve rechterlijke billijkheidscorrectie Art. 2.3.81. Correction judiciaire en équité facultative
§ 1. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2, kan de familie- § 1er. Sans préjudice du paragraphe 2, le tribunal de la famille peut,
rechtbank, wanneer het huwelijk ontbonden is door echtscheiding lorsque le mariage est dissous par le divorce pour cause de désunion
wegens onherstelbare ontwrichting van het huwelijk tussen de echtge- irrémédiable entre les époux, accorder à l’époux lésé, à sa demande,
noten, aan de benadeelde echtgenoot, op zijn verzoek, een vergoeding une indemnisation à charge de l’autre époux, à condition que les
ten laste van de andere echtgenoot toekennen op voorwaarde dat de circonstances se soient modifiées défavorablement et de manière
omstandigheden sedert het sluiten van de huwelijksovereenkomst van imprévue depuis la conclusion de la convention matrimoniale de
scheiding van goederen of sedert de dag van de eis tot gerechtelijke séparation de biens ou depuis le jour de la demande de séparation des
scheiding van goederen onvoorzien en ongunstig gewijzigd zijn, biens, de sorte que le régime choisi entraînerait, au détriment de
waardoor het gekozen stelsel, rekening houdend met de vermogens- l’époux demandeur, des conséquences manifestement inéquitables, eu
rechtelijke situatie van beide echtgenoten, tot manifest onbillijke égard à la situation patrimoniale des deux époux.
gevolgen ten nadele van de verzoekende echtgenoot zou leiden.
De toe te kennen vergoeding remedieert deze manifest onbillijke L’indemnisation à accorder remédie à ces conséquences manifeste-
gevolgen en kan niet hoger liggen dan één derde van de nettowaarde ment inéquitables et ne peut être supérieure au tiers de la valeur nette
van de samengevoegde aanwinsten van de echtgenoten op het tijdstip des acquêts conjugués des époux au moment de la dissolution du
van ontbinding van hun huwelijk, waarvan vervolgens de nettowaarde mariage, dont il faut ensuite déduire la valeur nette des acquêts
van de persoonlijke aanwinsten van de verzoekende echtgenoot moet personnels de l’époux demandeur. Les acquêts des époux au sens du
worden afgetrokken. De aanwinsten van de echtgenoten in de zin van présent alinéa sont déterminés en application des articles 2.3.65 à 2.3.69.
dit lid worden bepaald bij toepassing van de artikelen 2.3.65 tot 2.3.69.
De vordering tot vergoeding wordt behandeld binnen de procedure La demande d’indemnisation est examinée dans le cadre de la
van vereffening van het huwelijksstelsel. procédure de liquidation du régime matrimonial.
§ 2. Echtgenoten die kiezen voor het stelsel van scheiding van § 2. Les époux qui optent pour le régime de la séparation de biens
goederen, stellen in hun huwelijksovereenkomst hun akkoord vast over constatent dans leur convention matrimoniale leur accord quant à
het al dan niet opnemen van dat recht op vergoeding, al of niet met l’insertion ou non de ce droit à l’indemnisation, assorti ou non de
afwijkende modaliteiten. modalités dérogatoires.
De notaris wijst de echtgenoten op de in het eerste lid bepaalde Le notaire attire l’attention des époux sur l’obligation prévue à
verplichting en op de juridische gevolgen van hun keuze om het recht l’alinéa 1er ainsi que sur les conséquences juridiques qui découlent de
op vergoeding op te nemen, al of niet met afwijkende modaliteiten. Op leur choix d’insérer ou non le droit à l’indemnisation, assorti ou non de
straffe van aansprakelijkheid, vermeldt de notaris de keuze van de modalités dérogatoires. Sous peine de responsabilité, le notaire fait
echtgenoten uitdrukkelijk in hun huwelijksovereenkomst. expressément mention du choix des époux dans la convention matri-
moniale.
Ondertitel 2. Centraal register voor huwelijksovereenkomsten Sous-titre 2. Registre central des conventions matrimoniales
Art. 2.3.82. Doeleinden Art. 2.3.82. Finalités
Het centraal register voor huwelijksovereenkomsten is een geïnfor- Le registre central des conventions matrimoniales est une banque de
matiseerde gegevensbank met als doeleinde: données informatisée ayant comme finalité:
1° de huwelijksovereenkomsten tegenwerpelijk te maken aan derden 1° de rendre opposables aux tiers les conventions matrimoniales, et
en, binnen de perken van de bepalingen van deze ondertitel, de de permettre dans les limites précisées dans le présent sous-titre la
raadpleging en de mededeling aan derden van informatie over de consultation et la communication aux tiers, par la voie électronique, ou,
huwelijksovereenkomsten van gehuwde personen, daarin begrepen de le cas échéant, par la voie postale, des informations relatives aux
verklaringen van anticipatieve inbreng, evenals over de vermogens- conventions matrimoniales des personnes mariées, en ce compris les
rechtelijke overeenkomsten van wettelijk samenwonenden, op elektro- déclarations d’apport anticipé, ainsi qu’aux conventions patrimoniales
nische wijze of, in voorkomend geval, per post, mogelijk te maken; des cohabitants légaux;
2° binnen de perken bepaald door Verordening (EU) 2016/679 van 2° le traitement, dans les limites déterminées par le règlement (UE)
het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif
bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking à la protection des personnes physiques à l’égard du traitement des
van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gege- données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et
vens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, de verwerking van de in abrogeant la directive 95/46/CE, des données enregistrées dans le
het centraal register geregistreerde gegevens mogelijk te maken met het registre central à des fins d’intérêt général, et en particulier à des fins
oog op het algemeen belang en in het bijzonder statistische en statistiques et scientifiques, ou afin d’améliorer la qualité du registre.
wetenschappelijke doeleinden, of teneinde de kwaliteit van het register
te verbeteren.
Art. 2.3.83. Op te nemen akten Art. 2.3.83. Actes à inscrire
§ 1. In het centraal register voor huwelijksovereenkomsten worden § 1er. Sont inscrits dans le registre central des conventions matrimo-
opgenomen: niales:
1° de huwelijksovereenkomsten, ongeacht of ze voor of tijdens het 1° les conventions matrimoniales, qu’elles soient conclues avant ou
huwelijk worden gesloten; pendant le mariage;
2° de verklaringen van anticipatieve inbreng opgenomen in een akte 2° les déclarations d’apport anticipé qui figurent dans un acte
van eigendomsverkrijging van een onroerend goed overeenkomstig d’acquisition de propriété d’un bien immeuble conformément à
artikel 2.3.53, § 2; l’article 2.3.53, § 2;
3° de in artikel 1478 van het oud Burgerlijk Wetboek bedoelde 3° les conventions visées à l’article 1478 de l’ancien Code civil;
overeenkomsten;
4° de vorderingen tot scheiding van goederen, alsook de vonnissen 4° les demandes en séparation de biens, ainsi que les jugements et
en arresten waarbij de gerechtelijke scheiding van goederen als bedoeld arrêts prononçant la séparation de biens judiciaire visée à l’arti-
in artikel 2.3.78 wordt uitgesproken; cle 2.3.78;
5° de vonnissen en arresten waarbij aan een gehuwd persoon de 5° les jugements et arrêts prononçant le retrait du pouvoir de gestion
bestuursbevoegdheid wordt ontnomen of een dergelijke ontneming d’une personne mariée ou révoquant un tel retrait, au sens de
wordt herroepen, in de zin van artikel 2.3.40, § 2; l’article 2.3.40, § 2;
6° de vonnissen en arresten waarin uitspraak wordt gedaan over de 6° les jugements et arrêts se prononçant sur la validité, l’application
geldigheid, de toepassing of de interpretatie van een huwelijksovereen- ou l’interprétation d’une convention matrimoniale.
komst.
§ 2. De notaris schrijft de akten bedoeld in paragraaf 1, 1° tot 3° in. § 2. Le notaire inscrit les actes visés au paragraphe 1er, 1° à 3°.
19788 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

§ 3. De griffier van het rechtscollege waarbij ze werden neergelegd, § 3. Le greffier de la juridiction auprès de laquelle elles ont été
stelt het centraal register voor huwelijksovereenkomsten in kennis van déposées communique au registre central des conventions matrimonia-
de vorderingen tot scheiding van goederen bedoeld in paragraaf 1, 4°, les les demandes de séparation de biens visées au paragraphe 1er, 4°,
zodra ze op de rol zijn gebracht. dès leur mise au rôle.
De griffier van het rechtscollege dat ze heeft uitgesproken, stelt het Le greffier de la juridiction qui les a prononcés communique au
centraal register voor huwelijksovereenkomsten in kennis van de in registre central des conventions matrimoniales les jugements ou arrêts
paragraaf 1, 4°, 5° en 6°, bedoelde vonnissen of arresten. visés au paragraphe 1er, 4°, 5° et 6°.
De griffier van het rechtscollege dat het in paragraaf 1, 4°, bedoelde Le greffier de la juridiction qui a prononcé le jugement ou l’arrêt visé
vonnis of arrest heeft uitgesproken, stelt het centraal register voor au paragraphe 1er, 4°, communique au registre central des conventions
huwelijksovereenkomsten in kennis van elk verzet, elk hoger beroep of matrimoniales les oppositions, appels ou pourvois formés contre ledit
elke voorziening tegen dit vonnis of arrest. jugement ou arrêt.
De griffier van het rechtscollege dat ze heeft uitgesproken stelt het Le greffier de la juridiction qui les a prononcées communique au
centraal register voor huwelijksovereenkomsten in kennis van de registre central des conventions matrimoniales les décisions judiciaires
rechterlijke beslissingen waarbij een in paragraaf 1, 4°, 5° en 6°, bedoeld annulant ou réformant un jugement ou arrêt visé au paragraphe 1er, 4°,
vonnis of arrest wordt vernietigd of hervormd. 5° et 6°.
Art. 2.3.84. In te schrijven gegevens Art. 2.3.84. Données à inscrire
§ 1. Het centraal register voor huwelijksovereenkomsten bevat de § 1er. Le registre central des conventions matrimoniales contient les
volgende gegevens geldend op het ogenblik van de inschrijving: données suivantes, valables au moment de l’inscription:
1° voor elk van de echtgenoten die partij zijn bij een akte, verklaring 1° pour chacun des conjoints qui est partie à un acte, une déclaration
of rechterlijke beslissing als bedoeld in artikel 2.3.83, § 1, 1°, 2°, 4°, 5° of ou une décision judiciaire comme précisé à l’article 2.3.83, § 1er, 1°, 2°,
6°, en voor elk van de wettelijk samenwonenden die partij zijn bij de in 4°, 5° ou 6°, et pour chacun des cohabitants légaux partie à la
artikel 2.3.83, § 1, 3°, bedoelde overeenkomst: convention précisée à l’article 2.3.83, § 1er, 3°:
a) de naam en voorna(a)m(en); a) les nom et prénom(s);
b) het rijksregisternummer; b) le numéro de registre national;
c) de geboortedatum en –plaats; c) la date et le lieu de naissance;
d) de woonplaats of de gewone verblijfplaats; d) le domicile ou la résidence habituelle;
2° in de gevallen bedoeld in artikel 2.3.83, § 1, 1°, 2° en 3°, de aard en 2° dans les cas visés à l’article 2.3.83, § 1er, 1°, 2° et 3°, la nature et la
de datum van de akte; date de l’acte;
3° in de gevallen bedoeld in artikel 2.3.83, § 1, 1°, het toepasselijke 3° dans les cas visés à l’article 2.3.83, § 1er,1 °, le régime matrimonial
huwelijksvermogensstelsel; applicable;
4° in de gevallen bedoeld in artikel 2.3.83, § 1, 4°, 5° en 6°, het 4° dans les cas visés à l’article 2.3.83, § 1er, 4°, 5° et 6° l’objet et la date
voorwerp en de datum van het vonnis of arrest; du jugement ou de l’arrêt;
5° in de gevallen bedoeld in artikel 2.3.83, § 1, 4°, 5° en 6°, de 5° dans les cas visés à l’article 2.3.83, § 1er, 4°, 5° et 6°, l’indication de
aanduiding van elk verzet, elk hoger beroep of elke voorziening tegen toute opposition, tout appel ou pourvoi contre un jugement ou arrêt;
een vonnis of arrest;
6° de identificatie van de notaris, of de met openbaar gezag beklede 6° l’identification du notaire, ou de l’autorité publique ou de la
autoriteit of persoon die de akte heeft verleden of in bewaring heeft personne qui a dressé l’acte ou qui a reçu l’acte en vue de son dépôt, ou
genomen, of het rechtscollege dat het vonnis of arrest heeft uitgespro- de la juridiction qui a prononcé le jugement ou l’arrêt;
ken;
7° in voorkomend geval, de NABAN-referentie van de akte, zoals 7° le cas échéant, la référence NABAN de l’acte, telle que visée à
bedoeld in artikel 18 van de wet van 16 maart 1803 tot regeling van het l’article 18 de la loi du 16 mars 1803 contenant organisation du notariat
notarisambt, en, bij gebrek, het repertoriumnummer; et, à défaut, le numéro de répertoire;
8° in voorkomend geval, de referentie van het vonnis of arrest 8° le cas échéant, la référence du jugement ou de l’arrêt selon le
volgens de ECLI-standaard (European Case Law Identifier), of, bij standard ECLI (European Case Law Identifier), ou, à défaut, le numéro
gebrek, het algemeen rolnummer van het vonnis of arrest; de rôle général du jugement ou de l’arrêt;
9° in voorkomend geval, de plaats en datum van overlijden van een 9° le cas échéant, le lieu et la date de décès d’une de ces parties.
van deze partijen.
§ 2. Het centraal register voor huwelijksovereenkomsten geldt als § 2. Le registre central des conventions matrimoniales tient lieu de
authentieke bron voor alle gegevens die erin zijn opgenomen. source authentique des données qui y sont inscrites.
Art. 2.3.85. Inschrijvingskosten Art. 2.3.85. Frais d’inscription
De Koning bepaalt het tarief van de kosten van de inschrijving in het Le Roi détermine le tarif des frais de l’inscription dans le registre.
register.
Art. 2.3.86. Verwerkingsverantwoordelijke Art. 2.3.86. Responsable du traitement
§ 1. De Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat, hierna “de § 1er. La Fédération royale du Notariat belge, ci-après dénommée “le
beheerder” genoemd, is belast met het beheer en de organisatie van het gestionnaire”, est chargée de la gestion et de l’organisation du registre
centraal register voor huwelijksovereenkomsten. central des conventions matrimoniales.
De beheerder wordt, met betrekking tot het centraal register voor Le gestionnaire est considéré, pour ce qui concerne le registre central
huwelijksovereenkomsten, beschouwd als de verwerkingsverantwoor- des conventions matrimoniales, comme le responsable du traitement,
delijke in de zin van artikel 4, 7), van de Verordening (EU) 2016/679 van au sens de l’article 4, 7), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement
het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des
bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking personnes physiques à l’égard du traitement des données à caractère
van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gege- personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la
vens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG. directive 95/46/CE.
§ 2. De beheerder stelt een functionaris voor de gegevensbescher- § 2. Le gestionnaire désigne un délégué à la protection des données.
ming aan. Deze is meer bepaald belast met: Celui-ci est plus particulièrement chargé:
1° het verstrekken van deskundige adviezen inzake de bescherming 1° de la remise d’avis qualifiés en matière de protection de la vie
van de persoonlijke levenssfeer en de beveiliging van persoonsgege- privée, de la sécurisation des données à caractère personnel et des
vens en informatie en inzake hun verwerking; informations et de leur traitement;
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19789

2° het informeren en adviseren van de beheerder die de persoonsge- 2° d’informer et conseiller le gestionnaire traitant les données à
gevens verwerkt over zijn verplichtingen binnen het kader van deze caractère personnel de ses obligations en vertu de la présente loi et du
wet en binnen het algemeen kader van de gegevensbescherming en de cadre général de la protection des données et de la vie privée;
bescherming van de persoonlijke levenssfeer;
3° het opstellen, het toepassen, het bijwerken en het controleren van 3° de l’établissement, de la mise en œuvre, de la mise à jour et du
een beleid inzake de beveiliging en de bescherming van de persoonlijke contrôle d’une politique de sécurisation et de protection de la vie
levenssfeer; privée;
4° het vormen van het contactpunt voor de Gegevensbeschermings- 4° d’être le point de contact pour l’Autorité de protection des
autoriteit; données;
5° de uitvoering van de andere opdrachten inzake de bescherming 5° de l’exécution des autres missions relatives à la protection de la vie
van de persoonlijke levenssfeer en de beveiliging die door de Koning privée et à la sécurisation qui sont déterminées par le Roi, après avis de
worden bepaald, na advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit. l’Autorité de protection des données.
Bij het uitoefenen van zijn opdrachten handelt de functionaris voor Dans l’exercice de ses missions, le délégué à la protection des
de gegevensbescherming volledig onafhankelijk en brengt hij recht- données agit en toute indépendance et fait directement rapport au
streeks verslag uit aan de beheerder. gestionnaire.
De Koning kan, na advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit, Le Roi peut, après avis de l’Autorité de protection des données,
de nadere regels bepalen volgens dewelke de functionaris voor de déterminer les règles sur base desquelles le délégué à la protection des
gegevensbescherming zijn opdrachten uitvoert. données effectue ses missions.
Art. 2.3.87. Bewaartermijn Art. 2.3.87. Délai de conservation
De Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat bewaart de La Fédération royale du Notariat belge conserve les données de
gegevens van de inschrijving, met vermelding van de datum van l’inscription, avec mention de la date de l’inscription, jusqu’à trente ans
inschrijving, tot dertig jaar na het overlijden van de persoon wiens après le décès de la personne dont les données sont conservées, ou, si
gegevens bewaard werden, of, indien de datum van overlijden niet la date du décès n’est pas connue, jusqu’au moment où elle aurait
gekend is, tot op het ogenblik dat hij de leeftijd van 145 jaar zou hebben atteint l’âge de 145 ans.
bereikt.
De Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat bewaart de La Fédération royale du Notariat belge conserve les données relatives
gegevens met betrekking tot de raadplegingen van het register, met aux consultations opérées dans le registre, à savoir les données
name de identificatiegegevens van de persoon die het register heeft d’identification de la personne qui a accédé au registre, les données
geraadpleegd, de identificatiegegevens van de persoon over wie een d’identification de la personne sur laquelle une recherche a été
raadpleging werd gedaan, het ogenblik van de raadpleging en de reden effectuée, le moment de la recherche et le motif de la recherche. Les
van de raadpleging. De gegevens worden tot tien jaar na de raadple- données sont conservées jusqu’à dix ans après l’accès. En cas de
ging bewaard. In geval van betwisting wordt deze termijn geschorst tot contestation, ce délai est suspendu jusqu’à ce que toutes les voies de
alle beroepsmogelijkheden zijn uitgeput. recours soient épuisées.
Art. 2.3.88. Raadpleging Art. 2.3.88. Consultation
§ 1. De gegevens opgenomen in het centraal register voor huwelijks- § 1er. Les données inscrites au registre central des conventions
overeenkomsten zijn toegankelijk voor: matrimoniales sont accessibles:
1° de notarissen, de Belgische diplomatieke zendingen en consulaire 1° aux notaires, missions diplomatiques et postes consulaires belges
posten in het buitenland, de gerechtsdeurwaarders en de griffiers en à l’étranger, huissiers de justice et greffiers et magistrats auprès des
magistraten bij de rechtscolleges, in functie van de uitoefening van hun juridictions, dans l’exercice de leur fonction;
ambt;
2° de openbare overheden, de instellingen van openbaar nut en 2° aux autorités publiques, organismes d’intérêt public et institutions
instellingen van algemeen belang indien de kennisneming van de d’intérêt général lorsque la prise de connaissance de la convention
huwelijksovereenkomst van een persoon noodzakelijk is voor de matrimoniale d’une personne est nécessaire pour l’exercice de leurs
uitvoering van hun wettelijke opdrachten; missions légales;
3° de partijen zelf; 3° aux parties elles-mêmes;
4° eenieder die een actueel en rechtmatig belang kan aantonen. Het 4° à toute personne qui peut indiquer un intérêt actuel et légitime.
belang van de verzoeker is actueel en rechtmatig wanneer zijn actuele L’intérêt du demandeur est actuel et légitime lorsque ses droits et
rechten en verplichtingen worden of kunnen worden getroffen door het obligations actuels sont ou peuvent être affectés par le régime
huwelijksvermogensstelsel of door de overeenkomst bedoeld in arti- matrimonial ou par la convention visée à l’article 1478 de l’ancien Code
kel 1478 van het oud Burgerlijk Wetboek van de persoon over wie een civil de la personne qui fait l’objet de la recherche; l’intérêt actuel et
raadpleging wordt gedaan; het actueel en rechtmatig belang wordt légitime est mentionné dans la demande de consultation.
vermeld in het verzoek tot raadpleging.
§ 2. Het is de beheerder verboden de in het centraal register voor § 2. Le gestionnaire n’est pas autorisé à communiquer les données
huwelijksovereenkomsten opgenomen gegevens mee te delen aan inscrites dans le registre central des conventions matrimoniales à
andere personen dan zij die toegang ertoe hebben zoals bepaald in d’autres personnes que celles qui y ont accès comme déterminé au
paragraaf 1. paragraphe 1er.
Met behoud van de toepassing van de wettelijke bepalingen ter Sans préjudice des dispositions légales visant à la protection des
bescherming van de persoonsgegevens moet hij die in welke hoeda- données à caractère personnel, quiconque participe, à quelque titre que
nigheid ook deelneemt aan de verzameling, de verwerking of de ce soit, à la collecte, au traitement ou à la communication des données
mededeling van de in artikel 2.3.84 bedoelde gegevens of kennis heeft visées à l’article 2.3.84, ou a connaissance de ces données, est tenu d’en
van die gegevens, het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen. respecter le caractère confidentiel.
Artikel 458 van het Strafwetboek is op hen van toepassing. L’article 458 du Code pénal leur est applicable.
§ 3. De toegang tot de gegevens van het centraal register voor § 3. L’accès aux données du registre central des conventions
huwelijksovereenkomsten is kosteloos. matrimoniales est gratuit.
De beheerder is gemachtigd om online raadpleging mogelijk te Le gestionnaire du registre peut autoriser la consultation en ligne
maken voor de in paragraaf 1 bedoelde belanghebbenden die daarom pour les parties intéressées visées au paragraphe 1er qui en font la
verzoeken, binnen de grenzen van hun consultatierecht. De vergoeding demande, dans les limites de leurs droits de consultation. Les
voor de daaruit voortvloeiende bijkomende taken en investeringen ten prestations du gestionnaire ainsi que les frais supplémentaires suppor-
laste van de beheerder, wordt aangerekend aan deze raadplegers.″. tés par celui-ci dans l’exercice de cette mission seront facturés aux
personnes ayant consulté le registre.″.
19790 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

HOOFDSTUK 3. — Inhoud van boek 4 CHAPITRE 3. — Contenu du livre 4


“Nalatenschappen, schenkingen en testamenten” van het Burgerlijk Wetboek “Les successions, donations et testaments” du Code civil
Art. 3. Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek ingevoerd bij artikel 2 van Art. 3. Le livre 4 du Code civil créé par l’article 2 de la loi du
de wet van 13 april 2019 tot invoering van een Burgerlijk Wetboek en tot 13 avril 2019 portant création d’un Code civil et y insérant un livre 8
invoeging van boek 8 “Bewijs” in dat Wetboek, bevat de volgende “La preuve”, comprend les dispositions suivantes:
bepalingen:
“Boek 4. Nalatenschappen, schenkingen en testamenten “Livre 4. Les successions, donations et testaments
Titel 1. Nalatenschappen en wettelijke erfopvolging Titre 1er. Les successions et la dévolution légale
Ondertitel 1. Algemene bepalingen Sous-titre 1er. Dispositions générales
Art. 4.1. Openvallen van de nalatenschap Art. 4.1. Ouverture de la succession
Nalatenschappen vallen open door het overlijden. Les successions s’ouvrent par le décès.
Art. 4.2. Erfgerechtigden en erfgenamen Art. 4.2. Successibles et héritiers
Erfgerechtigden hebben roeping tot de nalatenschap krachtens de Les successibles ont vocation à la succession en vertu de la loi, ou ont
wet, of hebben een algemene roeping of een roeping onder algemene vocation universelle ou à titre universel à la succession par la volonté
titel tot de nalatenschap door de wil van de erflater. du défunt.
Door de aanvaarding van de nalatenschap neemt de erfgerechtigde Le successible prend, par son acceptation de la succession, la qualité
de hoedanigheid aan van erfgenaam, of erfopvolger. d’héritier, ou successeur.
Art. 4.3. Bezit van de erfgenamen Art. 4.3. Saisine des héritiers
De door de wet aangeduide erfgenamen treden van rechtswege in het Les héritiers désignés par la loi sont saisis de plein droit des biens,
bezit van de goederen, rechten en rechtsvorderingen van de erflater, droits et actions du défunt, sous l’obligation d’acquitter toutes les
onder verplichting om alle lasten van de nalatenschap te voldoen. charges de la succession.
Ondertitel 2. Hoedanigheden vereist om te erven Sous-titre 2. Qualités requises pour succéder
Art. 4.4. Bestaansvoorwaarde Art. 4.4. Condition d’existence
Om erfgerechtigd te zijn moet men bestaan op het ogenblik dat de Pour être successible, il faut exister à l’instant de l’ouverture de la
nalatenschap openvalt. succession.
Zijn dus niet erfgerechtigd: Ainsi, ne sont pas successibles:
1° het kind dat nog niet verwekt is; 1° l’enfant qui n’est pas encore conçu;
2° het kind dat niet levensvatbaar geboren is. 2° l’enfant qui est pas né viable.
Art. 4.5. Overlevingsvoorwaarde Art. 4.5. Condition de survie
Om erfgerechtigd te zijn moet men de erflater overleven. Pour être successible, il faut survivre au défunt.
Wanneer de volgorde waarin twee of meer personen zijn overleden Lorsque l’ordre dans lequel deux ou plusieurs personnes sont
niet kan worden bepaald, worden die personen geacht gelijktijdig te décédées ne peut être déterminé, ces personnes sont censées être
zijn overleden. décédées simultanément.
Indien een belanghebbende ten gevolge van omstandigheden die Si, par suite de circonstances qui ne peuvent lui être imputées, une
hem niet kunnen worden toegerekend, moeilijkheden ondervindt bij personne intéressée éprouve des difficultés à établir l’ordre des décès, le
het bewijs van de volgorde van overlijden, kan de rechter hem een of juge peut lui accorder un ou plusieurs délais, pour autant qu’il soit
meer malen uitstel verlenen, voor zover redelijkerwijs mag worden raisonnable d’admettre que la preuve pourra être rapportée dans ces
aangenomen dat het bewijs binnen de termijn van het uitstel kan délais.
worden geleverd.
Ondertitel 3. Onwaardigheid om te erven Sous-titre 3. Indignité successorale
Art. 4.6. Onwaardigheid Art. 4.6. Indignité
§ 1. Onwaardig om krachtens de wet tot de nalatenschap te komen, § 1er. Est indigne de venir à la succession par la loi, et, comme tel,
en dus van de nalatenschap uitgesloten is: exclu de la succession:
1° hij die als dader, mededader of medeplichtige schuldig is 1° celui qui est reconnu coupable d’avoir, comme auteur, coauteur ou
bevonden om op de persoon van de erflater een feit te hebben gepleegd complice, commis sur la personne du défunt, un fait ayant entraîné sa
dat zijn dood heeft veroorzaakt, als bedoeld in de artikelen 376, 393 tot mort, tel que visé aux articles 376, 393 à 397, 401, 404 et 409, § 4, du
397, 401, 404 en 409, § 4, van het Strafwetboek; zo ook hij die schuldig Code pénal, de même que celui qui est reconnu coupable d’avoir tenté
is bevonden aan de poging om een dergelijk feit te plegen; de commettre un tel fait;
2° hij die onwaardig is verklaard omdat hij een in de bepaling onder 2° celui qui est déclaré indigne parce qu’il a commis ou tenté de
1° bedoeld feit heeft gepleegd, of gepoogd heeft te plegen, maar die, commettre un fait visé au 1°, mais qui, parce qu’il est décédé
omdat hij ondertussen overleden is, voor dat feit niet werd veroor- entretemps, n’a pas été condamné pour ce fait;
deeld;
3° hij die onwaardig is verklaard omdat hij als dader, mededader of 3° celui qui est déclaré indigne parce qu’il a été reconnu coupable
medeplichtige schuldig werd bevonden om op de persoon van de d’avoir commis, comme auteur, coauteur ou complice, sur la personne
erflater een feit te hebben gepleegd als bedoeld in de artikelen 375, 398 du défunt un fait tel que visé aux articles 375, 398 à 400, 402, 403, 405,
tot 400, 402, 403, 405, 409, §§ 1 tot 3 en 5, en 422bis van het Strafwetboek. 409, §§ 1er à 3 et 5, et 422bis du Code pénal.
§ 2. De in paragraaf 1, 1°, bedoelde onwaardigheid is een burgerlijke § 2. L’indignité visée au paragraphe 1er, 1°, est une sanction civile qui
sanctie die uitwerking heeft door het louter feit dat de erfgerechtigde produit ses effets par le seul fait pour le successible d’avoir été reconnu
schuldig werd bevonden. coupable.
De in paragraaf 1, 2°, bedoelde onwaardigheid is een burgerlijke L’indignité visée au paragraphe 1er, 2°, est une sanction civile,
sanctie die door de rechtbank wordt uitgesproken op vordering van de prononcée par le tribunal sur la réquisition du procureur du Roi.
procureur des Konings.
De in paragraaf 1, 3°, bedoelde onwaardigheid is een burgerlijke L’indignité visée au paragraphe 1er, 3°, est une sanction civile que
sanctie die kan worden uitgesproken door de strafrechter die de peut prononcer le juge pénal qui reconnaît le successible coupable
erfgerechtigde schuldig bevindt aan een van de daarin vermelde feiten. d’avoir commis un des faits qui y sont mentionnés. Le juge pénal peut
De strafrechter kan deze burgerlijke sanctie ook uitspreken ten aanzien également prononcer cette sanction civile à l’égard de celui qu’il a
van hem die schuldig bevonden is wegens de poging om een dergelijk reconnu coupable d’avoir tenté de commettre un tel fait.
feit te plegen.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19791

Art. 4.7. Vergiffenis Art. 4.7. Pardon


Er is geen onwaardigheid indien de erflater, in de in artikel 4.6, § 1, L’indignité est levée, dans les cas prévus à l’article 4.6, § 1er, 3°, si le
3°, bedoelde gevallen de dader, mededader of medeplichtige, de feiten défunt a pardonné les faits à leur auteur, coauteur ou complice. Le
heeft vergeven. Vergiffenis kan enkel worden geschonken in een pardon ne peut être accordé que dans un écrit émanant du défunt,
geschrift dat van de erflater uitgaat, en dat na de feiten is opgemaakt in établi après les faits et dans les formes requises pour un testament.
de vorm die voor een testamentaire beschikking is vereist.
Art. 4.8. Gevolgen van de onwaardigheid Art. 4.8. Effets de l’indignité
De wegens onwaardigheid van de nalatenschap uitgesloten erfge- Le successible exclu de la succession pour cause d’indignité est
rechtigde wordt geacht nooit enig recht in de nalatenschap te hebben réputé n’avoir jamais eu aucun droit dans la succession, sans préjudice
gehad, zonder evenwel afbreuk te doen aan de rechten van derden die toutefois des droits des tiers ayant agi de bonne foi.
te goeder trouw handelden.
De onwaardige is gehouden tot teruggave van alle vruchten en L’indigne est tenu de rendre tous les fruits et revenus dont il a eu la
inkomsten die hij sinds het openvallen van de nalatenschap genoten jouissance depuis l’ouverture de la succession.
heeft.
Het aandeel van de onwaardige komt ten goede aan zijn afstamme- La part de l’indigne bénéficie à ses descendants, si la substitution a
lingen, indien plaatsvervulling plaatsvindt. Zo niet, komt zijn aandeel lieu. Dans le cas contraire, sa part accroît celle des autres successibles de
door aanwas ten goede aan de andere erfgerechtigden in dezelfde son degré. Si l’indigne est seul à son degré, elle est dévolue aux autres
graad. Indien de onwaardige alleen is in zijn graad, vervalt het aan de successibles appelés à cette succession.
overige erfgerechtigden die tot deze nalatenschap geroepen zijn.
Art. 4.9. Kinderen van de onwaardige Art. 4.9. Enfants de l’indigne
De kinderen van de onwaardige zijn niet van de nalatenschap Les enfants de l’indigne ne sont pas exclus de la succession en raison
uitgesloten wegens de schuld van hun ouder. Ze kunnen bij plaatsver- de la faute de leur parent. Ils peuvent venir à la succession par
vulling tot de nalatenschap komen. substitution.
De onwaardige heeft geen wettelijk genot op de goederen die zijn L’indigne n’a aucun droit de jouissance légale sur les biens dont ses
kinderen ten gevolge van zijn onwaardigheid vererven, en kan deze enfants héritent à la suite de son indignité et ne peut en hériter de ces
goederen noch rechtstreeks noch onrechtstreeks van deze kinderen enfants ni directement ni indirectement.
vererven.
Wanneer de door een kind van de onwaardige aldus vererfde Si les biens recueillis par l’enfant d’un indigne se retrouvent en
goederen bij overlijden van dit kind nog in natura in zijn nalatenschap nature dans la succession de cet enfant au décès de celui-ci, l’indigne est
aanwezig zijn, is de onwaardige voor deze goederen van de nalaten- exclu de cette succession en ce qui concerne ces biens. S’ils ne se
schap van het kind uitgesloten. Zijn deze goederen niet meer in natura retrouvent plus en nature dans cette succession, l’indigne en est exclu à
aanwezig, dan is de onwaardige uit de nalatenschap gesloten ten concurrence de leur valeur, sauf et dans la mesure où ces biens ont été
belope van de waarde ervan, tenzij en in de mate deze goederen zijn consommés et que dès lors leur contrevaleur ne se trouve plus dans la
verbruikt en dus ook hun tegenwaarde niet meer in de nalatenschap succession. La valeur de ces biens est déterminée au moment où
aanwezig is. De waarde van die goederen wordt bepaald op het l’enfant les a recueillis.
ogenblik waarop het kind ze verkregen heeft.
Ondertitel 4. Wettelijke erfopvolging Sous-titre 4. Dévolution légale
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Chapitre 1er. Dispositions générales
Art. 4.10. Erfrechtelijke roeping Art. 4.10. Vocation successorale
§ 1. De nalatenschappen komen toe aan de kinderen en afstamme- § 1er. Les successions sont déférées aux enfants et descendants du
lingen van de erflater, aan zijn noch uit de echt noch van tafel en bed défunt, à son conjoint non divorcé ni séparé de corps, à ses ascendants,
gescheiden echtgenoot, aan zijn verwanten in de opgaande lijn, aan zijn à ses collatéraux et, dans les limites des droits qui lui sont conférés, à
verwanten in de zijlijn, en aan zijn wettelijk samenwonende binnen de son cohabitant légal, suivant les règles ci-après déterminées.
grenzen van de rechten die hem zijn toegekend, overeenkomstig de
regels die hierna worden bepaald.
§ 2. De erfrechtelijke roeping wordt vastgesteld volgens de eventuele § 2. La vocation successorale est déterminée en fonction de la
aanwezigheid van een langstlevende echtgenoot of langstlevende présence éventuelle d’un conjoint ou d’un cohabitant légal survivant et
wettelijk samenwonende, en van een van de vier mekaar opvolgende de l’une des quatre situations successorales qui peuvent se présenter
erfrechtelijke situaties, in de hierna vermelde volgorde: dans l’ordre suivant:
1° aanwezigheid van afstammelingen die de eerste erfrechtelijke orde 1° présence de descendants, qui forment le premier ordre successoral;
vormen;
2° afwezigheid van afstammelingen, en aanwezigheid van nauwe 2° absence de descendants, et présence de collatéraux proches, le cas
zijverwanten, in voorkomend geval samen met vader en moeder, die de échéant avec le père et la mère, qui forment le deuxième ordre
tweede erfrechtelijke orde vormen; successoral;
3° afwezigheid van afstammelingen en van nauwe zijverwanten, en 3° absence de descendants et de collatéraux proches, et présence
aanwezigheid van ascendenten die de derde erfrechtelijke orde vor- d’ascendants qui forment le troisième ordre successoral, avec applica-
men, met toepassing, in voorkomend geval, van de regels van de tion, le cas échéant, des règles de la fente;
kloving;
4° afwezigheid van afstammelingen, van nauwe zijverwanten en van 4° absence de descendants, de collatéraux proches et d’ascendants, et
ascendenten, en aanwezigheid van gewone zijverwanten die de vierde présence de collatéraux simples qui forment le quatrième ordre
erfrechtelijke orde vormen, met toepassing van de regels van de successoral, avec application des règles de la fente, et sans préjudice de
kloving, en met behoud van de toepassing van artikel 4.30, eerste lid. l’application de l’article 4.30, alinéa 1er.
Art. 4.11. Lijnen en graden Art. 4.11. Lignes et degrés
§ 1. De erfopvolging is in rechte lijn wanneer ze plaatsvindt tussen § 1er. La succession est déférée en ligne directe lorsqu’elle a lieu entre
personen die van elkaar afstammen. Men onderscheidt in die lijn de personnes qui descendent l’une de l’autre. On distingue dans la ligne
rechte neerdalende lijn en de rechte opgaande lijn. De eerste verbindt directe, la ligne directe descendante et la ligne directe ascendante. La
de stamouder met de personen die van hem afstammen; de laatste première est celle qui lie l’auteur avec ceux qui descendent de lui; la
verbindt een persoon met degenen van wie hij afstamt. deuxième est celle qui lie une personne avec ceux dont elle descend.
§ 2. De erfopvolging is in de zijlijn, wanneer ze plaats vindt tussen § 2. La succession est déférée en ligne collatérale, lorsqu’elle a lieu
personen die niet van elkaar, maar van een gemene stamouder entre personnes qui ne descendent pas les unes des autres, mais qui
afstammen. Broers en zussen en hun afstammelingen worden ook de descendent d’un auteur commun. Les frères et sœurs et leurs descen-
nauwe zijverwanten genoemd. De overige verwanten in de zijlijn dants sont également appelés les collatéraux proches. Les autres
worden de gewone zijverwanten genoemd. parents dans la ligne collatérale sont appelés les collatéraux simples.
19792 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

§ 3. De afstand in verwantschap wordt bepaald door het aantal § 3. La proximité de parenté s’établit par le nombre de générations.
generaties. Elke generatie wordt een graad genoemd. Chaque génération s’appelle un degré.
§ 4. In de rechte lijn zijn er zoveel graden als er generaties zijn tussen § 4. En ligne directe, on compte autant de degrés qu’il y a de
de personen in die lijn. générations entre les personnes dans cette ligne.
Zo staat het kind in de eerste graad tegenover zijn vader of zijn Ainsi l’enfant est, à l’égard du père ou de la mère, au premier degré,
moeder, en staat het kleinkind in de tweede graad. Dit geldt ook et le petit-enfant au second degré. Ceci vaut réciproquement pour le
wederkerig voor de vader of de moeder tegenover hun kind, en voor de père ou la mère à l’égard de leur enfant, et du grand-père et de la
grootvader of de grootmoeder tegenover hun kleinkinderen. grand-mère à l’égard de leurs petits-enfants.
§ 5. In de zijlijn worden de graden bepaald door het aantal generaties, § 5. En ligne collatérale, les degrés se comptent par le nombre de
te rekenen van een van de verwanten tot aan de gemene stamouder, en générations, depuis l’un des parents jusqu’à l’auteur commun, et
vervolgens van deze stamouder tot aan de andere verwant. depuis celui-ci jusqu’à l’autre parent.
Zo staan broer en zus tegenover elkaar in de tweede graad; oom of Ainsi, frère et sœur sont au deuxième degré; l’oncle ou la tante, et le
tante tegenover neef of nicht, in de derde graad; volle neven en nichten neveu ou la nièce sont au troisième degré; les cousins germains au
onderling, in de vierde graad; en zo verder. quatrième; ainsi de suite.
§ 6. Verwanten van verder dan de vierde graad erven niet, behalve § 6. Les parents au-delà du quatrième degré ne succèdent pas, à
indien zij bij plaatsvervulling geroepen worden. moins qu’ils ne soient appelés par substitution.
Art. 4.12. Erfrechtelijke roeping na gewone adoptie Art. 4.12. Vocation successorale après adoption simple
In geval van gewone adoptie behouden de geadopteerde en zijn En cas d’adoption simple, l’adopté et ses descendants conservent
afstammelingen al hun erfrecht in hun oorspronkelijke familie. tous leurs droits héréditaires dans la famille d’origine.
Ze verkrijgen op de nalatenschap van de adoptant of adoptanten Ils acquièrent sur la succession de l’adoptant ou des adoptants les
dezelfde rechten als een kind of zijn afstammelingen daarop zouden mêmes droits que ceux qu’auraient un enfant ou ses descendants.
hebben.
Ze verkrijgen geen enkel recht op de nalatenschap van de verwanten Ils n’acquièrent aucun droit sur la succession des parents de
van de adoptant of adoptanten. l’adoptant ou des adoptants.
Hoofdstuk 2. Plaatsvervulling Chapitre 2. Substitution
Art. 4.13. Principe van de plaatsvervulling Art. 4.13. Principe de la substitution
§ 1. Door plaatsvervulling nemen de afstammelingen van een § 1er. La substitution permet aux descendants d’un successible de
erfgerechtigde zijn plaats in en worden zij in zijn graad tot de prendre sa place dans la succession, et d’y être appelé à son degré.
nalatenschap geroepen.
Plaatsvervulling heeft, volgens de hierna vermelde regels, plaats in La substitution a lieu, selon les règles mentionnées ci-après, en cas de
geval van vooroverlijden, van gelijktijdig overlijden, van verwerping prédécès, de décès simultané, de renonciation et d’indignité d’un
en van onwaardigheid van een erfgerechtigde. successible.
§ 2. Men kan de plaats vervullen van hem wiens nalatenschap men § 2. On peut se substituer à celui à la succession duquel on a renoncé.
verworpen heeft.
Art. 4.14. Toepassingen Art. 4.14. Applications
In de rechte neerdalende lijn is er plaatsvervulling tot in het La substitution a lieu à l’infini dans la ligne directe descendante.
oneindige.
In de rechte opgaande lijn is er geen plaatsvervulling; de naaste in elk La substitution n’a pas lieu en faveur des ascendants; le plus proche,
van beide lijnen sluit altijd de verdere uit. dans chacune des deux lignes, exclut toujours le plus éloigné.
In de zijlijn is er plaatsvervulling ten voordele van de afstammelin- En ligne collatérale, la substitution a lieu en faveur des descendants
gen van broers en zussen, ooms en tantes van de erflater. de frères et sœurs, oncles et tantes du défunt.
Plaatsvervulling is er niet ten voordele van de afstammelingen van La substitution n’a pas lieu en faveur des descendants du conjoint ou
de echtgenoot of van de wettelijk samenwonende. du cohabitant légal.
Art. 4.15. Graden en staken bij plaatsvervulling Art. 4.15. Degrés et souches en cas de substitution
Er is ook plaatsvervulling wanneer geen van de erfgerechtigden in La substitution a lieu même lorsqu’aucun des successibles au même
dezelfde graad tot de nalatenschap komen, hetzij omdat ze voor of degré ne vient à la succession, soit parce qu’ils sont décédés avant ou au
gelijktijdig met de erflater overleden zijn, dan wel de nalatenschap même moment que le défunt, soit parce qu’ils ont renoncé ou qu’ils sont
verworpen hebben of onwaardig zijn. Ze heeft plaats ongeacht of de indignes. Elle a lieu, encore que les descendants se situent à des degrés
afstammelingen onder elkaar in gelijke of in ongelijke graden staan. égaux ou inégaux.
In alle gevallen van plaatsvervulling geschiedt de verdeling bij Dans tous les cas de substitution, le partage s’opère par souche. Si
staken. Indien een zelfde staak verscheidene takken heeft voortge- une même souche a produit plusieurs branches, la subdivision se fait
bracht, geschiedt de onderverdeling in elke tak eveneens bij staken en aussi par souche dans chaque branche, et les membres de la même
delen de leden van dezelfde tak onder elkaar per hoofd. branche partagent entre eux par tête.
Hoofdstuk 3. Aanwezigheid van afstammelingen Chapitre 3. Présence de descendants
Art. 4.16. Rechte neerdalende lijn Art. 4.16. Ligne directe descendante
De kinderen of hun afstammelingen erven van hun ouders, grootou- Les enfants ou leurs descendants succèdent à leurs père et mère,
ders of verdere verwanten in de opgaande lijn, ook al hebben zij niet aïeuls, aïeules, ou autres ascendants, encore qu’ils n’aient pas les
dezelfde ouders, en ongeacht de wijze waarop hun afstamming is mêmes parents et quel que soit le mode d’établissement de leur
vastgesteld. filiation.
De nalatenschap komt toe aan de afstammelingen die de naaste in La succession est déférée aux descendants les plus proches en degré.
graad zijn. Zij erven voor gelijke delen en per hoofd, wanneer zij allen Ils succèdent par égales portions et par tête, quand ils sont tous au
in de eerste graad staan en uit eigen hoofde geroepen worden. Zij erven premier degré et appelés de leur chef. Ils succèdent par souche,
bij staken, wanneer zij allen of een gedeelte van hen bij plaatsvervulling lorsqu’ils viennent tous ou en partie par substitution.
opkomen.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19793

Hoofdstuk 4. Erfrechtelijke roeping van de echtgenoot en de wettelijk Chapitre 4. Vocation successorale du conjoint et du cohabitant légal
samenwonende
Afdeling 1. De langstlevende echtgenoot Section 1re. Le conjoint survivant
Art. 4.17. Erfrecht van de langstlevende echtgenoot Art. 4.17. Droit successoral du conjoint survivant
§ 1. Wanneer de erflater afstammelingen, geadopteerde kinderen of § 1er. Lorsque le défunt laisse des descendants, des enfants adoptifs
afstammelingen van deze achterlaat, verkrijgt de langstlevende echtge- ou des descendants de ceux-ci, le conjoint survivant recueille l’usufruit
noot het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap. de toute la succession.
§ 2. Wanneer de erflater verwanten in de opgaande lijn of nauwe § 2. Lorsque le défunt laisse des ascendants ou des collatéraux
zijverwanten achterlaat, verkrijgt de langstlevende echtgenoot: proches, le conjoint survivant recueille:
1° de volle eigendom van het deel van de eerststervende in het 1° la pleine propriété de la part du prémourant dans le patrimoine
gemeenschappelijk vermogen en in het vermogen dat exclusief tussen commun et dans le patrimoine en indivision exclusivement entre les
de echtgenoten in onverdeeldheid is, en époux, et
2° het vruchtgebruik van de overige goederen van diens eigen 2° l’usufruit des autres biens du patrimoine propre du défunt.
vermogen.
3° het vruchtgebruik op de goederen onderworpen aan het recht van 3° l’usufruit des biens soumis au droit de retour légal visé à
wettelijke terugkeer waarvan sprake in artikel 4.24 of in artikel 4.25, l’article 4.24 ou à l’article 4.25, à moins qu’il n’en ait été décidé
tenzij in de akte van schenking of in het testament anders is bepaald. autrement dans l’acte de donation ou dans le testament.
§ 3. Wanneer de erflater andere erfgenamen of geen erfgenamen § 3. Lorsque le défunt laisse d’autres héritiers ou ne laisse aucun
achterlaat, verkrijgt de langstlevende echtgenoot de volle eigendom héritier, le conjoint survivant recueille la pleine propriété de toute la
van de gehele nalatenschap. succession.
Art. 4.18. Vruchtgebruik op geschonken goederen Art. 4.18. Usufruit sur des biens donnés
Bij overlijden van de schenker ontvangt de langstlevende echtgenoot Le conjoint survivant qui vient à la succession recueille, au décès du
die tot de nalatenschap komt het vruchtgebruik van de goederen die de donateur, l’usufruit des biens que celui-ci a donnés et sur lesquels il
schenker heeft geschonken en waarvan hij zich het vruchtgebruik heeft s’est réservé l’usufruit, pour autant que le conjoint ait déjà cette qualité
voorbehouden, op voorwaarde dat de echtgenoot op het tijdstip van de au moment de la donation et que le donateur soit resté le titulaire de cet
schenking al die hoedanigheid heeft en dat de schenker de titularis van usufruit jusqu’au jour de son décès.
dit vruchtgebruik is gebleven tot de dag van zijn overlijden.
Bij het overlijden van de schenker ontvangt de langstlevende Le conjoint survivant qui vient à la succession recueille, au décès du
echtgenoot die tot de nalatenschap komt het vruchtgebruik van het donateur, l’usufruit de l’immeuble affecté au jour de l’ouverture de la
onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap het gezin succession au logement principal de la famille, et des meubles qui le
tot voornaamste woning diende en van het daarin aanwezige huisraad, garnissent, pour autant que le donateur ait donné ces biens en s’en
op voorwaarde dat de schenker zich bij de schenking van die goederen réservant l’usufruit, que le conjoint cohabitait légalement avec le
het vruchtgebruik ervan had voorbehouden, dat de echtgenoot op het donateur au moment de la donation et que le donateur soit resté le
tijdstip van de schenking met de schenker wettelijk samenwoonde en titulaire de cet usufruit jusqu’au jour de son décès.
dat de schenker de titularis van dit vruchtgebruik is gebleven tot de dag
van zijn overlijden.
De echtgenoot kan afstand doen van dat vruchtgebruik. De artike- Le conjoint peut renoncer à cet usufruit. Les articles 4.244 à 4.253
len 4.244 tot 4.253 zijn van toepassing op die afstand wanneer hij s’appliquent à cette renonciation, lorsqu’elle a lieu du vivant du
plaatsvindt bij leven van de schenker. donateur.
Art. 4.19. Uitoefening van erfrechtelijk vruchtgebruik Art. 4.19. Exercice de l’usufruit successoral
Wanneer de langstlevende echtgenoot recht heeft op het vruchtge- Lorsque le conjoint survivant a droit à l’usufruit de toute la
bruik van de gehele nalatenschap, wordt dat vruchtgebruik vastgesteld succession, cet usufruit est établi conformément aux alinéas suivants.
zoals bepaald in de volgende leden.
Het vruchtgebruik zoals bedoeld in het eerste lid bezwaart de L’usufruit visé à l’alinéa 1er grève les biens existants au jour du décès,
goederen die op de dag van het overlijden aanwezig waren, na aftrek déduction faite des legs.
van de legaten.
Het bezwaart eveneens: Il grève également:
1° onder de voorwaarden bepaald in artikel 4.18, de goederen die 1° aux conditions prévues à l’article 4.18, les biens donnés par le
door de erflater zijn geschonken en waarvan hij zich het vruchtgebruik défunt et dont il s’était réservé l’usufruit;
had voorbehouden;
2° onder de voorwaarden en overeenkomstig de modaliteiten 2° aux conditions et selon les modalités prévues au titre 2, sous-
bepaald in titel 2, ondertitel 3, hoofdstuk 2, en in afwijking van het titre 3, chapitre 2, et par dérogation à l’alinéa 2, les biens légués par le
tweede lid, de door de erflater gelegateerde goederen voor zover de défunt dans la mesure où le conjoint survivant peut solliciter leur
langstlevende echtgenoot de inkorting ervan kan vragen of genieten; réduction ou profiter de celle-ci;
3° onder de voorwaarden en overeenkomstig de nadere regels 3° aux conditions et selon les modalités prévues au titre 2, sous-
bepaald in titel 2, ondertitel 3, hoofdstuk 2, de door de erflater titre 3, chapitre 2, les biens donnés par le défunt dans la mesure où le
geschonken goederen voor zover de langstlevende echtgenoot de conjoint survivant peut solliciter leur réduction ou profiter de celle-ci.
inkorting ervan kan vragen of genieten.
Art. 4.20. Recht op huur Art. 4.20. Droit au bail
De langstlevende echtgenoot verkrijgt als enige, met uitsluiting van Le conjoint survivant recueille seul, à l’exclusion de tous les autres
alle andere erfgenamen, het recht op de huur van het onroerend goed héritiers, le droit au bail relatif à l’immeuble affecté au logement
dat bij het openvallen van de nalatenschap van de erflater het gezin tot principal de la famille au jour de l’ouverture de la succession du défunt.
voornaamste woning diende.
Art. 4.21. Boedelbeschrijving en belegging Art. 4.21. Inventaire et emploi
Niettegenstaande enig andersluidend beding kan ieder die de blote Nonobstant toute stipulation contraire, quiconque recueille la nue-
eigendom verkrijgt, eisen dat voor alle met vruchtgebruik belaste propriété peut exiger qu’il soit dressé pour tous les biens sujets à
goederen een boedelbeschrijving van de roerende en een staat van de l’usufruit un inventaire des meubles et un état des immeubles et qu’il
onroerende worden opgemaakt, en dat de geldsommen worden belegd. soit fait emploi des sommes recueillies.
Art. 4.22. Uitsluiting of verval Art. 4.22. Exclusion ou déchéance
§ 1. De langstlevende echtgenoot kan van zijn erfrecht geheel of § 1er. Le conjoint survivant peut être exclu ou déchu en tout ou en
gedeeltelijk worden uitgesloten of daarvan vervallen worden verklaard partie de ses droits successoraux s’il est déchu en tout ou en partie de
indien hij geheel of gedeeltelijk is ontzet uit het ouderlijk gezag over de l’autorité parentale à l’égard des enfants issus de son mariage avec le
kinderen geboren uit zijn huwelijk met de erflater. défunt.
19794 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

§ 2. De rechtsvordering wordt door de afstammelingen ingesteld § 2. L’action est introduite par les descendants dans l’année qui suit,
binnen een jaar te rekenen hetzij van het openvallen van de nalaten- soit l’ouverture de la succession, soit la déchéance de l’autorité
schap, hetzij van de ontzetting uit het ouderlijk gezag. parentale.
Het vonnis heeft gevolg met ingang van de datum waarop de Le jugement produit ses effets à la date de l’introduction de la
vordering is ingesteld. demande.
§ 3. Indien het vruchtgebruik reeds is omgezet in de volle eigendom § 3. S’il y a déjà eu conversion de l’usufruit en la pleine propriété
van een goed of in een geldsom, of indien de blote eigendom van de d’un bien ou en une somme ou cession de la nue-propriété des biens
goederen bedoeld in art. 4.61, § 7, reeds is overgedragen, levert de visés à l’article 4.61, § 7, l’exclusion ou la déchéance donnent lieu à
uitsluiting of de vervallenverklaring grond op tot vergoeding. indemnité.
Die vergoeding wordt vastgesteld door de rechtbank en stemt Celle-ci est fixée par le tribunal et correspond à la valeur de l’usufruit,
overeen met de waarde van het vruchtgebruik, mede gelet op de compte tenu de la durée de vie probable de l’usufruitier à la date de
vermoedelijke levensduur van de vruchtgebruiker bij het instellen van l’introduction de la demande.
de rechtsvordering.
Is het vruchtgebruik omgezet in een lijfrente, dan werkt het vonnis Si la conversion a eu lieu en rente viagère, le jugement rétroagit à la
terug tot hetzelfde tijdstip. même date.
Afdeling 2. De langstlevende wettelijk samenwonende Section 2. Le cohabitant légal survivant
Art. 4.23. Erfrecht en recht op huur van de langstlevende wettelijk Art. 4.23. Droit successoral et droit au bail du cohabitant légal
samenwonende survivant
§ 1. De langstlevende wettelijk samenwonende verkrijgt, met welke § 1er. Quels que soient les héritiers avec lesquels il vient à la
erfgenamen hij ook tot de nalatenschap komt, het vruchtgebruik van succession, le cohabitant légal survivant recueille l’usufruit de l’immeu-
het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap van de ble affecté au jour de l’ouverture de la succession du défunt au
erflater het gezin tot voornaamste woning diende, en van het daarin logement principal de la famille et des meubles meublants qui le
aanwezige huisraad. garnissent.
Dit recht oefent de langstlevende wettelijk samenwonende ook uit Le cohabitant légal survivant exerce également ce droit lorsque les
indien de in het eerste lid vermelde goederen voorwerp zijn van een biens mentionnés à l’alinéa 1er sont l’objet d’un droit de retour légal
recht van wettelijke terugkeer waarvan sprake in artikel 4.24 of in comme prévu à l’article 4.24 ou à l’article 4.25.
artikel 4.25.
§ 2. De langstlevende wettelijk samenwonende die tot de nalaten- § 2. Le cohabitant légal survivant qui vient à la succession recueille,
schap komt ontvangt bij overlijden van de schenker het vruchtgebruik au décès du donateur, l’usufruit de l’immeuble affecté au jour de
van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap het l’ouverture de la succession au logement principal de la famille, et des
gezin tot voornaamste woning diende en van het daarin aanwezige meubles qui le garnissent, si le donateur a donné ces biens en s’en
huisraad, indien de schenker zich bij de schenking van deze goederen réservant l’usufruit, pour autant que le cohabitant légal ait déjà cette
het vruchtgebruik ervan had voorbehouden, en op voorwaarde dat de qualité au moment de la donation et que le donateur soit resté le
wettelijk samenwonende op het tijdstip van de schenking al die titulaire de cet usufruit jusqu’au jour de son décès.
hoedanigheid had en dat de schenker de titularis van dit vruchtgebruik
is gebleven tot de dag van zijn overlijden.
De wettelijk samenwonende kan afstand doen van het in het eerste Le cohabitant légal peut renoncer à l’usufruit visé à l’alinéa 1er. Les
lid bedoelde vruchtgebruik. De artikelen 4.244 tot 4.253 zijn van articles 4.244 à 4.253 sont applicables à cette renonciation, lorsqu’elle a
toepassing op die afstand wanneer hij plaatsvindt bij leven van de lieu du vivant du donateur.
schenker.
§ 3. De langstlevende wettelijk samenwonende verkrijgt als enige, § 3. Le cohabitant légal survivant recueille seul, à l’exclusion de tous
met uitsluiting van alle andere erfgenamen, het recht op de huur van les autres héritiers, le droit au bail relatif à l’immeuble affecté au jour de
het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap van de l’ouverture de la succession du cohabitant légal prédécédé au logement
vooroverleden wettelijk samenwonende het gezin tot voornaamste principal de la famille et recueille l’usufruit des meubles qui le
woning diende, en verkrijgt het vruchtgebruik van het daarin aanwe- garnissent.
zige huisraad.
§ 4. De voorgaande bepalingen zijn niet van toepassing wanneer de § 4. Les dispositions qui précèdent ne s’appliquent pas lorsque le
langstlevende wettelijk samenwonende een afstammeling is van de cohabitant légal survivant est le descendant du cohabitant légal
vooroverleden wettelijk samenwonende. prédécédé.
§ 5. Niettegenstaande enig andersluidend beding kan ieder die de § 5. Nonobstant toute clause contraire, toute personne attributaire de
blote eigendom verkrijgt, eisen dat een boedelbeschrijving van het la nue-propriété peut exiger que soient dressés un inventaire des
huisraad en een staat van het onroerend goed dat het gezin tot meubles meublants ainsi qu’un état de l’immeuble affecté au logement
voornaamste woning diende wordt opgemaakt. principal de la famille.
§ 6. De regels inzake het vruchtgebruik van de langstlevende § 6. Les règles relatives à l’usufruit du conjoint survivant qui sont
echtgenoot die zijn opgenomen in de artikelen 4.22 en 4.60 tot 4.64 zijn énoncées aux articles 4.22 et 4.60 à 4.64 s’appliquent par analogie à
van overeenkomstige toepassing op het vruchtgebruik van de langst- l’usufruit du cohabitant légal survivant.
levende wettelijk samenwonende.
Hoofdstuk 5. Recht van wettelijke terugkeer Chapitre 5. Droit de retour légal
Art. 4.24. Recht van wettelijke terugkeer ten voordele van ascenden- Art. 4.24. Droit de retour légal au profit des ascendants
ten
§ 1. De verwanten in de opgaande lijn erven, met uitsluiting van alle § 1er. Les ascendants succèdent, à l’exclusion de tous autres, aux
anderen, de goederen door hen geschonken aan hun kinderen of biens par eux donnés à leurs enfants ou descendants décédés sans
afstammelingen die zelf overleden zijn zonder afstammelingen achter descendance, lorsque ces biens se retrouvent en nature dans la
te laten, wanneer de geschonken goederen nog in natura aanwezig zijn succession, à charge de contribuer aux dettes et sous réserve des droits
in de nalatenschap, onder verplichting om in de schulden bij te dragen acquis des tiers.
en onder voorbehoud van de verkregen rechten van derden.
§ 2. Wanneer de goederen verkocht zijn, wordt dit recht uitgeoefend § 2. Si les biens ont été vendus, ce droit s’exerce sur le prix, s’il n’a pas
op de prijs, indien de prijs nog niet betaald is of er nog geen encore été payé, ou s’il n’y a pas encore eu confusion dans le patrimoine
vermenging plaats vond in het vermogen van de begiftigde. du donataire.
Zij erven ook de vordering tot terugneming die de begiftigde mocht Ils succèdent aussi à l’action en reprise que pouvait avoir le
hebben. donataire.
Art. 4.25. Recht van terugkeer na gewone adoptie Art. 4.25. Droit de retour après une adoption simple
§ 1. In geval van gewone adoptie geldt artikel 4.24 niet. De goederen § 1er. En cas d’adoption simple, l’article 4.24 ne s’applique pas. Les
die door de verwanten in de opgaande lijn van de geadopteerde of door biens donnés par les ascendants de l’adopté ou par les adoptants ou
de adoptanten geschonken dan wel uit hun nalatenschap verkregen recueillis dans leur succession et qui se retrouvent en nature dans la
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19795

zijn en nog in natura aanwezig zijn in de nalatenschap van de succession de l’adopté décédé sans descendance, retournent à ces
geadopteerde die overleden is zonder afstammelingen na te laten, ascendants ou adoptants ou à leurs héritiers en ligne descendante, à
keren terug naar die verwanten in de opgaande lijn of adoptanten of charge de contribuer aux dettes et sous réserve des droits acquis des
naar hun afstammelingen, onder verplichting om in de schulden bij te tiers.
dragen en onder voorbehoud van de verkregen rechten van derden.
§ 2. Wanneer de goederen verkocht zijn, wordt dit recht uitgeoefend § 2. Si les biens ont été vendus, ce droit s’exerce sur le prix, s’il n’a pas
op de prijs, indien deze nog niet is betaald of er nog geen vermenging encore été payé, ou s’il n’y a pas encore eu confusion dans le patrimoine
in het vermogen van de geadopteerde plaats vond. de l’adopté.
De verwanten in opgaande lijn van de geadopteerde en de adoptan- Les ascendants de l’adopté et les adoptants recueillent aussi l’action
ten verkrijgen ook de rechtsvordering tot terugneming die de geadop- en reprise que pouvait avoir l’adopté.
teerde mocht hebben.
Hoofdstuk 6. Afwezigheid van afstammelingen en aanwezigheid van Chapitre 6. Absence de descendants et présence de collatéraux
nauwe zijverwanten proches
Art. 4.26. Nauwe zijverwanten, eventueel samen met vader en Art. 4.26. Collatéraux proches éventuellement en concours avec le
moeder père et la mère
Indien de erflater geen afstammelingen heeft achtergelaten, worden Si le défunt n’a pas laissé de descendance, ses collatéraux proches, le
zijn nauwe zijverwanten tot de nalatenschap geroepen, in voorkomend cas échéant en concours avec son père et sa mère, sont appelés à la
geval samen met zijn vader en moeder, volgens de regels bepaald in de succession, selon les règles déterminées aux paragraphes suivants.
volgende paragrafen.
Indien de erflater, in het geval vermeld in het eerste lid, een Si le défunt laisse, dans le cas prévu à l’alinéa 1er, un conjoint
langstlevende echtgenoot achterlaat, zijn de rechten van de nauwe survivant, les droits des collatéraux proches et le cas échéant ceux de
zijverwanten, en in voorkomend geval die van vader en moeder, son père et de sa mère, sont cependant limités à la nue-propriété des
evenwel beperkt tot de blote eigendom van de overige goederen van autres biens du patrimoine propre du défunt comme définis à
het eigen vermogen van de erflater zoals in artikel 4.17, § 2, 2°, l’article 4.17, § 2, 2°.
omschreven.
Indien beide ouders van een persoon die zonder afstammelingen Lorsque le père et la mère d’une personne décédée sans descendance
overleden is, hem hebben overleefd, en hij broers en zussen of hun lui ont survécu, et qu’elle a laissé des frères, sœurs, ou leurs
afstammelingen achtergelaten heeft, wordt de nalatenschap in twee descendants, la succession se divise en deux portions égales, dont une
helften gesplitst, waarvan een helft aan de ouders toekomt, die ze onder moitié est déférée au père et à la mère, qui la partagent entre eux
elkaar gelijk verdelen. De andere helft komt toe aan de nauwe également. L’autre moitié est déférée aux collatéraux proches.
zijverwanten.
Indien enkel de vader of moeder van een persoon die zonder Lorsque seul le père ou la mère de la personne décédée sans
afstammelingen overleden is, vooroverleden is, wordt het gedeelte dat descendance est prédécédé, la portion qui lui aurait été dévolue
hem of haar, overeenkomstig het derde lid, zou zijn te beurt gevallen, conformément à l’alinéa 3, se réunit à la moitié déférée aux collatéraux
gevoegd bij de helft die toekomt aan de nauwe zijverwanten. proches.
In geval van vooroverlijden van vader en moeder van een persoon En cas de prédécès tant du père que de la mère d’une personne
die zonder afstammelingen overleden is, komt de nalatenschap uitslui- décédée sans descendance, les collatéraux proches sont appelés à la
tend toe aan de nauwe zijverwanten met uitsluiting van de overige succession, à l’exclusion des autres ascendants et des autres collatéraux.
ascendenten en van de overige zijverwanten.
Art. 4.27. Rechten van de nauwe zijverwanten onderling Art. 4.27. Droits des collatéraux proches entre eux
Nauwe zijverwanten erven, ofwel uit eigen hoofde, ofwel bij Les collatéraux proches succèdent, ou de leur chef, ou par substitu-
plaatsvervulling, overeenkomstig hetgeen in hoofdstuk 2 is bepaald. tion, conformément aux dispositions du chapitre 2.
Indien broers en zussen dezelfde ouders hebben, erven zij in gelijke Si les frères et sœurs ont tous le même père et la même mère, ils
delen. succèdent par égales portions.
Indien zij niet dezelfde ouders hebben, wordt een onderscheid S’ils n’ont pas le même père et la même mère, une distinction est faite
gemaakt tussen de vaderlijke en de moederlijke lijn van de erflater. Het entre les deux lignes paternelle et maternelle du défunt. La part de la
gedeelte van de nalatenschap dat toekomt aan de nauwe zijverwanten succession qui revient aux collatéraux proches est dévolue pour moitié
wordt voor de helft aan elke lijn toegewezen. Volle broers en zussen à chacune des deux lignes. Les germains prennent part dans les deux
erven in beide lijnen; halfbroers en halfzussen van vaderszijde erven lignes; les demi-frères et demi-sœurs ayant le même père ne prennent
slechts in de vaderlijke lijn; halfbroers en halfzussen van moederszijde part que dans la ligne paternelle; les demi-frères et demi-sœurs ayant la
erven slechts in de moederlijke lijn. Zijn er enkel broers of zussen van même mère, dans la ligne maternelle seulement. S’il n’y a de frères et
één zijde, dan erven ze alles, met uitsluiting van alle andere verwanten sœurs que d’un côté, ils succèdent à la totalité, à l’exclusion de tous
van de andere lijn. autres parents de l’autre ligne.
Hoofdstuk 7. Afwezigheid van afstammelingen en van nauwe zijver- Chapitre 7. Absence de descendants et de collatéraux proches
wanten
Art. 4.28. Kloving Art. 4.28. Fente
Indien de erflater geen afstammelingen, en geen nauwe zijverwanten Lorsque le défunt ne laisse ni descendants, ni collatéraux proches, la
heeft achtergelaten, wordt de nalatenschap, als gevolg van kloving, in succession est, par l’effet de la fente, divisée en deux parts égales: l’une
twee helften gesplitst tussen de verwanten in de vaderlijke lijn en de pour les parents de la ligne paternelle, l’autre pour les parents de la
verwanten in de moederlijke lijn. Binnen elke lijn wordt ze toegewezen ligne maternelle. Elle est dévolue, dans chacune de ces lignes, selon les
volgens de in dit hoofdstuk bepaalde regels. règles déterminées au présent chapitre.
Is deze eerste splitsing tussen de vaderlijke en de moederlijke lijn Cette première division opérée entre les lignes paternelle et mater-
gedaan, dan heeft geen verdere splitsing plaats tussen de verschillende nelle, il ne se fait plus de division entre les diverses branches.
takken.
Zijn er in de ene lijn geen verwanten in erfelijke graad, dan erven de À défaut de parents au degré successible dans une ligne, les parents
verwanten van de andere lijn de gehele nalatenschap. de l’autre ligne succèdent pour le tout.
Art. 4.29. Verwanten in rechte opgaande lijn Art. 4.29. Parents en ligne directe ascendante
§ 1. Wanneer er na kloving, zoals bepaald in artikel 4.28, in beide § 1er. En cas de fente comme prévu à l’article 4.28, et si le défunt laisse
lijnen verwanten in de opgaande lijn bestaan, dan erft in elke lijn de des parents en ligne ascendante dans chaque ligne, l’ascendant qui se
naaste verwant in graad, ook als de erflater een langstlevende trouve au degré le plus proche, recueille la moitié affectée à sa ligne,
echtgenoot achterlaat. In elke lijn erven verwanten in opgaande lijn in même si le défunt laisse un conjoint survivant. Dans chaque ligne, les
gelijke graad, per hoofd. ascendants au même degré succèdent par tête.
§ 2. Indien er slechts in één lijn verwanten in opgaande lijn bestaan, § 2. Si, par contre, il n’y a d’ascendants que dans une ligne, et que le
en de erflater een langstlevende echtgenoot achterlaat, vindt evenwel défunt laisse un conjoint survivant, il n’y aura pas lieu à fente. Seuls les
geen kloving plaats. Alleen de verwanten in opgaande lijn komen in dat parents en ligne ascendante sont appelés à la succession. Dans cette
19796 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

geval tot de nalatenschap. In die lijn komt de naaste in graad tot de ligne, la succession est dévolue à l’ascendant au degré le plus proche et
nalatenschap en erven de verwanten in opgaande lijn in gelijke graad les ascendants au même degré succèdent par tête.
per hoofd.
§ 3. In het geval bepaald in paragraaf 1, indien de erflater ook een § 3. Dans le cas prévu au paragraphe 1er, si le défunt laisse aussi un
langstlevende echtgenoot nalaat, en in het geval bepaald in paragraaf 2, conjoint survivant, ainsi que dans le cas prévu au paragraphe 2, les
worden de rechten van de verwanten in opgaande lijn, beperkt tot de droits des ascendants sont limités à la nue-propriété des autres biens du
blote eigendom van de overige goederen van het eigen vermogen van patrimoine propre du défunt comme définis à l’article 4.17, § 2, 2°.
de erflater zoals in artikel 4.17, § 2, 2°, omschreven.
§ 4. Indien er in een van beide lijnen geen verwanten in opgaande lijn § 4. S’il n’y a d’ascendants que dans une ligne, et que le défunt ne
bestaan, en de erflater geen langstlevende echtgenoot achterlaat, dan is laisse pas de conjoint survivant, il y aura lieu à fente, et les collatéraux
er wel kloving, en komen in die lijn de gewone zijverwanten tot de simples seront appelés à la succession dans l’autre ligne, selon les règles
nalatenschap, volgens de regels bepaald in artikel 4.30. déterminées à l’article 4.30.
In dat geval heeft de overlevende vader of moeder het vruchtgebruik Le père ou la mère survivant a dans ce cas l’usufruit du tiers des
van het derde gedeelte van de goederen die hij of zij niet in eigendom biens auxquels il ne succède pas en propriété.
erft.
Art. 4.30. Gewone zijverwanten Art. 4.30. Collatéraux simples
Gewone zijverwanten worden niet tot de nalatenschap geroepen Les collatéraux simples ne sont pas appelés à la succession si le
indien de erflater een langstlevende echtgenoot nalaat. défunt laisse un conjoint survivant.
Indien er slechts in één lijn verwanten in de opgaande lijn zijn, wordt S’il n’y a d’ascendants que dans une ligne, la moitié déférée aux
de andere helft toegewezen aan de gewone zijverwanten van de andere collatéraux simples de l’autre ligne est dévolue à celui d’entre eux qui
lijn, en in die lijn aan de naaste in graad. se trouve au degré le plus proche.
Indien er in geen van beide lijnen verwanten in de opgaande lijn zijn, S’il n’y a d’ascendants dans aucune des deux lignes, la succession est
wordt de nalatenschap toegewezen aan de gewone zijverwanten, in déférée aux collatéraux simples, dans chacune des deux lignes à celui
iedere lijn aan de naaste in graad. qui se trouve au degré le plus proche dans cette ligne.
Indien er, in één lijn, verschillende gewone zijverwanten van S’il y a, dans une même ligne, concours de collatéraux simples au
dezelfde graad samen opkomen, delen zij per hoofd, behalve indien zij même degré, ils succèdent par tête, à moins qu’ils ne soient appelés par
bij plaatsvervulling geroepen worden, voor zover plaatsvervulling substitution, pour autant que la substitution soit autorisée.
toegelaten is.
Hoofdstuk 8. Nalatenschap van de kinderloos overleden geadop- Chapitre 8. Succession de l’enfant adopté décédé sans descendance
teerde
Art. 4.31. Kloving in de nalatenschap van de geadopteerde Art. 4.31. Fente dans la succession de l’enfant adopté
In geval van gewone adoptie worden, na uitoefening van het recht En cas d’adoption simple, après exercice du droit de retour comme il
van terugkeer zoals bepaald in artikel 4.25 de overige goederen van de est prévu à l’article 4.25, le surplus des biens de l’adopté décédé sans
geadopteerde die overleden is zonder afstammelingen na te laten, in descendance, se divise en deux parts égales entre la famille d’origine et
twee gelijke helften gesplitst tussen de oorspronkelijke en de adoptieve la famille adoptive.
familie.
In de oorspronkelijke familie is die ene helft van de nalatenschap Dans la famille d’origine, la moitié de cette succession qui lui revient
onderworpen aan de regels van artikelen 4.10 tot 4.30. est soumise aux règles prévues aux articles 4.10 à 4.30.
In de adoptieve familie komt de andere helft van de nalatenschap Dans la famille adoptive, l’autre moitié est, sous réserve des droits du
uitsluitend toe aan de adoptant of bij helften aan ieder van de conjoint survivant ou du cohabitant légal survivant, déférée exclusive-
adoptanten of aan hun afstammelingen, zonder afbreuk te doen aan de ment à l’adoptant ou par moitié à chacun des adoptants ou à leurs
rechten van de overlevende echtgenoot of van de langstlevende descendants. Si l’un des adoptants est décédé sans descendance, l’autre
wettelijk samenwonende. Indien een van de adoptanten overleden is adoptant ou ses descendants succèdent pour le tout.
zonder afstammelingen achter te laten, erven de andere adoptant of zijn
afstammelingen deze helft van de nalatenschap.
Indien in een van deze families niemand tot de helft van de Si dans l’une de ces familles, personne ne se trouve appelé à recueillir
nalatenschap geroepen is, of de erfgenamen allen de nalatenschap la moitié de la succession ou si les héritiers renoncent tous à la
verwerpen, vallen alle overige goederen van de geadopteerde aan de succession, l’autre famille recueille tout le surplus des biens de l’adopté.
andere familie toe.
Artikel 4.24 is niet van toepassing, ten aanzien van de oorspronke- L’article 4.24 n’est pas applicable, en ce qui concerne la famille
lijke familie van de geadopteerde, op de nalatenschap van zijn kinderen d’origine de l’adopté, aux successions de ses enfants, décédés après lui
die na hem overleden zijn zonder afstammelingen achter te laten. Het sans descendance. La part de la succession du dernier mourant de ces
aandeel van de nalatenschap van de langstlevende van die kinderen, enfants qui, aux termes de l’article 4.29 est attribuée aux ascendants de
dat volgens artikel 4.29 wordt toegekend aan de verwanten in de l’adopté, se divise conformément aux alinéas 1er à 4.
opgaande lijn van de geadopteerde, wordt verdeeld overeenkomstig
het eerste tot het vierde lid.
Ondertitel 5. Rechten van de Staat Sous-titre 5. Droits de l’État
Art. 4.32. Erfloze nalatenschap Art. 4.32. Succession en déshérence
Bij gebreke van erfgenamen vervalt de nalatenschap aan de Staat, À défaut de tout héritier, la succession est acquise à l’État, sans
zonder afbreuk te doen aan de rechten van de openbare centra voor préjudice des droits des centres publics d’aide sociale.
maatschappelijk welzijn.
Art. 4.33. Formaliteiten Art. 4.33. Formalités
Wanneer de Staat aanspraak maakt op de nalatenschap, moet hij de Lorsque l’État prétend avoir droit à la succession, il est tenu de faire
zegels doen leggen en een boedelbeschrijving doen opmaken in de apposer les scellés et de faire dresser inventaire dans les formes
vorm die is voorgeschreven voor de aanvaarding van nalatenschappen prescrites pour l’acceptation des successions sous bénéfice d’inventaire.
onder voorrecht van boedelbeschrijving.
De Staat moet de inbezitstelling vragen bij de familierechtbank van L’État doit demander l’envoi en possession au tribunal de la famille
het rechtsgebied waarbinnen de nalatenschap is opengevallen. De dans le ressort duquel la succession est ouverte. Le tribunal ne peut
rechtbank kan over de eis geen uitspraak doen dan na drie bekendma- statuer sur la demande qu’après trois publications et affiches dans les
kingen en aanplakkingen in de gebruikelijke vorm, en na de procureur formes usitées, et après avoir entendu le procureur du Roi.
des Konings te hebben gehoord.
Indien de Staat de voorgeschreven formaliteiten niet heeft vervuld, Si l’État n’a pas rempli les formalités prescrites, il pourra être
kan hij worden veroordeeld tot schadevergoeding aan de erfgenamen condamné aux dommages et intérêts envers les héritiers, s’il s’en
die zich zouden aanmelden. présente.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19797

Ondertitel 6. Erfkeuze Sous-titre 6. Option héréditaire


Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Chapitre 1er. Dispositions générales
Art. 4.34. Vrije keuze Art. 4.34. Option libre
Een nalatenschap kan of zuiver, of onder voorrecht van boedelbe- Une succession peut être acceptée purement et simplement, ou sous
schrijving aanvaard worden. bénéfice d’inventaire.
Niemand is gehouden een hem opgekomen nalatenschap te aanvaar- Nul n’est tenu d’accepter une succession qui lui est échue.
den.
Art. 4.35. Overgang van erfkeuze Art. 4.35. Transmission de l’option héréditaire
Wanneer hij aan wie een nalatenschap is opgekomen, overleden is Lorsque celui à qui une succession est échue, est décédé sans avoir
zonder zijn erfkeuze te hebben uitgeoefend, gaat deze erfkeuze op zijn exercé son option héréditaire, cette option héréditaire est transmise à
erfgenamen over. ses héritiers.
Indien deze erfgenamen omtrent deze erfkeuze van mening verschil- Si ces héritiers ne sont pas d’accord sur la manière d’exercer cette
len, moet de nalatenschap worden aanvaard onder voorrecht van option héréditaire, la succession doit être acceptée sous bénéfice
boedelbeschrijving. d’inventaire.
Art. 4.36. Tijdstip voor de uitoefening van de erfkeuze Art. 4.36. Moment de l’exercice de l’option héréditaire
Men kan omtrent de nalatenschap van een persoon die nog in leven On ne peut exercer l’option héréditaire relative à la succession d’une
is, geen erfkeuze maken, tenzij de wet anders bepaalt. personne vivante, sauf dans les cas prévus par la loi.
Het recht om een erfkeuze te maken verjaart door verloop van dertig La faculté d’exercer l’option héréditaire se prescrit par trente ans, à
jaar, te rekenen van de dag waarop de nalatenschap is opengevallen. compter du jour de l’ouverture de la succession.
Art. 4.37. Opschortende exceptie van boedelbeschrijving en beraad Art. 4.37. Exception dilatoire pour faire inventaire et délibérer
§ 1. Gedurende de termijnen van boedelbeschrijving en van beraad, § 1er. Pendant la durée des délais pour faire inventaire et pour
kan een erfgerechtigde niet worden genoodzaakt de hoedanigheid van délibérer, le successible ne peut être contraint à prendre la qualité
erfgenaam aan te nemen, en kan tegen hem geen veroordeling worden d’héritier, et il ne peut être obtenu contre lui de condamnation.
verkregen.
§ 2. De termijn voor het opmaken van de boedelbeschrijving is drie § 2. Le délai pour faire inventaire est de trois mois, à compter du jour
maanden, te rekenen van de dag waarop de nalatenschap is openge- de l’ouverture de la succession.
vallen.
De termijn om zich omtrent de erfkeuze te beraden, is veertig dagen, Le délai pour délibérer sur l’option héréditaire à prendre est de
te rekenen van de dag dat de voor het opmaken van de boedelbeschrij- quarante jours, qui commencent à courir du jour de l’expiration des
ving verleende drie maanden verstreken zijn, of van de dag van het trois mois donnés pour l’inventaire, ou du jour de la clôture de
sluiten van de boedelbeschrijving, indien deze vóór het verstrijken van l’inventaire s’il a été terminé avant les trois mois.
de drie maanden is beëindigd.
§ 3. Na verloop van de hierboven bepaalde termijnen, kan de § 3. Après l’expiration des délais ci-dessus, le successible, en cas de
erfgerechtigde, indien tegen hem een vervolging wordt ingesteld, een poursuite dirigée contre lui, peut demander un nouveau délai, que le
nieuwe termijn aanvragen, die door de familierechtbank waarvoor het tribunal de la famille saisi de la contestation accorde ou refuse suivant
geschil aanhangig is, naar gelang van de omstandigheden wordt les circonstances.
toegestaan of geweigerd.
§ 4 De kosten van de vervolging, in het geval van paragraaf 3, komen § 4. Les frais de poursuite, dans le cas du paragraphe 3, sont à la
ten laste van de nalatenschap, indien de erfgerechtigde bewijst dat hij charge de la succession, si le successible justifie, ou qu’il n’avait pas eu
van het overlijden geen kennis heeft gedragen, of dat de termijnen connaissance du décès, ou que les délais ont été insuffisants, soit à
onvoldoende zijn geweest, hetzij wegens de ligging van de goederen, raison de la situation des biens, soit à raison des contestations
hetzij wegens de gerezen geschillen; indien hij daarvan het bewijs niet survenues; s’il n’en justifie pas, les frais restent à sa charge personnelle.
levert, blijven de kosten te zijnen laste.
De kosten van opneming en andere waarschuwingen blijven ten laste Les frais d’insertion et autres avertissements restent à charge de la
van de nalatenschap als gerechtskosten. succession comme frais de justice.
Art. 4.38. Erfkeuze na verloop van de toegestane termijnen Art. 4.38. Option héréditaire après écoulement des délais accordés
Na verloop van de bij artikel 4.37, § 2, verleende, en zelfs van de door Le successible conserve néanmoins, après l’expiration des délais
de rechter overeenkomstig artikel 4.37, § 3, toegestane termijnen, accordés par l’article 4.37, § 2, et même de ceux donnés par le juge
behoudt de erfgerechtigde niettemin het recht om de boedelbeschrij- conformément à l’article 4.37, § 3, la faculté de faire encore inventaire et
ving alsnog te doen opmaken, en zijn erfkeuze uit te oefenen, tenzij hij d’exercer son option héréditaire, sauf s’il a déjà fait acte d’héritier, ou
reeds een daad van erfgenaam verricht heeft, of tegen hem een vonnis s’il existe contre lui un jugement passé en force de chose jugée, qui le
bestaat dat in kracht van gewijsde is gegaan en hem als zuiver condamne en qualité d’héritier pur et simple.
erfgenaam veroordeelt.
Indien de erfgerechtigde de nalatenschap verwerpt, nadat de termij- Si le successible renonce lorsque les délais sont expirés ou avant, les
nen zijn verstreken of vroeger, komen de kosten, door hem tot dan toe frais par lui faits légitimement jusqu’à cette époque sont à la charge de
wettig gemaakt, ten laste van de nalatenschap. la succession.
Art. 4.39. Gevolgen van de gemaakte erfkeuze Art. 4.39. Effets de l’option héréditaire exercée
De erfkeuze werkt terug tot op de dag waarop de nalatenschap is L’effet de l’option héréditaire exercée remonte au jour de l’ouverture
opengevallen. de la succession.
De erfgerechtigde die de nalatenschap verwerpt, wordt geacht nooit Le successible qui renonce est censé n’avoir jamais été successible.
erfgerechtigde te zijn geweest.
Art. 4.40. Minderjarigen en beschermde meerderjarigen Art. 4.40. Mineurs et majeurs protégés
§ 1. Omtrent nalatenschappen die aan minderjarigen toekomen, kan § 1er. Pour les successions échues aux mineurs, l’option héréditaire ne
de erfkeuze slechts rechtsgeldig worden uitgeoefend overeenkomstig peut être valablement exercée que conformément aux dispositions de
de bepalingen van artikel 410, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek. l’article 410, § 1er, de l’ancien Code civil.
§ 2. De fondsen en waarden die zij verkrijgen, worden geplaatst op § 2. Les fonds et valeurs leur revenant sont placés sur un compte à
een rekening geopend op hun naam en worden onbeschikbaar gemaakt leur nom, frappé d’indisponibilité jusqu’à la majorité, sans préjudice du
tot de meerderjarigheid, zonder afbreuk te doen aan het recht op droit de jouissance légale, et sans préjudice de l’article 410, § 1er, 14°, de
wettelijk genot, en met behoud van de toepassing van het bepaalde in l’ancien Code civil.
artikel 410, § 1, 14°, van het oud Burgerlijk Wetboek.
19798 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

§ 3. Ingeval minderjarigen of personen die overeenkomstig arti- § 3. Dans le cas où des mineurs ou des personnes qui ont été
kel 492/1, § 2, derde lid, 5°, van het oud Burgerlijk Wetboek déclarées incapables de renoncer à une succession conformément à
onbekwaam werden verklaard om een nalatenschap te verwerpen, tot l’article 492/1, § 2, alinéa 3, 5°, de l’ancien Code civil, sont appelés à une
een nalatenschap bedoeld in artikel 4.44, derde lid, geroepen zijn, ook succession visée à l’article 4.44, alinéa 3, même si ce n’est qu’à un degré
indien dit slechts in ondergeschikte graad of orde is, kan de vrederech- ou à un ordre subséquent, une autorisation conjointe de renoncer à cette
ter, voor het geheel of een deel van deze personen, worden verzocht om succession peut être demandée au juge de paix, pour tout ou partie de
een gezamenlijke machtiging om deze nalatenschap te verwerpen. ces personnes.
Het verzoek kan gezamenlijk worden ingediend door de respectie- La requête peut être introduite conjointement par leurs représentants
velijke wettelijke vertegenwoordigers, overeenkomstig artikel 1185 van légaux respectifs, conformément à l’article 1185 du Code judiciaire.
het Gerechtelijk Wetboek.
Hoofdstuk 2. Zuivere aanvaarding van de nalatenschap Chapitre 2. Acceptation pure et simple de la succession
Art. 4.41. Uitdrukkelijke of stilzwijgende aanvaarding Art. 4.41. Acceptation expresse ou tacite
§ 1. De zuivere aanvaarding kan uitdrukkelijk of stilzwijgend § 1er. L’acceptation pure et simple peut être expresse ou tacite.
geschieden.
§ 2. Zij geschiedt uitdrukkelijk, wanneer de erfgerechtigde in een § 2. Elle est expresse, quand le successible prend le titre ou la qualité
authentieke of een onderhandse akte de titel of de hoedanigheid van d’héritier dans un acte authentique ou dans un acte sous signature
erfgenaam aanneemt. privée.
§ 3. Zij geschiedt stilzwijgend, wanneer de erfgerechtigde een daad § 3. Elle est tacite, quand le successible fait un acte qui suppose
verricht die noodzakelijk zijn bedoeling om te aanvaarden insluit en die nécessairement son intention d’accepter, et qu’il n’aurait droit de faire
hij slechts in zijn hoedanigheid van erfgenaam bevoegd zou zijn te qu’en sa qualité d’héritier.
verrichten.
§ 4. Daden die alleen dienen tot bewaring, toezicht of voorlopig § 4. Les actes purement conservatoires, de surveillance et d’adminis-
beheer, zijn geen daden van aanvaarding van de nalatenschap, indien tration provisoire, ne sont pas des actes d’acceptation de succession, si
daarbij de titel of de hoedanigheid van erfgenaam niet is aangenomen. l’on n’y a pas pris le titre ou la qualité d’héritier.
Indien echter in de nalatenschap zaken aanwezig zijn die kunnen Si cependant il existe dans la succession, des objets susceptibles de
bederven, of waarvan de bewaring grote kosten vergt, kan de dépérir ou dispendieux à conserver, le successible peut, sans qu’on
erfgerechtigde zonder dat men daaruit een aanvaarding van zijn zijde puisse en induire de sa part une acceptation, se faire autoriser par
mag afleiden, zich door de rechter doen machtigen om die zaken te justice à procéder à la vente de ces objets. Les dispositions du livre IV,
verkopen. De bepalingen van boek IV, hoofdstuk V, van het Gerechte- chapitre V, du Code judiciaire s’appliquent par analogie.
lijk Wetboek zijn van overeenkomstige toepassing.
Art. 4.42. Overdracht die aanvaarding inhoudt Art. 4.42. Cession emportant acceptation
De schenking, de verkoop of de overdracht van zijn erfrecht door een La donation, vente ou cession que fait de ses droits successifs un des
van de erfgenamen gedaan, hetzij aan een vreemde persoon, hetzij aan cohéritiers, soit à un étranger, soit à tous ses cohéritiers, soit à
al zijn mede-erfgenamen, hetzij aan enkelen onder hen, heeft voor hem quelques-uns d’eux, emporte de sa part acceptation de la succession.
aanvaarding van de nalatenschap ten gevolge.
Hetzelfde geldt: Il en est de même:
1° voor de verwerping, zelfs om niet, door een van de erfgenamen 1° de la renonciation, même gratuite, que fait un des héritiers au
gedaan ten voordele van een of meer van zijn mede-erfgenamen; profit d’un ou de plusieurs de ses cohéritiers;
2° voor de verwerping door hem gedaan, zelfs ten voordele van al 2° de la renonciation qu’il fait même au profit de tous ses cohéritiers
zijn mede-erfgenamen zonder onderscheid, wanneer hij voor de indistinctement, lorsqu’il reçoit le prix de sa renonciation.
verwerping een prijs ontvangt.
Art. 4.43. Bedrog of benadeling bij aanvaarding Art. 4.43. Dol ou lésion invalidant l’acceptation
Een meerderjarige kan tegen de door hem uitdrukkelijk of stilzwij- Le majeur ne peut attaquer l’acceptation expresse ou tacite qu’il a
gend gedane aanvaarding van een nalatenschap slechts opkomen faite d’une succession, que dans le cas où cette acceptation aurait été la
ingeval die aanvaarding het gevolg mocht zijn geweest van een jegens suite d’un dol pratiqué envers lui.
hem gepleegd bedrog.
Hij kan er nooit tegen opkomen onder voorwendsel van benadeling, Il ne peut jamais l’attaquer sous prétexte de lésion, excepté seulement
tenzij de nalatenschap mocht zijn teniet gedaan of met meer dan de dans le cas où la succession se trouverait absorbée ou diminuée de plus
helft verminderd, door de ontdekking van een testament dat op het de moitié, par la découverte d’un testament inconnu au moment de
ogenblik van de aanvaarding onbekend was. l’acceptation.
Hoofdstuk 3. Verwerping van de nalatenschap Chapitre 3. Renonciation à la succession
Art. 4.44. Uitdrukkelijke keuze vereist Art. 4.44. Exigence d’une volonté expresse
De verwerping van een nalatenschap wordt niet vermoed: zij moet La renonciation à une succession ne se présume pas: elle doit être
worden gedaan door middel van een verklaring afgelegd ten overstaan faite par déclaration devant notaire, dans un acte authentique.
van een notaris, in een authentieke akte.
Binnen vijftien dagen volgend op de authentieke akte, wordt de Dans les quinze jours qui suivent l’acte authentique, la renonciation
verwerping, door toedoen van de notaris en op kosten van de est inscrite, par les soins du notaire et aux frais du successible
verwerpende erfgerechtigde, ingeschreven in het centraal erfrechtregis- renonçant, dans le registre central successoral.
ter.
Ingeval de verwerper of verwerpers op eer verklaren in de akte dat Lorsque la ou les personnes qui renoncent déclarent sur l’honneur
volgens hun kennis het netto actief van de nalatenschap niet meer dans l’acte qu’à leur connaissance l’actif net de la succession ne dépasse
bedraagt dan 5 000 euro, wordt de verklaring van verwerping bedoeld pas 5 000 euros, la déclaration de renonciation visée à l’alinéa 1er est
in het eerste lid, kosteloos verleden en geregistreerd en wordt zij reçue et enregistrée gratuitement et exemptée de paiement de droit
vrijgesteld van de betaling van recht op geschriften en bekendmakings- d’écriture et de frais de publication. Tous les trois ans, au 1er août, le
kosten. Elke drie jaar, op 1 augustus, wordt het bedrag van 5 000 euro montant de 5 000 euros est adapté de plein droit à l’indice des prix à la
van rechtswege aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen consommation du mois qui précède celui de l’adaptation. L’indice de
van de maand die aan de aanpassing voorafgaat. Het aanvangsindex- départ est celui du mois de juillet 2017.
cijfer is het indexcijfer van de maand juli 2017.
Art. 4.45. Gevolgen van de verwerping Art. 4.45. Effets de la renonciation
Het aandeel van hem die de nalatenschap verwerpt, komt ten goede La part du renonçant bénéficie à ses descendants, si la substitution a
aan zijn afstammelingen, indien plaatsvervulling plaatsvindt. lieu.
Zo niet, komt zijn aandeel door aanwas ten goede aan de andere Dans le cas contraire, sa part accroît celle des autres successibles de
erfgerechtigden in dezelfde graad. son degré.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19799

Indien de verwerper alleen is in zijn graad, vervalt het aan de overige Si le renonçant est seul à son degré, elle est dévolue aux autres
erfgerechtigden die tot deze nalatenschap geroepen zijn. successibles appelés à cette succession.
Art. 4.46. Schuldeisers Art. 4.46. Créanciers
De schuldeisers van hem die met benadeling van hun rechten een Les créanciers de celui qui renonce au préjudice de leurs droits,
nalatenschap verwerpt, kunnen zich door de rechter doen machtigen peuvent se faire autoriser en justice à accepter la succession du chef de
om de nalatenschap uit hoofde van hun schuldenaar in zijn plaats te leur débiteur, en son lieu et place.
aanvaarden.
In dit geval is de verwerping alleen ten voordele van de schuldeisers Dans ce cas, la renonciation n’est annulée qu’en faveur des créan-
en slechts tot het bedrag van hun schuldvorderingen vernietigd. Zij is ciers, et jusqu’à concurrence seulement de leurs créances: elle ne l’est
het niet ten voordele van de erfgerechtigde die de nalatenschap pas au profit du successible qui a renoncé.
verworpen heeft.
Art. 4.47. Intrekking van de verwerping Art. 4.47. Rétractation de la renonciation
Zolang tegen erfgerechtigden die een nalatenschap verworpen Tant que la prescription du droit d’accepter n’est pas acquise contre
hebben, geen verjaring is verkregen van het recht om te aanvaarden, les successibles qui ont renoncé, ils ont la faculté d’accepter encore la
blijven zij bevoegd om de nalatenschap alsnog te aanvaarden, indien succession, si elle n’a pas déjà été acceptée par d’autres héritiers; sans
deze niet reeds door andere erfgenamen is aanvaard; zonder evenwel préjudice néanmoins des droits qui peuvent être acquis à des tiers sur
afbreuk te doen aan de rechten die door derden op de goederen van de les biens de la succession, soit par prescription, soit par des actes
nalatenschap mochten zijn verkregen, hetzij door verjaring, hetzij door valablement faits avec le curateur à la succession vacante.
handelingen die wettig verricht zijn met de curator van de onbeheerde
nalatenschap.
Art. 4.48. Heling en verval van het recht op verwerping Art. 4.48. Recel et déchéance du droit de renoncer
De erfgenaam of de erfgerechtigde die te kwader trouw informatie L’héritier ou le successible qui, de mauvaise foi, dissimule des
verzwijgt of valse verklaringen aflegt met betrekking tot de samenstel- informations ou fait de fausses déclarations en ce qui concerne la
ling of de omvang van de nalatenschap, om hieruit voor zichzelf, ten composition ou l’étendue de la succession, pour en retirer un avantage
nadele van zijn mede-erfgenamen of van de schuldeisers van de pour lui-même au préjudice de ses cohéritiers ou des créanciers de la
nalatenschap, een voordeel te verkrijgen, is schuldig aan heling. succession, est coupable de recel.
De erfgenaam of de erfgerechtigde die schuldig is aan heling verliest L’héritier ou le successible qui est coupable de recel est déchu de la
de bevoegdheid om de nalatenschap te verwerpen. Ook al zou hij die faculté de renoncer à la succession. Même s’il voulait y renoncer, il
willen verwerpen, toch blijft hij zuiver erfgenaam, zonder op enig demeure héritier pur et simple, sans pouvoir prétendre à aucune part
aandeel in de geheelde goederen of waarden aanspraak te kunnen dans les biens ou valeurs recelés.
maken.
Deze sanctie kan niet worden ingeroepen tegen de erfgenaam of de Cette sanction ne peut être invoquée à l’encontre de l’héritier ou du
erfgerechtigde die spontaan en tijdig de juiste en volledige informatie successible qui fournit, spontanément et en temps utile, l’information
verstrekt of zijn valse verklaringen rechtzet. exacte et complète ou rectifie ses fausses déclarations.
Hoofdstuk 4. Aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving Chapitre 4. Acceptation sous bénéfice d’inventaire
Art. 4.49. Uitdrukkelijke keuze vereist Art. 4.49. Exigence d’une volonté expresse
§ 1. De verklaring waarbij een erfgerechtigde te kennen geeft dat hij § 1er. La déclaration d’un successible qu’il entend ne prendre la
de hoedanigheid van erfgenaam slechts onder voorrecht van boedel- qualité d’héritier que sous bénéfice d’inventaire, doit être faite devant
beschrijving aanneemt, moet worden afgelegd ten overstaan van een notaire, dans un acte authentique.
notaris, in een authentieke akte.
§ 2. Binnen vijftien dagen volgend op de authentieke akte, wordt de § 2. Dans les quinze jours qui suivent l’acte authentique, la déclara-
verklaring van aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving, tion d’acceptation sous bénéfice d’inventaire est, par les soins du
door toedoen van de notaris en op kosten van de erfgenaam die onder notaire et aux frais de l’héritier acceptant sous bénéfice d’inventaire,
voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardt, ingeschreven in het inscrite dans le registre central successoral.
centraal erfrechtregister.
§ 3. Bij aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving wegens § 3. En cas d’acceptation sous bénéfice d’inventaire en raison de
onbekwaamheid van de erfgerechtigde, wordt de verklaring afgelegd l’incapacité de l’héritier, la déclaration est faite par le père et la mère ou
door de vader en de moeder of door degene van hen die het ouderlijk celui d’entre eux qui exerce l’autorité parentale, par le mineur
gezag uitoefent, door de ontvoogde minderjarige, door de voogd of émancipé, par le tuteur ou par l’administrateur chargé de représenter la
door de bewindvoerder met vertegenwoordigingsopdracht. Er wordt personne protégée. Il est ensuite procédé conformément au paragra-
vervolgens gehandeld overeenkomstig paragraaf 2. De vrederechter phe 2. Le juge de paix veille à l’accomplissement de ces formalités.
ziet toe op de inachtneming van deze vormen.
In geval van belangentegenstelling tussen de onbekwame en zijn En cas d’opposition d’intérêts entre l’incapable et son représentant
wettelijke vertegenwoordiger, wordt door de vrederechter, hetzij op légal, le juge de paix désigne un tuteur ad hoc ou un administrateur ad
verzoek van iedere belanghebbende, hetzij ambtshalve, een voogd ad hoc soit à la requête de toute personne intéressée, soit d’office.
hoc of een bewindvoerder ad hoc aangewezen.
§ 4. Een uittreksel uit de verklaring van aanvaarding onder voorrecht § 4. Un extrait de la déclaration d’acceptation sous bénéfice d’inven-
van boedelbeschrijving wordt bekendgemaakt door een mededeling in taire est publié par mention au Moniteur belge, par les soins du notaire
het Belgisch Staatsblad, door toedoen van de notaris en op kosten van de et aux frais de l’héritier acceptant sous bénéfice d’inventaire, avec
erfgenaam die onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardt, met invitation aux créanciers et aux légataires d’avoir à faire connaître, par
verzoek aan de schuldeisers en legatarissen om, bij aangetekende envoi recommandé, leurs droits dans un délai de trois mois à compter
zending, hun rechten te doen kennen binnen drie maanden te rekenen de la date de cette publication.
van de datum van die bekendmaking.
Dat uittreksel vermeldt enkel de volgende gegevens met betrekking Cet extrait mentionne uniquement les données suivantes relatives au
tot de erflater: défunt:
a) de naam en voorna(a)m(en); a) les nom et prénom(s);
b) het rijksregisternummer; b) le numéro de registre national;
c) de geboorteplaats en –datum; c) le lieu et la date de naissance;
d) de woonplaats of de gewone verblijfplaats; d) le domicile ou la résidence habituelle;
e) de plaats en de datum van overlijden; e) le lieu et la date du décès;
f) de gekozen woonplaats voor de verzending van de aangetekende f) le domicile élu pour l’envoi du recommandé indiqué à l’alinéa 1er.
zending vermeld in het eerste lid.
De identiteit van de aangever wordt niet vermeld in dat uittreksel. Il n’est pas fait mention de l’identité du déclarant dans cet extrait.
19800 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

Behoudens later bewijs van de werkelijkheid van hun schuldvorde- Sous réserve de justifications ultérieures de la réalité de leurs
ringen, maken de schuldeisers en legatarissen zich bekend bij aangete- créances, les créanciers et légataires se font connaître par envoi
kende zending, gericht aan de woonplaats die de erfgenaam gekozen recommandé adressé au domicile élu par l’héritier et indiqué dans
heeft en die in de opgenomen verklaring is vermeld. l’insertion.
Art. 4.50. Boedelbeschrijving vereist Art. 4.50. Nécessité d’un inventaire
De verklaring waarbij een erfgerechtigde aanvaardt onder voorrecht La déclaration d’un successible qu’il accepte sous bénéfice d’inven-
van boedelbeschrijving, heeft slechts kracht voor zover zij is voorafge- taire, n’a d’effet qu’autant qu’elle est précédée ou suivie d’un inventaire
gaan of gevolgd door een getrouwe en nauwkeurige boedelbeschrijving fidèle et exact des biens de la succession dans les formes réglées par le
van de goederen van de nalatenschap, in de vorm door het Gerechtelijk Code judiciaire.
Wetboek voorgeschreven.
Art. 4.51. Verval van het voorrecht Art. 4.51. Perte du bénéfice
Het voorrecht van boedelbeschrijving vervalt voor de erfgenaam die L’héritier qui est coupable de recel, ou qui a omis, sciemment et de
schuldig is aan heling, of die, wetens en willens en te kwader trouw, mauvaise foi, de comprendre dans l’inventaire, des biens de la
verzuimd heeft goederen van de nalatenschap in de boedelbeschrijving succession, est déchu du bénéfice d’inventaire.
te doen opnemen.
Art. 4.52. Gevolgen van het voorrecht Art. 4.52. Effets du bénéfice
Ingevolge het voorrecht van boedelbeschrijving wordt de vermen- Le bénéfice d’inventaire a pour effet d’empêcher la confusion des
ging van de boedels verhinderd ten aanzien van de erfgenaam zowel patrimoines, tant à l’égard de l’héritier que des créanciers et légataires.
als ten aanzien van de schuldeisers en de legatarissen.
De erfgenaam behoudt tegen de nalatenschap de rechten die hij had L’héritier conserve contre la succession les droits qu’il avait contre le
tegen de erflater. Hij is tot de betaling van de schulden en lasten van de défunt. Il n’est tenu des dettes et charges de la succession que sur les
nalatenschap slechts gehouden op de goederen die hij verkrijgt. biens qu’il recueille.
De schuldeisers van de nalatenschap en de legatarissen worden uit Les créanciers de la succession et les légataires sont payés sur ces
die goederen betaald bij voorkeur boven de persoonlijke schuldeisers biens de préférence aux créanciers personnels de l’héritier.
van de erfgenaam.
Art. 4.53. Beheer en vereffening door de erfgenaam Art. 4.53. Administration et liquidation par l’héritier
De erfgenaam die onder voorrecht van boedelbeschrijving heeft L’héritier bénéficiaire est chargé d’administrer les biens de la
aanvaard, is belast met het beheer en de vereffening van de goederen succession et de les liquider. Il doit rendre compte de sa gestion aux
van de nalatenschap. Hij moet van zijn beheer rekening en verantwoor- créanciers et aux légataires.
ding doen aan de schuldeisers en de legatarissen.
Hij kan geen dading treffen, geen compromis aangaan, noch de Il ne peut transiger, compromettre, ni grever les biens d’hypothèques
goederen met hypotheken of andere zakelijke lasten bezwaren, zonder ou d’autres charges réelles sans l’autorisation de justice.
machtiging van de rechter.
Hij kan in zijn persoonlijke goederen niet verder worden aangespro- Il ne peut être contraint sur ses biens personnels que jusqu’à
ken dan tot het bedrag dat hij als overschot heeft ontvangen. concurrence seulement du reliquat qu’il a perçu.
Art. 4.54. Beheer en vereffening door een beheerder Art. 4.54. Administration et liquidation par un administrateur
§ 1. De erfgenaam die onder voorrecht van boedelbeschrijving § 1er. L’héritier bénéficiaire peut se décharger du soin d’administrer
aanvaardt, kan zich ontheffen van de zorg om de nalatenschap te et de liquider la succession. Il doit au préalable faire nommer sur
beheren en te vereffenen. Hij moet vooraf, onder indiening van een requête, par ordonnance du tribunal de la famille, un administrateur
verzoekschrift, bij beschikking van de familierechtbank, een beheerder auquel il remettra tous les biens de la succession, à charge pour celui-ci
doen benoemen, aan wie hij alle goederen van de nalatenschap de la liquider en se conformant aux règles ci-dessous prescrites.
overgeeft onder verplichting om ze met inachtneming van de hierna
bepaalde regels te vereffenen.
§ 2. Ingeval de belangen van de schuldeisers van de nalatenschap of § 2. Au cas où les intérêts des créanciers héréditaires ou des légataires
van de legatarissen in het gedrang kunnen komen wegens nalatigheid pourraient être compromis par la négligence ou par la situation de
van de onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardende erfge- fortune de l’héritier bénéficiaire, tout intéressé peut provoquer son
naam of wegens zijn vermogenstoestand, kan iedere belanghebbende remplacement par un administrateur chargé de liquider la succession.
vorderen dat deze wordt vervangen door een beheerder die de
nalatenschap moet vereffenen.
Die beheerder wordt benoemd bij een beschikking in kort geding, de Cet administrateur est nommé par ordonnance rendue en référé,
erfgenaam gehoord of vooraf opgeroepen. l’héritier entendu ou préalablement appelé.
§ 3. De beschikking tot aanwijzing van een beheerder in toepassing § 3. L’ordonnance de désignation d’un administrateur en application
van de paragrafen 1 en 2 wordt binnen de vijftien dagen opgenomen in des paragraphes 1er et 2 est inscrite dans les quinze jours dans le
het centraal erfrechtregister. registre central successoral.
§ 4. De beheerder, benoemd ingevolge de paragrafen 1 en 2, heeft § 4. L’administrateur nommé en vertu des paragraphes 1er et 2,
dezelfde macht als die waarover de onder voorrecht van boedelbeschrij- dispose de pouvoirs identiques à ceux dont disposait l’héritier bénéfi-
ving aanvaardende erfgenaam zelf beschikte. ciaire lui-même.
Hij heeft dezelfde verplichtingen als de erfgenaam. Hij is ontslagen Il est soumis aux mêmes obligations que l’héritier. Il est dispensé de
van borgstelling. fournir caution.
Art. 4.55. Vereffeningsverrichtingen Art. 4.55. Opérations de liquidation
§ 1. De verkoop van de roerende of onroerende goederen geschiedt in § 1er. La vente des biens meubles ou immeubles a lieu dans les formes
de vorm, door het Gerechtelijk Wetboek bepaald. prescrites par le Code judiciaire.
Indien de onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardende Si l’héritier bénéficiaire ne les vend pas, il n’est tenu que de la
erfgenaam deze goederen niet verkoopt, is hij slechts verantwoordelijk dépréciation ou de la détérioration due à sa négligence.
voor de waardevermindering of de beschadiging door zijn nalatigheid
veroorzaakt.
§ 2. De onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardende erfge- § 2. L’héritier bénéficiaire est tenu, si les créanciers ou autres
naam is verplicht, indien de schuldeisers of andere belanghebbenden personnes intéressées l’exigent, de donner caution solvable de la valeur
het vorderen, een solvabele borg te stellen voor de waarde van de in de du mobilier compris dans l’inventaire et de la portion du prix des
boedelbeschrijving begrepen roerende goederen en voor het gedeelte immeubles non délégués aux créanciers hypothécaires, sans préjudice
van de prijs van de onroerende goederen dat niet aan de hypothecaire de l’article 4.54, § 2.
schuldeisers is overgewezen, met behoud van de toepassing van
artikel 4.54, § 2.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19801

Indien hij in gebreke blijft een zodanige borg te stellen, worden de Faute par lui de fournir cette caution, les biens meubles sont vendus
roerende goederen verkocht en wordt de prijs daarvan, evenals het niet et leur prix est déposé, ainsi que la portion non déléguée du prix des
overgewezen gedeelte van de prijs van de onroerende goederen, in biens immeubles, pour être employés à l’acquit des charges de la
bewaring gesteld, om tot voldoening van de lasten van de nalatenschap succession.
te dienen.
§ 3. Bij vrijwillige aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrij- § 3. En cas d’acceptation bénéficiaire volontaire, l’héritier ne peut
ving, mag de erfgenaam geen niet-bevoorrechte schuldeiser of legataris payer aucun créancier chirographaire ni légataire avant l’expiration du
betalen vóór het verstrijken van de termijn, gesteld in artikel 4.49, § 4, délai fixé par l’article 4.49, § 4, alinéa 1er.
eerste lid.
Hij mag evenwel de schuldvorderingen vermeld in artikel 19 van de Il peut toutefois payer les créances énumérées à l’article 19 de la loi
wet van 16 december 1851, betalen volgens hun rang. du 16 décembre 1851 suivant leur rang.
§ 4. Na het verstrijken van die termijn kan de betaling, indien niet alle § 4. Après l’expiration de ce délai, si tous les créanciers connus ne
bekende schuldeisers het eens zijn om een minnelijke schikking te sont pas d’accord pour procéder à un règlement amiable, le paiement
treffen, alleen geschieden in de volgorde en op de wijze, door de rechter ne peut se faire que dans l’ordre et de la manière déterminée par le juge.
bepaald.
§ 5. De kosten van de verzegeling, indien zegels zijn gelegd, van de § 5. Les frais de scellés, s’il en a été apposé, d’inventaire et de compte,
boedelbeschrijving en van het opmaken van de rekening, komen ten sont à la charge de la succession.
laste van de nalatenschap.
Art. 4.56. Schuldeisers die zich later melden Art. 4.56. Créanciers se présentant ultérieurement
Schuldeisers die ten tijde van een eerste betaling niet bekend waren Les créanciers qui, inconnus à l’époque d’un premier paiement, se
maar zich achteraf aanmelden, hebben verhaal op de betaalde legata- font connaître ultérieurement, ont recours contre les légataires payés
rissen gedurende een termijn van drie jaar te rekenen van de dag dat de pendant un laps de trois ans à compter du jour de l’apurement du
rekening is aangezuiverd en het overschot betaald. Zij hebben geen compte et du paiement du reliquat. Ils n’ont aucun recours contre les
verhaal tegen de reeds betaalde schuldeisers, maar zijn gerechtigd van créanciers déjà payés, mais ils ont le droit de prélever sur l’actif non
het nog niet verdeelde actief het uit te keren bedrag af te nemen dat bij encore réparti les dividendes afférents à leurs créances dans les
de eerste verdelingen aan hun schuldvorderingen toekwam. premières répartitions.
Art. 4.57. Vereffening bij niet eenstemmige keuze Art. 4.57. Liquidation en cas de choix non unanime
Aanvaarden sommige erfgenamen de nalatenschap zuiver en andere Si parmi les héritiers les uns acceptent la succession purement et
onder voorrecht van boedelbeschrijving, dan gelden de regelen inzake simplement et les autres sous bénéfice d’inventaire, les règles du
voorrecht van boedelbeschrijving die op de vorm van vereffening of op bénéfice d’inventaire relatives, soit à la forme de liquidation, soit au
het vervolgingsrecht van de schuldeisers betrekking hebben voor de droit de poursuite des créanciers, s’appliquent à la succession tout
gehele nalatenschap tot bij de verdeling. entière jusqu’au partage.
In dat geval kan de rechtbank de vereffening van de gehele Dans ce cas, le tribunal peut confier la liquidation de la succession
nalatenschap opdragen aan een erfgenaam naar haar keuze, onder tout entière à tel des héritiers qu’il lui plaît de choisir, à charge par
verplichting, voor deze erfgenaam, die in het vonnis bepaalde zeker- celui-ci de fournir les sûretés déterminées par le jugement.
heid te stellen.
Tijdens de vereffening kan geen erfgenaam in zijn persoonlijke Pendant la durée de la liquidation, aucun des héritiers ne peut être
goederen aangesproken worden. Na de verdeling blijven de gevolgen poursuivi sur ses biens personnels. Après le partage, les effets de
van de aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving alleen l’acceptation bénéficiaire ne subsistent qu’au regard des héritiers qui
bestaan ten aanzien van de erfgenamen die in deze vorm hebben ont accepté dans cette forme.
aanvaard.
Hoofdstuk 5. Onbeheerde nalatenschappen Chapitre 5. Successions vacantes
Art. 4.58. Vereffening van een onbeheerde nalatenschap Art. 4.58. Liquidation d’une succession vacante
§ 1. Wanneer, na het verstrijken van de termijnen van boedelbeschrij- § 1er. Lorsqu’après l’expiration des délais pour faire inventaire et
ving en van beraad, zich niemand aanmeldt om een nalatenschap op te pour délibérer, il ne se présente personne qui réclame une succession,
vorderen, geen erfgenaam bekend is of de bekende erfgerechtigden de qu’il n’y a pas d’héritier connu, ou que les successibles connus y ont
nalatenschap hebben verworpen, wordt deze als onbeheerd beschouwd. renoncé, cette succession est réputée vacante.
§ 2. De door de familierechtbank, overeenkomstig artikel 1228 van § 2. Le curateur désigné par le tribunal de la famille, conformément
het Gerechtelijk Wetboek aangewezen curator is gehouden de staat van à l’article 1228 du Code judiciaire est tenu de faire constater l’état de la
nalatenschap door een boedelbeschrijving te doen vaststellen. succession par un inventaire.
Hij beheert de nalatenschap. De bepalingen van hoofdstuk 4 betref- Il administre la succession. Les dispositions du chapitre 4 relatives
fende de tegeldemaking van het actief en de betaling van het passief tant à la réalisation de l’actif qu’au paiement du passif par l’héritier
door de onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardende erfge- bénéficiaire sont applicables.
naam, zijn van toepassing.
Hoofdstuk 6. Bewijs van erfgenaamschap Chapitre 6. Preuve de la qualité d’héritier
Art. 4.59. Akten of attesten van erfopvolging Art. 4.59. Actes ou certificats d’hérédité
§ 1. Behoudens andersluidende wettelijke bepaling, geeft een schul- § 1er. Sauf disposition légale contraire, un débiteur de bonne foi libère
denaar te goeder trouw bevrijdend tegoeden van een erflater vrij, les avoirs d’un défunt de manière libératoire à condition que cela ait été
indien dit gebeurt, ofwel aan of op instructie van de personen fait, soit aux ou sur instruction des personnes désignées par un
aangewezen in een attest of een akte van erfopvolging, ofwel aan of op certificat ou un acte d’hérédité, soit à ou sur instruction d’un
instructie van een gerechtsmandataris, na voorlegging: mandataire judiciaire, après présentation:
a) van een attest van erfopvolging opgesteld door het bevoegde a) d’un certificat d’hérédité rédigé par le bureau compétent de
kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumen- l’Administration générale de la documentation patrimoniale; ou
tatie; of
b) van een attest of akte van erfopvolging opgesteld door een notaris. b) d’un certificat ou d’un acte d’hérédité rédigé par un notaire.
Het attest of de akte van erfopvolging wordt op verzoek van een Le certificat ou l’acte d’hérédité est délivré sur demande d’une partie
belanghebbende afgeleverd met het oog op de in het eerste lid bedoelde intéressée en vue de la libération des avoirs visée à l’alinéa 1er.
vrijgave van tegoeden.
§ 2. De afgeleverde akte of het afgeleverde attest ontslaat de in § 2. L’acte ou le certificat délivré n’exempte en aucun cas le débiteur
paragraaf 1 bedoelde schuldenaar in geen geval van eventuele andere visé au paragraphe 1er d’éventuelles autres obligations légales prescri-
wettelijke verplichtingen voorgeschreven voor de deblokkering van tes pour le déblocage de ces avoirs.
deze tegoeden.
19802 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

§ 3. De belanghebbende heeft de vrije keuze om zich te wenden tot § 3. La partie intéressée est libre de s’adresser au bureau visé au
het in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde kantoor of de notaris. In de paragraphe 1er, alinéa 1er, ou au notaire. Dans les cas où la succession
gevallen waarin de nalatenschap van de erflater niet uitsluitend wordt du défunt n’est pas exclusivement dévolue conformément aux dispo-
vererfd overeenkomstig de bepalingen van ondertitel 4, in geval van sitions du sous-titre 4, en cas de présence d’héritiers ou successibles
bestaan van onbekwame erfgenamen of erfgerechtigden of indien er incapables ou s’il est question de dispositions de dernière volonté, d’un
sprake is van een uiterste wilsbeschikking, een erfovereenkomst, een pacte successoral, d’une institution contractuelle ou d’une convention
contractuele erfstelling of een huwelijksovereenkomst in hoofde van de matrimoniale dans le chef du défunt, seul le notaire est autorisé à
erflater is alleen de notaris bevoegd om een akte of een attest van délivrer un acte ou un certificat d’hérédité.
erfopvolging af te leveren.
§ 4. Zowel de akte als het attest van erfopvolging vermelden op § 4. Tant l’acte que le certificat d’hérédité mentionnent clairement qui
duidelijke wijze wie de erfgenamen en erfgerechtigden zijn die sont les héritiers et les successibles qui peuvent prétendre aux avoirs du
aanspraak kunnen maken op de tegoeden van de erflater, met défunt, avec mention des données d’identification suivantes: nom,
vermelding van volgende identificatiegegevens: naam, voornamen, prénoms, lieu et date de naissance, adresse et éventuellement date de
plaats en datum van geboorte, adres en eventueel de datum van décès.
overlijden.
In voorkomend geval vermeldt de akte of het attest van erfopvolging Le cas échéant, l’acte ou le certificat d’hérédité mentionne le numéro
het identificatienummer van het Rijksregister, het identificatienummer d’identification du Registre national, le numéro d’identification à la
bij de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid of het identificatienum- Banque-Carrefour de la Sécurité sociale ou le numéro d’identification à
mer bij de Kruispuntbank van Ondernemingen. la Banque-Carrefour des entreprises.
§ 5. De notaris of het in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde kantoor van § 5. Le notaire ou le bureau de l’Administration générale de la
de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie kunnen Documentation patrimoniale visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, peuvent
elke aflevering van een akte of een attest van erfopvolging weigeren refuser toute remise de certificat ou d’acte d’hérédité si les pièces
indien zij aan de hand van de door de verzoekende belanghebbende présentées par la partie intéressée requérante, les déclarations faites et
voorgelegde stukken, de gedane verklaringen en de verrichte opzoe- les recherches effectuées ne leur permettent pas de désigner les héritiers
kingen, niet met zekerheid de erfgenamen of erfgerechtigden kunnen ou les successibles avec certitude.
aanwijzen.
§ 6. De akte of het attest van erfopvolging, opgemaakt overeenkom- § 6. L’acte ou le certificat d’hérédité établi conformément aux
stig de paragrafen 3 tot 5, geldt, tegenover derden te goeder trouw, als paragraphes 3 à 5, emporte la preuve, à l’égard des tiers de bonne foi,
bewijs van hun erfgerechtigdheid of van hun erfgenaamschap voor alle de leur qualité d’héritiers ou de successibles pour toutes les personnes
personen die daarin als dusdanig zijn vermeld. qui y sont mentionnées comme telles.
Ondertitel 7. Omzetting van het vruchtgebruik van de langstlevende Sous-titre 7. Conversion de l’usufruit du conjoint survivant
echtgenoot
Art. 4.60. Omzetting in onderling overleg Art. 4.60. Conversion amiable
Indien alle blote eigenaars en de langstlevende echtgenoot meerder- Lorsque tous les nus-propriétaires et le conjoint survivant sont
jarig en handelingsbekwaam zijn, kunnen zij in iedere stand van de majeurs et capables, ils peuvent en tout état de cause procéder d’un
zaak, in onderlinge overeenstemming en op de wijze die zij hebben commun accord et comme ils en auront convenu, aux opérations de
vastgesteld, overgaan tot de omzetting van het vruchtgebruik van de conversion de l’usufruit du conjoint survivant ou à la cession de la
langstlevende echtgenoot of tot de overdracht van de blote eigendom nue-propriété des biens visés à l’article 4.61, § 7.
van de goederen bedoeld in artikel 4.61, § 7.
Indien een van hen minderjarig of anderszins onbekwaam is, wordt S’il existe parmi eux un mineur ou un autre incapable, il est procédé
gehandeld overeenkomstig artikel 1206 van het Gerechtelijk Wetboek. conformément aux dispositions de l’article 1206 du Code judiciaire.
Bij gebreke van overeenstemming, geschiedt de omzetting gerechte- À défaut d’accord, la conversion a lieu judiciairement conformément
lijk, zoals bepaald in artikel 4.63. à l’article 4.63.
Art. 4.61. Recht om de omzetting te vragen Art. 4.61. Droit de demander la conversion
§ 1. Wanneer de blote eigendom behoort aan de afstammelingen van § 1er. Lorsque la nue-propriété appartient aux descendants de l’époux
de vooroverleden echtgenoot, aan zijn geadopteerde kinderen of aan de prédécédé, à ses enfants adoptifs ou aux descendants de ceux-ci, la
afstammelingen van dezen, kan de langstlevende echtgenoot of een van conversion totale ou partielle de l’usufruit peut être demandée par le
de blote eigenaars vragen dat het vruchtgebruik geheel of ten dele conjoint survivant ou un des nus-propriétaires, soit en la pleine
wordt omgezet, hetzij in de volle eigendom van met vruchtgebruik propriété de biens grevés de l’usufruit, soit en une somme, soit en une
belaste goederen, hetzij in een geldsom, hetzij in een gewaarborgde en rente indexée et garantie.
geïndexeerde rente.
§ 2. Met behoud van de toepassing van paragraaf 7 kan de omzetting § 2. Sans préjudice du paragraphe 7, la conversion demandée par un
die gevraagd wordt door een afstammeling, of door een geadopteerd descendant ou par un enfant adopté, ou par un descendant de celui-ci,
kind, of door een afstammeling van deze, die niet tevens afstammeling qui n’est pas simultanément un descendant ou un enfant adopté, ou un
of geadopteerd kind, of afstammeling van deze, van de langstlevende descendant de celui-ci, du conjoint survivant, ne peut être refusée si
echtgenoot is, niet worden geweigerd, indien die vraag is gesteld cette demande est formulée dans les délais prévus à l’article 4.63, § 2.
binnen de termijnen bepaald in artikel 4.63, § 2.
Hetzelfde geldt voor de omzetting die gevraagd wordt door de Il en va de même pour la conversion qui est demandée par le conjoint
langstlevende echtgenoot wanneer de blote eigendom geheel of survivant lorsque la nue-propriété appartient, en tout ou en partie, à
gedeeltelijk behoort aan afstammelingen en geadopteerde kinderen des descendants et à des enfants adoptés, tels que définis à l’alinéa 1er.
zoals omschreven in het eerste lid.
Tenzij alle blote eigenaars en de langstlevende echtgenoot anders zijn Sauf si tous les nus-propriétaires et le conjoint survivant en
overeengekomen, wordt het vruchtgebruik in de gevallen vermeld in conviennent autrement, l’usufruit visé aux alinéas 1er et 2 est converti
het eerste en tweede lid, omgezet in een onverdeeld aandeel van de en une part indivise de la succession en pleine propriété. Cette part est
nalatenschap in volle eigendom. Dit aandeel wordt bepaald op basis déterminée sur la base des tables de conversion visées à l’article 4.64,
van de omzettingstabellen bedoeld in artikel 4.64, § 3, en de leeftijd van § 3, et de l’âge de l’usufruitier à la date de la demande. Les articles 4.63,
de vruchtgebruiker op de datum van de vraag. De artikelen 4.63, § 3, en § 3, et 4.64, §§ 2, 4 et 6, s’appliquent par analogie.
4.64, §§ 2, 4 en 6, zijn van overeenkomstige toepassing.
§ 3. Wanneer de blote eigendom behoort aan andere personen dan § 3. Lorsque la nue-propriété appartient à d’autres que ceux visés aux
die bedoeld in de paragrafen 1 en 2, kan de langstlevende echtgenoot paragraphes 1er et 2, le conjoint survivant peut demander cette
die omzetting vragen binnen vijf jaar na het openvallen van de conversion dans un délai de cinq ans à dater de l’ouverture de la
nalatenschap. succession.
In hetzelfde geval kan hij te allen tijde vragen dat de blote eigendom Il peut, dans le même cas, demander à tout moment que lui soit
van de goederen bedoeld in paragraaf 7 hem tegen geld wordt cédée, contre une somme d’argent, la nue-propriété des biens visés au
overgedragen. paragraphe 7.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19803

§ 4. Behalve in de omstandigheden waarvan sprake in paragraaf 2, § 4. Sauf dans les circonstances prévues au paragraphe 2, le tribunal
kan de familierechtbank de omzetting weigeren wanneer omwille van de la famille peut refuser la conversion lorsque, en raison de l’état de
de gezondheidstoestand van de vruchtgebruiker zijn verwachte levens- santé de l’usufruitier, sa durée de vie probable est manifestement
duur manifest lager is dan deze van de statistische tabellen, tenzij de inférieure à celle des tables statistiques, sauf pour le tribunal à
rechtbank artikel 4.64, § 4, toepast. appliquer l’article 4.64, § 4.
Ze kan ook de omzetting van het vruchtgebruik en de toewijzing van Il peut également refuser la conversion de l’usufruit et l’attribution
de volle eigendom weigeren, wanneer zulks de belangen van een de la pleine propriété, si elles sont de nature à nuire gravement aux
onderneming of van een beroepsarbeid ernstig zou schaden. intérêts d’une entreprise ou d’une activité professionnelle.
§ 5. Indien de rechtbank het billijk acht wegens omstandigheden die § 5. Le tribunal pourra, s’il l’estime équitable en raison de circons-
eigen zijn aan de zaak, kan zij een vordering tot omzetting toewijzen, tances propres à la cause, agréer une demande de conversion présentée
die is ingesteld door een andere blote eigenaar dan die bedoeld in de par un nu-propriétaire, autre que ceux visés aux paragraphes 1er et 2,
paragrafen 1 en 2 of, na de termijn van vijf jaar, door de langstlevende ou, après le délai de cinq ans, par le conjoint survivant.
echtgenoot.
§ 6. De omzetting van het vruchtgebruik van de goederen onderwor- § 6. La conversion de l’usufruit des biens soumis au droit de retour
pen aan het recht van wettelijke terugkeer kan alleen worden gevraagd légal ne peut être demandée que par le titulaire de ce droit.
door degene die dat recht bezit.
§ 7. Het vruchtgebruik van het onroerend goed dat bij het openvallen § 7. L’usufruit qui s’exerce sur l’immeuble affecté au jour de
van de nalatenschap het gezin tot voornaamste woning diende, en van l’ouverture de la succession au logement principal de la famille et sur
het daarin aanwezige huisraad, kan niet worden omgezet dan met les meubles meublants qui le garnissent, ne peut être converti que de
instemming van de langstlevende echtgenoot. l’accord du conjoint survivant.
Art. 4.62. Aard van het recht op omzetting Art. 4.62. Nature du droit à la conversion
§ 1. Het recht om de omzetting van het vruchtgebruik of de § 1er. Le droit de demander la conversion de l’usufruit ou l’attribu-
toewijzing in volle eigendom van de goederen bedoeld in artikel 4.61, tion de la pleine propriété des biens visés à l’article 4.61, § 7, s’applique
§ 7, te vragen, geldt voor elk vruchtgebruik van de langstlevende à tout usufruit du conjoint survivant, qu’il soit légal ou testamentaire
echtgenoot, onverschillig of het verkregen is krachtens de wet of bij ou qu’il résulte d’une convention matrimoniale ou d’une institution
testament, dan wel ingevolge huwelijksovereenkomst of contractuele contractuelle.
erfstelling.
Dit recht is persoonlijk en niet vatbaar voor overdracht. Het kan niet Ce droit est personnel et incessible. Il ne peut être exercé par les
worden uitgeoefend door de schuldeisers van de rechthebbende. créanciers du titulaire.
§ 2. Het recht om de omzetting te vragen kan niet worden ontnomen § 2. Les descendants d’une précédente relation du prémourant ne
aan de afstammelingen uit een vorige relatie van de vooroverleden peuvent être privés par celui-ci du droit de demander la conversion.
echtgenoot.
Aan de langstlevende echtgenoot kan niet het recht worden ontno- Le conjoint survivant ne peut être privé du droit de demander la
men om de omzetting van het vruchtgebruik of de toewijzing in volle conversion de l’usufruit des biens visés à 4.61, § 7, ou leur attribution en
eigendom van de goederen bedoeld in artikel 4.61, § 7, te vragen. pleine propriété.
Art. 4.63. Gerechtelijke omzetting Art. 4.63. Conversion judiciaire
§ 1. De vraag tot omzetting of tot overdracht van de blote eigendom § 1er. La demande de conversion ou de cession de la nue-propriété est
wordt aan de familierechtbank voorgelegd. Ze wordt aanhangig portée devant le tribunal de la famille. Celui-ci est saisi par requête.
gemaakt op verzoekschrift. Alle erfgenamen worden in het geding Tous les héritiers sont appelés à la cause par pli judiciaire.
geroepen bij gerechtsbrief.
Wanneer de rechtbank de eis geheel of ten dele toewijst, bepaalt zij de Lorsqu’il fait droit à la demande en tout ou en partie, le tribunal fixe
wijze van omzetting of de prijs die moet worden betaald voor de les modalités de la conversion ou le montant du prix à payer pour la
overdracht van de blote eigendom van de goederen bedoeld in cession de la nue-propriété des biens visés à l’article 4.61, § 7.
artikel 4.61, § 7.
In voorkomend geval gelast zij de verkoop van de volle eigendom Il ordonne, le cas échéant, la vente de la pleine propriété de tout ou
van het geheel of van een deel van de goederen die met vruchtgebruik partie des biens grevés d’usufruit ou leur partage, même s’il n’y a pas
belast zijn, dan wel de verdeling van die goederen, zelfs indien ter zake d’indivision quant à ce droit, à moins qu’il ne préfère renvoyer les
van dat recht geen onverdeeldheid bestaat, tenzij zij verkiest de partijen parties devant un notaire pour procéder aux opérations de conversion
naar een notaris te verwijzen om de omzetting te laten plaatshebben suivant la procédure prévue par les articles 1207 à 1225 du Code
volgens de procedure omschreven in de artikelen 1207 tot 1225 van het judiciaire.
Gerechtelijk Wetboek.
§ 2. De omzetting bedoeld in artikel 4.61, § 2, kan echter enkel in het § 2. La conversion visée à l’article 4.61, § 2, ne peut toutefois être
kader van de procedure van vereffening en verdeling worden gevraagd, demandée que dans le cadre de la procédure de liquidation-partage, au
uiterlijk bij de mededeling van de aanspraken vermeld in artikel 1218, plus tard lors de la communication des revendications visée à
§ 1, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Is de vraag niet binnen l’article 1218, § 1er, alinéa 2, du Code judiciaire. Si la demande n’a pas
die termijn gesteld, dan kan de omzetting later nog worden gevorderd, été faite dans ce délai, la conversion peut encore être demandée
maar behoudt de rechtbank dezelfde beoordelingsbevoegdheid als bij ultérieurement, mais le tribunal conserve le même pouvoir d’apprécia-
een vraag tot omzetting op grond van artikel 4.61, § 1. Zo ook indien de tion que lors d’une demande de conversion fondée sur l’article 4.61,
omzetting van het vruchtgebruik wordt gevraagd nadat de nalaten- § 1er. Il en va de même si la conversion de l’usufruit est demandée après
schap minnelijk verdeeld is, met geheel of gedeeltelijk behoud van het le partage amiable de la succession, avec maintien intégral ou partiel de
vruchtgebruik voor de langstlevende. l’usufruit pour le survivant.
§ 3. De vruchtgebruiker behoudt het vruchtgebruik van de goederen § 3. L’usufruitier conserve l’usufruit des biens jusqu’au moment où la
tot op het ogenblik dat de kapitalisatiewaarde van zijn vruchtgebruik valeur capitalisée de son usufruit lui est effectivement payée.
hem effectief is betaald.
Tot dat ogenblik brengt deze som geen interesten op in het voordeel Jusqu’à ce moment cette somme ne produit pas d’intérêt au profit de
van de vruchtgebruiker, behalve indien de vruchtgebruiker na de l’usufruitier, sauf si, après que la valeur capitalisée de son usufruit a été
definitieve vaststelling van de kapitalisatiewaarde van zijn vruchtge- définitivement fixée, l’usufruitier décide de renoncer à la jouissance du
bruik beslist om afstand te doen van het genot van het goed. In dit bien. Dans ce cas, il sera dû à l’usufruitier un intérêt au taux légal dès
geval zal aan de vruchtgebruiker een interest verschuldigd zijn gelijk l’instant où il aura confirmé au nu-propriétaire, par envoi recommandé
aan de wettelijke interest vanaf het ogenblik waarop deze aan de blote ou par exploit d’huissier qu’il abandonnait la jouissance du bien, et
eigenaar, bij aangetekende zending of deurwaardersexploot, bevestigt qu’il le mettait en demeure de lui payer cet intérêt.
dat hij afstand heeft gedaan van het genot van het goed en hij de blote
eigenaar in gebreke stelt tot het betalen van deze interest.
19804 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

Art. 4.64. Waardering van het vruchtgebruik Art. 4.64. Évaluation de l’usufruit
§ 1. Tenzij partijen anders zijn overeengekomen gebeurt de waarde- § 1er. Sauf si les parties en ont convenu autrement, la valeur de
ring van het vruchtgebruik op basis van de verkoopwaarde van de l’usufruit est calculée sur la base de la valeur vénale des biens, de l’âge
goederen, van de leeftijd van de vruchtgebruiker op de datum van de de l’usufruitier au jour de l’introduction de la requête visée à
indiening van het in het artikel 4.63, § 1, eerste lid, bedoelde verzoek- l’article 4.63, § 1er, alinéa 1er et des tables de conversion visées au
schrift, en van de in paragraaf 3 vermelde omzettingstabellen. paragraphe 3.
§ 2. Ingeval de langstlevende echtgenoot tot de nalatenschap komt § 2. En cas de concours du conjoint survivant avec des descendants
met afstammelingen uit een vorige relatie, wordt de langstlevende d’une précédente relation, le conjoint survivant est censé avoir au
echtgenoot geacht ten minste twintig jaar ouder te zijn dan de oudste moins vingt ans de plus que l’aîné des descendants d’une précédente
afstammeling uit een vorige relatie. relation.
§ 3. De minister van Justitie bepaalt voor de omzetting van het § 3. Le ministre de la Justice établit pour la conversion de l’usufruit
vruchtgebruik twee omzettingstabellen: een voor mannen en een voor deux tables de conversion: l’une pour les hommes et l’autre pour les
vrouwen. femmes.
Deze omzettingstabellen bepalen de waarde van het vruchtgebruik Ces tables de conversion expriment la valeur de l’usufruit en un
als een percentage van de normale verkoopwaarde van de goederen pourcentage de la valeur vénale normale des biens grevés de l’usufruit
onderworpen aan het vruchtgebruik, rekening houdend met: en tenant compte:
1° de gemiddelde rentevoet over de laatste twee jaar van de lineaire 1° du taux d’intérêt moyen sur les deux dernières années des
obligaties waarvan de maturiteit gelijk is aan de levensverwachting van obligations linéaires de maturité égale à l’espérance de vie de
de vruchtgebruiker. De rentevoet die overeenstemt met de hoogste l’usufruitier. Le taux d’intérêt correspondant à la maturité la plus élevée
maturiteit wordt toegepast wanneer de levensverwachting deze matu- s’applique lorsque l’espérance de vie est supérieure à cette maturité. Ce
riteit overschrijdt. Deze rentevoet wordt toegepast na aftrek van de taux d’intérêt est appliqué après déduction du précompte mobilier. Le
roerende voorheffing. De bij het opstellen van de omzettingstabellen in taux d’intérêt à prendre en compte lors de l’établissement des tables de
aanmerking te nemen rentevoet mag evenwel niet lager zijn dan 1 % conversion ne peut toutefois être inférieur à 1 % par an. La période de
per jaar. De periode van twee jaar loopt vanaf 1 mei van het tweede aan deux ans court du 1er mai de la deuxième année précédant la
de bekendmaking van de omzettingstabellen voorafgaande jaar tot publication des tables de conversion au 30 avril de l’année de
30 april van het jaar van de bekendmaking van die tabellen; publication de ces tables;
2° de Belgische prospectieve sterftetafels die jaarlijks worden gepu- 2° des tables de mortalités prospectives belges publiées annuellement
bliceerd door het Federaal Planbureau. par le Bureau fédéral du Plan.
§ 4. Wanneer evenwel omwille van de gezondheidstoestand van de § 4. Toutefois, lorsque, en raison de l’état de santé de l’usufruitier, sa
vruchtgebruiker zijn verwachte levensduur manifest lager is dan deze durée de vie probable est manifestement inférieure à celle tables
van de statistische tabellen, en indien geen toepassing werd gemaakt statistiques, et s’il n’a pas été fait application de l’article 4.61, § 4,
van artikel 4.61, § 4, eerste lid, kan de rechtbank, op vraag van een blote alinéa 1er, le tribunal peut sur la demande d’un nu-propriétaire ou du
eigenaar of van de langstlevende echtgenoot, de toepassing van de conjoint survivant, écarter les tables de conversion et fixer d’autres
omzettingstabellen uitsluiten en andere omzettingsvoorwaarden bepa- conditions de conversion.
len.
§ 5. De minister van Justitie bepaalt jaarlijks op 1 juli de in § 5. Le ministre de la Justice établit, au 1er juillet de chaque année, les
paragraaf 3, eerste lid, bedoelde omzettingstabellen. Bij deze gelegen- tables de conversion visées au paragraphe 3, alinéa 1er. Il tient compte,
heid houdt hij rekening met de in paragraaf 1 en in paragraaf 3, à cette occasion, des paramètres mentionnés au paragraphe 1er et au
tweede lid, vermelde parameters en met de voorstellen van de paragraphe 3, alinéa 2, et des propositions que lui transmet la Fédéra-
Koninklijke Federatie van het Belgisch Notariaat, na kennis te hebben tion royale du notariat belge après avoir pris connaissance des résultats
genomen van de resultaten van de werkzaamheden geleverd door het des travaux du Bureau fédéral du Plan et de l’Institut des actuaires en
Federaal Planbureau en het Instituut voor actuarissen in België. Belgique.
De omzettingstabellen worden ieder jaar in het Belgisch Staatsblad Les tables de conversion sont publiées chaque année au Moniteur
bekendgemaakt. Naast de leeftijd van de vruchtgebruiker vermelden belge. Ces tables indiquent, en regard de l’âge de l’usufruitier, son
deze tabellen zijn levensverwachting evenals de overeenkomstige espérance de vie ainsi que le taux d’intérêt et la valeur de l’usufruit
rentevoet en waarde van het vruchtgebruik. correspondants.
§ 6. De waarde van het vruchtgebruik verstrekt door de omzetting- § 6. La valeur de l’usufruit fournie par les tables de conversion est
stabellen is gelijk aan het verschil tussen de waarde van de volle égale à la différence entre la valeur de la pleine propriété et la valeur de
eigendom en de waarde van de blote eigendom. De waarde van de la nue-propriété. La valeur de la nue-propriété est égale à une fraction
blote eigendom is gelijk aan een breuk waarvan de teller gelijk is aan de dont le numérateur est égal à la valeur de la pleine propriété; le
waarde van de volle eigendom; de noemer is gelijk aan één te dénominateur est égal à l’unité, majorée du taux d’intérêt, cette somme
vermeerderen met de rentevoet, deze som zijnde verheven tot de macht étant élevée à une puissance égale à l’espérance de vie de l’usufruitier.
die gelijk is aan de levensverwachting van de vruchtgebruiker. De Deux décimales sont retenues pour l’espérance de vie exprimée en
levensverwachting uitgedrukt in jaren, de rentevoet uitgedrukt in années, pour le taux d’intérêt exprimé en pourcentage, et pour la valeur
procent, en de waarde van het vruchtgebruik uitgedrukt in procent van de l’usufruit exprimée en pourcentage de valeur de la pleine propriété.
de waarde van de volle eigendom, bevatten twee decimalen.
Ondertitel 8. Verdeling en inbreng Sous-titre 8. Partage et rapport.
Hoofdstuk 1. Verdeling Chapitre 1er. Partage
Afdeling 1. Algemene bepalingen Section 1re. Dispositions générales
Art. 4.65. Recht op een verrekenbaar voorschot Art. 4.65. Droit à une avance imputable
§ 1. De betaling van tegoeden die gedeponeerd zijn op een gemeen- § 1er. Le paiement d’avoirs déposés sur un compte à vue ou un
schappelijke of onverdeelde zicht- of spaarrekening waarvan de erflater compte d’épargne, commun ou indivis, dont le défunt ou le conjoint
of de langstlevende echtgenoot houder of medehouder is of waarvan survivant est titulaire ou cotitulaire ou dont le cohabitant légal
de langstlevende wettelijk samenwonende medehouder is, is bevrij- survivant est cotitulaire, est libératoire si, après le décès et sans qu’un
dend indien de schuldenaar, na het overlijden en zonder dat een attest certificat ou un acte d’hérédité soit requis, le débiteur met à la
of akte van erfopvolging vereist is, aan de langstlevende echtgenoot of disposition du conjoint ou cohabitant légal survivant, à sa demande, un
wettelijk samenwonende, op diens verzoek, een bedrag ter beschikking montant n’excédant pas la moitié des soldes créditeurs disponibles ni
stelt dat de helft van de beschikbare creditsaldi noch 5 000 euro 5 000 euros, et ce, même si le conjoint ou cohabitant légal survivant
overschrijdt, ongeacht het bestaan van enig recht van de langstlevende possède un droit quelconque sur le solde du compte.
echtgenoot of wettelijk samenwonende op het saldo van de rekening.
§ 2. De ter beschikking gestelde bedragen worden bij de vereffening § 2. Les montants mis à disposition sont pris en compte lors de la
van het gemeenschappelijk vermogen, van de onverdeeldheid of van liquidation du patrimoine commun, de l’indivision ou de la succession.
de nalatenschap in rekening gebracht.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19805

De erfgenamen behouden echter jegens de langstlevende echtgenoot Les héritiers conservent néanmoins envers le conjoint ou le cohabi-
of wettelijk samenwonende een vorderingsrecht, ten belope van het tant légal survivant un droit de créance, à concurrence du montant qui
bedrag dat het gedeelte overschrijdt dat deze laatste toekomt bij de excède la quotité qui revient à ce dernier dans le cadre de la liquidation
vereffening van het gemeenschappelijk vermogen, van de onverdeeld- du patrimoine commun, de l’indivision ou de la succession.
heid of van de nalatenschap.
§ 3. De langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende mag § 3. Le conjoint ou cohabitant légal survivant ne peut réclamer, en
met toepassing van paragraaf 1 slechts een bedrag van ten hoogste application du paragraphe 1er, qu’un montant de 5 000 euros maxi-
5 000 euro opvragen. mum.
De schuldenaar van tegoeden gedeponeerd op een gemeenschappe- Le débiteur d’avoirs déposés sur un compte à vue ou un compte
lijke of onverdeelde zicht- of spaarrekening waarvan de overledene of d’épargne, commun ou indivis, dont le défunt ou le conjoint survivant
de langstlevende echtgenoot houder of medehouder is of waarvan de est titulaire ou cotitulaire ou dont le cohabitant légal survivant est
langstlevende wettelijk samenwonende medehouder is, wijst de langst- cotitulaire, attire l’attention du conjoint ou cohabitant légal survivant
levende echtgenoot of wettelijk samenwonende op deze beperking, sur cette restriction, ainsi que sur la sanction prévue à l’alinéa 3 en cas
alsook op de in het derde lid bepaalde sanctie bij niet-naleving ervan. de non-respect de celle-ci.
De langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende die met Le conjoint ou cohabitant légal survivant ayant, en application du
toepassing van paragraaf 1 een bedrag heeft afgehaald dat hoger is dan paragraphe 1er, retiré un montant supérieur à la moitié des soldes
de helft van de beschikbare credietsaldi of 5 000 euro, verliest ter créditeurs disponibles ou à 5 000 euros perd toute part dans le
waarde van de som die boven dat bedrag is afgehaald enig aandeel in patrimoine commun, l’indivision ou la succession, à concurrence de la
het gemeenschappelijk vermogen, de onverdeeldheid of de nalaten- somme prélevée au-delà de ce montant.
schap.
De langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende die met Le conjoint ou cohabitant légal survivant qui perd toute part en
toepassing van deze paragraaf enig aandeel verliest, verliest daarenbo- application du présent paragraphe est en outre déchu de la faculté de
ven de bevoegdheid om de nalatenschap te verwerpen of te aanvaarden renoncer à la succession ou de l’accepter sous bénéfice d’inventaire. Il
onder voorrecht van boedelbeschrijving. Al verwerpt hij de nalaten- demeure héritier pur et simple, nonobstant sa renonciation.
schap, toch blijft hij zuiver erfgenaam.
Art. 4.66. Recht op verdeling Art. 4.66. Droit au partage
Niemand kan worden genoodzaakt in onverdeeldheid te blijven. De Nul ne peut être contraint à demeurer dans l’indivision. Le partage
verdeling kan te allen tijde worden gevorderd, niettegenstaande enig peut toujours être provoqué, nonobstant toute clause contraire.
andersluidend beding.
De verdeling kan echter uitgesteld worden, overeenkomstig het La suspension du partage est possible aux termes de l’article 3.75,
bepaalde in artikel 3.75, tweede lid. alinéa 2.
Art. 4.67. Verdeling in onderling overleg Art. 4.67. Partage amiable
Wanneer alle mede-erfgenamen meerderjarig, aanwezig of vertegen- Si tous les héritiers sont majeurs, présents ou représentés, et capables,
woordigd, en bekwaam zijn, kan de verdeling minnelijk gebeuren, in le partage peut se faire à l’amiable, dans la forme et par tel acte que les
zodanige vorm en bij zodanige akte als de mede-erfgenamen dienstig cohéritiers jugent convenables.
oordelen.
Art. 4.68. Verdeling met minderjarigen of beschermde meerderjarigen Art. 4.68. Partage avec des mineurs ou des majeurs protégés
Wanneer zich onder de mede-erfgenamen minderjarigen bevinden, Néanmoins, s’il y a parmi les cohéritiers des mineurs, ou des
of beschermde personen die krachtens artikel 492/1, § 2, van het oud personnes protégées qui, en vertu de l’article 492/1, § 2, de l’ancien
Burgerlijk Wetboek onbekwaam zijn verklaard om goederen te ver- Code civil, ont été déclarées incapables d’aliéner des biens, ou d’autres
vreemden, of andere personen zoals omschreven in artikel 1225 van het personnes visées à l’article 1225 du Code judiciaire, le partage amiable
Gerechtelijk Wetboek, geschiedt de minnelijke verdeling evenwel zoals se fait conformément à l’article 1206 du Code judiciaire. Il en est de
in artikel 1206 van het Gerechtelijk Wetboek bepaald. Zo ook indien de même si la succession est acceptée sous bénéfice d’inventaire.
nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard.
Afdeling 2. Vordering tot verdeling Section 2. Action en partage
Art. 4.69. Algemene bepaling Art. 4.69. Disposition générale
Verdeling kan gevorderd worden, zelfs wanneer een van de mede- Le partage peut être demandé, même quand l’un des cohéritiers
erfgenamen het afzonderlijk genot mocht hebben gehad van een aurait joui séparément d’une partie des biens de la succession, s’il n’y
gedeelte van de goederen van de nalatenschap, tenzij er een akte van a eu un acte de partage, ou possession suffisante pour acquérir la
verdeling is geweest of een tot het verkrijgen van de verjaring prescription.
voldoende bezit.
Art. 4.70. Vordering tot verdeling met minderjarigen of beschermde Art. 4.70. Action en partage avec des mineurs et des majeurs protégés
meerderjarigen
De vordering tot verdeling ten aanzien van minderjarige of meerder- L’action en partage à l’égard des cohéritiers mineurs ou majeurs
jarige mede-erfgenamen die krachtens artikel 492/1, § 2, van het oud déclarés incapables d’aliéner des biens en vertu de l’article 492/1, § 2,
Burgerlijk Wetboek, onbekwaam zijn verklaard om goederen te ver- de l’ancien Code civil, peut être exercée par leur tuteur ou administra-
vreemden, kan worden ingesteld door hun voogd of bewindvoerder teur spécialement habilité à cet effet par le juge de paix du for de la
die daartoe bijzonder gemachtigd is door de vrederechter van het tutelle ou de l’administration.
voogdijforum of het bewindsforum.
Afdeling 3. Bepalingen die voor elke verdeling gelden Section 3. Règles communes à tout partage
Art. 4.71. Principe van de netto verdeling Art. 4.71. Principe du partage net
§ 1. Iedere mede-erfgenaam die tot betaling van de schulden en § 1er. Tout cohéritier qui est tenu au paiement des dettes et charges de
lasten van de nalatenschap gehouden is, kan eisen dat deze schulden en la succession peut exiger que ces dettes et charges soient payées avant
lasten worden betaald vooraleer tot verdeling in natura wordt overge- de procéder au partage en nature, et que, si besoin est, des biens indivis
gaan, en dat, zo nodig, onverdeelde goederen vooraf worden verkocht, soient préalablement vendus, si les comptes en banque et les valeurs de
indien de bankrekeningen en het gereed geld, behorend tot de boedel, portefeuille, appartenant à la masse, n’y paraissent pas suffire.
hiervoor niet voldoende lijken.
§ 2. De onverdeelde goederen worden in de onderstaande volgorde § 2. Les biens indivis sont affectés à l’acquit du passif dans l’ordre
ter voldoening van het passief besteed: suivant:
1° het geld en de bankrekeningen; 1° le numéraire et les comptes en banque;
2° de openbare fondsen, de effecten op naam, de schuldvorderingen 2° les fonds publics, les valeurs nominatives, les créances et autres
en de andere onlichamelijke roerende goederen; meubles incorporels;
3° de lichamelijke roerende goederen; 3° les meubles corporels;
19806 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

4° de onroerende goederen. 4° les immeubles.


§ 3. Iedere mede-erfgenaam kan evenwel de verkoop bedoeld in § 3. Tout cohéritier peut néanmoins empêcher la vente dont il est
paragraaf 1 verhinderen door een voldoende zekerheid te verschaffen question au paragraphe 1er en fournissant une garantie suffisante contre
tegen ieder verhaal. tout recours.
§ 4. Indien de mede-erfgenamen het over de aanwijzing van de bij § 4. Si les cohéritiers ne s’accordent pas pour désigner les biens qui
voorrang te verkopen goederen niet eens zijn, wordt het geschil in het seront vendus par priorité, la question sera soumise et tranchée dans le
kader van de gerechtelijke verdeling behandeld en beoordeeld. cadre du partage judiciaire.
Art. 4.72. Principe van de inbreng van giften en schulden Art. 4.72. Principe du rapport des libéralités et des dettes
Iedere mede-erfgenaam doet, volgens de regels van Hoofdstuk 2, in Chaque cohéritier fait rapport à la masse, suivant les règles du
de boedel inbreng van de giften die hem gedaan zijn en van de sommen Chapitre 2, des libéralités qui lui ont été faites et des sommes dont il est
die hij schuldig is. débiteur.
Art. 4.73. Principe van de verdeling in natura Art. 4.73. Principe du partage en nature
§ 1. De verdeling van de nalatenschap gebeurt in principe in natura. § 1er. Le partage de la succession se fait en principe en nature. On
Er wordt naar gestreefd voor elke mede-erfgenaam een kavel te vormen tend à former pour chaque cohéritier un lot avec des biens de même
met goederen van gelijke aard, gelijke hoedanigheid en gelijke deug- nature, qualité et bonté.
delijkheid.
De gelijkheid die tussen de mede-erfgenamen moet worden verwe- L’égalité qui doit être atteinte entre les cohéritiers est néanmoins une
zenlijkt is echter een gelijkheid in waarde. égalité en valeur.
§ 2. Bij de verdeling in natura moet men de verbrokkeling van erven § 2. Lors du partage en nature, on évite autant que possible de
en de splitsing van bedrijven zoveel mogelijk vermijden. morceler les héritages et de diviser les exploitations.
Art. 4.74. Uitzonderingen op het principe van de verdeling in natura Art. 4.74. Exceptions au principe du partage en nature
Van de regel van de verdeling in natura wordt afgeweken indien een Il est dérogé à la règle du partage en nature si un des cohéritiers
mede-erfgenaam zich op een wettelijke, testamentaire of conventionele invoque une disposition légale, testamentaire ou conventionnelle qui
bepaling beroept, die hem het recht verleent zich bepaalde goederen uit lui accorde le droit de se faire attribuer ou de reprendre par préférence
de boedel bij voorrang te laten toewijzen, dan wel dergelijke goederen certains biens de la masse, ou encore de les prélever.
bij voorkeur over te nemen of vooruit te nemen.
Indien een mede-erfgenaam, die zich niet op een dergelijke wette- Si un cohéritier qui ne peut pas invoquer une disposition légale,
lijke, testamentaire of conventionele bepaling kan beroepen, de toewij- testamentaire ou conventionnelle en ce sens, demande l’attribution
zing van een onverdeeld goed vraagt, en de andere mede-erfgenamen d’un bien indivis et que les autres cohéritiers y consentent, tous les
stemmen daarmee in, dan kunnen alle mede-erfgenamen in onderlinge héritiers peuvent convenir que le repreneur ne pourra pas aliéner
overeenstemming ook bedingen dat de overnemende mede-erfgenaam volontairement, à titre onéreux, le bien attribué, pendant une période à
het toegewezen goed gedurende een nader te bepalen periode niet déterminer, sauf de l’accord de tous les cohéritiers. Ils peuvent
vrijwillig ten bezwarende titel mag vervreemden, tenzij met instem- également décider qu’une indemnité forfaitaire sera due si cette
ming van alle mede-erfgenamen. Ze kunnen tevens een forfaitaire interdiction n’est pas respectée.
vergoeding bepalen voor het geval dit verbod wordt miskend.
Art. 4.75. Opleg en compensatie Art. 4.75. Soulte et compensation
§ 1. Indien de samenstelling van de boedel niet toelaat om kavels van § 1er. Si la consistance de la masse ne permet pas de constituer des
gelijke waarde te vormen, wordt deze ongelijkheid door middel van lots d’égale valeur, leur inégalité se compense par une soulte.
een opleg verrekend.
§ 2. Wanneer de rechten van de langstlevende echtgenoot werden § 2. Lorsque les droits du conjoint survivant ont été limités à
beperkt tot het vruchtgebruik van bepaalde goederen van de nalaten- l’usufruit de certains biens de la succession, et que ces biens sont, par
schap en die goederen, door de verdeling, aan de kinderen zijn le partage, attribués aux enfants, ceux-ci peuvent exiger une compen-
toegewezen, kunnen de kinderen een compensatie voor de last van dat sation pour la charge de cet usufruit, dans la mesure où il grève leur
vruchtgebruik vorderen, in de mate waarin dit hun recht op een droit à une part réservataire de la succession.
reservatair deel van de nalatenschap bezwaart.
§ 3. Wanneer de langstlevende wettelijke samenwonende recht heeft § 3. Lorsque le cohabitant légal survivant a droit à l’usufruit de
op het vruchtgebruik van bepaalde goederen van de nalatenschap en certains biens de la succession, et que ces biens sont, par le partage,
die goederen, door de verdeling, zijn toegewezen aan de kinderen, attribués aux enfants, ceux-ci peuvent exiger une compensation pour la
kunnen zij een compensatie vorderen voor de last van dat vruchtge- charge de cet usufruit, dans la mesure où il grève leur droit à une part
bruik, in de mate waarin dit hun recht op een reservatair deel van de réservataire de la succession.
nalatenschap bezwaart.
§ 4. De compensatie bedoeld in paragrafen 2 en 3 komt ten laste van § 4. La compensation visée aux paragraphes 2 et 3 est à charge tant
de begunstigden van de op het beschikbaar deel aangerekende legaten des bénéficiaires de legs imputables sur la quotité disponible comme il
zoals bepaald in artikel 4.154, § 3, alsook van de kinderen zelf voor est prévu à l’article 4.154, § 3, que des enfants eux-mêmes dans la
zover zij, naast hun reserve, in de goederen van de nalatenschap ook mesure où ils recueillent dans les biens de la succession, outre leur
het saldo van het beschikbaar deel geheel of gedeeltelijk ontvangen. Zij réserve, une portion ou la totalité du solde de la quotité disponible. Ils
dragen allen de last van deze compensatie in verhouding tot de waarde supportent tous la charge de cette compensation proportionnellement à
van de goederen die zij ontvangen, met uitsluiting van de reserve van la valeur des biens qu’ils recueillent, hormis la réserve des enfants.
de kinderen.
De globale compensatie is gelijk aan de gekapitaliseerde waarde van La compensation globale est égale à la valeur capitalisée de l’usufruit
het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot of van de wettelijke du conjoint survivant ou du cohabitant légal survivant, déterminée
samenwonende, bepaald overeenkomstig artikel 4.64. comme il est prévu à l’article 4.64.
Art. 4.76. Vrijwillige verkoop Art. 4.76. Vente volontaire
§ 1. Bij een minnelijke verdeling worden onverdeelde goederen die § 1er. Dans un partage amiable, les biens indivis qu’aucun des
geen van de mede-erfgenamen in zijn kavel wil of kan nemen, uit de cohéritiers ne peut ou ne veut prendre dans son lot, sont vendus de gré
hand of openbaar verkocht. à gré ou en vente publique.
Indien alle mede-erfgenamen het daarover eens zijn, kunnen ze ook Si les cohéritiers s’entendent sur ce point, ils peuvent également
beslissen dat de goederen bij opbod voor een notaris worden verkocht, décider de vendre ces biens aux enchères, devant notaire, sans que des
waarbij derden niet worden toegelaten. tiers y participent.
§ 2. Wanneer zich onder de mede-erfgenamen minderjarigen bevin- § 2. S’il y a parmi les héritiers des mineurs, ou des personnes
den, of beschermde personen die krachtens artikel 492/1, § 2, van het protégées qui, en vertu de l’article 492/1, § 2, de l’ancien Code civil, ont
oud Burgerlijk Wetboek, onbekwaam zijn verklaard om goederen te été déclarées incapables d’aliéner des biens, ou d’autres personnes
vervreemden, of andere personen bedoeld in artikel 1225 van het visées à l’article 1225 du Code judiciaire, la vente a néanmoins lieu
Gerechtelijk Wetboek, heeft de verkoop echter plaats zoals bepaald in comme il est prévu dans la quatrième partie, livre IV, chapitre IV, du
deel IV, boek IV, hoofdstuk IV, van het Gerechtelijk Wetboek. Zo ook Code judiciaire. Il en est de même si la succession est acceptée sous
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19807

indien de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving is bénéfice d’inventaire. Dans tous ces cas les tiers sont toujours appelés à
aanvaard. In al deze gevallen worden derden altijd tot de veiling la licitation.
opgeroepen.
Art. 4.77. Gedwongen verkoop van niet verdeelbare goederen Art. 4.77. Vente forcée de biens non partageables
Bij een gerechtelijke verdeling worden onverdeelde goederen die niet Dans un partage judiciaire, les biens indivis qui ne sont pas
gevoeglijk kunnen worden verdeeld, verkocht zoals bepaald in artike- commodément partageables, sont vendus comme il est prévu aux
len 1224 en 1224/1 van het Gerechtelijk Wetboek. articles 1224 et 1224/1 du Code judiciaire.
Afdeling 4. Bijzondere bepalingen Section 4. Dispositions particulières
Art. 4.78. Provisionele verdeling Art. 4.78. Partage provisionnel
Indien artikel 4.68 van toepassing is, en de daarin vermelde regels Si l’article 4.68 s’applique, et que les règles qu’il impose ne sont pas
voor de verdeling niet werden nageleefd, is de verdeling slechts respectées, le partage ne sera que provisionnel.
provisioneel.
Een provisionele verdeling geldt enkel als verdeling van het genot. Un partage provisionnel ne vaut que comme partage de la jouissance.
Art. 4.79. Onderonverdeeldheid Art. 4.79. Sous-indivision
De regels bepaald voor de verdeling van de te verkavelen boedels, Les règles établies pour la division des masses à partager, sont
gelden eveneens voor de onderverdeling binnen de deelhebbende également observées dans la subdivision à faire entre les souches
staken. copartageantes.
Art. 4.80. Later opkomende erfgenamen Art. 4.80. Héritiers apparaissant ultérieurement
De erfgenamen wier banden van verwantschap met de erflater niet Les héritiers dont les liens de parenté avec le défunt ne sont pas
zijn vastgesteld en die hun rechten niet hebben opgeëist binnen zes établis et qui n’ont pas revendiqué leurs droits dans les six mois à
maanden na het openvallen van de nalatenschap, kunnen de geldig- compter de l’ouverture de la succession, ne pourront plus contester la
heid van de handelingen die later te goeder trouw zijn verricht door de validité des actes accomplis ultérieurement par les autres héritiers ou
andere erfgenamen of legatarissen, niet meer betwisten noch hun légataires agissant de bonne foi ni réclamer leur part en nature dans les
aandeel in natura opvorderen van de goederen die door deze laatsten biens aliénés ou partagés par eux après ce délai.
na die termijn zijn vervreemd of verdeeld.
De erfgenaam die niet bij de verdeling werd betrokken, behoudt het L’héritier qui aura été omis dans le partage pourra toujours exercer
recht om de tegenwaarde van zijn aandeel te vorderen. ses droits en valeur.
Afdeling 5. Overdracht van erfrechten en erfuitkoop Section 5. Cession de droits successifs et retrait successoral
Art. 4.81. Overdracht van erfrechten Art. 4.81. Cession de droits successifs
Hij die zijn erfrechten verkoopt zonder de goederen waaruit de Celui qui vend ses droits successifs sans spécifier en détail les biens
nalatenschap bestaat, stuk voor stuk op te geven, moet slechts voor zijn qui composent la succession, n’est tenu de garantir que sa qualité
hoedanigheid van erfgenaam instaan. d’héritier.
Wanneer hij reeds de vruchten van enig goed had genoten, of het S’il avait déjà profité des fruits de quelque bien, ou reçu le montant
bedrag van enige tot die nalatenschap behorende schuldvordering had de quelque créance appartenant à cette succession, ou vendu quelques
ontvangen, of enig goed ervan had verkocht, is hij verplicht die aan de biens de celle-ci, il est tenu de les rembourser à l’acquéreur, sauf s’il les
koper te vergoeden, behalve indien hij ze uitdrukkelijk voor zich had a expressément réservés lors de la vente.
voorbehouden bij het aangaan van de koop.
De koper van zijn kant is verplicht aan de verkoper te vergoeden wat L’acquéreur doit de son côté rembourser au vendeur ce que celui-ci a
hij wegens schulden en lasten van de nalatenschap betaald heeft, en payé pour les dettes et charges de la succession, et lui payer tout ce dont
hem te betalen wat hij als schuldeiser te vorderen had, tenzij het il était créancier, sauf s’il y a eu stipulation contraire.
tegendeel is bedongen.
Art. 4.82. Erfuitkoop Art. 4.82. Retrait successoral
Ieder die, ook al is hij verwant van de erflater, niet zijn erfgenaam is, Toute personne, même parente du défunt, qui n’est pas son héritier,
en aan wie een mede-erfgenaam zijn erfrechten heeft overgedragen, et à laquelle un cohéritier aurait cédé ses droits successifs, peut être
kan uit de verdeling worden geweerd, hetzij door alle mede- écartée du partage, soit par tous les cohéritiers, soit par un seul, en lui
erfgenamen, hetzij door een enkele, mits de prijs van de overdracht remboursant le prix de la cession.
hem wordt terugbetaald.
Hoofdstuk 2. Inbreng Chapitre 2. Rapport
Afdeling 1. Inbreng van giften Section 1re. Rapport des libéralités
Art. 4.83. Inbrengplicht Art. 4.83. Obligation de rapport
§ 1. Met behoud van de toepassing van paragraaf 2, tweede lid, en § 1er. Sans préjudice du paragraphe 2, alinéa 2, et des articles 4.254 à
van de artikelen 4.254 tot 4.259, moet iedere erfgenaam in rechte 4.259, tout héritier en ligne directe descendante venant à la succession,
neerdalende lijn, die tot een nalatenschap komt, zelfs indien hij onder même s’il accepte sous bénéfice d’inventaire, doit rapporter à ses
voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardt, aan zijn mede- cohéritiers tout ce qu’il a reçu du défunt, par donation ou par
erfgenamen inbreng doen van al hetgeen hij van de erflater, bij testament, directement ou indirectement, à moins que les dons et legs
schenking of bij testament, rechtstreeks of onrechtstreeks ontvangen aient été, de manière certaine, dispensés de rapport.
heeft, tenzij de schenkingen en legaten met zekerheid zijn vrijgesteld
van inbreng.
Een gift is ook van inbreng vrijgesteld, als ze buiten deel of bij Une libéralité est aussi dispensée de rapport lorsqu’elle est faite hors
vooruitmaking is gedaan. part ou par préciput.
In afwijking van het eerste lid, worden de algemene legaten en de Par dérogation à l’alinéa 1er, les legs universels et à titre universel
legaten onder algemene titel vermoed te zijn vrijgesteld van inbreng, sont présumés dispensés de rapport, à moins qu’ils aient, de manière
tenzij de inbreng met zekerheid is opgelegd. certaine, été stipulés rapportables.
§ 2. De giften gedaan aan de langstlevende echtgenoot of de § 2. Les libéralités faites au conjoint survivant ou au cohabitant légal
langstlevende wettelijk samenwonende zijn niet vatbaar voor inbreng. survivant ne sont pas susceptibles de rapport.
Noch de langstlevende echtgenoot, noch de langstlevende wettelijk Ni le conjoint survivant ni le cohabitant légal survivant ne peut
samenwonende kan de inbreng eisen van giften die aan andere exiger le rapport des libéralités faites à d’autres héritiers, que ces
erfgenamen zijn gedaan, ongeacht of deze giften tussen de andere libéralités soient rapportables entre les autres héritiers ou qu’elles
erfgenamen moeten worden ingebracht of van inbreng zijn vrijgesteld. soient dispensées de rapport.
19808 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

§ 3. De verwant die tot de nalatenschap komt en die geen erfgenaam § 3. Le parent qui vient à la succession et qui n’est pas un héritier en
in rechte neerdalende lijn is, moet hetgeen hij van de erflater, bij ligne directe descendante ne doit pas le rapport de ce qu’il a reçu du
schenking of bij testament, rechtstreeks of onrechtstreeks ontvangen défunt, par donation ou par testament, directement ou indirectement, à
heeft, niet inbrengen tenzij de inbreng hem met zekerheid is opgelegd. moins que le rapport ait été stipulé de manière certaine.
§ 4. De begiftigde die ten tijde van de schenking geen vermoedelijk § 4. Le donataire qui n’était pas héritier présomptif lors de la
erfgenaam was, maar erfgenaam is op de dag dat de nalatenschap donation, mais qui se trouve héritier au jour de l’ouverture de la
openvalt, is eveneens tot inbreng gehouden, onder de voorwaarden succession, doit également le rapport, dans les conditions définies au
bepaald in dit artikel. présent article.
Art. 4.84. Wijziging van de inbrengplicht Art. 4.84. Modification de l’obligation de rapporter
De schenking die oorspronkelijk moest worden ingebracht, kan later La donation initialement rapportable peut être ultérieurement dis-
van inbreng worden vrijgesteld, door een contract dat tussen de pensée de rapport par un contrat conclu entre le donateur et le
schenker en de begiftigde wordt gesloten. donataire.
De schenking die oorspronkelijk vrijgesteld van inbreng was, kan La donation initialement dispensée de rapport peut être ultérieure-
later aan inbreng worden onderworpen, door een contract dat tussen de ment soumise au rapport par un contrat conclu entre le donateur et le
schenker en de begiftigde wordt gesloten. donataire.
Het contract dat deze modaliteit van de schenking wijzigt, zoals Le contrat modifiant cette modalité de la donation, visée aux
bedoeld in het eerste en het tweede lid, wordt opgesteld in de vorm van alinéas 1er et 2, est établie dans la forme d’une donation. Les
een schenking. De artikelen 4.249 tot 4.253 zijn niet van toepassing op articles 4.249 à 4.253 ne s’appliquent pas à ce contrat.
dit contract.
De schenker kan de aard van de schenking die oorspronkelijk al of Le donateur peut également modifier le caractère rapportable ou non
niet moest worden ingebracht ook bij testament wijzigen. In dat geval de la donation par testament. En ce cas, cette modification ne lie le
is de begiftigde slechts door deze wijziging gebonden indien hij ze na donataire que pour autant qu’il l’accepte, postérieurement au décès du
het overlijden van de schenker aanvaardt. Deze aanvaarding blijft donateur. Cette acceptation est sans incidence sur l’option successorale
zonder invloed op de uitoefening van het keuzerecht van de begiftigde du donataire dans le cadre de la succession du donateur.
in de nalatenschap van de schenker.
De gift wordt overeenkomstig de regels bepaald in artikel 4.154, La libéralité est imputée, conformément aux règles énoncées à
aangerekend op de datum van het contract bedoeld in het derde lid of, l’article 4.154, à la date du contrat visé à l’alinéa 3 ou, lorsque la
indien de wijziging bij testament gebeurt, op de datum van het modification intervient par testament, à la date du décès du donateur.
overlijden van de schenker.
Art. 4.85. Voorwerp van de inbrengplicht Art. 4.85. Objet de l’obligation de rapport
§ 1. Een erfgenaam gehouden tot inbreng, die uit eigen hoofde tot de § 1er. L’héritier tenu au rapport qui vient à la succession de son chef
nalatenschap komt, is slechts gehouden tot inbreng van wat hij zelf n’est tenu de rapporter que ce qu’il a lui-même reçu du défunt, et non
heeft gekregen van de erflater, en niet van wat zijn vader of zijn moeder ce qu’a reçu son père ou sa mère, même quand il aurait accepté la
heeft gekregen, zelfs wanneer hij zijn of haar nalatenschap mocht succession de celui-ci ou de celle-ci. Sauf stipulation contraire faite
aanvaard hebben. Behoudens andersluidend beding gemaakt overeen- conformément au paragraphe 2, il ne rapporte pas davantage ce qu’a
komstig paragraaf 2, brengt hij evenmin in wat zijn kind of zijn reçu son enfant ou son descendant.
afstammeling heeft gekregen.
§ 2. Het kind van de schenker kan zich echter, hetzij in de § 2. Toutefois, l’enfant du donateur peut, soit dans l’acte de donation,
schenkingsakte, hetzij in een later contract gesloten met de schenker en soit par un contrat postérieur conclu avec le donateur et le donataire,
de begiftigde, ertoe verbinden de schenking aan zijn eigen kind in te s’engager à rapporter à la succession du donateur, pour autant qu’il
brengen in de nalatenschap van de schenker, indien hij deze aanvaardt. accepte celle-ci, la donation faite à son propre enfant. Les articles 4.244
De artikelen 4.244 tot 4.253 zijn op deze verbintenis van toepassing. à 4.253 sont applicables à cet engagement.
De goederen ontvangen door het begiftigde kleinkind worden in de Les biens reçus par le petit-enfant gratifié sont traités, dans la
nalatenschap van het kind dat zich heeft verbonden tot inbreng succession de l’enfant s’étant engagé au rapport conformément à
overeenkomstig het eerste lid, behandeld alsof hij de goederen l’alinéa 1er, comme s’il les tenait de ce dernier.
gekregen heeft van deze laatste.
Art. 4.86. Inbreng bij plaatsvervulling, verwerping of onwaardigheid Art. 4.86. Rapport en cas de substitution, renonciation ou indignité
§ 1. De afstammelingen die bij plaatsvervulling tot de nalatenschap § 1er. Les descendants qui viennent à la succession par substitution
komen, moeten in deze nalatenschap de giften die ze zelf van de sont tenus de rapporter, dans cette succession, les libéralités qu’ils ont
erflater hebben gekregen inbrengen, tenzij ze hiervan werden vrijge- reçues du défunt, à moins qu’ils en aient été dispensés.
steld.
Zelfs ingeval zij diens nalatenschap mochten hebben verworpen, Ils sont également tenus de rapporter les libéralités reçues du défunt
moeten zij ook de giften die hij, van wie ze de plaats vervullen, van de par la personne à laquelle ils se substituent même dans le cas où ils
erflater heeft gekregen, inbrengen tenzij hij van inbreng werd vrijge- auraient renoncé à la succession de celle-ci, à moins que ces libéralités
steld. aient été dispensées de rapport.
§ 2. De erfgerechtigde die de nalatenschap verwerpt, mag, indien hij § 2. Le successible qui renonce à la succession peut, s’il n’a pas de
geen afstammelingen heeft die zijn plaats vervullen, de hem gedane descendants se substituant à lui, retenir la donation ou réclamer le legs
schenking behouden, of het hem gemaakte legaat opeisen, ten belope qui lui a été consenti, jusqu’à concurrence de la quotité disponible.
van het beschikbaar deel.
§ 3. De erfgerechtigde die onwaardig is om te erven, en die geen § 3. Le successible indigne de succéder qui n’a pas de descendants se
afstammelingen heeft die zijn plaats vervullen, mag de gedane substituant à lui, ne peut retenir la donation ou réclamer le legs qui lui
schenking slechts behouden, of het hem gemaakte legaat slechts a été consenti, que jusqu’à concurrence de la quotité disponible et pour
opeisen, ten belope van het beschikbaar deel en voor zover de gift niet autant que cette libéralité ne soit pas révoquée.
herroepen wordt.
Art. 4.87. Niet in te brengen giften Art. 4.87. Libéralités non rapportables
§ 1. Schenkingen en legaten aan de echtgenoot of de wettelijk § 1er. Les dons et legs faits au conjoint ou au cohabitant légal d’un
samenwonende van een erfgerechtigde moeten niet worden ingebracht. successible ne sont pas rapportables.
Zijn de schenkingen en legaten gezamenlijk aan twee echtgenoten of Si les dons et legs sont faits conjointement à deux époux ou
wettelijk samenwonenden gedaan, van wie slechts één erfgerechtigd is, cohabitants légaux, dont l’un seulement est successible, celui-ci en
dan brengt deze laatste de helft daarvan in. Zijn de schenkingen en rapporte la moitié. Si les dons et legs sont faits à l’époux ou au
legaten gedaan aan de echtgenoot of de wettelijk samenwonende die cohabitant légal successible, il les rapporte en entier.
erfgerechtigd is, dan brengt hij die geheel in.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19809

§ 2. De kosten van voeding, van onderhoud, van opvoeding, van het § 2. Les frais de nourriture, d’entretien, d’éducation, d’apprentissage,
aanleren van een ambacht, kosten van bruiloft en gebruikelijke les frais de noces et présents d’usage, ne sont pas des libéralités. Le
geschenken zijn geen giften. De aard van gebruikelijk geschenk wordt caractère de présent d’usage s’apprécie à la date où il est consenti et
beoordeeld op de dag waarop het wordt toegekend en rekening compte tenu de la fortune du disposant.
houdend met het vermogen van de beschikker.
Wat gediend heeft om aan een van de mede-erfgenamen een stand te Par contre, le rapport est dû de ce qui a été employé pour
verschaffen of om zijn schulden te betalen, moet echter wel ingebracht l’établissement d’un des cohéritiers, ou pour le paiement de ses dettes.
worden.
Art. 4.88. Modaliteiten van de inbrengplicht Art. 4.88. Modalités de l’obligation de rapport
§ 1. Inbreng is slechts verschuldigd in de nalatenschap van de § 1er. Le rapport ne se fait qu’à la succession du donateur et il n’est dû
schenker, en enkel door een mede-erfgenaam aan zijn mede- que par le cohéritier à son cohéritier. Il n’est pas dû aux légataires ni aux
erfgenamen. Hij is niet verschuldigd aan de legatarissen of aan de créanciers de la succession.
schuldeisers van de nalatenschap.
§ 2. Schenkingen die moeten ingebracht worden, worden voor het § 2. Les donations rapportables sont rapportées pour le tout, même si,
geheel ingebracht, zelfs indien ze, na aanrekening op de globale après imputation sur la réserve globale, elles sont pour le surplus
reserve, voor het overige op het beschikbaar deel worden aangerekend. imputées sur la quotité disponible.
Legaten die moeten ingebracht worden en, na aanrekening op de Les legs rapportables, qui, après imputation sur la réserve globale,
globale reserve, voor het overschot op het beschikbaar deel worden sont pour le surplus imputés sur la quotité disponible, ne doivent être
aangerekend, worden slechts ingebracht voor de waarde die na rapportés que pour la valeur subsistant après leur éventuelle réduction.
eventuele inkorting over blijft.
Art. 4.89. Inbreng in waarde Art. 4.89. Rapport en valeur
§ 1. Met behoud van de toepassing van artikel 4.92, geschiedt de § 1er. Sans préjudice de l’article 4.92, le rapport a lieu en valeur,
inbreng in waarde niettegenstaande elk andersluidend beding, hetzij nonobstant toute stipulation contraire, soit en moins prenant, soit par le
door mindere ontvangst, hetzij door de betaling aan de boedel van de paiement à la masse de la valeur du bien donné ou légué. Le rapport en
waarde van het geschonken of het gelegateerde goed. De inbreng door moins prenant s’effectue soit par prélèvement soit par imputation sur la
mindere ontvangst gebeurt hetzij door vooruitneming, hetzij door part du cohéritier débiteur.
verrekening op het aandeel van de mede-erfgenaam schuldenaar.
§ 2. Indien de inbreng door mindere ontvangst geschiedt door § 2. Lorsque le rapport en moins prenant s’opère par prélèvement, les
vooruitneming, nemen de mede-erfgenamen aan wie de inbreng cohéritiers à qui il est dû prélèvent une portion d’égale valeur sur la
verschuldigd is, een deel van gelijke waarde vooraf uit de boedel van masse de la succession. Les prélèvements se font, autant que possible,
de nalatenschap. De vooruitnemingen geschieden, zoveel mogelijk, in en objets de même nature, qualité et bonté que l’objet des libéralités
goederen van gelijke aard, gelijke hoedanigheid en gelijke deugdelijk- rapportées.
heid als het voorwerp van de ingebrachte giften.
Na deze vooruitnemingen worden uit hetgeen in de boedel overblijft, Après ces prélèvements, il est procédé, sur ce qui reste dans la masse,
zoveel gelijke kavels samengesteld als er deelhebbende erfgenamen of à la composition d’autant de lots égaux qu’il y a d’héritiers coparta-
deelhebbende staken zijn. geants, ou de souches copartageantes.
§ 3. Indien de inbreng geschiedt door aanrekening op het aandeel van § 3. Si le rapport s’opère par imputation sur la part du cohéritier
de mede-erfgenaam schuldenaar, dooft de schuld uit door schuldver- débiteur, la dette s’éteint par confusion. Si le montant à rapporter
menging. Indien het in te brengen bedrag het aandeel van de excède la part du cohéritier, le rapport a lieu par le paiement du surplus
mede-erfgenaam overtreft, geschiedt de inbreng door betaling van het à la masse. Lorsque le cohéritier a lui-même une créance à faire valoir
overschot aan de boedel. Indien de mede-erfgenaam zelf een schuld- à l’égard de la masse, l’imputation du montant à rapporter sur sa part
vordering ten laste van de boedel heeft, wordt het op zijn aandeel in te n’a lieu qu’à concurrence du solde dû à la masse après compensation.
brengen bedrag slechts aangerekend ten belope van het saldo dat na
schuldvergelijking aan de boedel toekomt.
Art. 4.90. In te brengen waarde Art. 4.90. Valeur à rapporter
§ 1. De inbreng van legaten geschiedt volgens de intrinsieke waarde § 1er. Le rapport des legs se fait de la valeur intrinsèque du bien légué
van het gelegateerde goed op de dag van het openvallen van de au jour de l’ouverture de la succession.
nalatenschap.
§ 2. De inbreng van schenkingen geschiedt volgens de intrinsieke § 2. Le rapport des donations se fait de la valeur intrinsèque du bien
waarde van het geschonken goed op de dag van de schenking, donné au jour de la donation, indexée depuis ce jour et jusqu’à la date
geïndexeerd vanaf deze dag tot op de dag van het overlijden, in functie du décès, en fonction de l’indice des prix à la consommation du mois
van de index van de consumptieprijzen van de maand van het du décès du donateur, l’indice de base étant celui du mois au cours
overlijden van de schenker, met als basisindex deze van de maand duquel la donation est intervenue. Il n’est tenu compte ni des fruits
waarin de schenking werd gedaan. Er wordt geen rekening gehouden produits par le bien donné entre le jour de la donation et celui du décès
met de vruchten die het geschonken goed heeft opgebracht tussen de du disposant, ni de l’avantage résultant, pour le donataire, de la
dag van de schenking en deze van het overlijden van de beschikker, jouissance du bien durant cette période.
noch met het voordeel dat de begiftigde heeft gehaald uit het genot van
het goed tijdens deze periode.
§ 3. Van paragraaf 2 wordt afgeweken wanneer de begiftigde het § 3. Il est dérogé au paragraphe 2 lorsque le donataire n’a pas eu le
recht om te beschikken over de volle eigendom van het geschonken droit de disposer de la pleine propriété du bien donné dès le jour de la
goed niet vanaf de dag van de schenking had. donation.
In dat geval, geschiedt de inbreng volgens de waarde van het Dans ce cas, le rapport se fait de la valeur du bien donné au jour du
geschonken goed op de dag van het overlijden van de beschikker, décès du disposant, si le donataire acquiert le droit de disposer de la
indien de begiftigde het recht om te beschikken over de volle eigendom pleine propriété au moment du décès.
verkrijgt op het ogenblik van het overlijden.
Indien de begiftigde het recht om over de volle eigendom te Si le donataire n’acquiert le droit de disposer de la pleine propriété
beschikken verkrijgt op een datum na het overlijden, geschiedt de qu’à une date postérieure au décès, le rapport se fait de la valeur du
inbreng volgens de waarde van het geschonken goed op de dag van het bien donné au jour du décès, déduction faite de la valeur des charges
overlijden, verminderd met de waarde van de lasten die de uitoefening qui font obstacle à l’exercice du droit de disposition de la pleine
van het beschikkingsrecht over de volle eigendom verhinderen. propriété.
Indien de begiftigde het recht om over de volle eigendom te Si le donataire acquiert le droit de disposer de la pleine propriété à
beschikken verkrijgt op een datum na de schenking, doch voor het une date postérieure à la donation, mais avant le décès du disposant, le
overlijden van de beschikker, geschiedt de inbreng volgens de waarde rapport se fait de la valeur du bien donné à cette date, indexée depuis
van het geschonken goed op deze datum, geïndexeerd vanaf deze dag ce jour jusqu’à la date du décès conformément au paragraphe 2.
tot de dag van het overlijden overeenkomstig paragraaf 2.
19810 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

§ 4. De intrinsieke waarde van het goed op de dag van de schenking § 4. La valeur intrinsèque du bien au jour de la donation est celle
is deze vermeld in de akte of uitgedrukt op de dag van de schenking, mentionnée dans l’acte ou exprimée au jour de la donation, sauf si elle
behoudens indien zij manifest onredelijk is gelet op de staat en de est manifestement déraisonnable eu égard à l’état et à la situation du
toestand van het goed op de dag van de schenking. bien au jour de la donation.
§ 5. De intrinsieke waarde van het goed op de dag van de schenking § 5. La valeur intrinsèque du bien au jour de la donation, mentionnée
vermeld in de akte of uitgedrukt op de dag van de schenking, geldt dans l’acte ou exprimée au jour de la donation, s’impose à tout héritier
voor iedere erfgenaam die ze aanvaard heeft in de akte of bij een later qui l’aurait acceptée dans l’acte ou par un contrat postérieur conclu
contract, gesloten met de schenker en de begiftigde. avec le donateur et le donataire.
§ 6. De schenker en de begiftigde kunnen overeenkomen dat de § 6. Le donateur et le donataire peuvent convenir que le rapport
inbreng van een schenking bedoeld in paragraaf 3 zal geschieden d’une donation visée au paragraphe 3 se fera de la valeur intrinsèque
volgens de intrinsieke waarde van het goed op de dag van de du bien au jour de la donation, indexée conformément au paragraphe 2.
schenking, geïndexeerd zoals bepaald in paragraaf 2. Deze waarde Cette valeur s’impose à tout héritier qui l’aurait acceptée dans l’acte ou
geldt voor iedere erfgenaam die ze aanvaard heeft in de akte of bij een par un contrat postérieur conclu avec le donateur et le donataire.
later contract, gesloten met de schenker en de begiftigde.
§ 7. De artikelen 4.244 tot 4.253 zijn van toepassing op het contract § 7. Les articles 4.244 à 4.253 sont applicables au contrat visé au
bedoeld in paragraaf 6, en de aanvaarding bedoeld in de paragrafen 5 paragraphe 6 et à l’acceptation visée aux paragraphes 5 et 6.
en 6.
§ 8. De in paragrafen 5 en 6 bedoelde verklaring van de erfgenamen § 8. La déclaration des héritiers visée aux paragraphes 5 et 6 ne les
ontneemt hen niet het recht om inkorting te vragen overeenkomstig de prive pas du droit de demander la réduction conformément aux
artikelen 4.150 tot 4.157. articles 4.150 à 4.157.
§ 9. Zelfs wanneer het geschonken goed door overmacht is teniet § 9. Même lorsque le bien donné a péri par force majeure, sa valeur
gegaan, moet zijn waarde overeenkomstig de vorige paragrafen est sujette à rapport conformément aux paragraphes précédents.
worden ingebracht.
Art. 4.91. Interest op de inbrengschuld Art. 4.91. Intérêts de la dette de rapport
De waarde die overeenkomstig artikel 4.90 moet worden ingebracht, La valeur à rapporter conformément à l’article 4.90 est, de plein droit,
brengt van rechtswege interesten op aan de wettelijke rentevoet te productrice d’intérêts au taux légal à dater du décès du disposant.
rekenen van de dag van het overlijden van de beschikker.
Art. 4.92. Aanbod tot inbreng in natura Art. 4.92. Offre de rapport en nature
De erfgenaam die tot de inbreng is gehouden, heeft de mogelijkheid L’héritier tenu au rapport a la faculté d’exécuter son obligation en
om zijn verplichting uit te voeren door het geschonken goed in natura rapportant le bien donné en nature, pour autant que celui-ci lui
in te brengen, voor zover dit hem nog toebehoort en dit vrij is van elke appartienne encore et qu’il soit libre de toute charge ou occupation dont
last of bezetting, waarmee het nog niet bezwaard was ten tijde van de il n’aurait pas déjà été grevé à l’époque de la donation.
schenking.
Deze inbreng geeft aanleiding tot de betaling van een opleg ten laste Ce rapport donne lieu au paiement d’une soulte à charge de la masse,
van de boedel, indien de waarde van het goed dat in natura wordt si la valeur du bien rapporté en nature excède la valeur à rapporter telle
ingebracht de in te brengen waarde zoals bepaald in artikel 4.90, §§ que définie à l’article 4.90, §§ 2 et 3.
2 en 3 overschrijdt.
Indien de waarde van het goed dat in natura wordt ingebracht lager Si la valeur du bien rapporté en nature est inférieure à la valeur à
is dan de in te brengen waarde, is een opleg verschuldigd aan de rapporter, une soulte est due à la masse à charge de l’héritier tenu au
boedel, ten laste van de erfgenaam die tot inbreng is gehouden. rapport.
Art. 4.93. Dwingend recht Art. 4.93. Droit impératif
De artikelen 4.89, 4.90 en 4.92 zijn van toepassing niettegenstaande Les articles 4.89, 4.90 et 4.92 s’appliquent nonobstant toute clause
elk andersluidend beding, tenzij de wet anders bepaalt en tenzij de contraire, sauf si la loi en dispose autrement, et sauf si, après
erfgenamen, na het openvallen van de nalatenschap, anders overeen- l’ouverture de la succession, les héritiers en conviennent autrement.
komen.
Afdeling 2. Inbreng van schulden Section 2. Rapport des dettes
Art. 4.94. In te brengen schulden Art. 4.94. Dettes rapportables
Om de gelijke behandeling van de mede-erfgenamen in de verdeling Pour garantir l’égalité de traitement entre les cohéritiers, celui d’entre
te verzekeren, wordt de vaststaande schuld die een mede-erfgenaam eux qui est tenu d’une dette liquide à l’égard de la masse, doit la
tegenover de boedel heeft, in de te verdelen boedel ingebracht. De rapporter à la masse. Les règles relatives au mode de rapport des
regels betreffende de wijze van inbreng van schenkingen zijn van donations sont applicables au rapport des dettes, à l’exception des
toepassing op de inbreng van schulden, met uitzondering van de regels règles relatives à l’évaluation des donations.
betreffende de waardering van schenkingen.
Art. 4.95. Voldoening van de in te brengen schuld Art. 4.95. Acquittement de la dette rapportable
De inbreng van de schulden geschiedt hetzij door mindere ontvangst, Le rapport des dettes a lieu, soit en moins prenant, soit par le
hetzij door betaling van het verschuldigde bedrag aan de boedel. paiement à la masse de la somme due.
Indien de inbreng door mindere ontvangst geschiedt door vooruit- Lorsque le rapport en moins prenant s’opère par prélèvement, les
neming, nemen de mede-erfgenamen aan wie de inbreng verschuldigd cohéritiers à qui il est dû prélèvent une portion d’un même montant sur
is, een gelijk bedrag vooraf uit de boedel van de nalatenschap. la masse de la succession.
Indien de inbreng geschiedt door aanrekening op het aandeel van de Si le rapport s’opère par imputation sur la part du cohéritier débiteur,
mede-erfgenaam- schuldenaar, dan dooft de schuld uit door schuldver- la dette s’éteint par confusion. Si le montant à rapporter excède la part
menging. Indien het in te brengen bedrag het aandeel van de du cohéritier, ce dernier reste redevable du solde aux conditions et
mede-erfgenaam overtreft, blijft de mede-erfgenaam het saldo verschul- délais qui prévalaient pour la dette initiale. Lorsque le cohéritier a
digd met toepassing van de voorwaarden en termijnen die voor de lui-même une créance à faire valoir à l’égard de la masse, l’imputation
oorspronkelijke schuld golden. Indien de mede-erfgenaam zelf een du montant à rapporter sur sa part n’a lieu qu’à concurrence du solde
schuldvordering ten laste van de boedel heeft, wordt zijn schuld slechts dû à la masse après compensation.
op zijn aandeel aangerekend ten belope van het saldo dat na
schuldvergelijking aan de boedel toekomt.
Art. 4.96. Opeisbaarheid van de in te brengen schuld Art. 4.96. Exigibilité de la dette rapportable
Tenzij ze betrekking heeft op de prijs van verkochte goederen uit de Sauf lorsqu’elle est relative au prix de biens indivis vendus, la dette
onverdeeldheid, is de schuld pas opeisbaar vanaf het sluiten van de n’est exigible qu’à la clôture des opérations de partage. Toutefois, le
verdelingsverrichtingen. De mede-erfgenaam schuldenaar kan echter cohéritier débiteur peut décider de s’en acquitter avant cette échéance.
beslissen om de schuld eerder te voldoen.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19811

Art. 4.97. Interesten op de in te brengen schuld Art. 4.97. Intérêts de la dette rapportable
De interesten op de schuld lopen door zoals oorspronkelijk was Les intérêts de la dette courent comme il en avait été convenu ou
bedongen of beslist. Indien geen interest was bedongen of opgelegd, décidé initialement. Si aucun intérêt n’a été convenu ni imposé, ceux-ci
dan lopen de interesten van rechtswege vanaf het overlijden, aan de courent de plein droit à partir de la date du décès, au taux d’intérêt
wettelijke rentevoet. Indien de schuld tijdens de onverdeeldheid is légal. Si la dette est née pendant l’indivision, les intérêts courent de
ontstaan, lopen de interesten van rechtswege vanaf de datum van plein droit à partir de la date de son exigibilité, au taux d’intérêt légal.
opeisbaarheid, aan de wettelijke rentevoet.
Hoofdstuk 3. Schulden en lasten van de nalatenschap Chapitre 3. Dettes et charges de la succession
Art. 4.98. Verplichting tot betaling van de schulden en lasten van de Art. 4.98. Obligation de payer les dettes et les charges de la succession
nalatenschap
De erfgenamen zijn, persoonlijk naar evenredigheid van hun aan- Les héritiers sont tenus des dettes et charges de la succession,
deel, en hypothecair voor het geheel, gehouden tot betaling van de personnellement pour leur part, et hypothécairement pour le tout, sauf
schulden en lasten van de nalatenschap, onder voorbehoud van hun leur recours contre leurs cohéritiers, à raison de la part pour laquelle ils
verhaal op hun mede-erfgenamen, voor het aandeel waarvoor deze doivent y contribuer.
laatsten daarin moeten bijdragen.
De titels die tegen de erflater uitvoerbaar waren, zijn ook tegen de Les titres exécutoires contre le défunt sont pareillement exécutoires
erfgenaam persoonlijk uitvoerbaar. Niettemin kunnen de schuldeisers contre l’héritier personnellement. Néanmoins les créanciers ne pour-
de tenuitvoerlegging daarvan eerst vervolgen acht dagen na de ront en poursuivre l’exécution que huit jours après la signification de
betekening van die titels aan de persoon of aan de woonplaats van de ces titres à la personne ou au domicile de l’héritier.
erfgenaam.
Art. 4.99. Scheiding van de boedels Art. 4.99. Séparation des patrimoines
§ 1. Schuldeisers van de nalatenschap kunnen in elk geval en tegen § 1er. Les créanciers de la succession peuvent demander, dans tous les
elke schuldeiser vorderen dat de boedel van de erflater wordt cas, et contre tout créancier, la séparation du patrimoine du défunt
afgescheiden van de boedel van de erfgenaam. d’avec le patrimoine de l’héritier.
§ 2. Dit recht kan echter niet meer worden uitgeoefend, wanneer er § 2. Ce droit ne peut cependant plus être exercé, lorsqu’il y a novation
schuldvernieuwing heeft plaatsgehad door de erfgenaam als schulde- par l’acceptation de l’héritier pour débiteur.
naar aan te nemen.
§ 3. Dit recht verjaart ten aanzien van roerende goederen door § 3. Il se prescrit, relativement aux meubles, par trois ans.
verloop van drie jaar.
Ten aanzien van onroerende goederen kan de vordering ingesteld À l’égard des immeubles, l’action peut être exercée tant qu’ils existent
worden zolang deze goederen zich in handen van de erfgenaam aux mains de l’héritier.
bevinden.
§ 4. Schuldeisers van een erfgenaam zijn niet bevoegd om tegen de § 4. Les créanciers d’un héritier ne sont pas admis à demander la
schuldeisers van de nalatenschap de afscheiding van de boedels te séparation des patrimoines contre les créanciers de la succession.
vorderen.
Art. 4.100. Bijdrage in de schulden en lasten van de nalatenschap Art. 4.100. Contribution aux dettes et charges de la succession
§ 1. De mede-erfgenamen dragen onderling bij in de betaling van de § 1er. Les cohéritiers contribuent entre eux au paiement des dettes et
schulden en lasten van de nalatenschap, ieder naar evenredigheid van charges de la succession, chacun dans la proportion de ce qu’il y prend.
wat hij daaruit ontvangt.
§ 2. De mede-erfgenaam, die, ten gevolge van de hypotheek, meer § 2. Le cohéritier, qui, par l’effet de l’hypothèque, a payé au-delà de
dan zijn aandeel in de erfschuld betaalde, heeft op de overige sa part de la dette de la succession, n’a de recours contre les autres
mede-erfgenamen geen verder verhaal dan voor het aandeel dat ieder cohéritiers, que pour la part que chacun d’eux doit personnellement en
van hen persoonlijk in de schuld moet dragen, zelfs wanneer de supporter, même dans le cas où le cohéritier qui a payé la dette se serait
mede-erfgenaam die de schuld betaalde, zich in de rechten van de fait subroger aux droits des créanciers, sans préjudice néanmoins des
schuldeisers heeft doen stellen, zonder evenwel afbreuk te doen aan de droits d’un cohéritier qui, par l’effet du bénéfice d’inventaire, aurait
rechten van de mede-erfgenaam die, ten gevolge van het voorrecht van conservé la faculté de réclamer le paiement de sa créance personnelle,
boedelbeschrijving, het vermogen mocht hebben behouden om, zoals comme tout autre créancier.
ieder andere schuldeiser, betaling van zijn persoonlijke schuldvorde-
ring te eisen.
§ 3. In geval van onvermogen van een van de mede-erfgenamen, § 3. En cas d’insolvabilité d’un des cohéritiers, sa part dans la dette
wordt zijn aandeel in de hypothecaire schuld over alle anderen naar hypothécaire est répartie sur tous les autres, proportionnellement.
evenredigheid omgeslagen.
§ 4. Indien de mede-erfgenamen de nalatenschap verdelen in de staat § 4. Si les cohéritiers partagent la succession dans l’état où elle se
waarin ze zich bevindt, en een met hypotheek bezwaard onroerend trouve et qu’un immeuble grevé d’une hypothèque est attribué à l’un
goed aan een van hen wordt toegewezen, die alleen de last zal dragen d’entre eux qui devra porter seul la charge de la rente ou de la dette
van de door de hypotheek gewaarborgde rente of de schuld moet garantie par l’hypothèque, l’immeuble grevé est estimé déduction faite
dragen, wordt het onroerend goed geschat, na aftrek van het kapitaal du capital de la rente ou de la dette.
van de rente of van de schuld.
De erfgenaam in wiens kavel dat onroerend goed valt, blijft belast L’héritier dans le lot duquel tombe cet immeuble, demeure seul
met de uitkering van de rente of de betaling van de schuld, en hij moet chargé du service de la rente ou du paiement de la dette, et il doit en
zijn mede-erfgenamen daarvoor vrijwaren. garantir ses cohéritiers.
Art. 4.101. Verzet tegen de verdeling Art. 4.101. Opposition au partage
Schuldeisers van een erfgenaam kunnen, om te beletten dat de Les créanciers d’un héritier, pour éviter que le partage ne soit fait en
verdeling met bedrieglijke benadeling van hun rechten geschiedt, zich fraude de leurs droits, peuvent s’opposer à ce qu’il y soit procédé hors
ertegen verzetten dat zij buiten hun aanwezigheid gedaan wordt. Zij de leur présence. Ils ont le droit d’y intervenir à leurs frais.
hebben het recht op eigen kosten in de verdeling tussen te komen.
Tegen een voltrokken verdeling echter kunnen zij niet opkomen, Mais ils ne peuvent attaquer un partage consommé, à moins toutefois
behalve wanneer deze heeft plaatsgehad buiten hen om en met qu’il n’y ait été procédé sans eux et au préjudice d’une opposition qu’ils
miskenning van een door hen gedaan verzet. auraient formée.
19812 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

Hoofdstuk 4. Gevolgen van de verdeling en vrijwaring van de kavels Chapitre 4. Effets du partage et garantie des lots
Art. 4.102. Declaratieve werking Art. 4.102. Effet déclaratif
Ieder mede-erfgenaam wordt geacht alleen en onmiddellijk te zijn Chaque cohéritier est censé avoir succédé seul et immédiatement à
opgevolgd in alle goederen die in zijn kavel zijn begrepen of die hem bij tous les biens compris dans son lot, ou à lui échus sur licitation, et
veiling ten deel zijn gevallen, en nooit de eigendom van de andere n’avoir jamais eu la propriété des autres biens de la succession.
goederen van de nalatenschap te hebben gehad.
Art. 4.103. Vrijwaring Art. 4.103. Garantie
§ 1. De mede-erfgenamen moeten elkaar alleen voor die stoornissen § 1er. Les cohéritiers demeurent respectivement garants, les uns
en uitwinningen vrijwaren, waarvan de oorzaak vóór de verdeling envers les autres, des troubles et évictions seulement qui procèdent
bestond. d’une cause antérieure au partage.
Vrijwaring vindt niet plaats indien ze betrekking heeft op een La garantie n’a pas lieu, si l’espèce d’éviction soufferte a été exceptée
uitwinning die door een bijzonder en uitdrukkelijk beding in de akte par une clause particulière et expresse de l’acte de partage. Elle cesse, si
van verdeling is uitgesloten. Zij houdt op wanneer de mede-erfgenaam c’est par sa faute que le cohéritier souffre l’éviction.
door eigen schuld uitwinning ondergaat.
§ 2. Ieder mede-erfgenaam is persoonlijk gehouden, naar evenredig- § 2. Chacun des cohéritiers est personnellement obligé, en proportion
heid van zijn erfdeel, zijn mede-erfgenaam schadeloos te stellen voor de sa part héréditaire, d’indemniser son cohéritier de la perte que lui a
het verlies dat de uitwinning hem heeft veroorzaakt. causée l’éviction.
Indien een van de mede-erfgenamen onvermogend is, wordt het Si l’un des cohéritiers se trouve insolvable, la portion dont il est tenu
door hem verschuldigde aandeel evenredig omgeslagen over de doit être proportionnellement répartie entre le garanti et tous les
gevrijwaarde en alle erfgenamen die in staat zijn te betalen. cohéritiers solvables.
§ 3. De vordering tot vrijwaring tegen het onvermogen van de § 3. La garantie de la solvabilité du débiteur d’une rente ne peut être
schuldenaar van een rente kan slechts worden ingesteld binnen vijf jaar exercée que dans les cinq ans qui suivent le partage.
na de verdeling.
Er bestaat geen grond tot vrijwaring wegens het onvermogen van de Il n’y a pas lieu à garantie à raison de l’insolvabilité du débiteur,
schuldenaar, wanneer dit pas na het voltrekken van de verdeling is quand elle n’est survenue que depuis le partage consommé.
ontstaan.
Hoofdstuk 5. Betwisting van de verdeling Chapitre 5. Contestation du partage
Art. 4.104. Geweld of bedrog Art. 4.104. Violence ou dol
Verdelingen kunnen worden vernietigd wegens geweld of bedrog. Les partages peuvent être annulés pour cause de violence ou de dol.
Hij tegen wie een vordering tot vernietiging is ingesteld kan die Le défendeur à la demande en annulation peut en arrêter le cours et
tegenhouden en een herverdeling beletten, door aan de eiser, hetzij in empêcher un nouveau partage, en offrant et en fournissant au
geld, hetzij in natura, aan te bieden en te verschaffen hetgeen aan diens demandeur le supplément de sa portion héréditaire, soit en numéraire,
erfdeel ontbreekt. soit en nature.
De vordering tot vernietiging wegens bedrog of geweld van een Le cohéritier qui a aliéné son lot en tout ou partie, n’est plus recevable
mede-erfgenaam die zijn kavel geheel of ten dele vervreemd heeft, is à intenter l’action en annulation pour dol ou violence, si l’aliénation
niet meer ontvankelijk, indien hij de vervreemding gedaan heeft na het qu’il a faite est postérieure à la découverte du dol, ou à la cessation de
ontdekken van het bedrog of het ophouden van het geweld. la violence.
Art. 4.105. Benadeling Art. 4.105. Lésion
§ 1. Wanneer een mede-erfgenaam bewijst dat hij voor meer dan een § 1er. Lorsque l’un des cohéritiers établit, à son préjudice, une lésion
vierde is benadeeld, kan hij tegen de anderen een vordering instellen de plus du quart, il peut intenter contre les autres une action en
tot aanvulling van het gedeelte dat hem bij de verdeling is toegekend. complément de la part qui lui a été attribuée lors du partage.
De aanvulling wordt hem in geld toegekend, tenzij de partijen anders Le complément de part lui est fourni en numéraire, à défaut d’accord
overeenkomen. entre les parties.
§ 2. Om te beoordelen of er benadeling geweest is, schat men de § 2. Pour juger s’il y a eu lésion, on estime les biens suivant leur
goederen op hun waarde ten tijde van de verdeling. valeur à l’époque du partage.
§ 3. De vordering tot aanvulling is toegestaan tegen elke handeling, § 3. L’action en complément de part est admise contre tout acte,
ongeacht de benaming ervan, die ertoe strekt de onverdeeldheid onder quelle que soit sa dénomination, dont l’objet est de faire cesser
mede-erfgenamen te doen ophouden. In geval van opeenvolgende l’indivision entre cohéritiers. En cas de partages partiels successifs, la
gedeeltelijke verdelingen wordt het nadeel slechts beoordeeld bij de lésion ne s’apprécie qu’à la clôture du partage.
afsluiting van de verdeling.
§ 4. Ingeval de verdeling of de daarmee gelijkstaande handeling deel § 4. Si le partage, ou l’acte qui en tient lieu, est inclus dans une
uitmaakt van een dading, is de vordering niet toegestaan ten aanzien transaction, l’action en complément de part n’est pas admissible à
van die dading. l’encontre de cette transaction.
§ 5. De vordering is niet toegelaten tegen een verkoop van erfrecht, § 5. L’action n’est pas admise contre une vente de droit successif faite
zonder bedrog aan een mede-erfgenaam, op zijn risico gedaan door zijn sans fraude à l’un des cohéritiers, à ses risques et périls, par ses autres
overige mede-erfgenamen of door een van hen. cohéritiers, ou par l’un d’eux.
§ 6. De vordering tot aanvulling verjaart na vijf jaar te rekenen vanaf § 6. L’action en complément de part se prescrit par cinq ans à compter
de datum van de verdeling of, in geval van gedeeltelijke opeenvol- du partage ou, en cas de partages partiels successifs, à compter de la
gende verdelingen, vanaf de datum van afsluiting van de verdeling. clôture du partage.
Ondertitel 9. Kleine nalatenschappen Sous-titre 9. Petits héritages
Art. 4.106. Afwijkende regeling Art. 4.106. Disposition dérogatoire
Wanneer, voor het geheel of voor een deel, een nalatenschap Lorsqu’une succession comprend, pour la totalité ou pour une
onroerende goederen bevat, waarvan het integrale kadastraal inkomen quotité, des immeubles dont le revenu cadastral intégral ne dépasse pas
1 565 euro niet overtreft, wordt van de bepalingen van ondertitel 8 1 565 euros, il est dérogé aux dispositions du sous-titre 8 ainsi qu’il est
afgeweken, zoals in de artikelen 4.107 tot 4.113 is aangeduid. prévu aux articles 4.107 à 4.113.
Het inkomen van de onroerende goederen die nog niet gekadastreerd Le revenu des immeubles non encore cadastrés ou non cadastrés en
of niet als afzonderlijk perceel gekadastreerd zijn, wordt, zo daartoe parcelle distincte est déterminé, s’il y a lieu, comme en matière de
redenen zijn, vastgesteld zoals ter zake van grondbelasting. contribution foncière.
De berekening geschiedt op het kadastraal inkomen van de dag van Le calcul se fait sur le revenu cadastral existant au jour de l’ouverture
het openvallen van de nalatenschap. de la succession.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19813

Art. 4.107. Behoud van de onverdeeldheid Art. 4.107. Maintien de l’indivision


Indien er, onder de erfgenamen in de rechte lijn van de eerstster- Si parmi les héritiers en ligne directe de l’époux prémourant, se
vende echtgenoot, een of meerdere minderjarigen zijn, kan de onver- trouvent un ou plusieurs mineurs, l’indivision des biens grevés d’un
deeldheid van de goederen die de langstlevende echtgenoot in usufruit au profit du conjoint survivant, peut soit à la demande de l’un
vruchtgebruik heeft, hetzij op verzoek van een van de belanghebben- des intéressés, soit d’office, être maintenue par le tribunal de la famille
den, hetzij ambtshalve, in stand worden gehouden door de familie- pour un terme ou pour des termes successifs qui ne se prolongeront pas
rechtbank voor een termijn of voor achtereenvolgende termijnen, die au-delà de la majorité du mineur le moins âgé.
niet verder zullen gaan dan de meerderjarigheid van de jongste
minderjarige.
Deze bepaling houdt op van kracht te zijn, hetzij wanneer het Cette disposition cesse de produire ses effets, soit en cas d’extinction
vruchtgebruik eindigt, hetzij wanneer, bij toepassing van artikel 4.108, de l’usufruit, soit en cas de reprise des biens par application de
de goederen overgenomen worden. l’article 4.108.
De beslissing, waarbij de familierechtbank de onverdeeldheid in La décision par laquelle le tribunal de la famille maintient l’indivi-
stand houdt, wordt overgeschreven in het register van het bevoegd sion est transcrite au registre du bureau compétent de l’Administration
kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumen- générale de la Documentation patrimoniale.
tatie.
Bij gebreke aan overschrijving kan men zich op die beslissing niet À défaut de transcription, cette décision n’est pas opposable aux tiers
beroepen ten aanzien van derden te goeder trouw die een concurrent de bonne foi qui disposent d’un droit concurrent sur le bien immobilier.
recht op het onroerend goed hebben.
Art. 4.108. Recht op overname Art. 4.108. Droit de reprise
§ 1. Zonder afbreuk te doen aan de rechten die artikel 2.3.13 aan de § 1er. Sans préjudice des droits reconnus au conjoint survivant par
langstlevende echtgenoot toekent, heeft ieder van de erfgenamen in de l’article 2.3.13, chacun des héritiers en ligne directe et, le cas échéant, le
rechte lijn en, in voorkomend geval, de noch uit de echt noch van tafel conjoint survivant non divorcé ni séparé de corps ont la faculté de
en bed gescheiden langstlevende echtgenoot het recht tot overname, reprendre, sur estimation, soit l’habitation occupée au moment du
naar schatting, hetzij van de woning, die de erflater, zijn echtgenoot of décès par le défunt, son conjoint ou l’un de ses descendants, ainsi que
een van zijn afstammelingen bij het overlijden betrokken, samen met les meubles meublants, soit la maison, les meubles, ainsi que les terres
het huisraad, hetzij van het huis, samen met de meubelen, en met de que l’occupant de la maison exploitait personnellement et pour son
gronden die de bewoner van het huis persoonlijk en voor eigen propre compte, le matériel agricole et les animaux attachés à la culture
rekening in gebruik had, het landbouwmaterieel en de dieren die tot de ou les marchandises, les matières premières, matériel professionnel et
bebouwing dienen of de goederen, de grondstoffen, de beroepsvoor- autres accessoires attachés à l’exploitation commerciale, artisanale ou
werpen en andere hulpmiddelen die aan het handels-, ambachts-, of industrielle.
nijverheidsbedrijf zijn verbonden.
De wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarigen of van de Les représentants légaux des mineurs ou des personnes protégées
beschermde personen die krachtens artikel 492/1, § 2, derde lid, 1°, van qui, en vertu de l’article 492/1, § 2, alinéa 3, 1°, de l’ancien Code civil
het oud Burgerlijk Wetboek uitdrukkelijk onbekwaam zijn verklaard ont été expressément déclarées incapables d’aliéner des biens peuvent
om goederen te vervreemden, mogen het recht van overname alleen traiter de la reprise, avec l’autorisation du juge de paix du for de la
uitoefenen met machtiging van de vrederechter van het voogdij- of tutelle ou de l’administration des biens.
bewindsforum.
§ 2. Willen verschillende belanghebbenden het recht tot overname § 2. Lorsque plusieurs intéressés veulent user du droit de reprise, la
uitoefenen, dan wordt de voorkeur bij voorrang en in de volgende orde préférence revient par priorité et dans l’ordre:
gegeven aan:
a) de langstlevende echtgenoot; a) au conjoint survivant;
b) degene die de erflater heeft aangewezen; b) à celui que le défunt a désigné;
c) degene die tot aan het overlijden, zelfs zonder het huis met de c) à celui qui jusqu’au décès, même sans habiter la maison avec le
erflater of zijn echtgenoot te bewonen, op regelmatige en voortdurende défunt ou son conjoint collaborait d’une façon régulière et durable à
wijze in het bedrijf meewerkte; l’entreprise;
d) degene die tot aan het overlijden met de erflater of zijn echtgenoot d) à celui qui jusqu’au décès habitait la maison avec le défunt ou son
het huis bewoonde en hem hulp en bijstand verschafte; conjoint en lui apportant aide et assistance;
e) degene die op het ogenblik van het overlijden het huis bewoont; e) à celui qui au moment du décès habite la maison;
f) degene die door de meerderheid van de belangen is aangewezen f) à celui qui est désigné par la majorité des intérêts et à défaut de
en, bij gebreke van deze meerderheid, hij die door uitloting is cette majorité, à celui qui est désigné par voie de tirage au sort.
aangewezen.
Eisen meerdere erfgenamen het voordeel van de overname op grond Si plusieurs héritiers revendiquent le bénéfice de la reprise sur la base
van een van de gevallen bepaald in het eerste lid, b), c), d) of e) op, dan de l’un des cas visés à l’alinéa 1er, b), c), d) ou e), ils peuvent faire la
kunnen zij gezamenlijk tot overname overgaan. reprise conjointement.
§ 3. Is dit door een belanghebbende of door een schuldeiser § 3. Si un intéressé ou son créancier en fait la demande, il est procédé
gevraagd, dan wordt er tot de schatting overgegaan door toedoen van à l’estimation par les soins du tribunal de la famille, qui peut nommer
de familierechtbank, die daartoe een of verscheidene schatters mag à cet effet un ou plusieurs experts. Le tribunal de la famille statue sur
benoemen. Door de familierechtbank wordt uitspraak gedaan op de la minute de la requête. Son ordonnance est exécutoire sur minute. Le
minuut van het verzoekschrift. Haar bevelschrift is op de minuut greffier avertit les intéressés, par pli judiciaire, du jour et de l’heure de
uitvoerbaar. Bij gerechtsbrief geeft de griffier aan de belanghebbenden la prestation de serment de l’expert et leur communique le nom de ce
kennis van de dag en het uur waarop de eed zal worden afgelegd door dernier. Celui-ci fixe aussitôt les jour et heure de ses opérations. La
de schatter, alsook van zijn naam. Deze bepaalt onverwijld dag en uur prestation de serment de l’expert ne peut intervenir qu’au plus tôt
voor zijn verrichtingen. De schatter kan de eed niet eerder afleggen dan quinze jours après la date d’expédition du pli judiciaire. Les intéressés
vijftien dagen na de dag waarop de gerechtsbrieven zijn verstuurd. De qui n’ont pas comparu à la prestation de serment sont avertis par pli
belanghebbenden, die bij de beëdiging niet zijn opgekomen, worden judiciaire du greffier. Toute demande en récusation de l’expert doit être
door de griffier bij gerechtsbrief verwittigd. Elke eis tot wraking van de présentée, à peine de déchéance, au plus tard lors de la prestation de
schatter moet, op straffe van niet-ontvankelijkheid, uiterlijk bij de serment. Le tribunal de la famille statue aussitôt sur cette demande.
beëdiging worden ingediend. Onmiddellijk doet de familierechtbank
uitspraak over deze vraag.
§ 4. De rechtbank wijst een van haar leden aan om over de geschillen § 4. Le tribunal désigne l’un de ses membres pour statuer comme il
waartoe de overname aanleiding kan geven, uitspraak te doen zoals est prévu ci-après sur les contestations auxquelles pourraient donner
hierna is bepaald. lieu les reprises.
Rijzen er betwistingen omtrent de wijze waarop de overname moet S’il s’élève des contestations sur la manière de procéder à la reprise,
geschieden, weigert een van de belanghebbenden daarin toe te si l’un des intéressés refuse de consentir ou n’est pas présent, le juge
stemmen of is hij niet aanwezig, dan worden de belanghebbenden of désigné à cet effet convoque les intéressés ou leurs représentants
19814 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

hun wettelijke vertegenwoordigers ten minste vijftien dagen vooraf bij légaux, au moins quinze jours d’avance, par pli judiciaire. Au jour fixé,
gerechtsbrief opgeroepen door de daartoe aangewezen rechter. Op de les intéressés se réunissent sous la présidence du magistrat qui a fait la
bepaalde dag vergaderen de belanghebbenden onder voorzitterschap convocation. Il peut être passé outre, même en l’absence d’un ou de
van de magistraat die hen heeft opgeroepen. Zelfs bij afwezigheid van plusieurs intéressés. Le cas échéant, le juge présidant la réunion désigne
een of meer belanghebbenden kan tot de werkzaamheden worden un notaire pour remplacer les absents, recevoir leurs parts et en donner
overgegaan. In voorkomend geval benoemt de rechter, die de vergade- décharge. Les honoraires du notaire sont à la charge des parties qu’il
ring voorzit, een notaris om de afwezigen te vervangen, hun aandelen représente. Le juge vide les contestations et renvoie les parties, pour la
te ontvangen en er ontvangstbewijs van te geven. Het ereloon van de passation de l’acte, devant le notaire désigné par elles ou devant un
notaris moet betaald worden door de partijen die hij vertegenwoordigt. notaire nommé d’office, si les parties ne s’accordent pas sur le choix.
De rechter beslecht de geschilpunten en verwijst partijen voor het
verlijden van de akte naar de door hen aangewezen notaris of, indien
zij het over deze keus niet eens kunnen worden, naar een ambtshalve
benoemde notaris.
Art. 4.109. Tijdelijk vervreemdingsverbod Art. 4.109. Interdiction d’aliénation temporaire
Behoudens om een ernstige reden, vooraf door de familierechtbank Sauf pour un motif grave, reconnu valable au préalable par le
als geldig erkend, kan de overnemer gedurende een tijdvak van vijf jaar tribunal de la famille, le reprenant ne pourra, pendant une période de
met ingang van de datum waarop de akte van overname is verleden, de cinq années prenant cours à la date de la passation de l’acte de reprise,
overgenomen onroerende goederen niet vervreemden. aliéner les biens immeubles, objets de la reprise.
De overnemer die een ernstige reden aanvoert, dient een verzoek- Le reprenant qui allègue un motif grave, présente une requête au
schrift in bij de familierechtbank van het gerechtelijk arrondissement tribunal de la famille de l’arrondissement judiciaire dans lequel est
waarin het goed met het grootste kadastraal inkomen gelegen is. situé le bien dont le revenu cadastral est le plus élevé.
De griffier roept, ten minste vijftien dagen vooraf, bij gerechtsbrief Le greffier convoque, par pli judiciaire, au moins quinze jours à
alle partijen op, die bij de overname betrokken waren. De rechtbank l’avance, toutes les parties intéressées à la reprise. Le tribunal accorde
verleent of weigert haar toestemming na partijen te hebben gehoord. ou refuse l’autorisation après avoir entendu les parties.
Indien de overnemer de goederen zonder machtiging geheel of Si le reprenant aliène, sans autorisation, tout ou partie des biens, il
gedeeltelijk vervreemdt, is hij gehouden aan ieder van de gewezen sera tenu de verser à chacun des anciens copropriétaires ou à leurs
mede-eigenaars of aan hun erfgenamen een vaste vergoeding te héritiers une indemnité fixée forfaitairement à vingt pour cent de la
betalen, ten bedrage van twintig procent van hetgeen zij hebben somme reçue par eux pour prix de la reprise.
ontvangen als prijs voor de overname.
Hetzelfde geldt in geval van gezamenlijke overname, wanneer een Il en est de même, en cas de reprise conjointe, si l’un des reprenants
van de overnemers zijn onverdeelde rechten zonder voorafgaande aliène sans autorisation préalable ses droits indivis à une personne
machtiging aan iemand anders dan een medeovernemer afstaat. autre qu’un coreprenant.
Art. 4.110. Verplichte voortzetting van de exploitatie Art. 4.110. Obligation de poursuivre l’exploitation
De overnemer of ten minste een van hen, wanneer er meerdere zijn, Le reprenant ou au moins l’un d’eux en cas de pluralité de
is gehouden de overgenomen onroerende goederen binnen drie reprenants, est tenu d’occuper et d’exploiter personnellement les biens
maanden en gedurende vijf jaar na de datum waarop de akte van immeubles, objets de la reprise, dans les trois mois et pendant cinq
overname is verleden, persoonlijk te betrekken en te exploiteren. Zo années à dater de la passation de l’acte de reprise, sous peine de verser
niet moet hij aan ieder van de gewezen mede-eigenaars of aan hun à chacun des anciens propriétaires ou à leurs héritiers une indemnité
erfgenamen een vaste vergoeding betalen ten bedrage van twintig fixée forfaitairement à vingt pour cent de la somme totale reçue par eux
procent van hetgeen zij in totaal hebben ontvangen als prijs voor de pour prix de la reprise.
overname.
De overnemer kan, om een ernstige reden, van de verplichting om de Le reprenant peut être relevé pour motif grave, de cette obligation
goederen persoonlijk te betrekken en te exploiteren worden ontslagen, d’occuper et d’exploiter personnellement, soit au moment de la reprise,
hetzij op het ogenblik van de overname, hetzij later, door de familie- soit ultérieurement par le tribunal de la famille de l’arrondissement
rechtbank van het gerechtelijk arrondissement waarin het goed met het judiciaire dans lequel est situé le bien dont le revenu cadastral est le
grootste kadastraal inkomen gelegen is. plus élevé.
In het laatste geval moet dezelfde procedure worden gevolgd als die Dans ce dernier cas, la procédure à suivre est identique à celle prévue
welke in artikel 4.109 is bepaald. à l’article 4.109.
Art. 4.111. Verschuldigde vergoedingen Art. 4.111. Indemnités dues
De vergoedingen bepaald in de artikelen 4.109 en 4.110 worden niet Les indemnités prévues aux articles 4.109 et 4.110 ne se cumulent pas.
gecumuleerd. De betaling van één ervan stelt de overnemer vrij van alle Le paiement de l’une d’elles libère le reprenant de toute autre
andere verplichtingen. obligation.
De overnemer kan zich van de in de artikelen 4.109 en 4.110 gestelde Le reprenant peut se libérer des interdictions et obligations édictées
verbodsbepalingen en verplichtingen bevrijden en de vaste vergoeding aux articles 4.109 et 4.110 et ne pas encourir la pénalité forfaitaire de
van 20 procent vermijden, indien hij de overgenomen uit hun aard vingt pour cent, s’il procède à la vente par adjudication publique de
onroerende goederen gezamenlijk bij openbare toewijzing verkoopt. In l’ensemble des immeubles par nature repris mais dans ce cas, si le
dat geval komt, indien de opbrengst van die verkoop groter is dan de produit de cette vente dépasse la valeur qui a servi de base à leur
waarde die aan hun overname ten grondslag lag, het verschil als reprise, la différence reviendra à titre d’indemnités, à tous les anciens
vergoeding echter toe aan alle gewezen mede-eigenaars of aan hun copropriétaires ou à leurs héritiers dans la proportion de la part qu’ils
erfgenamen in verhouding tot hun aandeel bij de overname. possédaient lors de la reprise.
Art. 4.112. Vordering tot betaling Art. 4.112. Action en paiement
De vordering tot betaling van de in de artikelen 4.109 en 4.110 L’action en paiement des indemnités prévues aux articles 4.109 et
bepaalde vergoedingen behoort tot de bevoegdheid van de rechtbank 4.110 est de la compétence de la juridiction qui a statué sur la reprise.
die over de overname heeft beslist.
Zij moet op straffe van verval worden ingediend binnen een jaar na Elle doit être, à peine de forclusion, introduite dans l’année qui suit
de verkoop, de ontruiming van de woning of de staking van het bedrijf la vente, l’évacuation de l’habitation ou la cession de l’exploitation qui
die er aanleiding toe geeft. y donne lieu.
Art. 4.113. Hoger beroep en verzet Art. 4.113. Appel et opposition
De beslissingen, gewezen in de gevallen waarvan sprake in deze Les décisions rendues dans les divers cas dont question dans le
Ondertitel, zijn niet vatbaar voor hoger beroep indien het kadastraal présent Sous-titre sont en dernier ressort si le revenu cadastral de
inkomen van al de onroerende goederen, op de dag van overname, l’ensemble des immeubles, au jour de la reprise, ne dépasse pas
520 euro niet te boven gaat. 520 euros.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19815

Binnen dezelfde perken zijn die zaken niet vatbaar voor verzet. Dans les mêmes limites, ces affaires ne sont pas susceptibles
d’opposition.
Ondertitel 10. Erfregeling landbouwbedrijven Sous-titre 10. Régime successoral des exploitations agricoles
Art. 4.114. Afwijkende regeling Art. 4.114. Disposition dérogatoire
§ 1. Voor de erfregeling van landbouwbedrijven en met het oog op de § 1er. Pour le régime successoral des exploitations agricoles et en vue
continuïteit ervan gelden de bepalingen van deze Ondertitel. de leur continuité, les règles du présent sous-titre s’appliquent.
Onder “landbouwbedrijf” moet, voor de toepassing van deze Il faut entendre par “exploitation agricole”, pour l’application du
Ondertitel, worden verstaan het geheel van de roerende en onroerende présent Sous-titre, l’ensemble des meubles et immeubles affectés à toute
goederen bestemd voor iedere activiteit, grondgebonden of niet, die activité, liée ou non au sol, qui a trait aux grandes cultures, à l’élevage
betrekking heeft op de akkerbouw, de veeteelt, de pluimveeteelt, de du bétail, à l’aviculture, aux cultures maraîchères, aux cultures
groenteteelt, de fruitteelt, de viskwekerij, de bijenkweek, de druiven- fruitières, à la pisciculture, à l’apiculture, à la viticulture, à la
teelt, de bloementeelt, de sierplantenteelt, de teelt van zaad- en floriculture, à la culture de plantes ornementales, à la culture de
pootgoed, de boomkwekerijen evenals de productie van kerstbomen. semences et de plants, aux pépinières ainsi qu’à la production de sapins
de Noël.
§ 2. Onder voorbehoud van de rechten die artikel 2.3.13 aan de § 2. Sous réserve de l’article 2.3.13 qui règle les droits du conjoint
langstlevende echtgenoot toekent is, wanneer de toepassingsvoorwaar- survivant, lorsque les conditions d’application du présent Sous-titre
den van deze Ondertitel vervuld zijn, Ondertitel 9 betreffende kleine sont remplies, l’application du Sous-titre 9 relatif aux petits héritages
nalatenschappen niet van toepassing. est exclue.
Art. 4.115. Behoud van de onverdeeldheid Art. 4.115. Maintien de l’indivision
Wanneer een van de mede-erfgenamen minderjarig is en minstens Lorsqu’un des cohéritiers est mineur et âgé de seize ans au moins,
zestien jaar oud, kan de familierechtbank, op verzoek van de wettelijke l’indivision de l’exploitation agricole peut, à la demande des représen-
vertegenwoordigers van de minderjarige, de onverdeeldheid van het tants légaux du mineur, être maintenue par le tribunal de la famille
landbouwbedrijf in stand houden voor een periode die de meerderja- pour un terme ne se prolongeant pas au-delà de la majorité de ce
righeid van deze mede-erfgenaam niet kan overschrijden. cohéritier.
De beslissing, waarbij de familierechtbank de onverdeeldheid in La décision du maintien de l’indivision est transcrite dans un registre
stand houdt, wordt overgeschreven in het register van het bevoegde au bureau compétent de l’Administration générale de la Documenta-
kantoor van de Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumen- tion patrimoniale.
tatie.
Bij gebreke aan overschrijving kan men zich op die beslissing niet À défaut de transcription, cette décision n’est pas opposable aux tiers
beroepen ten aanzien van derden te goeder trouw die een concurrent de bonne foi qui disposent d’un droit concurrent sur le bien immobilier.
recht op het onroerend goed hebben.
Art. 4.116. Recht op overname Art. 4.116. Droit de reprise
Onder voorbehoud van de toepassing van de bepalingen die de Sous réserve des dispositions qui déterminent les droits du conjoint
rechten van de langstlevende echtgenoot en van de langstlevende survivant et du cohabitant légal survivant, chacun des héritiers en ligne
wettelijk samenwonende vaststellen, heeft ieder van de erfgenamen in directe descendante a la faculté, lorsqu’une succession comprend pour
de rechte neerdalende lijn, wanneer een nalatenschap voor het geheel of la totalité ou pour une quotité une exploitation agricole, de reprendre,
voor een deel een landbouwbedrijf bevat, het recht van overname naar sur estimation, les biens meubles et immeubles qui constituent
schatting van de roerende en onroerende goederen die behoren tot het l’exploitation agricole.
landbouwbedrijf.
Een dergelijk recht heeft een erfgenaam in de rechte neerdalende lijn Un héritier en ligne directe descendante a également cette faculté,
ook, onder hetzelfde voorbehoud, indien de nalatenschap niet voor het sous la même réserve, dans le cas où la succession ne comprend pas
geheel of voor een deel een landbouwbedrijf bevat, maar wel onroe- pour la totalité ou pour une quotité une exploitation agricole, mais bien
rende goederen die behoorden tot het landbouwbedrijf van de erflater des biens immeubles qui faisaient partie de l’exploitation agricole du
en deze erfgenaam thans exploitant is van deze goederen in het kader défunt, et que cet héritier est à ce moment exploitant de ces biens dans
van zijn eigen landbouwbedrijf. le cadre de sa propre exploitation agricole.
De wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarige of van de Les représentants légaux du mineur ou de la personne protégée qui
beschermde persoon die krachtens artikel 492/1, § 2, derde lid, 1°, van ont été expressément déclarés incapables d’aliéner des biens en vertu
het oud Burgerlijk Wetboek, uitdrukkelijk onbekwaam zijn verklaard de l’article 492/1, § 2, alinéa 3, 1°, de l’ancien Code civil, ne peuvent
om goederen te vervreemden, mogen het recht van overname alleen exercer le droit de reprise qu’avec l’autorisation du juge de paix du for
uitoefenen met machtiging van de vrederechter van het voogdij- of de la tutelle ou de l’administration des biens.
bewindsforum.
Art. 4.117. Voorrangregeling Art. 4.117. Ordre de priorité
Willen verscheidene belanghebbenden het recht van overname Lorsque plusieurs intéressés veulent user du droit de reprise, la
uitoefenen, dan wordt de voorkeur bij voorrang en in de volgorde préférence revient par priorité et dans l’ordre:
gegeven aan:
a) degene of degenen die door de erflater bij testament zijn a) à celui ou à ceux qui ont été désignés par testament par le défunt
aangewezen en die op het ogenblik van het overlijden het hele bedrijf et qui, au moment du décès, exploitent la totalité ou une partie de
van de erflater of een gedeelte ervan op regelmatige en voortdurende l’exploitation du défunt d’une façon régulière et durable ou qui, au
wijze exploiteren of die op het ogenblik van het overlijden op moment du décès, collaborent d’une façon régulière et durable à
regelmatige en voortdurende wijze in het bedrijf van de erflater l’exploitation du défunt;
meewerken;
b) degene of degenen die op het ogenblik van het overlijden het hele b) à celui ou à ceux qui, au moment du décès, exploitent la totalité ou
bedrijf van de erflater of een gedeelte ervan op regelmatige en une partie de l’exploitation du défunt d’une façon régulière et durable
voortdurende wijze exploiteren of die op het ogenblik van het ou qui, au moment du décès, collaborent d’une façon régulière et
overlijden op regelmatige en voortdurende wijze in het bedrijf van de durable à l’exploitation du défunt;
erflater meewerken;
c) degene of degenen die op het ogenblik van het overlijden niet aan c) à celui ou à ceux qui, au moment du décès, ne participent pas à
het bedrijf van de erflater deelnemen zoals bepaald onder punt a) maar l’exploitation du défunt au sens du point a), mais qui ont été désignés
die door de erflater bij testament zijn aangewezen; par testament par le défunt;
d) degene die onroerende goederen exploiteert die vroeger behoor- d) à celui qui exploite des biens immeubles qui appartenaient
den tot het landbouwbedrijf van de erflater, maar die hij nu exploiteert auparavant à l’exploitation agricole du défunt, mais qui les exploite
in het kader van zijn eigen landbouwbedrijf. désormais dans le cadre de sa propre exploitation agricole.
19816 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

Eisen meerdere erfgenamen die tot eenzelfde bevoorrechte categorie Si plusieurs héritiers, faisant partie d’une même catégorie prioritaire
behoren op grond van een van de gevallen bepaald in het eerste lid, a), sur la base de l’un des cas visés à l’alinéa 1er a), b), c), ou d),
b), c), of d) het recht van overname op, dan kunnen zij gezamenlijk tot revendiquent le droit de reprise, ils peuvent faire cette reprise
die overname overgaan. conjointement.
Art. 4.118. Schatting Art. 4.118. Estimation
Wanneer een belanghebbende of zijn schuldeiser dit vraagt, wordt er Si un intéressé ou son créancier en fait la demande, il est procédé à
tot de schatting overgegaan door toedoen van de familierechtbank, die l’estimation par le soin du tribunal de la famille qui peut nommer à cet
daartoe een of meer schatters mag benoemen. Door de familierechtbank effet un ou plusieurs experts. Le tribunal de la famille statue sur la
wordt uitspraak gedaan op de minuut van het verzoekschrift. Haar minute de la requête, son ordonnance est exécutoire sur minute. Le
bevelschrift is uitvoerbaar op de minuut. Bij gerechtsbrief geeft de greffier avertit les intéressés, par pli judiciaire, du jour et de l’heure de
griffier aan de belanghebbenden kennis van de dag en het uur waarop la prestation de serment de l’expert et leur communique le nom de ce
de eed zal worden afgelegd door de schatter, alsook van zijn naam; dernier; celui-ci fixe aussitôt les jour et heure de ses opérations. La
deze bepaalt onverwijld dag en uur voor zijn verrichtingen. De schatter prestation de serment de l’expert ne peut intervenir qu’au plus tôt
kan de eed niet eerder afleggen dan vijftien dagen na de dag waarop de quinze jours après la date d’expédition du pli judiciaire. Les intéressés
gerechtsbrieven zijn verstuurd. De belanghebbenden die bij de beëdi- qui n’ont pas comparu à la prestation de serment sont avertis par pli
ging niet zijn opgekomen, worden door de griffier bij gerechtsbrief judiciaire du greffier. Toute demande en récusation de l’expert doit être
verwittigd. Elke eis tot wraking van de schatter moet, op straffe van présentée sous peine de déchéance, au plus tard lors de la prestation de
niet-ontvankelijkheid, uiterlijk bij de beëdiging worden ingediend; serment; le tribunal de la famille statue aussitôt sur cette demande.
onmiddellijk doet de familierechtbank uitspraak over deze vraag.
De rechtbank wijst een van haar leden aan om over de geschillen Le tribunal désigne l’un de ses membres pour statuer comme il est
waartoe de overname aanleiding mocht geven, uitspraak te doen zoals prévu ci-après sur les contestations auxquelles pourraient donner lieu
hierna is bepaald. les reprises.
Rijzen er betwistingen omtrent de wijze waarop de overname moet S’il s’élève des contestations sur la manière de procéder à la reprise,
geschieden, weigert een van de belanghebbenden daarin toe te si l’un des intéressés refuse de consentir ou n’est pas présent, le juge
stemmen of is hij niet aanwezig, dan worden de belanghebbenden of désigné à cet effet convoque les intéressés ou leurs représentants
hun wettelijke vertegenwoordigers ten minste vijftien dagen vooraf bij légaux, au moins quinze jours à l’avance, par pli judiciaire. Au jour fixé,
gerechtsbrief opgeroepen door de daartoe aangewezen rechter. Op de les intéressés se réunissent sous la présidence du magistrat qui a fait la
bepaalde dag vergaderen de belanghebbenden onder voorzitterschap convocation. Il peut être passé outre, même en l’absence d’un ou de
van de magistraat die hen heeft opgeroepen. Zelfs bij afwezigheid van plusieurs intéressés. Le cas échéant, le juge présidant la réunion désigne
een of meer belanghebbenden kan tot de werkzaamheden worden un notaire pour remplacer les absents, recevoir leurs parts et en donner
overgegaan. In voorkomend geval benoemt de rechter die de vergade- décharge; les honoraires du notaire sont à la charge des parties qu’il
ring voorzit, een notaris om de afwezigen te vervangen, hun aandelen représente. Le juge vide les contestations et renvoie les parties, pour la
te ontvangen en er ontvangstbewijs van te geven; het ereloon van de passation de l’acte, devant le notaire désigné par elles ou devant un
notaris moet betaald worden door de partijen die hij vertegenwoordigt. notaire nommé d’office, si les parties ne s’accordent pas sur le choix.
De rechter beslecht de geschilpunten en verwijst de partijen voor het
verlijden van de akte naar de door hen aangewezen notaris of, indien
zij het over deze keus niet eens kunnen worden, naar een ambtshalve
benoemde notaris.
Art. 4.119. Verplichte voortzetting van de exploitatie Art. 4.119. Obligation de poursuivre l’exploitation
De overnemer is gehouden de overgenomen onroerende goederen Le reprenant est tenu d’exploiter lui-même ou par son conjoint, par
binnen zes maanden en gedurende tien jaar na de datum waarop de ses descendants ou enfants adoptifs ou par les conjoints de ses
akte van overname is verleden, zelf of in de persoon van zijn descendants ou enfants adoptifs, les biens immeubles, objets de la
echtgenoot, van zijn afstammelingen of geadopteerde kinderen of van reprise, dans les six mois et pendant dix années à dater de la passation
de echtgenoten van zijn afstammelingen of geadopteerde kinderen te de l’acte de reprise. Le reprenant ne peut être relevé de cette obligation
exploiteren. De overnemer kan enkel om een ernstige door de que pour un motif grave reconnu valable par le tribunal de la famille.
familierechtbank als geldig erkende reden van deze verplichting
ontheven worden.
De overnemer die een ernstige reden aanvoert, dient een verzoek- Le reprenant qui allègue un motif grave, présente une requête au
schrift in bij de familierechtbank van het gerechtelijk arrondissement tribunal de la famille de l’arrondissement judiciaire dans lequel est
waarin het goed met het hoogste kadastraal inkomen gelegen is. situé le bien dont le revenu cadastral est le plus élevé.
De griffier roept, ten minste vijftien dagen vooraf, bij gerechtsbrief Le greffier convoque, par pli judiciaire, au moins quinze jours à
alle partijen op die bij de overname betrokken waren. De familierecht- l’avance, toutes les parties intéressées à la reprise. Le tribunal accorde
bank verleent of weigert haar toestemming na de partijen te hebben ou refuse l’autorisation, après avoir entendu les parties.
gehoord.
Indien de overnemer, zonder toestemming van de familierechtbank, Si, sans l’autorisation du tribunal, le reprenant omet d’exécuter
de in het eerste lid bedoelde verplichting niet nakomt, moet hij aan l’obligation prévue par l’alinéa 1er, il sera tenu de verser à chacun des
ieder van de gewezen mede-eigenaars of aan hun erfgenamen een vaste anciens copropriétaires ou à leurs héritiers une indemnité fixée
vergoeding betalen ten bedrage van vijfendertig procent van hun forfaitairement à trente-cinq pour cent de leur part du prix de la reprise.
aandeel in de overnameprijs.
In geval van gezamenlijke overname kan elke overnemer nochtans En cas de reprise conjointe, chaque reprenant peut toutefois céder
de exploitatie aan een medeovernemer afstaan zonder voorafgaande l’exploitation à un coreprenant sans autorisation préalable.
machtiging.
Art. 4.120. Tijdelijk vervreemdingsverbod Art. 4.120. Interdiction d’aliénation temporaire
Behoudens om een ernstige reden, vooraf door de familierechtbank Sauf pour un motif grave, reconnu valable au préalable par le
als geldig erkend, kan de overnemer gedurende een periode van tien tribunal de la famille, le reprenant ne peut, pendant une période de dix
jaar met ingang van de datum waarop de akte van overname is années prenant cours à la date de la passation de l’acte de reprise,
verleden, de overgenomen onroerende goederen niet vervreemden. aliéner les biens immeubles, objets de la reprise.
De overnemer die een ernstige reden aanvoert, dient een verzoek- Le reprenant qui allègue un motif grave, présente une requête au
schrift in bij de familierechtbank van het gerechtelijk arrondissement tribunal de la famille de l’arrondissement judiciaire dans lequel est
waarin het goed met het hoogste kadastraal inkomen gelegen is. situé le bien dont le revenu cadastral est le plus élevé.
De griffier roept, ten minste vijftien dagen vooraf, bij gerechtsbrief Le greffier convoque, par pli judiciaire, au moins quinze jours à
alle partijen op, die bij de overname betrokken waren. De familierecht- l’avance, toutes les parties intéressées à la reprise. Le tribunal accorde
bank verleent of weigert haar toestemming na de partijen te hebben ou refuse l’autorisation, après avoir entendu les parties.
gehoord.
Indien de overnemer de goederen zonder toestemming geheel of Si le reprenant aliène tout ou partie des biens sans autorisation, il sera
gedeeltelijk vervreemdt, moet hij aan ieder van de gewezen mede- tenu de verser à chacun des anciens copropriétaires ou à leurs héritiers
eigenaars of aan hun erfgenamen een vaste vergoeding betalen, ten une indemnité fixée forfaitairement à trente-cinq pour cent de leur part
bedrage van vijfendertig procent van hun aandeel in de overnameprijs. du prix de la reprise.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19817

In geval van gezamenlijke overname kan elke overnemer nochtans En cas de reprise conjointe, chaque reprenant peut toutefois céder
zijn onverdeelde rechten zonder voorafgaande machtiging aan een sans autorisation préalable ses droits indivis à un coreprenant.
medeovernemer afstaan.
Art. 4.121. Geen cumul van vergoedingen Art. 4.121. Pas de cumul d’indemnités
De vergoedingen bepaald in de artikelen 4.119 en 4.120 worden niet Les indemnités prévues aux articles 4.119 et 4.120 ne se cumulent pas.
gecumuleerd.
Art. 4.122. Vordering tot betaling Art. 4.122. Action en paiement
De vordering tot betaling van de in de artikelen 4.119 en 4.120 L’action en paiement des indemnités prévues aux articles 4.119 et
bepaalde vergoedingen, moet op straffe van verval worden ingediend 4.120 doit être, à peine de forclusion, introduite dans les trois ans qui
binnen drie jaar na de staking van het bedrijf of de vervreemding die er suivent la cessation de l’exploitation ou l’aliénation qui y donne lieu.
aanleiding toe geeft.
Ieder van de gewezen mede-eigenaars of hun erfgenamen kunnen Chacun des anciens copropriétaires ou leurs héritiers peuvent
een verzoekschrift indienen bij de familierechtbank van het gerechtelijk présenter une requête au tribunal de la famille de l’arrondissement
arrondissement waarin het goed met het hoogste kadastraal inkomen judiciaire dans lequel est situé le bien dont le revenu cadastral est le
gelegen is. plus élevé.
Art. 4.123. Beperkte overname Art. 4.123. Reprise limitée
De overname kan beperkt worden tot een deel van het landbouwbe- La reprise peut se limiter à une partie de l’exploitation agricole. Dans
drijf. In dit geval duidt de belanghebbende de goederen aan die hij ce cas, l’intéressé désigne les biens qu’il reprend sans qu’il puisse porter
overneemt zonder zijn mede-erfgenamen te kunnen benadelen. In préjudice à ses cohéritiers. En cas de contestation, le juge compétent
geval van betwisting beslist de bevoegde rechter. tranchera.
In de volgorde van de verdere voorkeurscategorieën kan het Dans l’ordre des priorités subséquentes, le droit de reprise peut
overnamerecht uitgeoefend worden op de overblijvende goederen. s’exercer sur les biens restants. En cas de pluralité de reprenants dans
Wanneer er verscheidene overnemers van een zelfde categorie zijn, une même catégorie, ceux-ci désignent conjointement les biens qu’ils
duiden ze gezamenlijk de goederen aan die ze overnemen. reprennent.
Art. 4.124. Verzet tegen de overname. Art. 4.124. Opposition à la reprise.
Ieder van de mede-erfgenamen kan zich verzetten tegen het recht Chacun des cohéritiers peut s’opposer au droit de reprise pour les
van overname wanneer de betrokken ongebouwde goederen gelegen biens concernés non bâtis situés dans des zones d’habitat telles qu’elles
zijn in woongebieden, zoals deze omschreven zijn krachtens de ont été délimitées en vertu de la législation relative à l’aménagement du
wetgeving inzake ruimtelijke ordening en de stedenbouw. territoire et de l’urbanisme.
Het verzet geldt alleen voor bouwgronden waarop zich geen L’opposition ne vaut que pour les terrains à bâtir ne comportant pas
gebouwen bevinden die gebruikt worden in een landbouwbedrijf. Het de bâtiments affectés à l’exploitation agricole. Cette opposition ne porte
verzet heeft geen gevolg voor de andere goederen die bij de overname pas sur les autres biens concernés par la reprise.
betrokken zijn.
Ondertitel 11. Centraal erfrechtregister Sous-titre 11. Registre central successoral
Art. 4.125. Doeleinden Art. 4.125. Finalités
Het centraal erfrechtregister is een geïnformatiseerde gegevensbank Le registre central successoral est une banque de données informa-
met als doeleinde: tisée ayant comme finalité:
1° binnen de perken van de bepalingen van deze ondertitel, de 1° de permettre, dans les limites précisées dans le présent sous-titre,
raadpleging en de mededeling aan derden, op elektronische wijze of, in la consultation et la communication aux tiers, par la voie électronique,
voorkomend geval, per post, mogelijk te maken; ou, le cas échéant, par la voie postale;
a) van informatie met betrekking tot de akten waarin de identiteit a) des informations relatives aux actes déterminant l’identité des
wordt bepaald van de personen die tot een opengevallen nalatenschap personnes appelées à une succession ouverte;
zijn geroepen;
b) van de identiteit van de personen die een nalatenschap hebben b) de l’identité des personnes ayant renoncé ou accepté une
verworpen of aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving; succession sous bénéfice d’inventaire;
c) van de gerechtelijke maatregelen genomen met betrekking tot het c) des mesures judiciaires prises relativement à l’administration
beheer van een nalatenschap. d’une succession.
2° binnen de perken bepaald door Verordening (EU) 2016/679 van 2° le traitement, dans les limites déterminées par le règlement (UE)
het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif
bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking à la protection des personnes physiques à l’égard du traitement des
van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gege- données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et
vens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, de verwerking van de in abrogeant la directive 95/46/CE, des données enregistrées dans le
het centraal register geregistreerde gegevens mogelijk te maken met het registre central à des fins d’intérêt général, et en particulier à des fins
oog op het algemeen belang en in het bijzonder statistische en statistiques et scientifiques, ou afin d’améliorer la qualité du registre.
wetenschappelijke doeleinden, of teneinde de kwaliteit van het register
te verbeteren.
Art. 4.126. Op te nemen akten Art. 4.126. Actes à inscrire
§ 1. In het centraal erfrechtregister worden opgenomen: § 1er. Sont inscrits dans le registre central successoral:
1° de akten en attesten van erfopvolging die door een notaris worden 1° les actes et certificats d’hérédité qui sont établis par un notaire
opgemaakt overeenkomstig artikel 4.59; conformément à l’article 4.59;
2° de Europese erfrechtverklaringen die worden opgemaakt overeen- 2° les certificats successoraux européens, qui sont établis conformé-
komstig artikel 68 van Verordening nr. 650/2012 van het Europees ment à l’article 68 du règlement n° 650/2012 du Parlement européen et
Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het du Conseil du 4 juillet 2012 relatif à la compétence, la loi applicable, la
toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissin- reconnaissance et l’exécution des décisions, et l’acceptation et l’exécu-
gen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten tion des actes authentiques en matière de successions et à la création
op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van d’un certificat successoral européen, ainsi que les certificats successo-
een Europese erfrechtverklaring, alsmede de Europese erfrechtverkla- raux européens qui sont établis par l’autorité judiciaire compétente
ringen die worden opgemaakt door de bevoegde gerechtelijke autori- conformément à l’article 72, alinéa 2, in fine, du même règlement;
teit overeenkomstig artikel 72, tweede lid, in fine, van dezelfde
Verordening;
3° de correcties, de wijzigingen en de intrekkingen van die Europese 3° les rectifications, modifications et retraits desdits certificats
erfrechtverklaringen; successoraux européens;
19818 BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE

4° de akten houdende de verklaring van verwerping, die worden 4° les actes portant la déclaration de renonciation, qui sont établis
opgemaakt overeenkomstig artikel 4.44; conformément à l’article 4.44;
5° de akten houdende de verklaring waarbij een erfgenaam te kennen 5° les actes portant la déclaration d’un héritier qu’il entend ne
geeft dat hij deze hoedanigheid slechts onder voorrecht van boedelbe- prendre cette qualité que sous bénéfice d’inventaire, qui sont établis
schrijving aanneemt, die worden opgemaakt overeenkomstig arti- conformément à l’article 4.49;
kel 4.49;
6° de vonnissen en arresten tot aanwijzing van een beheerder van een 6° les jugements et arrêts portant désignation d’un administrateur
onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaarde nalatenschap over- pour une succession acceptée sous bénéfice d’inventaire conformément
eenkomstig artikel 4.54 of tot aanwijzing van een curator over een à l’article 4.54, ou d’un curateur à succession vacante conformément à
onbeheerde nalatenschap overeenkomstig artikel 4.58 en artikel 1231 l’article 4.58 et à l’article 1231 du Code judiciaire.
van het Gerechtelijk Wetboek.
§ 2. De notaris schrijft de akten en attesten bedoeld in paragraaf 1, 1°, § 2. Le notaire inscrit les actes et certificats visés au paragraphe 1er, 1°,
4° en 5° in. De inschrijving van de Europese erfrechtverklaringen, 4° et 5°. L’inscription des certificats successoraux européens, visés au
bedoeld in paragraaf 1, 2°, die worden opgemaakt door een notaris, paragraphe 1er, 2°, qui sont établis par un notaire, ainsi que les
alsmede de correcties, de wijzigingen en de intrekkingen van deze rectifications, les modifications, et les retraits desdits certificats succes-
Europese erfrechtverklaringen, gebeurt eveneens door de notaris. soraux européens, est effectuée également par le notaire.
De griffier van het rechtscollege dat de beslissing heeft uitgesproken, Le greffier de la juridiction qui a prononcé la décision, communique
stelt het centraal erfrechtregister in kennis van de Europese erfrecht- au registre central successoral les certificats successoraux européens,
verklaringen, bedoeld in paragraaf 1, 2°, die worden opgemaakt door visés au paragraphe 1er, 2°, qui sont établis par l’autorité judiciaire
de bevoegde gerechtelijke autoriteit overeenkomstig artikel 72, tweede lid, compétente conformément à l’article 72, alinéa 2, in fine, du règlement
in fine, van de voormelde Verordening (EU) nr. 650/2012. (UE) n° 650/2012 précité.
Art. 4.127. In te schrijven gegevens Art. 4.127. Données à inscrire
§ 1. Het register bevat de volgende gegevens geldend op het ogenblik § 1er. Le registre contient les données suivantes, en vigueur au
van de inschrijving: moment de l’inscription:
1° van de erflater: 1° du défunt:
a) de naam en voorna(a)m(en); a) les nom et prénom(s);
b) het rijksregisternummer; b) le numéro de registre national;
c) de geboortedatum en –plaats; c) le lieu et la date de naissance;
d) de woonplaats of de gewone verblijfplaats; d) le domicile ou la résidence habituelle;
e) de plaats en de datum van overlijden; e) le lieu et la date du décès;
2° van de aangever, in geval van inschrijving van een verklaring 2° du déclarant, en cas d’enregistrement d’une inscription conformé-
overeenkomstig artikel 4.44 of artikel 4.49: ment à l’article 4.44 ou à l’article 4.49:
a) de naam en voorna(a)m(en) in geval van een natuurlijke persoon, a) les nom et prénom(s) dans le cas d’une personne physique, ou, le
of, de naam of benaming in geval van een rechtspersoon; nom ou la dénomination, dans le cas d’une personne morale;
b) de rechtsvorm in geval van een rechtspersoon; b) la forme juridique dans le cas d’une personne morale;
c) het rijksregisternummer of in voorkomend geval het ondernemings- c) le numéro de registre national ou, le cas échéant, le numéro
nummer; d’entreprise;
d) de geboortedatum en –plaats in geval van een natuurlijke persoon; d) la date et le lieu de naissance dans le cas d’une personne physique;
e) de woonplaatskeuze in geval van een verklaring overeenkomstig e) l’élection de domicile en cas d’une déclaration conformément à
artikel 4.49; l’article 4.49;
3° van de aangestelde curator of beheerder van de nalatenschap, in 3° du curateur ou de l’administrateur de la succession désigné, en cas
geval van inschrijving van een vonnis of arrest tot aanstelling d’inscription d’un jugement ou d’un arrêt de désignation conformé-
overeenkomstig artikelen 4.54 en 4.58: ment aux articles 4.54 et 4.58:
a) de naam en de voorna(a)m(en); a) les nom et prénom(s);
b) de functie; b) la fonction;
c) het kantooradres; c) l’adresse professionnelle;
4° de aard en de datum van de akte, het attest of de Europese 4° la nature et la date de l’acte, du certificat ou du certificat
erfrechtverklaring indien opgemaakt door een notaris, met aanduiding successoral européen s’il a été établi par un notaire, avec indication de
van het voorwerp van de verklaring in geval van inschrijving van een l’objet de la déclaration en cas d’inscription d’une déclaration confor-
verklaring overeenkomstig artikel 4.44 of artikel 4.49; mément à l’article 4.44 ou à l’article 4.49;
5° de aard en de datum van de beslissing houdende de Europese 5° la nature et la date de la décision portant le certificat successoral
erfrechtverklaring indien opgemaakt door de rechtbank of van de européen s’il a été établi par le tribunal ou de l’ordonnance de
beschikking tot aanwijzing van een curator of van een beheerder; désignation d’un curateur ou d’un administrateur;
6° de identificatie van de notaris, die de akte heeft verleden of het 6° l’identification du notaire qui a passé l’acte ou qui a établi le
attest of de Europese erfrechtverklaring heeft opgemaakt, van het certificat ou le certificat successoral européen, de la juridiction qui a
rechtscollege dat de Europese erfrechtverklaring heeft opgemaakt of établi le certificat successoral européen ou de la juridiction qui a rendu
van het rechtscollege dat de beschikking tot aanwijzing van een curator l’ordonnance de désignation d’un curateur ou d’un administrateur;
of van een beheerder heeft gewezen;
7° in voorkomend geval, de NABAN-referentie van de akte of de 7° le cas échéant, la référence NABAN de l’acte ou du certificat
Europese erfrechtverklaring, zoals bedoeld in artikel 18 van de wet van successoral européen, telle que visée à l’article 18 de la loi du
16 maart 1803 tot regeling van het notarisambt; en bij gebrek, het 16 mars 1803 contenant organisation du notariat; et à défaut le numéro
repertoriumnummer, of, voor de attesten van erfopvolging, de referen- de répertoire, ou, pour les certificats d’hérédité, la référence de l’étude;
tie van het kantoor;
8° in voorkomend geval, de referentie volgens de ECLI-standaard 8° le cas échéant, la référence selon le standard ECLI (European Case
(European Case Law Identifier) van de beslissing houdende de Law identifier) de la décision portant le certificat successoral européen
Europese erfrechtverklaring of van de beschikking tot aanwijzing van ou de l’ordonnance de désignation d’un curateur ou d’un administra-
een curator of van een beheerder en bij gebrek, het algemeen teur et à défaut, le numéro de rôle général du jugement ou de l’arrêt.
rolnummer van het vonnis of het arrest.
§ 2. Het centraal erfrechtregister geldt als authentieke bron voor alle § 2. Le registre central successoral tient lieu de source authentique
gegevens die erin zijn opgenomen. des données qui y sont inscrites.
BELGISCH STAATSBLAD — 14.03.2022 — MONITEUR BELGE 19819

Art. 4.128. Inschrijvingskosten Art. 4.128. Frais d’inscription


De Koning bepaalt het tarief van de kosten van de inschrijving in het Le Roi détermine le t