Grammatik C K2 VWO4
Präsens Modalverben
DE können: ö > a dürfen: ü > a mögen: ö > a wollen: o > i
NL kunnen mogen lusten, houden van, willen
lekker / leuk vinden
I kann darf mag will
D kannst darfst magst willst
E kann darf mag will
W können dürfen mögen wollen
I könnt dürft mögt wollt
S können dürfen mögen wollen
DE müssen: ü > u wissen: i + ss > ei + β sollen: o = o möchten: ö = ö
NL moeten weten moeten zou graag willen
I muss weiβ soll möchte
D musst weiβt sollst möchtest
E muss weiβ soll möchte
W müssen wissen sollen möchten
I müsst wisst sollt möchtet
S müssen wissen sollen möchten
1. Wat is het verschil tussen het enkelvoud en meervoud bij de meeste werkwoorden? (6/8)
Tussen het enkelvoud en het meervoud verandert de klank!
2. Wat valt op bij de uitgangen van de meeste werkwoorden (7/8), in vergelijking met
(fe)esttenten?
ik-vorm krijgt geen -e, de hij/zij/het-vorm krijgt geen -t
3. Wat is het betekenisverschil tussen müssen en sollen?
müssen: moeten = noodzaak, het kan niet anders / sollen: moeten = wil/wens/bevel van een ander
Präteritum Modalverben
DE können: ö > o dürfen: ü > u mögen: ö > o + ch wollen: o = o
NL kunnen mogen lusten, houden van, willen
lekker / leuk vinden
I konnte durfte mochte wollte
D konntest durftest mochtest wolltest
E konnte durfte mochte wollte
W konnten durften mochten wollten
I konntet durftet mochtet wolltet
S konnten durften mochten wollten
DE müssen: ü > u wissen: i > u sollen: o = o möchten: ö > o + ch
NL moeten weten moeten zou graag willen
I musste wusste sollte mochte
D musstest wusstest solltest mochtest
E musste wusste sollte mochte
W mussten wussten sollten mochten
I musstet wusstet solltet mochtet
S mussten wussten sollten mochten
1. Wat is de regel voor de verleden tijd?
stam + te + st-n-t-n
2. Met welke andere soort werkwoorden komen de uitgangen van de verleden tijd overeen?
Zwakke werkwoorden
3. Wat kan er nooit (!) in de verleden tijd?
Umlaut!